Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Woensdrecht

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWoensdrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2019
CiteertitelVerordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijk ondersteuning Woensdrecht 2018, vastgesteld op 30-11-2017

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  2. artikel 2.1.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  3. artikel 2.1.5, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  4. artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  5. artikel 2.1.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  6. artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  7. artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-04-201901-01-2019Nieuwe regeling

28-03-2019

gmb-2019-85946

Z19.00497

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2019

De raad van de gemeente Woensdrecht, in vergadering bijeen op 28 maart 2019;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 februari 2019;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gezien;

-overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

-dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

-dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende

zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

-dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als

bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, ondersteuning en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

 

b e s l u i t :

 

  • 1.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijk ondersteuning Woensdrecht 2018, vastgesteld op 30 november 2017, met terugwerkende kracht in te trekken per 1 januari 2019;

  • 2.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2019 vast te stellen en met terugwerkende kracht in werking te laten treden per 1 januari 2019.

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      adequaat: noodzakelijk en passend bij de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen van cliënt;

    • b.

      algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruik behorend. Hierbij is ook van belang of de voorziening tot het aanschaffingspatroon van de cliënt behoort;

    • c.

      algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    • d.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • e.

      college: college van burgemeester en wethouders;

    • f.

      eigen bijdrage: een bijdrage voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura of middels een pgb, welke voor rekening van de cliënt of zijn ouder(s)/verzorger(s) komt.

    • g.

      gebruikelijke hulp: de hulp die mensen elkaar normaal gesproken geven omdat ze een gezin vormen of samenleven.

    • h.

      gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de ondersteuningsvrager vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken; en ruimten die onder het gehuurde vallen en/of waarvan de cliënt gebruik moet kunnen maken;

    • i.

      hoofdverblijf: de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt;

    • j.

      huisgenoot: persoon die met anderen hetzelfde huis bewoont;

    • k.

      hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen, bijvoorbeeld een scootmobiel;

    • l.

      ingezetene: degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Woensdrecht;

    • m.

      maatschappelijke ondersteuning: het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

    • n.

      maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, welke kan worden verstrekt in natura of middels een persoonsgebonden budget.

    • o.

      natura: een maatwerkvoorziening welke in de vorm van een product of dienst rechtstreeks van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder aan de cliënt wordt aangeboden en waarvoor het college de aanbieder betaalt;

    • p.

      niet-professionele zorgverlener: zorgverlener (persoon) welke niet in het bezit is van branche-specifieke diploma’s voor het verlenen van de betreffende maatschappelijke ondersteuning en/of welke voor het verlenen van de betreffende ondersteuning niet in dienst is bij een professionele zorgaanbieder of detacheringsbureau, of hiervoor niet als ZZP’er geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    • q.

      onderhoud: alle noodzakelijke werkzaamheden die nodig zijn om een maatwerkvoorziening bruikbaar voor de cliënt te houden, uitgezonderd reparaties als gevolg van bijvoorbeeld aanrijding en onzorgvuldig gebruik;

    • r.

      pgb (persoonsgebonden budget): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken

    • s.

      professionele zorgaanbieder: organisatie die professionele zorg en ondersteuning verleent en hiervoor geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.

    • t.

      professionele zorgverlener: zorgverlener (persoon) welke in het bezit is van branche-specifieke diploma’s voor het verlenen van de betreffende maatschappelijke ondersteuning en welke voor het verlenen van de betreffende ondersteuning in dienst is bij een professionele zorgaanbieder of detacheringsbureau, of hiervoor als ZZP’er geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;

    • u.

      resultaat: hetgeen met de maatwerkvoorziening bereikt dient te worden om de zelfredzaamheid en/of participatie te behouden of te vergroten;

    • v.

      sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

    • w.

      standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

    • x.

      uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015: Landelijk besluit maatschappelijke ondersteuning op basis van de Wet;

    • y.

      verzamelinkomen: het totaal aan inkomen uit Box 1, 2 en 3 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001;

    • z.

      voorliggende voorziening: voorzieningen niet zijnde een maatwerkvoorziening waarmee aan de hulpvraag tegemoet wordt gekomen;

    • aa.

      voorzienbaarheid: gevolgen van bepaalde handelingen (onder meer gerelateerd aan de aandoeningen, beperkingen en belemmeringen) waarvan aannemelijk is dat er rekening mee kon worden gehouden bij de keuzen die een persoon maakt ten aanzien van zijn zelfredzaamheid en/of participatie;

    • ab.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • ac.

      woonwagen: voor woning ingerichte wagen, die is geplaatst op een standplaats en die in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of elektronisch.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.3.3, van de wet, treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt het uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek en indienen persoonlijk plan

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover hij op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3.

    De cliënt toont in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 4.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

  • 5.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan, als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet, op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Onderzoek: Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt tijdens het gesprek in samenspraak met degene door en/of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met algemeen gebruikelijke hulp of algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid en/of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, als bedoeld in artikel 2.1.2, van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij, of krachtens artikel 2.1.4, van de wet, verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Bij het voeren van het gesprek wordt de International Classification of Functioning, Disability and Health (hierna te noemen: ICF) als basis voor het begrippenkader gehanteerd.

  • 3.

    Als de cliënt een persoonlijk plan, als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 5.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2, van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Onderzoek: (Medische) advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, de cliënt of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen (medische) adviesbureau(s) te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Wanneer er sprake is van de in het vorige lid genoemde advisering, wordt door het (medisch) adviesbureau de ICF classificatie als basis voor het begrippenkader gehanteerd.

  • 3.

    Indien het voor het onderzoek noodzakelijk is om medische informatie over de cliënt op te vragen bij medisch specialisten door de medisch adviseur, is een ondertekende toestemmingsverklaring van de cliënt nodig.

Artikel 7. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek waarbij de ICF classificatie als basis voor het begrippenkader wordt gehanteerd.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 8. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan een verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 9. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie die de cliënt ondervindt;

    • b.

      voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 en/of 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

    • c.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

    • d.

      als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet voorzienbaar was;

    • e.

      de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • 3.

    Als de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid en/of participatie, geldt het primaat van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.

Artikel 10. Afwijzingsgronden

  • 1.

    Algemeen: In de volgende situaties volgt in ieder geval geen verstrekking van een maatwerkvoorziening door het college:

    • a.

      indien de cliënt zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Woensdrecht heeft;

    • b.

      indien het college door de cliënt niet in staat wordt gesteld om door middel van onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, vast te stellen of er een resultaatsverplichting is voor het college;

    • c.

      indien uit het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, blijkt dat er geen sprake is van beperkingen en/of belemmeringen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt;

    • d.

      indien er sprake is van een voorziening waar op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, aanspraak op gemaakt kan worden en dit leidt tot voldoende compensatie om het gewenste resultaat te bereiken;

    • e.

      indien de beperkingen en/of belemmeringen van de cliënt door middel van een algemeen gebruikelijke, algemene, of voorliggende voorziening, of door ondersteuning van het sociale netwerk kunnen worden opgeheven;

    • f.

      indien er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen;

    • g.

      indien cliënt in eigen beheer een oplossing voor de beperkingen heeft gerealiseerd en er geen sprake was van een spoedeisend karakter;

    • h.

      voor zover de melding niet tijdig is gedaan en/of voor zover de melding betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk, tenzij het college hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

    • i.

      indien de voorziening betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens, leef- en woongemeenschappen (of daarmee vergelijkbare woonvormen zoals een klooster), tweede woningen, vakantiewoningen en recreatiewoningen;

  • 2.

    Woningaanpassingen: In de volgende situaties volgt er in ieder geval geen verstrekking van een maatwerkvoorziening door het college indien:

    • a.

      er sprake is van een voorziening in gemeenschappelijke ruimten in die (woon)gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen;

    • b.

      de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau van sociale woningbouw;

    • c.

      een woningaanpassing wordt aangevraagd waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat er sprake is van renovatie;

    • d.

      de ondervonden objectief aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de gebruikte materialen;

    • e.

      de noodzaak tot het treffen van een woningaanpassing het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van functionele beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

    • f.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor door het college schriftelijk toestemming is verleend;

    • g.

      er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning;

    • h.

      de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.

  • 3.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven:

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of

    • b.

      tenzij de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 11. Inhoud besluit

  • 1.

    In het besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;

    • c.

      of de maatwerkvoorziening in natura of middels pgb wordt verstrekt;

    • d.

      wie de maatwerkvoorziening levert;

    • e.

      indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • f.

      indien van toepassing: of er sprake is van een eigen bijdrage;

    • g.

      hoe er bezwaar gemaakt kan worden tegen het besluit.

    • h.

      indien van toepassing: het leveringsplan dat samen met de zorgverlener is opgesteld (in het geval van zorg in natura) of het door de cliënt opgestelde plan (in het geval van een pgb), waarin wordt beschreven hoe de betreffende ondersteuning wordt uitgevoerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening middels pgb wordt in het besluit tevens vastgelegd:

    • a.

      of de cliënt bekwaam wordt geacht een pgb te ontvangen;

    • b.

      welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      hoe de uitbetaling van het pgb aan de ondersteuningsverlener of leverancier wordt geregeld;

    • d.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • e.

      de hoogte van het pgb.

Artikel 12. Regels voor pgb

  • 1.

    Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college de cliënt een pgb ten behoeve van de inkoop van een maatwerkvoorziening in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb indien er sprake is van een spoedeisende situatie.

  • 3.

    Een cliënt wordt bekwaam geacht een pgb te beheren als aan de volgende criteria wordt voldaan:

    • a.

      de cliënt, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, is in staat de eigen situatie te overzien, zelf de zorg te kiezen, zelf zorg te regelen en aan te sturen, en de kwaliteit en voortgang van de zorg te bewaken;

    • b.

      de cliënt, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, is goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en is in staat de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Deze taken omvatten onder andere het opstellen van een budgetplan, het afsluiten van een zorgovereenkomst, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb;

    • c.

      er is bij de cliënt geen sprake van de volgende omstandigheden: aantoonbare schuldenproblematiek, aantoonbare gok- of drugsverslaving, aantoonbare fraude in het verleden, aantoonbaar analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardigheid, medisch aantoonbare sterke vergeetachtigheid/ verstandelijke beperking/ psychische stoornis, het leiden van een zwervend bestaan (welke een belemmering oplevert voor het beheer van een pgb), een dusdanige progressieve aandoening (of een kind in de groei) waarbij te verwachten is dat cliënt de met het pgb aan te schaffen hulpmiddel of sportvoorziening niet gedurende de gehele termijn van zeven jaar (vijf jaar in geval van een sportvoorziening) kan gebruiken en de maatwerkvoorziening tussentijds dient te worden vervangen.

  • 4.

    De hoogte van een pgb:

  • a.

    wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan (waarvan de inhoud door het college nader wordt vastgesteld) over hoe hij het pgb gaat besteden;

  • b.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

  • c.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 5.

    De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:

  • a.

    huishoudelijke ondersteuning:

    • 1.

      uitgevoerd door een professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de noodzakelijke huishoudelijke ondersteuning (regulier, plus of extra), en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura;

    • 2.

      uitgevoerd door een niet-professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de noodzakelijke huishoudelijke ondersteuning (regulier, plus of extra), en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura minus het percentage van dit tarief dat betrekking heeft op de kostprijselementen voor bedrijfsvoering zoals benoemd in artikel 18, lid 3, sub b t/m f;

  • b.

    begeleiding individueel:

    • 1.

      uitgevoerd door een professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de begeleiding (licht, midden, zwaar of offerte), en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura;

    • 2.

      uitgevoerd door een niet-professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de begeleiding (licht, midden, zwaar of offerte), en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura minus het percentage van dit tarief dat betrekking heeft op de kostprijselementen voor bedrijfsvoering zoals benoemd in artikel 18, lid 3, sub b t/m f;

  • c.

    begeleiding groep:

    • 1.

      uitgevoerd door een professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de van de begeleiding (licht, midden of zwaar) en of er wel/geen noodzaak is voor vervoer van en naar de behandellocatie van de professionele zorgverlener, en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura;

    • 2.

      uitgevoerd door een niet-professionele zorgverlener: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de van de begeleiding (licht, midden of zwaar) en of er wel/geen noodzaak is voor vervoer van en naar de behandellocatie van de niet-professionele zorgverlener, en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura minus het percentage van dit tarief dat betrekking heeft op de kostprijselementen voor bedrijfsvoering zoals benoemd in artikel 18, lid 3, sub b t/m f;

  • d.

    kortdurend verblijf: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per etmaal dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura;

  • e.

    ondersteuning bij wonen (beschermd wonen): op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan, rekening houdende met de categorie van de ondersteuning bij wonen (licht, midden of zwaar), de vorm van huisvesting (compleet, huur, zelfstandig), wel/geen groepsbegeleiding, wel/geen noodzaak voor vervoer, en welke niet hoger is dan het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura;

  • f.

    een rolstoelvoorziening: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 1 offerte), rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de kosten voor individuele aanpassingen van de voorziening, en welke niet hoger is dan de kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de betreffende voorziening in natura zou zijn verstrekt;

  • g.

    een sportvoorziening: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 1 offerte), rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de kosten voor individuele aanpassingen van de sportvoorziening, en welke niet hoger is dan de kostprijs van de betreffende sportvoorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als deze in natura zou zijn verstrekt;

  • h.

    een vervoersvoorziening in de vorm van (rolstoel)taxivervoer: op basis van het laagste toepasselijke tarief dat is overeengekomen met een door de gemeente gecontracteerde professionele vervoerder voor het leveren van de betreffende maatwerkvoorziening in natura, uitgaande van maximaal 750-1500 kilometer per jaar, rekening houdende met of er in combinatie met (rolstoel)taxivervoer gebruik gemaakt wordt van een scootmobiel, handbike (of tracker), driewielfiets of ander verplaatsingsmiddel met een gelijkwaardige actieradius;

  • i.

    een alternatieve vervoersvoorziening: op basis van een tarief van € 0,40 per kilometer, uitgaande van maximaal 750-1500 kilometer per jaar, rekening houdende met of er in combinatie met de alternatieve vervoersvoorziening gebruik gemaakt wordt van een scootmobiel, handbike (of tracker), driewielfiets of ander verplaatsingsmiddel met een gelijkwaardige actieradius;

  • j.

    een vervoersvoorziening in de vorm van een autoaanpassing: op basis van de kostprijs voor de noodzakelijke aanpassingen die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 2 offertes);

  • k.

    een woonvoorziening in de vorm van aard- en nagelvaste voorziening: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 3 offertes), rekening houdende met de keuze van de cliënt om het plaatsen van de betreffende maatwerkvoorziening al dan niet te laten geschieden door een erkende leverancier;

  • l.

    een woonvoorziening in de vorm van een los hulpmiddel: op basis van de kostprijs die is opgenomen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 1 offerte), rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de kosten voor individuele aanpassingen van de voorziening, en welke niet hoger is dan de kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de betreffende voorziening in natura zou zijn verstrekt;

  • m.

    een woonvoorziening in de vorm van het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de kostprijs voor de noodzakelijke aanpassingen in het door de cliënt aangeleverde budgetplan (voorzien van ten minste 2 offertes), gelimiteerd tot het bezoekbaar maken van de woonkamer en het toilet van één bepaalde woning welke behoort tot ouder/verzorger of partner van de cliënt;

  • 6.

    Een pgb kan worden besteed aan het inhuren van een persoon uit het sociaal netwerk indien:

  • a.

    deze persoon een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het in het vierde en vijfde lid gehanteerde tarief;

  • b.

    deze persoon zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de betreffende maatschappelijke ondersteuning verbonden zijn;

  • c.

    er bij deze persoon geen sprake is van dreigende overbelasting;

  • d.

    deze persoon niet wordt ingezet voor het leveren van een maatwerkvoorziening waarvoor deze persoon zelf ook een indicatie heeft.

  • 7.

    Een cliënt kan gebruik maken van een vertegenwoordiger of tussenpersoon om zijn belangen te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren indien:

  • a.

    deze vertegenwoordiger voldoet aan de criteria zoals beschreven in het derde lid van dit artikel.

  • b.

    deze vertegenwoordiger niet uit het pgb wordt betaald voor zijn werkzaamheden als vertegenwoordiger.

  • 8.

    Aan de besteding van een pgb zijn de volgende (kwaliteits-)eisen verbonden:

  • a.

    het pgb dient uitsluitend te worden besteed aan de inkoop van een maatwerkvoorziening welke voldoet aan het in het (toekennings)besluit opgestelde programma van eisen en/of waarmee de te bereiken resultaten worden behaald;

  • b.

    de eigen bijdrage mag niet vanuit het pgb worden betaald;

  • c.

    de cliënt dient verantwoording af te leggen voor de besteding van het pgb middels een door het college nader vast te stellen regeling;

  • d.

    een niet-professionele zorgverlener dient te beschikken over een verklaring omtrent gedrag zoals bedoeld in artikel 3.5 Wmo 2015 en zal deze desgevraagd aan de Gemeente overleggen;

  • e.

    bij de inzet van een pgb ten behoeve van huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen:

    • 1.

      de ondersteuning is kwalitatief verantwoord en vergelijkbaar met de ondersteuning zoals deze door de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders voor ondersteuning in natura wordt aangeboden;

    • 2.

      de cliënt dient bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna te noemen SVB) een door de SVB beschikbaar gestelde zorgovereenkomst in, welke volledig ingevuld dient te zijn;

  • f.

    bij de inzet van een pgb ten behoeve van rolstoelvoorzieningen, sportvoorzieningen, aard- en nagelvaste woonvoorzieningen, losse hulpmiddelen ten behoeve van wonen, en autoaanpassingen:

  • 1.

    daar waar opgenomen in het (toekennings)besluit dient de cliënt zorg te dragen voor een aansprakelijkheidsverzekering voor schade die door het gebruik van de betreffende maatwerkvoorziening aan derden kan ontstaan;

  • 2.

    daar waar opgenomen in het (toekennings)besluit dient de cliënt zorg te dragen voor een onderhoudscontract met de leverancier van de betreffende maatwerkvoorziening;

  • 3.

    van de cliënt wordt verwacht dat hij zorgvuldig met de betreffende maatwerkvoorziening omgaat en onnodige schade en slijtage voorkomt;

  • g.

    bij de inzet van een pgb ten behoeve van kortdurend verblijf: er wordt voor de inzet van de ondersteuning gebruik gemaakt van een professionele zorgaanbieder.

Artikel 13. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen (in natura en middels pgb)

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een maatwerkvoorziening middels pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt,

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid van dit artikel is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelvoorzieningen, (rolstoel)taxivervoer en alternatieve vervoersvoorzieningen.

  • 3.

    De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening(en), tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 4.

    De kostprijs van:

    • a.

      een maatwerkvoorziening welke wordt verstrekt in natura: wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de leverancier of aanbieder;

    • b.

      een maatwerkvoorziening welke wordt verstrekt middels een pgb: is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4., zevende lid, van de Wet, worden de eigen bijdragen voor een maatwerkvoorziening welke wordt verstrekt in natura of middels een pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    De eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 294 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gerond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van maatwerkvoorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in ieder geval:

    • a.

      het afstemmen van maatwerkvoorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van maatwerkvoorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van maatwerkvoorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen en de deskundigheid van de beroepskrachten tenminste voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde maatwerkvoorzieningen.

Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het de afhandeling van gemelde calamiteiten en over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 16. Klachtregeling

  • 1.

    Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

Artikel 17. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde, als bedoeld in artikel 2.6.4, van de wet, en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het

    • b.

      aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • c.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        1e. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        2e. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid

    • b.

      van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • c.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing,

    • d.

      werkoverleg;

    • e.

      reis- en opleidingskosten;

    • f.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • g.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportage- en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 19. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen (in natura en middels een pgb) en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura (als bedoeld in artikel 2.3.5, van de wet) of middels een pgb (als bedoeld in 2.3.6, van de wet) (gedeeltelijk) herzien dan wel (gedeeltelijk) intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • c.

      de cliënt niet (langer) voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden of de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt;

    • d.

      de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

    • e.

      de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw;

    • f.

      als het college vaststelt dat de cliënt niet langer zijn/haar hoofdverblijf in de gemeente Woensdrecht heeft.

  • 4.

    Het college kan een beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening middels een pgb (als bedoeld in artikel 2.3.6, van de wet) tevens (gedeeltelijk) herzien dan wel (gedeeltelijk) intrekken als blijkt dat de verantwoording van het pgb niet binnen de door het college nader te bepalen termijn heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, b of c, heeft ingetrokken en als blijkt dat de cliënt opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening:

    • a.

      ingeval de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (in natura of middels een pgb) volledig wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt vanaf het moment van de toekenning van de maatwerkvoorziening tot aan het moment dat de maatwerkvoorziening daadwerkelijk is stopgezet;

    • b.

      ingeval de beslissing tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (in natura of middels een pgb) gedeeltelijk wordt ingetrokken, heeft de terugvordering betrekking op de kosten die zijn gemaakt in de periode dat de cliënt ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de maatwerkvoorziening;

    • c.

      ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, zal deze maatwerkvoorziening tevens worden teruggevorderd.

Artikel 19a. Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van een betaling uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a. d. of e. van de wet.

Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het Steunpunt mantelzorg voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 50,00 en wordt door het college jaarlijks na overleg met het Steunpunt mantelzorg vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Artikel 21. Betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig artikel 2.1.3 van de wet.

  • 2.

    Conform artikel 3, lid 4 Verordening Wmo Adviesraad gemeente Woensdrecht 2015 heeft het college voor vaststelling van de voorliggende Verordening advies gevraagd aan de Wmo Adviesraad.

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuningWoensdrecht 2018 wordt met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 januari 2019.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuningWoensdrecht 2018en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Van het in het derde lid van dit artikel gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.

  • 5.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2018, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Woensdrecht 2019.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 28 maart 2019,

de raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,