Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zuid-Holland

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZuid-Holland
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingGemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Met betrekking tot de tweede wijziging van deze regeling wordt het volgende opgemerkt. De datum van ondertekening betreft de laatste besluitdatum (van de deelnemers) benodigd voor de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling.

De datum van inwerkingtreding van de tweede wijziging is de dag na de dag van bekendmaking in de Staatscourant, derhalve 15 april 2016. Artikel V bepaalt dat deze wijziging in werking treedt op 1 januari 2016. Dit is opgevat als dat de wijziging terugwerkende kracht heeft tot genoemde datum.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet gemeenschappelijke regelingen, art. 51

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-04-201601-01-2016Tweede wijziging (wijziging van de artikelen 6, 13, 24 en 26).

09-02-2016

Staatscourant 2016, 19682

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling omgevingsdienst Haaglanden (provinciaal blad 2012, 113; eerste wijziging Stc. 2015, 10305; tweede wijziging Stc. 2016, 19682)

Versie 28 april 2011, vastgesteld door stuurgroep

ODH 11 januari 2012

Behoort bij Bedrijfsplan en bijlagenboek ODH, versie

2.0

 

Door de Stuurgroep voorgedragen voor besluitvorming in de Colleges

 

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd,

 

Overwegende dat:

 

Het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afspraken hebben gemaakt over de vorming van regionale uitvoeringsdiensten, het takenpakket dat deze diensten in ieder geval moeten gaan uitvoeren en de kwaliteitsnormering van vergunningverlening en handhaving;

 

 

de provincie Zuid-Holland en de deelnemende gemeenten op 3 februari 2010 de overeenkomst hebben ondertekend waarin de intentie is uitgesproken om te komen tot de oprichting van een omgevingsdienst in de regio Haaglanden;

 

de Omgevingsdienst Haaglanden namens de provincie en de deelnemende gemeenten vergunningverlenende, toezichthoudende en handhavingstaken gaat uitvoeren op het gebied van het milieu- en omgevingsdomein;

dat de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland zijn overeengekomen een gemeenschappelijke regeling te treffen voor het vormen van een omgevingsdienst.

 

Gelet op:

 

de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Provinciewet, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;

 

de toestemming van provinciale staten van Zuid- Holland van 28 maart 2012

de toestemmingen van de gemeenteraden.

 

BESLUITEN:

 

de volgende gemeenschappelijke regeling te treffen onder de naam “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Haaglanden”:

 

 

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Algemene bepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst.

  • b.

    college: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, te weten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden- Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer.

  • c.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst.

  • d.

    gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten.

  • e.

    deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten en de provincie Zuid-Holland.

  • f.

    gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland.

  • g.

    omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel3 van de regeling.

  • h.

    provinciale staten: provinciale staten van Zuid- Holland.

  • i.

    raden: de raden van de gemeenten.

  • j.

    regeling: de Gemeenschappelijke regelingOmgevingsdienst Haaglanden.

  • k.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hoofdstuk 2: Omgevingdienst Haaglanden

 

Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Haaglanden

 

Artikel 2. Doelstelling

Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen ende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten.

 

Artikel 3. Instelling

1.Er is een openbaar lichaam, genaamdOmgevingsdienst Haaglanden.

2.De omgevingsdienst is gevestigd op het grondgebied van één van de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 4. Taken

1.Het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de zorg voor het milieu, bouw en RO, één en ander afhankelijk van de per deelnemer

af te nemen taken, en de uitvoering van programma’s en projecten voor de deelnemers, waaronder begrepen het voor de gemeenten ontwikkelen en handhaven van een

gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde staten leveren van technische inbreng, zoals in milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapportages, het uitvoeren van onderzoek en metingen en het leveren van een bijdrage aan beleidsontwikkeling.

2. Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de diverse colleges vastgestelde beleid op het gebied van:

  • a.

    De Wet milieubeheer, met uitzondering van de titels 10.4 en 10.5 en artikel 10.63, eerste lid.

  • b.

    De Wet geluidhinder.

  • c.

    De Wet bodembescherming.

  • d.

    De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met c genoemde wetten.

  • e.

    Alsmede milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in onder a tot en met d.

3. Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de diverse colleges vastgestelde beleid op het gebied van:

  • a.

    De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

  • b.

    De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a genoemde wet.

  • c.

    Alsmede handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd onder a

4. Het verrichten van werkzaamheden voor gedeputeerde staten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van

het door gedeputeerde staten vastgestelde beleid op het gebied van in elk geval:

  • a.

    De in het tweede lid, onder a tot en met c genoemde wet- en regelgeving, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn.

  • b.

    De provinciale milieuverordening.

  • c.

    De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

  • d.

    De Waterwet.

  • e.

    De Natuurbeschermingswet, de Boswet, de Flora en Faunawet, de Natuurschoonwet en de provinciale Verordening bescherming landschap en natuur.

  • f.

    De Ontgrondingenwet.

  • g.

    De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met f genoemde wetten.

  • h.

    Alsmede milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a tot en met f genoemd.

5. Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals:

  • a.

    Het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst.

  • b.

    Het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag.

6. Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.

7. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.

8. De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu.

9. Op een verzoek zoals bedoeld in het achtste lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.

 

Hoofdstuk 3: Inrichting en samenstelling van het bestuur

 

Artikel 5. Het bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:

a.Het algemeen bestuur.

b. Het dagelijks bestuur.

c. De voorzitter.

 

Paragraaf 1 Algemeen bestuur

 

Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur

1. Het algemeen bestuur bestaat uit dertien leden.

2. Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan.

3. Het college van de gemeente Den Haag benoemt uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur. Het college van de gemeente Westland benoemt uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur.

4. De overige colleges benoemen uit hun midden elk één lid van het algemeen bestuur.

5. De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij ontstentenis of verhindering vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.

6. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling.

7. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden.

8. Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature.

9. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.

10. Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur.

11. Leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

12. De colleges en gedeputeerde staten kunnen een door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.

 

Artikel 7. Stemverdeling

1. Het aantal stemmen per deelnemer is als volgt:

  • a.

    Provincie Zuid-Holland 29 stemmen per lid.

  • b.

    Den Haag 27 stemmen per lid.

  • c.

    Westland 14 stemmen per lid.

  • d.

    Zoetermeer 16 stemmen per lid.

  • e.

    Delft 16 stemmen per lid.

  • f.

    Rijswijk 8 stemmen per lid.

  • g.

    Pijnacker-Nootdorp 8 stemmen per lid.

  • h.

    Leidschendam-Voorburg 4 stemmen per lid.

  • i.

    Midden-Delfland 4 stemmen per lid.

  • j.

    Wassenaar 4 stemmen per lid.

2. De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing vanartikel 30 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen.

3.Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

4. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers.

5. Een lid neemt niet deel aan de stemming over:

  • a.

    Een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

  • b.

    De vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort

  • c.

    Een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt

 

Artikel 8. Incompatibiliteiten

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één van dedeelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van de omgevingsdienst aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met een ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die indienst van één van de deelnemers dan wel de omgevingsdienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

 

Artikel 9. Vergaderingen algemeen bestuur

1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

2. Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt.

3. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Indien de voorzitter dan wel een vijfde gedeelte van de aanwezige leden het nodig oordeelt, dient het algemeen bestuur te besluiten of zal worden vergaderd met gesloten deuren.

 

Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur

Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur.

 

Paragraaf 2 Dagelijks bestuur

 

Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur

1. Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen.

2. Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van Den Haag en één lid van Westland.

3. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.

4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn.

5. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen.

6. Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

7. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen indien deze(n) het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit(ten).

8. Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

 

Artikel 12. Vergaderingen dagelijks bestuur

1. Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

2. De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft bepaald.

 

Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur is belast met:

  • a.

    Het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing wordt voorgelegd;

  • b.

    Het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;

  • c.

    Het beheer van de financiële administratie;

  • d.

    De zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • e.

    Het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers;

  • f.

    Het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is;

  • g.

    Het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles, wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

  • h.

    Het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat;

  • i.

    Het procederen in eerste aanleg in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel332 van het Wetboek van Strafvordering, tenzij het algemeen bestuur daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen;

  • j.

    Spoedhalve beroep instellen of bezwaar maken alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, schorsing van de aangevochten

    beslissing of een voorlopige voorziening ter zake verzoeken, indien ingevolge een wettelijk voorschrift aan de omgevingsdienst of het bestuur van de omgevingsdienst hetzij een recht van beroep hetzij een recht van bezwaar toekomt;

  • k.

    Het intrekken van het ingestelde beroep of gemaakte bezwaar, indien het algemeen bestuur de beslissing van het dagelijks bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet in zijn eerstvolgende vergaderingbekrachtigt;

  • l.

    Het conform artikel 10:4 eerste lid Awb instemmen met een mandaat verleend aan de directeur.

 

Paragraaf 3 Voorzitter

 

Artikel 14. Voorzitter

1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

2. De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

 

Artikel 15. Bevoegdheden voorzitter

1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

2. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid van dit bestuur.

3. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

4. De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan deze bevoegdheid opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

 

Hoofdstuk 4: Informatie en Verantwoording

 

Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten

1.Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een

juiste beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is.

2.Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten alle inlichtingen die door één of

meer leden van die bestuursorganen worden verlangd.

3.Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.

 

Artikel 17. Informatie en verantwoording van leden van het algemeen bestuur aan college of gedeputeerde staten

1.Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, alle inlichtingen die door het

betreffende college of gedeputeerde staten, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.

2.Een lid van het algemeen bestuur kan door het college of gedeputeerde staten, dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid op de binnen die gemeente of de provincie gebruikelijke wijze.

 

Artikel 18. Informatie en verantwoording van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter aan algemeen bestuur

1. De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder afzonderlijk, en de voorzitter zijn aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

2. De leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter geven mondeling of schriftelijk de door het algemeen bestuur dan wel door één of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen.

 

Hoofdstuk 5: Commissies

 

Artikel 19. Adviescommissies

1. Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

2. De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

3.Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

 

Artikel 20. Bestuurscommissies

1. Het algemeen bestuur kan bestuurscommissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden en provinciale staten. Ter verkrijging van deze verklaring wordt het ontwerp van een besluit tot instelling van een bestuurscommissie als bedoeld in het eerste lid met een toelichting aan de deelnemers toegezonden.

 

Hoofdstuk 6: Vergoedingen

 

Artikel 21. Tegemoetkoming in de kosten

1.Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van

het algemeen bestuur, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

2.Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van bestuurscommissies zoals bedoeld in artikel 20.

 

Hoofdstuk 7: Ambtelijke organisatie

 

Artikel 22. Secretaris

1. Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de secretaris.

2. Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de secretaris.

3. De secretaris is tevens de directeur van de omgevingsdienst.

4. De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak.

5. De secretaris is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

6. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris meeondertekend.

7. De secretaris is belast met de leiding van het ambtelijk apparaat.

8. Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

 

Artikel 23. Overig personeel

1. Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie, belast met de benoeming, schorsing, het ontslag dan wel de tewerkstelling op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht van personeel in dienst van de omgevingsdienst, de secretaris uitgezonderd.

2. Op het personeel in dienst van de omgevingsdienst is de rechtspositieregeling van de gemeente Den Haag van toepassing, tenzij overeenkomstig het bepaalde in de Ambtenarenwet het algemeen bestuur op enig moment zelf voorziet in de rechtspositie en bezoldiging.

3. Waar de in het tweede lid bedoelde regeling wordt gesproken van “gemeenteraad”, “college” dan wel “hoofd van de dienst” wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de secretaris.

 

Hoofdstuk 8: Financiën en beheer van de omgevingsdienst

 

Artikel 24. Begroting

1.Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur

wordt aangeboden, toe aan de raden en provinciale staten.

2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

3. De raden en provinciale staten kunnen hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

4. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

5. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting toe aan de raden en provinciale staten.

6. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

7. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

8. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij:

  • a.

    De wijzigingen minder bedragen dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten);

  • b.

    De wijzigingen voortkomen uit extra opdracht(en) van een of meerdere opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking;

  • c.

    De wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden/deelnemers met bijbehorende financiële dekking.

     

Artikel 25. Jaarrekening

1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

2. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening ter kennisneming aan de raden en provinciale staten.

3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

 

Artikel 26. Betaling bijdrage

1. Het algemeen bestuur regelt hoe de bijdragen van de deelnemers worden bepaald. In de begroting wordt vervolgens vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst.

2. De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 2 januari en vóór 1 juli telkens de helft van de in het eerste lid bedoelde bijdrage.

3. Het dagelijks bestuur kan bepalen dat een van het in het eerste lid bedoelde bedrag afwijkend voorschot wordt betaald.

4. Uiterlijk 1 juni van enig jaar vindt per deelnemer een eerste afrekening plaats over het voorafgaande boekjaar overeenkomstig het ontwerp van de voorlopige jaarrekening.

5. De definitieve afrekening vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening.

6. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst te allen tijde overvoldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

7. Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

8. Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemende provincie weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, dan wel de minister die het aangaat, het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.

 

Artikel 27. Financiële voorschriften

Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst.

 

Hoofdstuk 9 Archiefbescheiden

 

Artikel 28. Archief

1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan Gedeputeerde Staten wordt medegedeeld.

2. Gedeputeerde Staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden overeenkomstig artikel 33, lid 1 van de Archiefwet 1995.

3. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente DenHaag.

4. De archivaris van de gemeente Den Haag oefent toezicht uit op het onder het derde lid genoemde beheer.

5. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organen is aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente DenHaag.

6. Na opheffing van de gemeenschappelijke regeling worden de onder het derde lid bedoelde archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Den Haag.

7. De onder het vijfde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de gemeente Den Haag.

 

Hoofdstuk 10 Toe- en uittreding

 

Artikel 29. Toe- en uittreding

1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot toetreding.

2. Toetreding vindt plaats bij daartoe strekkende besluiten van de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers.

3. Toetreding is mogelijk per 1 januari van het volgende kalenderjaar.

4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.

5. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot uittreding.

6. Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan.

7. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de in het zesde lid bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen.

8. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel.

9. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding.

10. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het negende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen.

11. De feitelijke uittreding kan eerst plaatsvinden per

1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald.

12.Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van uittreding.

 

Artikel 30. Wijziging of opheffing

1. De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, lid 2, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding.

2. Deze regeling kan worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van meer dan tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd.

3. De artikelen 2, 4, 6, leden 1 tot en met 4, 7, 11, leden 1 en 2, 29 en 30 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen.

4. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten.

5. De deelnemende partijen verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemende partijen op een in dat plan te bepalen wijze.

 

Hoofdstuk 11: Slotbepalingen

 

Artikel 31. Geschillenregeling

1.Voordat over geschillen, omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussenbesturen van de deelnemers of tussen besturen van een of meer deelnemers en het bestuur van het openbaar lichaam, de beslissing van de rechter wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Zuid-Holland.

2. De commissaris hoort de bij het geschil betrokken partijen.

3. Hij brengt binnen drie maanden advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

4. Indien de aard van het geschil daartoe aanleiding geeft, dan wel indien een bestuursorgaan van de provincie partij is in het geschil, laat de commissaris zich bij de voorbereiding van het in het derde lid bedoelde advies bijstaan door twee door hem aan te wijzen burgemeesters van deelnemende, niet als partij bij het geschil betrokken gemeenten.

 

Artikel 32. Slotbepaling

1. De regeling wordt op de gebruikelijke wijze openbaar gemaakt en treedt op 1 juli 2012 in werking.

2. Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden”.

3. Gedeputeerde staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

 

Ondertekening

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Delft

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Midden-Delfland

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rijswijk

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wassenaar

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westland

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zoetermeer

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid- Holland