Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zwolle

Reglement voor de stadsbank

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZwolle
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingReglement voor de stadsbank
CiteertitelOnbekend
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze verordening beschrijft: de regels voor het aanvragen van een sociaal krediet

De datum van inwerkingtreding van het raadsbesluit van 09/03/1992 is een zo nauwkeurig mogelijke schatting

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

-

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-03-199201-01-1992nieuwe regeling

09-03-1992

Onbekend

gb 1-1992.09

Tekst van de regeling

Intitulé

Reglement voor de stadsbank

 

 

REGLEMENT VOOR DE STADSBANK

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

  • -

    bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders van Zwolle

  • -

    de wet wet op het Consumentenkrediet

  • -

    representatieve organisatie De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK)

  • -

    de Bank de Stadsbank Zwolle, gevestigd te Zwolle, dan wel haar eigenaren en / of rechtsopvolgers

  • -

    de directeur de directeur van de bank handelend krachtens delegatie door het bevoegd gezag.

  • -

    een krediet iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de eerste partij, (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet en dat ten minste een van de betalingen van de kredietnemer later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld.

  • -

    een sociaal krediet een krediet dat door de bank verstrekt wordt aan kredietnemers

    • a.

      die een inkomen genieten dat niet hoger is dan de bijstand die op grond van de Algemene Bijstandswet aan hem kan worden verleend;

    • b.

      in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een kredietnemer (saneringskrediet)

  • -

    een normaal krediet ieder door de bank verstrekt krediet welke niet voldoet aan de in de vorige alinea vermelde criteria

  • -

    doorlopend krediet een krediet, waarbij de kredietnemer op verschillende tijdstippen geldsommen bij de kredietgever kan opnemen, voor zover het uitstaand saldo een bepaald bedrag (de kredietlimiet) niet overschrijdt.

  • -

    de kredietsom de geldsom die een kredietnemer in het kader van een krediet ter beschikking wordt gesteld, met dien verstande, dat bij doorlopend krediet de kredietlimiet als die geldsom wordt aangemerkt.

  • -

    schuldregeling het geheel van activiteiten in het kader van het regelen van schulden.

  • -

    client een persoon die gebruik maakt van de diensten van een bank.

Hoofdstuk 2 Doelstelling, taakstelling, beheer

Artikel 2 Doelstelling

De bank heeft tot doel:

  • 1.

    het op sociaal / maatschappelijk verantwoorde wijze voorzien in de behoefte aan krediet, aan hen die de voorkeur geven aan de bank;

  • 2

    Het verstrekken van kredieten aan hen die op andere wijze niet voor een krediet in aanmerking komen;

  • 3.

    Het verrichten van schuldregelende arbeid;

  • 4.

    Het bieden van hulp aan personen die in financiële moeilijkheden zijn geraakt of dreigen te geraken. Daaronder wordt mede verstaan het geven van voorlichting;

  • 5.

    Het bevorderen van maatregelen ter voorkoming en ter bestrijding van woeker en overkreditering;

  • 6.

    Het verrichten van diensten in het kader van de beschikbaarheidsnuttigheid.

Artikel 3 Taakstelling

De bank tracht haar doelstelling te verwezenlijken door:

  • 1.

    a. het verstrekken van consumptief krediet en hypothecair krediet;

    • b.

      het aanhouden van salaris-, budget- en spaarrekeningen;

  • 2.

    het instandhouden van een afdeling welke zich bezig houdt met schuldregeling en budgetvoorlichting;

  • 3.

    het bieden van een sociaal en maatschappelijk verantwoord financieel dienstenpakket;

  • 4.

    het bieden van financiële diensten, niet zijnde krediettransacties, is het kader van de beschikbaarheidsnuttigheid.

Artikel 4 Beheer

1.De bank wordt beheerd door het bevoegd gezag.

Onder het beheer van het bevoegd gezag valt mede het voeren van rechtsgedingen, verband houdende met haar taakstelling.

  • 2.

    Bij de directeur berust de feitelijke leiding van de bank.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan de uitvoering van de in artikel 3 genoemde taken aan de directeur opdragen.

  • 4.

    Indien de opdracht als bedoeld in artikel 4, lid 3, is verleend, beslist de directeur, of een door hem schriftelijk gemachtigde werknemer van de bank, op aanvragen, welke een door het bevoegd gezag vast te stellen bedrag niet te boven gaan.

  • 5.

    Sociale kredieten worden verstrekt aan hen die inwoner zijn van:

    • a.

      de gemeente waar de bank gevestigd is;

    • b.

      gemeenten welke voor de verstrekking van dergelijke kredieten een afspraak hebben met de bank, dan wel woonachtig zijn in een gemeente niet liggende in het werkgebied van een andere Volkskredietbank.

  • 6.

    Normale kredieten kunnen worden verstrekt aan een ieder die een beroep op de bank doet, met dien verstande dat de cliënt woonachtig moet zijn in het werkgebied van de bank.

  • 7.

    De boeken van de bank strekken, onverminderd de bevoegdheid van de kredietnemer tot het leveren van tegenbewijs, tot volledig bewijs van alle door haar aan, of voor rekening van de kredietnemer gedane betalingen, door of vanwege deze aan de bank gedane betalingen, alsmede van het saldo van de schuld.

  • 8.

    De bank zal ook in rechte ten bewijs van haar vordering kunnen volstaan met het produceren van door de directeur conform getekende uittreksels uit haar boeken.

Hoofdstuk 3 Kredietverlening

Artikel 5 Algemene bepalingen

  • 1.

    De directeur stelt Algemene Voorwaarden op, die van toepassing zijn op de door de bank verrichte kredietovereenkomsten.

  • 2.

    De bank neemt deel aan een stelsel van kredietregistratie door aansluiting bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel en / of diens rechtsopvolger.

  • 3.

    De bank is gehouden kosteloos een prospectus beschikbaar te stellen, waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a.

      de Algemene Voorwaarden, de tarieven en de effectieve kredietvergoedingspercentages welke van toepassing zijn op de door de bank te verstrekken kredieten;

    • b.

      de wijze waarop informatie wordt verkregen over eerder verstrekte kredieten;

    • c.

      al datgene wat bij Algemene Maatregel van Bestuur wordt aangegeven.

Artikel 6 De Kredietaanvraag

  • 1.

    Kredieten kunnen mondeling of schriftelijk worden aangevraagd ten kantore van de bank, dan wel via daartoe aangewezen derden.

  • 2.

    Deze aanvragen dienen te worden vastgelegd op een daartoe strekkend formulier.

Artikel 7
  • 1.

    De bank dient, alvorens een krediet gegeven wordt, te beschikken over genoegzame, andere dan mondelinge, inlichtingen met betrekking tot de kredietwaardigheid van de aanvrager. De bank houdt aantekening van deze inlichtingen in zijn administratie.

  • 2.

    De bank dient, alvorens een krediet gegeven wordt, bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel, en / of haar rechtsopvolger, de daar registreerde gegevens van de aanvrager op te vragen. De bank houdt aantekening van deze verkregen gegevens in zijn administratie.

Artikel 8

Indien de kredietgever besluit de aanvraag niet in te willigen doet hij schriftelijk opgaaf van redenen.

Van het voornemen tot afwijzing wordt eveneens schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 9 De kredietovereenkomst

  • 1.

    Van elke kredietovereenkomst wordt een onderhandse akte opgemaakt waarin ten minste worden vermeld:

    • a.

      de naam en het adres van ieder der partijen;

    • b.

      de kredietsom in cijfers en in letterschrift;

    • c.

      het totaalbedrag van de kredietvergoeding, voor zover het niet betreft een doorlopend krediet of een krediet waarbij de kredietvergoeding variabel is;

    • d.

      het effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis, berekend op de door de Minister van Economische Zaken aangegeven wijze;

    • e.

      de betalingsregeling;

    • f.

      de bedingen betreffende zekerheidsrechten van kredietgever, met inbegrip van een aanduiding van de zaak of zaken waarop die rechten rusten en (voor zover het een overeenkomst betreft aangaande een normaal krediet) ingevolge artikel 40, tweede lid van de wet, geldende regeling betreffende overgang van eigendom.

    • g.

      de bevoegdheid van de kredietnemer tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;

    • h.

      de plaats en datum van ondertekening

  • 2.

    De bank verstrekt aan de kredietnemer een door de bank ondertekend afschrift van de kredietovereenkomst.

  • 3.

    Van elke aflossing wordt de kredietnemer op zijn verzoek de akte als bedoeld in de aanhef van dit artikel afgegeven.

  • 4.

    Na algehele aflossing wordt aan de kredietnemer op zijn verzoek de akte als bedoeld in de aanhef van dit artikel afgegeven.

  • 5.

    Eveneens verstrekt de bank, op verzoek van de kredietnemer, kosteloos een gespecificeerde afrekening.

Artikel 10

Na het sluiten van de kredietovereenkomst wordt:

  • a.

    de kredietsom, die bij de overeenkomst is bepaald, door de bank in zijn geheel aan de kredietnemer ter beschikking gesteld;

  • b.

    de kredietnemer, bij een doorlopend krediet, in staat gesteld geldsommen bij de bank op te nemen, voor zover het saldo van deze bedragen de kredietlimiet niet overschrijdt.

Artikel 11 Aflossing

  • 1.

    Bij de vaststelling van de betalingsregeling van sociale en normale kredieten wordt rekening gehouden met de aflossingscapaciteit / draagkracht van de kredietnemer. De aflossingscapaciteit / draagkracht wordt bepaald aan de hand van de in het maatschappelijk verkeer aanvaarde normen.

  • 2.

    Indien omstandigheden met betrekking tot de kredietnemer, dan wel het doel van de kredietverlening dit rechtvaardigen, kan de directeur, of een door hem schriftelijk gemachtigde werknemer van de bank, verlangen dat zakelijke of persoonlijke zekerheid wordt gesteld, onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 2 van de wet.

Artikel 12 Kredietvergoeding

  • 1.

    Indien een krediet met een van te voren vastgelegde kredietsom is overeengekomen, kunnen door de bank vergoedingen in rekening gebracht worden:

    • a.

      voor de afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling van de krediettransactie;

    • b.

      indien de kredietnemer, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling ingevolgde de transactie;

    • c.

      indien de kredietnemer vervroegd aflost.

  • 2.

    Indien een doorlopend krediet met een van te voren vastgestelde kredietlimiet is overeengekomen, is lid 1, sub a en b, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De kredietvergoedingen worden vastgesteld door het bevoegd gezag, dan wel de directeur, door middel van delegatie vanwege het bevoegd gezag.

  • 4.

    De kredietvergoedingen bedragen ten hoogste de door de Minister van Economische Zaken toegelaten maximum kredietvergoedingen.

Artikel 13 Vervroegde aflossing

De kredietnemer is te allen tijde bevoegd tot gehele of gedeeltelijke vervroegde aflossing.

Artikel 14 Opeisingvan de kredieten

De bank is bevoegd het krediet vervroegd op te eisen, indien:

  • a.

    de kredietnemer gedurende ten minste twee maanden achterstalling is in de betaling van een vervallen maandtermijn, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen;

  • b.

    de kredietnemer Nederland metterwoon heeft verlaten, dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietnemer Nederland metterwoon binnen enkele maanden zal verlaten;

  • c.

    de kredietnemer is overleden en de kredietgever gegrond redenen heeft om aan te nemen dat diens verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet zullen worden nagekomen;

  • d.

    de kredietnemer in staat van faillissement is komen te verkeren;

  • e.

    de kredietnemer de tot zekerheid verbonden zaak heeft verduisterd;

  • f.

    de kredietnemer aan de kredietgever, met het oog op het aangaan van de overeenkomst, bewust onjuiste inlichtingen heeft verstrekt van dien aard, dat de kredietgever de overeenkomst geheel of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan, indien hem de juiste stand van zaken bekend zou zijn geweest.

Artikel 15 Kwijtschelding

  • 1.

    Indien de kredietnemer overlijdt, wordt het nog niet afgeloste deel van het krediet tot een door de directeur, of een door hem schriftelijk gemachtigde werknemer van de bank, nader vast te stellen bedrag kwijtgescholden.

  • 2.

    De in het voorgaande lid bedoelde kwijtschelding geldt niet:

    • a.

      indien en voor zover deze betrekking heeft op betalingen van achterstallige termijnen en de daaruit voortvloeiende bijkomende kosten;

    • b.

      indien het overlijden het rechtstreeks gevolg is van oorlogsgeweld, binnenlandse onlusten, natuurrampen op epidemische ziekten;

    • c.

      indien het overlijden het gevolg is van suïcide, dan wel een poging daartoe en plaatsvindt binnen zes maanden na het sluiten van kredietovereenkomst.

  • 3.

    De directeur, of een door hem schriftelijk gemachtigde werknemer van de bank, kan besluiten, indien het voorgaande lid van toepassing is, alsnog de kwijtschelding te verlenen.

Artikel 16
  • 1.

    Indien de kredietnemer gedurende de looptijd arbeidsongeschikt verklaard wordt, wordt het nog niet afgeloste deel van het krediet tot een nader door de directeur, of een door hem schriftelijk gemachtigde werknemer van de bank, vast te stellen bedrag kwijtgescholden.

  • 2.

    De in het voorgaande lid bedoelde kwijtschelding geldt niet:

    • a.

      indien de kredietnemer bij het aangaan van de kredietovereenkomst inkomsten genoot uit een of meerdere sociale verzekeringen, dan wel uit een overeenkomst van verzekering ter vervanging van een der sociale verzekeringen;

    • b.

      bij het aangaan van de kredietovereenkomst niet in staat was zijn werkzaamheden, op grond van zijn gezondheid, naar behoren te verrichten;

    • c.

      bij beroep op de kwijtscheldingsclausule geen verklaring kan overleggen van de uitkerende instantie waaruit blijkt dat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 – 100 % en deze arbeidsongeschiktheid een langdurig karakter heeft.

Hoofdstuk IV Schuldregeling

Artikel 17
  • 1.

    De bank is gehouden werkzaamheden te verrichten ten behoeve van hen die zich in uitzichtloze schuldposities bevinden, dan wel daarin dreigen te geraken.

  • 2.

    De hulp kan zowel een begeleidend, administratief als regelend karakter hebben.

  • 3.

    De door de bank verrichte werkzaamheden in geval van schuldregeling zullen plaatsvinden overeenkomstig de “Gedragscode Schuldregeling” van de NVVK. Wijzigingen in de “Gedragscode Schuldregeling” behoeven de instemming van het bevoegd gezag.

  • 4.

    Bij het regelen van schulden is de primaire taak van de bank het verstrekken van saneringskredieten, het bemiddelen tussen schuldeisers en anderen, zodat een regeling betreffende de schuldposities getroffen kan worden.

  • 5.

    Begeleiding in de vorm van preventieve dan curatieve voorlichting kan de bank geven dan wel doen geven door instellingen welke op dit terrein werkzaam zijn.

  • 6.

    Kosten van schuldregeling kunnen (voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit een ter zake verstrekt krediet) aan de schuldenaar in rekening worden gebracht, tot een maximum als bepaald in de “Gedragscode Schuldregeling” van de NVVK.

  • 7.

    Bij de vaststelling van de betalingsregeling in het kader van een schuldregeling, wordt rekening gehouden met de aflossingscapaciteit / draagkracht van de schuldenaar. De aflossingscapaciteit / draagkracht wordt bepaald aan de hand van de in het maatschappelijke verkeer aanvaarde normen.

Hoofdstuk V Bepalingen van comptabele aard

Artikel 18
  • 1.

    De bank draagt zorg voor een behoorlijke administratie van de bedrijfsuitvoering

  • 2.

    De bank richt haar administratie zodanig in dat aan de hand hiervan de naleving van de bij of krachtens de wet en / of Bankreglement gegeven voorschriften zo goed mogelijk kunnen worden beoordeeld.

  • 3.

    Jaarlijks doet de bank verslag van zowel haar werkzaamheden als de bedrijfseconomische ontwikkeling.

  • 4.

    De bank hanteert voor de verslaglegging het model zoals vastgesteld door de representatieve organisatie.

Artikel 19
  • 1.

    Door de bank worden tenminste de volgende fondsen gevormd:

    • a.

      een Algemene Reserve;

    • b.

      een risicofonds.

  • 2.

    De fondsen worden gevoed uit de exploitatieopbrengsten van de bank.

Jaarlijks stelt het bevoegd gezag vast welk bedrag aan de afzonderlijke fondsen dient te worden gedoteerd.

  • 3.

    Ten laste van de risicofondsen worden gebracht de verliezen welke geleden zijn op verstrekte kredieten.

  • 4.

    Ten laste van de Algemene Reserve worden de exploitatieverliezen van enig jaar gebracht.

  • 5.

    Indien op 31 december van enig jaar de Algemene Reserve gelijk is aan of meer bedraagt dan 10% van de op die datum uitstaande kredieten worden aan de Algemene Reserve (met inachtneming van de solvabiliteitsrichtlijn van de Nederlandse Bank) geen bedragen meer toegevoegd.

  • 6.

    Indien op 31 december van enig jaar jet risicofonds gelijk ia aan 10% van de op die datum uitstaande kredieten worden aan het risicofonds geen bedragen meer toegevoegd.

Artikel 20
  • 1.

    Het door de bank benodigde werkkapitaal wordt verkregen uit:

    • a.

      een al dan niet in rekening-courant verstrekt krediet;

    • b.

      het aantrekken van spaar- en depositogelden;

    • c.

      de uit algemene middelen beschikbaar gestelde gelden.

Hoofdstuk VI Geschillen

Artikel 21
  • 1.

    Ten aanzien van klachten en geschillen moet een onderscheid gemaakt worden tussen:

    • a.

      Klachten en geschillen, die betrekking hebben op een beslissing met betrekking tot een kredietverstrekking, c.q. schuldregeling, of een aanvraag hiertoe;

    • b.

      Klachten en geschillen die betrekking hebben op de gang van zaken rond een krediet verstrekking, c.q. een schuldregeling of een aanvraag hiertoe.

  • 2.

    Indien een cliënt zich niet kan verenigen met een beslissing die betrekking heeft op een kredietverstrekking, c.q. een schuldregeling of een aanvraag hiertoe, kan hij:

    • a.

      binnen zeven dagen nadat de beslissing tot de voorgenomen afwijzing hem bereikt heeft een verzoek tot heroverweging richten tot de directeur. De directeur beslist binnen tien dagen nadat het verzoek tot heroverweging hem bereikt heeft;

    • b.

      Indien de directeur niet tot heroverweging overgaat, of na heroverweging afwijzend beslist heeft, bezwaar aantekenen bij het bevoegd gezag. Dit bezwaar dient binnen 30 dagen nadat de beslissing van de directeur ter kennis is gekomen van de cliënt met redenen omkleed, te zijn ingediend. Het bevoegd gezag beslist binnen 30 dagen nadat het bezwaar te zijner kennis is gekomen, met de mogelijkheid van verlenging van deze termijn.

    • c.

      Indien het bevoegd gezag afwijzend beslist op het aangetekende bezwaar, binnen 14 dagen nadat de omstreden beslissing op het bezwaar te zijner kennis is gekomen, advies vragen aan de Geschillencommissie Volkskrediet

  • 3.

    Indien een cliënt of derde-belanghebbende zich niet kan verenigen met de gang van zaken ronde een kredietverstrekking, c.q. een schuldbemiddeling, of een aanvraag hiertoe, kan hij hieromtrent schriftelijk een klacht indienen bij de directeur. Indien deze niet binnen één maand tot een voor de klager aanvaardbare oplossing heeft geleid, kan deze binnen één maand een klacht indienen bij de Geschillencommissie Volkskrediet.