Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zwijndrecht

Leidingenverordening Zwijndrecht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZwijndrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingLeidingenverordening Zwijndrecht
CiteertitelLeidingenverordening Zwijndrecht
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, artikel 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2016Nieuwe regeling

22-09-2015

Gemeenteblad, 02-12-2015

2015-12944

Tekst van de regeling

Intitulé

Leidingenverordening Zwijndrecht 

De raad van de gemeente Zwijndrecht;

 

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 juni 2015;

 

Gelet op artikel 149 Gemeentewet;

 

B e s l u i t

 

vast te stellen de volgende verordening:

Leidingenverordening Zwijndrecht 

 

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht;

  • b.

    leiding: een buis bestemd voor het transport van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, of een kabel gelegen

    • -

      in, op of boven de grond of;

    • -

      in civiele kunstwerken, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten etc.

  • met uitzondering van bovengrondse hoogspanningskabels en van gemeentelijke rioleringsbuizen en trafohuisjes.

  • c.

    openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats binnen de gemeente Zwijndrecht, waaronder begrepen de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • d.

    openbaar water : wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.

  • e.

    civiele kunstwerken: voor de geleiding van een leiding aangebrachte infrastructuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige voorzieningen ten behoeve van de geleiding van leidingen;

  • f.

    leidingexploitant: degene onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen degene die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd;

  • g.

    ondergrondse obstakels: bodemverontreiniging, materialen, objecten en stoffen die nadelige beïnvloeding van de staat van de aan te leggen of aangelegde leiding tot gevolg hebben of kunnen hebben;

  • h.

    werkzaamheden van niet-ingrijpende aard:

    • -

      het aanbrengen of verwijderen van leidingen, niet-gelegen in, op of boven een wegkruising of rotonde, in reeds aangebrachte voorzieningen;

    • -

      reparaties en/of onderhoudswerkzaamheden aan de leidingen met een lengte van minder dan tien meter en niet-gelegen in, op of boven een wegkruising of rotonde, en niet vallend onder artikel 5, zesde lid van deze verordening;

    • -

      het maken van huisaansluitingen met een lengte van minder dan tien meter en niet-gelegen in, op of boven een wegkruising of rotonde;

    • -

      spoedeisende werkzaamheden;

    • -

      werkzaamheden vanwege storingen, waarbij uitstel van de reparatie redelijkerwijs niet mogelijk is;

    • -

      werkzaamheden vanwege calamiteiten: (natuur)ramp of een onverwachte gebeurtenis die ernstige schade kan veroorzaken.

  • i.

    feitelijke werkzaamheden: de werkzaamheden als omschreven in de verleende vergunning.

  • j.

    handboek Kabels en Leidingen: door het college vastgestelde of vast te stellen nadere regels betreffende ontwerp, aanleg, herstel, exploitatie, onderhoud en verwijdering van kabels en leidingen;

  • k.

    nadeelcompensatieregeling: door het college vast te stellen nadere regels betreffende de compensatie van eventuele schade als gevolg van het intrekken of wijzigen van een vergunning als bedoeld in deze verordening;

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van leidingen in, op of boven openbare plaatsen en in of op civiele kunstwerken alsmede in of boven openbaar water.

  • 2.

    Deze verordening is niet van toepassing op kabels, bedoeld in de Telecommunicatiewet en op leidingen, die onderdeel zijn van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer of deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur.

Artikel 3 Handboek Kabels en Leidingen

Het college stelt in het handboek Kabels en Leidingen nadere regels vast omtrent de veiligheid, het ontwerp, het beheer, de aanleg, het onderhoud en het verwijderen van leidingen.

DE VERGUNNING

Artikel 4 Vergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning leidingen in, op of boven openbare plaatsen en in of op civiele kunstwerken alsmede in of boven openbaar water :

    • a.

      aan te leggen of te houden;

    • b.

      te onderhouden of te exploiteren of

    • c.

      te verwijderen.

  • 2.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen:

    • a.

      te wijzigen;

    • b.

      te verplaatsen;

    • c.

      een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven.

Artikel 5 Aanvraag vergunning

  • 1.

    De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend bij het college via een door het college vast te stellen formulier.

  • 2.

    Het college verleent een vergunning op aanvraag aan de leidingexploitant, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • 3.

    Het college stelt in het handboek Kabels en Leidingen nadere regels vast, met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt, alsook over de wijze waarop deze gegevens worden verstrekt.

  • 4.

    In geval van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard geldt een ten opzichte van de vorige leden verkorte procedure. Het college verleent voor de beoogde werkzaamheden toestemming indien ten minste drie werkdagen voorafgaande aan de werkzaamheden door de leidingexploitant melding is gedaan met een daarvoor door het college vastgesteld formulier. Het college kan aan de toestemming voorschriften en beperkingen verbinden. Artikel 8, tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing op hoogspanningskabels zijnde kabels van meer dan 380 kVolt.

  • 6.

    Bij spoedeisende werkzaamheden volstaat een melding door de leidingexploitant voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. De leidingexploitant maakt achteraf zo spoedig mogelijk melding van de werkzaamheden aan de burgemeester of een daartoe gemachtigd ambtenaar met een door de burgemeester vast te stellen formulier.

Artikel 6 Toepassing vergunning

  • 1.

    De vergunning als bedoeld in artikel 4 is zaaks gebonden. De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

  • 2.

    Indien de leiding ten aanzien waarvan een vergunning is verleend wordt overgedragen of de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant respectievelijk melden de oude en de nieuwe rechtspersonen dit onverwijld schriftelijk aan het college.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college in de vergunning bepalen dat deze persoonsgebonden is.

Artikel 7 Beslistermijn op vergunning

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het besluit bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Indien een beslissing op de aanvraag niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing op de aanvraag wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4.

    Als er geen grond is om de vergunning te weigeren, kan het college de beslissing op de aanvraag aanhouden, als voor de werkzaamheden tevens een Omgevingsvergunning en/of een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening en/of een vergunning van derden benodigd is.

  • 5.

    Het college kan de beslissing op de aanvraag niet aanhouden indien:

    • a.

      de in het vierde lid bedoelde vergunning is afgegeven en zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend dan wel

    • b.

      een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist.

  • 6.

    De vergunning wordt in ieder geval niet verleend indien niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 8 Voorschriften vergunning

  • 1.

    Het college kan met inachtneming van het handboek Kabels en Leidingen voorschriften en beperkingen aan de vergunning verbinden.

  • 2.

    De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen onder andere betrekking hebben op:

    • a.

      de bescherming van de openbare orde;

    • b.

      de bescherming van de bodem;

    • c.

      de bescherming van de volksgezondheid;

    • d.

      de voorkoming van gevaar, schade of hinder;

    • e.

      de bescherming van openbaar groen;

    • f.

      de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer;

    • g.

      het verschaffen van nadere informatie;

    • h.

      de bescherming en ongestoorde exploitatie van naburige leidingen;

    • i.

      de afstemming met andere werken;

    • j.

      de toestand waarin het tracé na voltooiing van de werkzaamheden moet worden opgeleverd;

    • k.

      het behoud van de integriteit van de leiding;

    • l.

      de bepaling van het tijdstip waarop de werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen;

    • m.

      de vaststelling van de met het oog op het verrichten van de werkzaamheden in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend;

    • n.

      het tijdschema voor de werkzaamheden;

    • o.

      de voorwaarden waaronder afwijking van het werkplan of het tijdschema is toegestaan;

    • p.

      de bepaling van onderhoudsverplichtingen;

    • q.

      het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden.

Artikel 9 Intrekken, wijzigen vergunning door college

Het college kan de vergunning met het oog op de belangen genoemd in artikel 8 lid 2 wijzigen of intrekken, alsmede en indien:

  • a.

    de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning met de feitelijke werkzaamheden is begonnen;

  • b.

    de leidingexploitant de exploitatie en het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van ten minste zes maanden niet in gebruik is en niet onderhouden is;

  • c.

    blijkt dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;

  • d.

    de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;

  • e.

    de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft;

  • f.

    na het verlenen van de vergunning het college gegronde reden heeft om aan te nemen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;

  • g.

    dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente;

  • h.

    dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken door of vanwege derden.

Artikel 10 Intrekken vergunning op verzoek

  • 1.

    Het college trekt de vergunning in, indien de leidingexploitant schriftelijk aan het college verklaart van de vergunning geen gebruik meer te willen maken.

  • 2.

    Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij schriftelijk blijkt dat de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere persoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als leidingexploitant wordt beschouwd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid wordt in geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 6, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd tot het moment dat hij

    • -

      schriftelijk aan het college verklaart van de vergunning geen gebruik meer te willen maken en de exploitatie van de leiding staakt of

    • -

      de leiding waar de vergunning betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan schriftelijk melding heeft gedaan bij het college, mits hij het bewijs van de overdracht levert.

DE WERKZAAMHEDEN

Artikel 11 Aanvang werkzaamheden

  • 1.

    Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de vergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden, gegevens in te dienen bij het college overeenkomstig het handboek Kabels en Leidingen..

  • 2.

    De leidingexploitant voltooit de feitelijke werkzaamheden binnen zes maanden na aanvang, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

Artikel 12 Oplevering

  • 1.

    Het college stelt nadere regels aan de wijze van uitvoering van het herstel.

  • 2.

    Indien door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in, op of boven de openbare plaatsen worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor nader herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare plaatsen die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de leidingexploitant in rekening conform de door het college vast te stellen tarieven.

  • 3.

    Indien binnen drie jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare plaatsen de leidingexploitant werkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel.

Artikel 13 Ondergrondse obstakels

  • 1.

    Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden aangetroffen, meldt de leidingexploitant dit onverwijld aan het college.

  • 2.

    Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van alle te nemen maatregelen komen ten laste van de leidingexploitant.

  • 3.

    De in het tweede lid bedoelde opschorting wordt pas gelast, indien:

    • a.

      is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan de door het college aan de leidingexploitant opgedragen maatregelen, of

    • b.

      naar het oordeel van het college maatregelen als bedoeld onder a. niet mogelijk zijn.

Artikel 14 Tekeningen

De leidingexploitant stelt het college na de voltooiing van de werkzaamheden om niet tekeningen ter beschikking, waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt.

HET BEHEER VAN LEIDINGEN

Artikel 15 Beheer van kabels en leidingen

  • 1.

    De leidingexploitant is verplicht, met inachtneming van het Handboek Kabels en Leidingen, zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding.

  • 2.

    Het college kan de leidingexploitant verplichten op diens kosten periodiek aan het college een door een onafhankelijk en deskundig bureau opgesteld rapport te verstrekken, waarin wordt aangetoond dat de leiding voldoet aan de voorschriften en beperkingen waaronder de vergunning is verleend.

  • 3.

    Indien naar het oordeel van het college een leiding onvoldoende is onderhouden, zendt het college een aanzegging naar de leidingexploitant. De leidingexploitant meldt binnen de in de aanzegging bepaalde termijn op welke wijze en binnen welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden verricht.

NADEELCOMPENSATIE

Artikel 16 Nadeelcompensatie

  • 1.

    Indien blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 9, onderdeel g, schade lijdt of zal lijden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college op verzoek aan hem een vergoeding toe.

  • 2.

    Op een verzoek zoals genoemd in lid 1 wordt overeenkomstig een door het college vast te stellen nadeelcompensatieregeling beslist.

VERONTREINIGING, GEVAAR EN HINDER

Artikel 17 Verontreiniging, gevaar en hinder

  • 1.

    De leidingexploitant is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk conform de procedures als bedoeld in het Handboek Kabels en Leidingen te melden en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.

  • 2.

    Het college kan de leidingexploitant opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te (laten) voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat dat verontreiniging, gevaar of hinder, kan ontstaan bij de exploitatie van de leiding. De hier genoemde onderzoeken komen voor rekening van de leidingexploitant.

  • 3.

    Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van de leiding opschorting gelasten van de exploitatie van de betreffende leiding en, indien sprake is van een vergrote kans op verontreiniging, gevaar of hinder door belendende leidingen, van laatstgenoemde leidingen. De gemeente is niet aansprakelijk als het voorafgaande wordt gelast door het college.

VERWIJDEREN VAN LEIDINGEN

Artikel 18 Verwijderen van leidingen

De leidingexploitant is verplicht na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijke intrekken van de vergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn op zijn kosten te verwijderen.

TOEZICHT OP DE NALEVING

Artikel 19 Toezicht op de naleving

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

OVERGANGS- EN OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 20 Overgangsbepaling

  • 1.

    Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn, als een schriftelijke toestemming dan wel vergunning krachtens deze verordening.

  • 2.

    Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening, kan het college de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen de leidingexploitant het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen, bij gebreke hiervan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen.

Artikel 21 Strafbepaling

Overtreding van de artikelen 4, 6, tweede lid, 11, tweede lid, 13, eerste lid, 15, eerste lid en derde lid, tweede volzin, en 17, eerste lid, kan worden gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.

Artikel 23 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Leidingenverordening Zwijndrecht.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 22 september 2015

De griffier, De voorzitter,

(Artikelgewijze) Toelichting Leidingenverordening

Algemeen

 

Het transport via ondergrondse leidingen heeft de afgelopen decennia een hoge vlucht genomen. De relatief lage transportkosten en aanzienlijke voordelen ten opzichte van de overige vervoersmodaliteiten hebben ertoe geleid dat veel bedrijven hebben geïnvesteerd in het ondergrondse transport. Op het grondgebied van de gemeente Zwijndrecht is dan ook een zeer uitgebreid netwerk aan ondergrondse leidingen (lees: kabels en leidingen) ontstaan.

 

Juridische basis

Voor het leggen en houden van telecomkabels is de Telecommunicatieverordening beschikbaar. Voor de overige leidingen was tot op heden geen zelfstandige verordening van kracht binnen de gemeente. Dit was/is ook niet noodzakelijk, omdat het recht tot het leggen en houden van de overige leidingen momenteel (ten tijde van de inwerkingtreding van onderhavige verordening) nog steeds grotendeels wordt verleend middels privaatrechtelijke concessieovereenkomsten (waarmee tegelijkertijd de benodigde APV vergunning geacht worden te zijn verleend). Deze overeenkomsten lopen echter binnen afzienbare termijn af. Vooruitlopend hierop is het van belang om een verordening zoals de nu voorliggende Leidingenverordening (LV) te hebben opgesteld. Na beëindiging van de concessieovereenkomsten, vallen de betreffende leidingen onder de reikwijdte van deze LV. Deze LV is na de inwerkingtreding wel direct van toepassing op de kleine groep leidingen die noch onder de Telecommunicatieverordening, noch onder de Concessieovereenkomsten vallen. Deze werden tot op heden op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) vergund.

Het betreffende artikel uit de APV staan in het hoofdstuk Openbare Orde. Dat impliceert dat de voorwaarden die aan deze vergunning werden verbonden, betrekking moesten hebben op de bescherming van de bruikbaarheid van de weg. Bij het leggen, houden, exploiteren en verwijderen van leidingen spelen echter ook andere belangen een rol, zoals ongestoord liggen en functioneren, milieu, veiligheid en ondergrondse ordening. De nu voorliggende Leidingenverordening (LV) is gebaseerd op de artikelen 149, 154 en 156 van de Gemeentewet. Kernartikel van de Leidingverordening is artikel 4: het is verboden in, op of boven openbare plaatsen en in of op civiele kunstwerken of in of boven openbaar water een leiding aan te leggen, te houden, te exploiteren en te verwijderen zonder een vergunning van het college. Kernpunten van de LV en de daaraan gekoppelde vergunningen zijn:

de veiligheid van de leidingen;

het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier;

te stellen eisen aan ordening en allocatie van leidingen;

te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud;

te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracés en verwijdering van leidingen.

Het bedoelde artikel uit de APV wordt aangepast in die zin dat deze APV-vergunning niet meer vereist is ingeval een vergunning op grond van de LV is verleend.

 

De verordening geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ter uitvoering van de verordening. Deze nadere regels zijn neergelegd in het handboek Kabels en Leidingen en behelzen voornamelijk technische eisen (met verwijzing naar bijvoorbeeld NEN-normen) en eisen waaraan bijvoorbeeld een aanvraag moet voldoen. Deze opzet is gekozen om het college in staat te stellen flexibel te reageren op nieuwe ontwikkelingen op technisch gebied.

 

In sommige gevallen zullen behalve een vergunning op basis van deze verordening ook vergunningen op grond van andere wettelijke regelingen nodig zijn. Zo laat de LV de afgifte van eventuele milieu- en omgevingsvergunningen onverlet. Ook kunnen vergunningen van andere dan de gemeentelijke organisatie nodig zijn, zoals vergunningen van waterschappen, etc.

 

Toepassingsbereik

De verordening is van toepassing op alle leidingen die zich bevinden in, op of boven openbare plaatsen en in of op voor leidingen bestemde civiele kunstwerken en in of boven openbare wateren binnen de gemeente Zwijndrecht. De begrippen ‘openbare plaats’ en “openbare water’ sluiten aan bij de betekenis van de begrippen in de APV. Het begrip ‘openbare plaats’ moet breed worden opgevat en bevat in beginsel alle plaatsen, waaronder begrepen de weg (als bedoeld in de Wegenverkeerswet) die voor het publiek toegankelijk zijn.

 

Bestuurlijke, administratieve lasten

Zoals uiteengezet hebben leidingexploitanten ook nu een (APV) vergunning nodig voor het leggen, hebben en exploiteren van leidingen. De voorgestelde Leidingverordening beoogt voor het vergunnen van deze leidingen een solide grondslag te creëren. De invoering van de Leidingenverordening brengt dan ook geen verzwaring van de bestuurlijke en/of administratieve lasten mee, voor de gemeente noch voor de leidingexploitanten.

 

Handhaving

Wat over de bestuurlijke, administratieve lasten is gezegd, geldt ook voor de handhaving. Ook nu wordt het leggen, hebben en exploiteren van leidingen gehandhaafd. Het college is belast met de vergunningverlening van de vergunde leidingen. Het toezicht op de naleving bij de uitvoering van de op de APV vergunde leidingen en, in de toekomst, op de Leidingverordening is in handen van de hiertoe benoemde toezichthouders, de ogen en oren van het college in de buitenruimte.

 

Uitvoering en mandatering

De uitvoering van de LV wordt opgedragen aan het college. Het college kan de uitvoering mandateren aan zijn ambtenaren.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

In dit artikel zijn de begripsomschrijvingen neergelegd. Van belang is op te merken dat in beginsel alle leidingen in, op of boven de openbare plaatsen en openbaar water, waarover de bevoegdheid van het gemeentebestuur zich uitstrekt onder de reikwijdte van de verordening vallen. Twee categorieën leidingen zijn van de werkingssfeer uitgezonderd. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 2. Het bereik van de verordening is niet beperkt tot leidingen die in de grond liggen, maar ook leidingen en bijbehorende voorzieningen die door of over zogeheten civiele kunstwerken zijn gelegd vallen onder de reikwijdte van de verordening. Met civiele kunstwerken wordt bedoeld infrastructuur die voor leidingen is aangelegd om bijvoorbeeld een natuurlijke barrière (zoals een rivier) over te kunnen steken. Hierbij moet gedacht worden aan leidingentunnels en leidingenviaducten. Ook worden voorzieningen in bestaande infrastructuur (zoals bruggen) in deze verordening als civiele kunstwerken beschouwd. In artikel 2, eerste lid, is de reikwijdte expliciet aangegeven. Bovengrondse hoogspanningskabels zijn uitgezonderd van de definitie van ‘leiding’ en vallen dus niet onder de vergunningplicht van de verordening.

 

Met het begrip leidingexploitant wordt in eerste instantie bedoeld degene in wiens opdracht de leiding wordt aangelegd. Voor het gemak wordt de aanvrager van een vergunning ook als leidingexploitant aangemerkt, hoewel daar feitelijk nog geen sprake van kan zijn (er is immers in geval van nieuwe leidingen nog geen leiding aanwezig). Nadat de leiding is aangelegd, zal de exploitant of beheerder van de leiding worden beschouwd als leidingexploitant. Veelal zal dat degene zijn onder wiens verantwoordelijkheid de leiding is aangelegd, maar dat behoeft niet altijd het geval te zijn. In geval van overdracht van de leiding gelden specifieke regels. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 6. 

 

De gemeente heeft algemene regels vastgesteld voor de uitvoering van de werkzaamheden in de openbare plaatsen, door ze op te nemen in het handboek Kabels en Leidingen. In dit handboek staan de algemene regels, zoals de wegafzettingen tijdens de uitvoering, het informeren van omwonenden, technische voorschriften over het herstel van de straat etc. Het voordeel is dat deze voorschriften dan niet in iedere af te geven vergunning behoeven te worden opgenomen. Verder heeft het handboek betrekking op alle kabels en leidingen in gemeentegrond, dus niet alleen telecommunicatiekabels. Het handboek is door het college vastgesteld. Op deze wijze kan flexibel op de ontwikkelingen worden ingespeeld.

 

Artikel 2

In dit artikel wordt het toepassingsbereik van de verordening weergegeven. In de toelichting bij artikel 1 is reeds ingegaan op de begrippen ‘openbare plaatsen’, ‘civiele kunstwerken’ en ‘openbaar water’. Verder maakt het eerste lid van dit artikel duidelijk dat alle stadia van werkzaamheden, die verband houden met een leiding, onder de werkingssfeer vallen: van aanleg, wijziging en onderhoud tot verwijdering en herstel van openbare plaatsen.

 

In het tweede lid zijn kabels, die vallen binnen de reikwijdte van de Telecommunicatiewet en Telecommunicatieverordening (zoals telecomkabels, CAI en kabelexploitanten, etc.), uitgezonderd van de werkingssfeer van deze verordening. Voor de aanleg, exploitatie en wijziging van die leidingen is dan ook geen vergunning op basis van deze verordening benodigd, maar gelden de gedoogplicht en het instemmingbesluit op basis van voornoemde wet en verordening. Tevens zijn uitgezonderd alle leidingen die deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Niet is beoogd de leidingen die aanwezig zijn bij individuele bedrijven onder de vergunningplicht te stellen. Ook vallen leidingen die deel uitmaken van drukapparatuur in de zin van het Warenwetbesluit drukapparatuur niet onder de werkingssfeer van deze verordening. Dit betreft overigens meestal leidingen die niet in, op of boven openbare plaatsen liggen.

 

Artikel 3

Dit artikel biedt de grondslag voor het college om ter uitvoering van de verordening nadere regels te stellen. Deze nadere regels zijn vervat in het handboek Kabels en Leidingen. Door vaststelling van het handboek Kabels en Leidingen krijgen de daarin neergelegde normen een publiekrechtelijk karakter. In de overige artikelen van de verordening wordt verwezen naar het op basis van dit artikel vast te stellen handboek Kabels en Leidingen. Beoogd is hierin voornamelijk technische voorschriften op te nemen op het gebied van veiligheid van leidingen en de uitvoering van werkzaamheden. Ook is in het handboek Kabels en Leidingen opgenomen welke informatie moet worden aangeleverd bij het indienen van een aanvraag. Het handboek Kabels en leidingen is op de gemeentelijke website geplaatst.

 

Artikel 4

Dit artikel vormt de kern van het vergunningenstelsel. Het is verboden om een leiding aan te leggen, te exploiteren, te onderhouden, te wijzigen, te verplaatsen (waaronder verticale verplaatsingen) of te verwijderen, tenzij de leidingexploitant in het bezit is van een vergunning. Normaliter zullen in een vergunning ten behoeve van aanleg en exploitatie alleen voorwaarden worden opgenomen die betrekking hebben op die handelingen. Voor de overige handelingen, zoals voor de verwijdering van een leiding, zal een afzonderlijke vergunning (al dan niet met een verkorte procedure) benodigd zijn. Zie voor de verwijdering van leidingen ook de toelichting bij artikel 18.

 

Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat de vergunning wordt verleend indien wordt voldaan aan de voorschriften in deze verordening en het handboek Kabels en Leidingen. De vergunningverlenende bevoegdheid kan door het college worden gemandateerd. Degene die een leiding wenst aan te leggen (of te wijzigen of verwijderen etc.) dient daartoe een aanvraag in bij de gemeente. De voor de aanvraag benodigde documenten worden genoemd in het handboek Kabels en Leidingen en informatie daarover is verkrijgbaar bij het college.

 

In het vierde lid van dit artikel is expliciet opgenomen dat ingeval van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard (zie artikel 1 sub h voor de definitie hiervan) een sterk vereenvoudigde procedure geldt. Minimaal drie werkdagen vóór aanvang van de werkzaamheden dient, door middel van een speciaal formulier, melding gemaakt te worden waarna een marginale toetsing door het college plaatsvindt en toestemming verleend wordt. In de toestemming kunnen voorwaarden worden neergelegd. In het zesde lid van dit artikel is geregeld dat bij spoedeisende werkzaamheden (zie artikel 1 sub i voor de definitie ervan) de meldtermijn van minimaal drie werkdagen niet geldt, maar deze werkzaamheden dienen in ieder geval voorafgaand aan de feitelijke aanvang te zijn gemeld.

 

Artikel 6

Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat in geval van overdracht (bijv. verkoop) van een leiding de vergunning die op die leiding betrekking heeft, inclusief alle rechten en plichten, overgaat op de nieuwe leidingexploitant. De vergunning is zaaksgebonden en ‘volgt’ het object. Uiteraard dient de nieuwe leidingexploitant zich volledig te houden aan de in de vergunning vermelde voorschriften. Indien wijziging van leidingexploitant plaatsvindt (bij overdracht, maar ook ingeval de rechtspersoonlijkheid wijzigt) moeten zowel de oude als de nieuwe leidingexploitant hiervan melding maken aan het college. Het niet voldoen aan deze meldplicht levert een overtreding op. Op grond van het derde lid kan het college in bijzondere gevallen bepalen dat de vergunning persoonsgebonden en daarmee niet overdraagbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij leidingen die gebruikt worden voor zeer gevaarlijke stoffen. Zie hierover overigens ook de toelichting bij artikel 10.

 

Artikel 7

Dit artikel regelt de beslistermijn voor het college. Tevens wordt in dit artikel de verhouding weergegeven met andere vergunningen. De beslissing op een aanvraag voor een leidingenvergunning kan worden aangehouden zolang bijvoorbeeld geen Omgevingsvergunning of een vergunning op grond van de APV geen formele rechtskracht hebben. Dit geldt uiteraard alleen indien een dergelijke vergunning vereist is.

 

Artikel 8

Dit artikel biedt de basis om aan de vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden. De verordening en het handboek Kabels en Leidingen vormen daarvoor gezamenlijk het kader. In het tweede lid staat een niet-limitatieve lijst van belangen waartoe de voorwaarden en beperkingen kunnen strekken. Van belang is ook de bevoegdheid om aan de vergunning een beperkte tijdsduur te verbinden. Zodra die termijn afloopt, zal de leidingexploitant de leiding in beginsel moeten verwijderen. Vanzelfsprekend kan de leidingexploitant afspreken dat de leiding wordt overgedragen of op een later tijdstip wordt verwijderd. Zie ook de toelichting bij artikel 18.

 

Lid 3 biedt de basis voor het college om na afgifte uit eigen beweging een vergunning te wijzigen of aan te vullen. Vanzelfsprekend dient het college daarbij de belangen, genoemd in het tweede lid, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet bestuursrecht in acht te nemen.

 

Artikel 9

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om een vergunning in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in dit artikel, genoemde gronden. De belangrijkste grond betreft het intrekken indien de leidingexploitant de voorschriften van de verordening, het Handboek Kabels en Leidingen of de vergunning niet naleeft. Onderdeel f is een vangnetbepaling, die het college de bevoegdheid geeft om in te grijpen indien er ernstige gevolgen voor gezondheid en milieu dreigen als gevolg van het in standhouden van de vergunning. Deze bevoegdheid kan echter als laatste middel gebruikt worden aangezien eerst moet worden bezien of de dreiging kan worden weggenomen door aanpassing van de vergunning of door het stellen van nadere eisen. Onderdeel g betreft het geval als er werken door of vanwege de gemeente worden uitgevoerd ter plaatse van de vergunde leiding, en de leiding daar vanwege deze gemeentewerken niet kan blijven liggen of moet worden aangepast.

 

Artikel 10

In geval de leidingexploitant niet langer van een vergunning gebruik wenst te maken, kan hij hiervan schriftelijk mededeling doen aan het college. Met het afstand doen van de vergunning vervallen alle rechten die met de vergunning gepaard gaan. De leidingexploitant is vervolgens verplicht de leiding te verwijderen (artikel 18). Om te voorkomen dat een leidingexploitant door het afstand doen van een vergunning niet langer aanspreekbaar zou kunnen zijn, is in het tweede lid aangegeven dat de opzegger nog steeds wordt beschouwd als leidingexploitant in de zin van deze verordening. De verwijderingsplicht rust dan ook op hem. Dit geldt niet indien de leiding is overgedragen aan een andere (rechts)persoon. In dat geval wordt haast vanzelfsprekend de nieuwe eigenaar als leidingexploitant beschouwd. Uit oogpunt van een effectieve handhaving is het derde lid opgenomen waarin staat aangegeven dat in geval van een persoonsgebonden vergunning (zie artikel 6, derde lid) de vergunninghouder te allen tijde als leidingexploitant wordt beschouwd, ook al heeft hij de leiding in eigendom overgedragen. Dit is alleen anders wanneer hij schriftelijk verklaart van de vergunning geen gebruik meer te maken en de exploitatie van de leiding staakt of schriftelijk en (indien het college daarom verzoekt) ondersteund met bewijsstukken melding maakt van de overdracht van de betreffende leiding.

 

Artikel 11

Nadat door het college de vergunning (al dan niet na een verkorte procedure) is verleend, kunnen de feitelijke werkzaamheden een aanvang nemen. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om te eisen dat bouwtechnische tekeningen en andere documenten/gegevens worden overlegd. Waar mogelijk wordt in het handboek Kabels en Leidingen opgenomen welke documenten/gegevens in ieder geval overlegd dienen te worden Uit oogpunt van veiligheid is de aanleg van een leiding een essentieel element; het toezicht van gemeentewege op de aanleg van de leidingen is dan ook van groot belang. Om dat toezicht goed te kunnen uitoefenen is het nodig dat het college op de hoogte is van alle na de vergunning afgifte geplande werkzaamheden (een aantal werkdagen voordat de feitelijke graafwerkzaamheden aanvangen moet op grond van het handboek Kabels en leidingen dan ook een melding Ingraving worden gedaan door de leidingexploitant). Het toezicht van de gemeente ontslaat de leidingexploitant niet van de juiste ligging van de leidingen.

 

Artikel 12

De leidingexploitant is verantwoordelijk voor een goede en zorgvuldige aanleg van de leiding. Hij moet ervoor zorgen dat de grond of bodem weer in de oorspronkelijke wijze wordt opgeleverd, tenzij in de vergunningsvoorwaarden anders is bepaald. Het spreekt voor zich dat in het laatste geval oplevering dient plaats te vinden overeenkomstig de in de vergunning omschreven voorwaarden. Het tweede lid bevat een regeling voor vergoeding van de kosten die gepaard gaan met herstel van de openbare plaatsen die een direct gevolg zijn van werkzaamheden aan leidingen.

 

Artikel 13

Dit artikel heeft betrekking op het aantreffen van bodemverontreiniging en andere ondergrondse obstakels bij de aanleg van een leiding. De term 'bodemverontreiniging' is in deze verordening breder dan de terminologie in de Wet bodembescherming. Aan het college moeten alle stoffen en obstakels gemeld worden, die een nadelige invloed kunnen hebben op de staat van de leiding. Hiermee wordt duidelijk wat de kritieke plaatsen in een leidingtracé zijn. Deze verplichting staat los van de plichten die reeds gelden op grond van de Wet bodembescherming (die is opgesteld vanuit milieubescherming optiek). Dit artikel is aanvullend ten opzichte van het in voornoemde wet neergelegde regime. In geval dergelijke verontreiniging of obstakels worden aangetroffen dat aanleg van een leiding niet verantwoord is als de verontreiniging of obstakels niet eerst zijn opgeruimd, kan het college de leidingexploitant opdragen bepaalde maatregelen te treffen. De kosten voor deze maatregelen komen ten laste van de leidingexploitant zelf. Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze verordening het beoordelings- en beslissingskader.

 

Artikel 14

Dit artikel stelt het college in staat om te allen tijde zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn zogeheten (digitale) ‘as built’- en/of revisietekeningen op te vragen.

Normaliter zullen deze tekeningen zo spoedig mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden opgevraagd worden, maar dit artikel biedt tevens de mogelijkheid om in een later stadium de stand van zaken te verifiëren.

 

Artikel 15

Een belangrijk element van deze verordening is de onderhoudsplicht. De leidingexploitant is primair verantwoordelijk voor een goede staat van de leiding. Het college kan bepalen dat afschriften van de rapporten aan het college toegezonden moeten worden. In geval de staat van de leiding onvoldoende is, is de leidingexploitant verplicht aan te geven op welke wijze en op welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

 

Een belangrijke indicatie van de toestand van de leiding is de mate waarin onderhoud wordt gepleegd aan de leiding. De noodzaak tot onderhoud en de tijdschema's voor onderhoud verschillen van leiding tot leiding en zijn afhankelijk van de getransporteerde stoffen. De vergunninghouder kan verplicht worden om periodiek verslag uit te brengen over de staat van de leiding. Indien naar het oordeel van het college blijkt dat onvoldoende onderhoud is gepleegd, kan het college de leidingexploitant aanzeggen onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Op de onderhoudswerkzaamheden (zoals vervangings- of aanpassingswerkzaamheden) zijn de bepalingen uit deze verordening onverkort van toepassing en moet een vergunning worden aangevraagd (al dan niet na een verkorte procedure).

 

Artikel 16

Het college kan besluiten in, op of boven openbare plaatsen werken te verrichten die van invloed kunnen zijn op de reeds aanwezige leidingen en kan op grond van dit artikel bepalen dat een leiding verlegd of aangepast moet worden. Daartoe zal het college op basis van artikel 9, onderdeel g een bestaande vergunning wijzigen of intrekken. Voor zover de leidingexploitant daarbij schade lijdt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, zal het college hem een redelijke en billijke schadevergoeding toekennen (nadeelcompensatie). De hoogte van de schadevergoeding zal vooralsnog van geval tot geval beoordeeld worden. De bepaling biedt het college de mogelijkheid beleidsregels op te stellen waarin de criteria voor een dergelijke vergoeding kunnen worden neergelegd.

 

Artikel 17

Dit artikel betreft een incidentenregeling en behelst verplichtingen voor de leidingexploitant in geval van storingen en incidenten waarbij gevaar, hinder of verontreiniging plaatsvindt. Het geeft het college overigens de bevoegdheid om in voorkomende gevallen (waaronder ook concrete dreiging) maatregelen te treffen ten aanzien van de leiding die het gevaar, hinder of verontreiniging veroorzaakt, maar ook - indien noodzakelijk - ten aanzien van de naburige leidingen. Overigens zal bij de toepassing van deze bevoegdheden zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bestaande incidentenregelingen. De in het tweede lid bedoelde onderzoeken komen voor rekening van de leidingexploitant. De gemeente is niet aansprakelijk voor het genoemde in het derde lid.

 

Artikel 18

Na afloop van de geldigheidsduur van de vergunning, bij intrekking door het college en bij opzegging door de leidingexploitant moet de leiding worden verwijderd. Het ligt voor de hand om in de vergunning zelf voorwaarden op te nemen met betrekking tot het verwijderen van leidingen, maar zulks kan ook na afloop, intrekking of opzegging geschieden. De laatste exploitant of beheerder van de leiding is verplicht om voor verwijdering zorg te dragen. Mocht het om bepaalde redenen noodzakelijk of wenselijk zijn om de betreffende leiding te laten liggen, dan kan wijziging van de bestaande vergunning of een nieuwe vergunning aangevraagd worden.

 

Artikel 19

Beoogd wordt een of meerdere ambtenaren door het college aan te wijzen als toezichthouders. Zij zullen toezicht houden op de naleving van de voorschriften bij of krachtens deze verordening. In de praktijk zal met name toezicht worden gehouden op het meest kritieke onderdeel: de aanleg van de leiding.

 

Artikel 20

Deze bepaling bevat het overgangsrecht. De eigenaren van de talloze leidingen die thans in de openbare ruimte aanwezig zijn is in de meeste gevallen - al dan niet privaatrechtelijk - een ligrecht gegund waaraan diverse voorwaarden verbonden zijn. Om redenen van efficiency en om te voorkomen dat de huidige leidingeigenaren hoge kosten moeten maken is ervoor gekozen de huidige toestemmingen te beschouwen als een vergunning in de zin van deze verordening.

Er kan zich echter een situatie voordoen waarin het college op basis van de hem ter beschikking staande gegevens van mening is dat het veiligheidsniveau van een bepaalde leiding niet voldoet aan de eisen waar het krachtens deze verordening aan zou moeten voldoen. In dat geval kan het college extra informatie van de leidingexploitant vragen waarna het college kan beslissen of instandhouding van de vergunning uit oogpunt van veiligheid toelaatbaar is. Het college kan ook van de leidingexploitant verlangen dat hij een nieuwe aanvraag indient, vergezeld van de benodigde documenten. Daarbij kan het college een termijn stellen waarbinnen de nadere informatie moet zijn aangeleverd of een nieuwe aanvraag moet zijn ingediend. Met deze systematiek wordt beoogd maatwerk te leveren ten aanzien van de vele, naar aard en leeftijd verschillende leidingen. Overigens zij opgemerkt dat voor leidingen die zonder toestemming of vergunning in de openbare ruimte liggen hoe dan ook een aanvraag moet worden ingediend om een vergunning op grond van de LV te verkrijgen.

 

Artikel 21

Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Over het algemeen zal gekozen worden voor bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten en vormt de toepassing van strafrechtelijke sancties in beginsel een uiterste handhaving middel.

 

Artikel 22

Behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 23

Behoeft geen nadere toelichting.