Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zwolle

Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZwolle
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingDebiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017
CiteertitelDebiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Regels ten aanzien van terugvordering uitkering op grond van Participatiewet

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet artikel 54 lid 1, 58, 59 en 60

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

10-03-2017nieuwe regeling

28-02-2017

Gemeenteblad 9-3-2017

cb 2017-02.28

Tekst van de regeling

Intitulé

Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017

 

 

Debiteurenplan gemeente Zwolle vordering en verhaal 2017

Inhoud

Hoofdstuk 1: inleiding 1

Hoofdstuk 2: uitgangspunten voor terugvordering, verhaal, boetes en invordering 3

§ 2.1. – Algemeen uitgangspunt 3

§ 2.2. – Herziening of intrekking en boete 3

§ 2.3. – Terugvordering en verhaal 4

§ 2.4. – Dringende redenen 5

§ 2.5. – Algemene uitgangspunten voor invordering 5

§ 2.6. – Wettelijke rente en kosten 6

§ 2.7. – Betaling 6

§ 2.8. – Uitstel van betaling 7

§ 2.9. – Aanmaning 7

§ 2.10. – Dwangbevel 8

§ 2.11. – Verrekening 9

§ 2.12. – Bescherming van de beslagvrije voet 9

Hoofdstuk 3: debiteuren(her)onderzoek 10

§ 3.1. – Inleiding 10

§ 3.2. – Te onderzoeken gegevens 10

§ 3.3. – Herzieningsverzoek 10

§ 3.4. – Termijnen debiteurenheronderzoek 10

Hoofdstuk 4: aflossing- en invorderingsbeleid pw, ioaw en bbz 11

§ 4.1. – Ten onrechte verleende bijstand of IOAW 11

§ 4.2. – Leningen en borgtochten 12

§ 4.3. – Vorderingen die het gevolg zijn van het achteraf ontvangen van middelen 12

§ 4.4. – Vorderingen i.v.m. verstrekte leenbijstand onder verband van hypotheek 12

§ 4.5. – Vorderingen uit hoofde van leenbijstand voor levensonderhoud of kapitaal aan Bbz-ers 13

§ 4.6. – Verhaalsbijdragen en verhaalsvorderingen uit hoofde van onderhoudsplicht 14

§ 4.7. – Verhaalsvorderingen uit hoofde van schenking of nalatenschap 14

Hoofdstuk 5: kwijtschelding pw, ioaw en bbz 15

§ 5.1. – Kwijtschelding 15

5.1.1. Algemeen 15

5.1.2. Bbz 15

5.1.3. Kwijtscheldingsbeleid 16

§ 5.2. – Debiteuren met ernstige financiële problemen 17

Hoofdstuk 6: terugvordering, aflossing en invordering van overige regelingen 18

§ 6.1. – Algemeen 18

§ 6.2. – Terugvordering 19

§ 6.3. – Aflossing en invordering 19

§ 6.4. – Kwijtschelding en ernstige financiële problemen 20

Begrippen 20

Afkortingen 22

Hoofdstuk 1: inleiding

Visie

De gemeente Zwolle wil een debiteurenbeleid voeren waarbij transparantie richting de burgers, afstemming tussen de verschillende incasserende organisaties en ruimte voor maatwerk, alsmede aandacht voor het voorkomen van onnodige verhogingen van de schuldenlast het streven is. Een schuldenaar moet inzicht kunnen krijgen in zijn vorderingen en moet de gemeente Zwolle op een laagdrempelige wijze kunnen benaderen om een betalingsregeling te treffen. Heldere communicatie met de schuldenaar over welk bedrag hij verschuldigd is, binnen welke termijn dit voldaan moet zijn en welke mogelijkheden hij heeft wanneer de voldoening van de vordering hem voor problemen plaatst is hierbij belangrijk. Het invorderingsproces moet zo effectief mogelijk ontwikkeld worden, maar vooral een preventieve en integrale aanpak is van belang. Om een preventieve en integrale aanpak te kunnen realiseren moet er een mogelijkheid zijn om van de regels af te kunnen wijken en maatwerk te bieden. Er moet gekeken worden wat bijdraagt en wat belemmerend is voor een ander hoger doel dat speelt bij de debiteur.

D ebiteur en in de Sociale voorzieningen

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet (PW) in werking getreden. De PW geeft het college de bevoegdheid tot terug- en invorderen en het verhalen van de kosten van bijstand. Het college kadert deze bevoegdheid nader in door deze beleidsregel. Uitgangspunt hierbij is dat:

  • ·

    volledig gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het herzien of intrekken of terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand.

  • ·

    gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden tot verhaal van bijstand met uitzondering van ouders van jongmeerderjarigen en het verhalen op nalatenschappen. (Zie voor nadere toelichting pagina 5, paragraaf 2.1. – Algemene uitgangspunten)

Met inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten (Fraudewet) wordt de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Het gaat om de vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte ontvangen bijstand en andere sociale voorzieningen vanwege de schending van de inlichtingenplicht. De verplichting tot terugvordering komt daarbij mede tot uiting in het gebod tot verrekening en een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenverplichting en deze leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering.

De hierboven genoemde verplichting tot terugvordering geldt enkel voor terugvorderingen die zijn ontstaan na 1 januari 2013, de inwerkingtreding van de Fraudewet. Is het besluit tot terugvordering voor 1 januari 2013 afgegeven dan blijft terugvordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht een bevoegdheid waarvan in alle voorkomende gevallen gebruik zal worden gemaakt.

Met de inwerkingtreding van de Fraudewet kennen we ook de verplichting tot het opleggen en invorderen van boetes. Boetes hebben voor wat betreft de preferentie een concurrent karakter en kunnen niet worden kwijtgescholden.

Inhoud en directe werking debiteurenplan

Dit debiteurenplan heeft het karakter van een beleidsregel (artikel 1:3 lid 4 Awb). Het is mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die hier zijn opgenomen. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de algemene uitgangspunten voor terugvordering en invordering weergegeven. Vervolgens komen in hoofdstuk 3 de heronderzoeken aan de orde. In hoofdstuk 4 is het aflossingsbeleid en invorderingsbeleid geformuleerd voor de PW, Bbz en IOAW. In het hoofdstuk 5 vindt u eveneens voor de PW, Bbz en IOAW het beleid opgenomen aangaande kwijtschelding, debiteuren met (ernstige) financiële problemen en de mogelijkheid om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Tot slot is in het laatste hoofdstuk het beleid geformuleerd voor de overige regelingen: IOAZ, WI, WKO, WMO, Wwik en gemeentelijke computerregeling.

Deze nieuwe beleidsregels bevatten geen aparte bepaling met betrekking tot het overgangsrecht. Zij heeft onmiddellijke werking. Dat wil zeggen dat het niet alleen van toepassing is op wat na haar inwerkingtreding voorvalt, maar ook op wat al bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Daarop hanteren we drie uitzonderingen:

  • ·

    in het individuele geval is een gerechtvaardigde verwachting gewekt over een afwijkende behandeling;

  • ·

    voor de fraudeschulden van voor 1.1.2013 handhaven we de mogelijkheid van kwijtschelding en schuldregeling overeenkomstig het debiteurenplan 2009;

  • ·

    Bij het aflossing- en invorderingsbeleid van het Debiteurenplan 2017 wordt geen onderscheidt gemaakt tussen het invorderen van verwijtbare en niet verwijtbare vorderingen. Alle vorderingen worden met 100% van de beschikbare ruimte geïnd. Voor de huidige vorderingen, die volgens de regels van het debiteurenplan 2013 worden afbetaald, geldt een overgangsregeling: zolang er volledig en zonder onderbrekingen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, kan er gebruik worden gemaakt van het mildere regime van 60% overeenkomstig het Debiteurenplan 2013. Indien er een onderbreking plaatsvindt vervalt het oude recht en wordt het Debiteurenplan 2017 gehanteerd. Indien de debiteur meerdere vorderingen heeft, geldt het Debiteurenplan 2017 zodra diegene met het afbetalen van de volgende vordering begint.

De relevante wetsartikelen zijn te raadplegen op: wetten.overheid.nl

Hoofdstuk 2: uitgangspunten voor terugvordering, verhaal, boetes en invordering

§ 2.1. – Algemeen uitgangspunt

Het college maakt volledig gebruik van de bevoegdheid tot het:

  • a.

    Herzien of intrekken van het toekenningbesluit;

  • b.

    Terugvorderen van ten onrechte verleende uitkering;

  • c.

    Verhalen van verleende bijstand;

  • d.

    Opleggen van boetes;

Een uitzondering op dit uitgangspunt vormt verhaal op ouders van jongmeerderjarigen. Dat wil zeggen dat het college geen gebruik maakt van die bevoegdheid.

Betreffende nalatenschappen ziet het college af van verhaal op nalatenschappen als op basis van de ter beschikking staande gegevens aannemelijk is dat debiteur of onderhoudsplichtige niet over middelen en/of vermogen beschikt waaruit de vordering voldaan kan worden.

§ 2.2. – Herziening of intrekking en boete

2.2.1 Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking

Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, schort het college het recht op bijstand op voor de duur van ten hoogste 8 weken:

  • a.

    Vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

  • b.

    Vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft;

De bepaling is identiek aan de bepaling van 54 lid 1 PW, maar is met een dwingend karakter geformuleerd.

Als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

2.2.2. Herziening of intrekking en boete

Het college herziet een dergelijk besluit of trekken het in:

  • a.

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot ten onrechte verleende bijstand;

  • b.

    indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

Het college maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningbesluit met terugwerkende kracht te herzien, gebruik van deze bevoegdheid.

Indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel het college als naar het UWV. Het college is verplicht bij schending van de inlichtingenplicht een boete op te leggen.

§ 2.3. – Terugvordering en verhaal

2.3.1. Ten onrechte verleende bijstand

De hieronder omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn ontleend aan de bepalingen van artikel 58 en 59 PW. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels dwingend geformuleerd.

Het college vordert de kosten van bijstand terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:

  • a.

    Ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

  • b.

    In de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

  • c.

    Voortvloeit uit gestelde borgtocht;

  • d.

    Bijstand wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat;

  • e.

    Anderszins onverschuldigd is betaald en voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

  • f.

    Anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

    • 1.

      De belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet beschikt of kan beschikken;

    • 2.

      Bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming;

De bepaling is identiek aan de bepaling van artikel 58 PW. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels dwingend geformuleerd.

Het college verrekent de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe noodzaken af te wijken van de algemene regel.

2.3.2. Brutering

Het college vordert de kosten van bijstand terug van de belanghebbende inclusief loonbelasting en de premies volksverzekering waarvoor het college inhoudingspichtige is, voorzover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de innende instanties. De inkomensafhankelijke werkgeversheffing zorgverzekeringen wordt niet teruggevorderd.

Het college vordert alleen de netto bijstand terug als van het ontstaan van de schuld en betaling na het boekjaar van de schuld geen verwijt kan worden gemaakt. Vorderingen wegens doorgeschoten betalingen en korting van inkomsten – vastgesteld na het afsluiten van het boekjaar - blijven netto. Als deze vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar, moeten de volgende factoren worden gewogen: de hoogte van de vordering, de resterende maanden van het jaar, de mogelijkheid om ineens te betalen, de medewerking aan een aflossingsregeling. In ieder geval worden niet verwijtbaar ontstane vorderingen die waarop wordt beslist na 1 november van het lopende boekjaar niet gebruteerd.

Als nabetalingen aan klanten bijv. in de vorm van afwikkeling van nalatenschap, niet worden uitgekeerd in het lopende boekjaar, wordt er niet gebruteerd over het al afgesloten boekjaar. De vordering blijft dan netto, tenzij de middelen aan het college zijn verzwegen waaronder begrepen het niet melden van de aanspraak. Vorderingen die zijn ontstaan vanwege schending inlichtingenplicht worden aan het eind van het boekjaar, altijd gebruteerd.

2.3.3. Terugvordering van gezinsleden

Bijstand aan een gezin wordt van alle gezinsleden teruggevorderd. Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden:

De genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

De bepaling is identiek aan de bepaling van artikel 59 PW, maar is met een dwingend karakter geformuleerd.

2.3.4. Afzien van terugvordering

In enkele gevallen is de terugvordering dermate klein dat afzien van terugvordering efficiënter is dan het starten van het hervormingsproces. Het college besluit af te zien van terugvorderingen bij bedragen kleiner dan tien euro.

2.3.5. Verrekening proceskosten

De Participatiewet biedt het college de mogelijkheid om een vordering van de burger op de gemeente vanwege proceskosten te verrekenen met een gemeentelijke vordering op grond van de Participatiewet. Het college zal in alle voorkomende gevallen gebruik maken van deze verrekenings- bevoegdheid.

§ 2.4. – Dringende redenen

Van de intrekking, herziening, terugvordering, boeteoplegging of het verhaal van een uitkering kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien als er sprake is van bij de debiteur gelegen dringende redenen. Bij verhaal kunnen dringende redenen zowel gelegen zijn aan de zijde van degene die bijstand of een uitkering ontvangt of heeft ontvangen, als aan de zijde van degene op wie verhaal wordt gezocht. Bij het aannemen van dringende redenen kunnen zowel financiële als niet financiële factoren een rol spelen. Toepassing van dringende redenen kan ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar. Een verzoek om van terugvordering af te zien wegens dringende redenen kan niet meer succesvol bij het college worden ingediend nadat het terugvorderingsbesluit in rechte is komen vast te staan. Een beroep op dringende redenen kan niet meer tijdens de invorderingsprocedure worden gedaan.

§ 2.5. – Algemene uitgangspunten voor invordering

2.5.1. Minst zwaarwegende invorderingswijze

Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de voor het college snelste, eenvoudigste en minst kostbare wijze voor het college de voorkeur. Als bijvoorbeeld vereenvoudigd derdenbeslag tot effectieve invordering kan leiden, wordt in beginsel geen gerechtsdeurwaarder ingeschakeld.

2.5.2. Moment inleveren bescheiden

Als datum van binnenkomst voor stukken met rechtsgevolgen geldt de datum van binnenkomst bij de gemeente. Hierbij kan gedacht worden aan de inlichtingenplicht van de schuldenaar en het vervallen van de bescherming van de beslagvrije voet bij het niet nakomen van deze verplichting (artikel 60 leden 1 en 5 PW).

Als het college in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de schuld, dan blijven deze gehandhaafd als het college niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden.

§ 2.6. – Wettelijke rente en kosten

2.6.1. Invulling bevoegdheid tot invorderen van wettelijke rente

Indien er sprake is van verzuim zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, zal het college de schuldenaar wettelijke rente in rekening brengen en innen als de invordering wordt overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder of een incassobureau.

2.6.2. Uitstel van betaling

Indien het college uitstel van betaling heeft verleend (artikel 4:94 Awb) is de schuldenaar over de termijn van uitstel geen wettelijke rente verschuldigd, tenzij het niet kunnen voldoen aan de betalingsverplichting binnen de risicosfeer van de schuldenaar ligt (artikel 4:101 Awb).

2.6.3. Kosten bij niet tijdige betaling

Bij niet tijdige betaling, zoals bedoeld in artikel 4:97 Awb, wordt de vordering verhoogd met de op de vordering betrekking hebbende kosten. De kosten voor het uitbrengen van een dwangbevel worden op 10% van de hoogte van de vordering gesteld met een minimum van €10,- en een maximum van €70,-. Bij overdracht aan de gerechtsdeurwaarder of incassobureau wordt de vordering verhoogd met de daarop betrekking hebbende gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

§ 2.7. – Betaling

2.7.1. Wijze en tijdstip betaling

De betaling geschiedt binnen 6 weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij een later tijdstip is vermeld (artikel 4:87 Awb). De betaling door de schuldenaar geschiedt door bijschrijving op de daartoe bestemde bankrekening, tenzij een andere wijze van betaling te prefereren is. Als tijdstip van betaling geldt de datum waarop de rekening van de gemeente wordt gecrediteerd (artikel 4:89 leden 1 en 3 Awb). Bij betaling aan de kas van de gemeente geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van de gemeente is betaald als tijdstip van betaling.

2.7.2. De afboeking van de betaling

Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen:

  • ·

    Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler (artikel 4:92 lid 2 Awb);

  • ·

    Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven, de zogenoemde ongerichte betalingen, worden afgeboekt op de oudste openstaande vordering, met dien verstande dat de aard van de vorderingen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken;

  • ·

    De betaling strekt in de eerste plaats tot mindering van de kosten, vervolgens de verschenen

rente en ten slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente (artikel 4:92 lid 1 Awb).

2.7.3. Teveelbetaling

Als de aangegeven bestemming van de betaling een vordering betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere vorderingen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld.

2.7.4. Betaling van kleine bedragen

Betalingen van vorderingen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door het college aangemerkt wordt als nodeloze overlast. Voor het te weinig betaalde is de schuldenaar in verzuim.

§ 2.8. – Uitstel van betaling

2.8.1. Invulling bevoegdheid tot verlenen van uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb)

Het college verleent op verzoek van de schuldenaar of ambtshalve uitstel van betaling, indien naar het oordeel van het college het uitstel bijdraagt tot de oplossing van een schuldenprobleem (zie § 5.2.). Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. De bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb) blijft echter bestaan. De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in de beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het opleggen van een betalingsregeling indien de debiteur niet langer aan de voorwaarden voldoet of een verplichting tot het stellen van zekerheid.

2.8.2. Bezwaarschrift en beroepschrift gelden niet als verzoek om uitstel

Als de schuldenaar een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een vordering of een beroepschrift indient, merkt het college van burgemeester en wethouders het bezwaar- of beroepschrift niet aan als een verzoek om uitstel van betaling.

In die gevallen moet de schuldenaar dus een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling indienen. Dergelijke verzoeken worden in het algemeen afgewezen omdat het aanhangig zijn van een bezwaar, beroep of hoger beroep procedure geen opschortende werking heeft, tenzij naar het oordeel van het college aanleiding is om van de hoofdregel af te wijken.

2.8.3. Weigeren van uitstel van betaling

Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als:

  • a.

    De medewerking aan het betalingsuitstel van de verzoeker naar het oordeel van het college onvoldoende is;

  • b.

    Onjuiste gegevens in het kader van het betalingsuitstel worden verstrekt;

  • c.

    De vordering het gevolg is van schending inlichtingenplicht en is vastgesteld na 1.1.2013;

  • d.

    De gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt;

  • e.

    De gevraagde zekerheid niet wordt gesteld;

  • f.

    De waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt;

  • g.

    De berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden;

  • h.

    Indien de schuldenaar al eerder een regeling heeft genoten, maar niet is nagekomen;

  • i.

    Het verschuldigde bedrag minder dan € 50 bedraagt.

2.8.4. Intrekken of wijzigen beschikking tot uitstel van betaling

In de volgende gevallen zal de beschikking tot uitstel van betaling worden gewijzigd of ingetrokken:

  • 1.

    indien de voorschriften niet worden nageleefd;

  • 2.

    indien de schuldenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft vertstrekt die tot een andere beschikking zou hebben geleid;

  • 3.

    indien veranderde omstandigheden zich verzetten tegen de voortduring van het uitstel.

§ 2.9. – Aanmaning

2.9.1. Gevolgen niet nakomen aanmaning

De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 4:112 lid 3 Awb). Het college brengt voor een aanmaning geen vergoeding in rekening.

2.9.2. Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning

Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan.

§ 2.10. – Dwangbevel

2.10.1. Tijdstip van uitvaardigen dwangbevel

Nadat niet of niet volledig binnen de aanmaningstermijn is betaald, vaardigen burgemeester en wethouders een dwangbevel uit (artikel 60 lid 2 PW en artikel 4:117 lid 1 Awb). Voor de kosten van een dwangbevel zie 2.6.3.

2.10.2. Bekendmaking van het dwangbevel

Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel aangetekend per post te betekenen. De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling binnen twee dagen vindt plaats door het aangetekend ter post bezorgen van een afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door het college ter verzending aanbieden van het afschrift. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging.

Indien betekening per post niet mogelijk of wenselijk is, bijvoorbeeld omdat beslag op goederen of beslag op een bankrekening de voorkeur verdient, wordt de betekening overgelaten aan de deurwaarder, zoals bedoeld in artikel 4:123 Awb.

2.10.3. Adressering van per post betekende dwangbevelen

Verzending van het voor de schuldenaar bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het in de administratie van de gemeente bekende adres van de betalingsplichtige.

Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het adres van de schuldenaar zijn, dat in de Basisregistratie personen (BRP) is geregistreerd. Als de schuldenaar te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Basisregistratie personen - bijvoorbeeld een postbusadres - kan verzending ook plaatsvinden aan dat adres.

Als achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een bij gemeentelijke vergissing onjuist adres is verzonden (ten tijde van de terpostbezorging) en de schuldenaar niet heeft bereikt, dan wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden.

2.10.4. Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel

Een dwangbevel dat door terpostbezorging, hetzij door de deurwaarder is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, moet mede worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger alvorens tot tenuitvoerlegging ervan kan worden overgegaan. Zo nodig zal aan de laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan.

Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie.

Ten aanzien van personen waar het college niet is geïnformeerd over wijziging van het laatst ingeschreven adres, kan het college de dwangbevelen uitbrengen aan het laatst bekende adres dat correspondeert met het WRP-adres, bijv. mensen zonder vaste of bekende woon- en verblijfplaats en vertrokken onbekend waarheen.

2.10.5. Tenuitvoerlegging dwangbevel

Het dwangbevel levert een executoriale titel op (artikel 4:116 Awb). Na betekening aan de schuldenaar, zal het college het dwangbevel met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ten uitvoer leggen, indien niet binnen de gestelde termijn aan het bevel tot betaling van de hoofdsom en de kosten volledig is voldaan.

§ 2.11. – Verrekening

2.11.1. Invulling bevoegdheid tot verrekening (artikel 4:93 Awb)

Indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 PW worden teruggevorderd een uitkering op grond van de PW, Wet IOAW, de Wet IOAZ of het Bbz 2004 ontvangt, is het college als gevolg van artikel 60 lid 3 PW bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand of uitkering. Van deze bevoegdheid maakt het college zoveel mogelijk gebruik. Indien een vordering verrekend wordt met de bijstand of andere uitkering dient rekening gehouden te worden met het feit dat een eventueel eerder op de bijstand gelegd beslag opgeschort wordt voor de duur van de verrekening. De beslaglegger dient hiervan bericht te worden.

2.11.2. Regels ten aanzien van verrekenen

Voor verrekenen hanteert het college de regel dat er niet tot verrekening wordt overgegaan, indien de middelen van de schuldenaar afdoende zijn om de vordering in één keer te betalen.De schuldenaar wordt op de hoogte gesteld van een verrekening met zijn of haar uitkering evenals van de hoogte van het bedrag van de verrekening (artikel 4:93 lid 2 Awb). Een verleend uitstel tot betaling staat verrekening niet in de weg (artikel 4:93 lid 5 Awb). De gehele al op het moment van verrekening gereserveerde vakantietoeslag als gevolg van bijstandsverlening of uitkeringsverstrekking wordt verrekend met de vordering.

§ 2.12. – Bescherming van de beslagvrije voet

2.12.1. Vervallen bescherming beslagvrije voet

Het college kan de bescherming beslagvrije voet laten vervallen indien de debiteur in het buitenland verblijft (VOW).

In alle overige gevallen waarbij het college niet op de hoogte is van het woon- of verblijfadres wordt de beslagvrije voet gehanteerd zonder beslagvrije voet verhogende componenten.

2.12.2. Woonkosten koopwoning

Het college kan de beslagvrije voet verhogen met de voor de schuldenaar in aanmerking te nemen woonkosten. Hierbij kan rekening gehouden worden met:

  • ·

    De betaalde hypotheekrente;

  • ·

    Erfpacht;

  • ·

    Premie opstalverzekering;

  • ·

    Eigenaarsdeel OZB;

  • ·

    Polder- en waterschapslasten en

  • ·

    Klein onderhoud.

Betaling van hypotheek levert fiscaal voordeel op. Dit belastingvoordeel wordt niet in mindering gebracht op de woonkosten, maar moet als inkomen worden meegeteld en dus volledig in mindering worden gebracht op de beslagvrije voet. Het verdient aanbeveling erop toe te zien dat de schuldenaar verzoekt om een voorlopige teruggave van die belasting, zodat het fiscale voordeel maandelijks wordt verkregen.

Aflossingen op een hypothecaire lening vormen geen onderdeel van woonkosten. Het gaat dan immers om vermogensvorming.

Hoofdstuk 3: debiteuren(her)onderzoek

§ 3.1. – Inleiding

Het college werkt met het signaalgestuurd werken. Hierbij geeft het college bepaalde debiteuren, die een schuld hebben gerelateerd aan de bijstand, maandelijks door aan het Inlichtingenbureau. Op basis van deze gegevens worden signalen retour geleverd aan de gemeente Zwolle over (wijzigingen in het) inkomen en vermogen van de bijstandsdebiteuren.

Om te komen tot een optimale en efficiënte invordering kan het college naast het signaalgestuurd werken de financiële omstandigheden onderzoeken van debiteuren. Het gaat erom te achterhalen of de vastgestelde verplichting nog in overeenstemming is met de situatie van de debiteur.

§ 3.2. – Te onderzoeken gegevens

Hieronder wordt omschreven welke aspecten in het debiteuren(her)onderzoek in ieder geval onderzocht dienen te worden. In voorkomende gevallen kan, naar aanleiding van gewijzigde (financiële) omstandigheden van de debiteur, besloten worden tot een gewijzigde betalings- en/of aflossingsverplichting.

In een heronderzoek richten we ons op:

  • a.

    Controleren of de hoofdsom, het saldo, de status en de rente van de vordering correct zijn vastgesteld en op een juiste wijze in het automatiseringssysteem en in het dossier zijn vastgelegd;

  • b.

    Onderzoek over verjaring, bezien of de verjaar datum correct is ingevoerd en bezien of de verjaring gestuit moet worden.

  • c.

    Onderzoek naar de wijze van aflossing over de periode vanaf het ontstaan van de vordering of vanaf het laatst uitgevoerde heronderzoek; De medewerker stelt vast of de debiteur in gebreke is.

  • d.

    Onderzoek naar de financiële positie van de debiteur en de mogelijkheid om de hoogte van de aflossing aan te passen aan de financiële positie van de debiteur waarbij we Suwinet, KvK en kadaster raadplegen;

  • e.

    Ambtshalve onderzoek naar kwijtschelden;

  • f.

    Onderzoek naar de mogelijkheid om beslag te leggen, indien de debiteur in gebreke is;

  • g.

    In geval van een debiteuren(her)onderzoek op een onderhoudsplichtige dient te worden onderzocht of de hoogte van de verhaalsbijdrage moet worden aangepast aan de financiële omstandigheden van de debiteur. Tevens wordt vastgelegd wanneer de betreffende verhaalstitel(s) vervallen.

§ 3.3. – Herzieningsverzoek

Een debiteur of onderhoudsplichtige kan tussentijds zelf verzoeken om aanpassing van zijn aflossingsbedrag op grond van permanent gewijzigde omstandigheden. Een dergelijk tussentijds verzoek kan tot verlaging maar ook tot verhoging van het maandelijks aflossingsbedrag of de onderhoudsbijdrage leiden. De debiteur dient vooraf op deze consequentie gewezen te worden alvorens het verzoek om herziening in behandeling wordt genomen. In alle gevallen geldt bovendien dat het indienen van een herzieningsverzoek onverlet laat dat de debiteur de al opgelegde aflossing of onderhoudsbijdrage aan het college moet blijven betalen. Het herzieningsverzoek schort daarom de betalingsplicht niet op. Een herziening wordt toegepast vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de debiteur zijn herzieningsverzoek kenbaar heeft gemaakt bij het college.

§ 3.4. – Termijnen debiteurenheronderzoek

Eenmaal in de 3 jaar vindt er voor alle debiteuren een (her)onderzoek plaats. Indien uit het onderzoek naar de aflossingscapaciteit van de debiteur blijkt dat de vordering bij constante betaling binnen 3 jaar kan worden afgelost, wordt er een tussentijdsonderzoek ter controle uitgevoerd op het tijdstip dat de vordering voldaan zou moeten zijn.

Systeemcheck voor bepaalde categorieën

Voor een aantal categorieën is het van belang om één keer in de 6 maanden een check uit te voeren in het ter beschikking staande systeem (Suwi-net). Dit geldt voor de volgende categorieën:

  • ·

    onderhoudsplichtigen waarbij de alimentatie op nihil is vastgesteld. Onderzocht moet worden of de onderhoudsplichtige kan gaan bijdragen door gewijzigde financiële omstandigheden.

  • ·

    Administratieve bewaking van beslag. Hierbij gaat het onder andere om de verdeling van gelden met andere preferentie schuldeisers.

  • ·

    De vorderingen die niet naar het inlichtingenbureau gaan.

Hoofdstuk 4: aflossing- en invorderingsbeleid pw, ioaw en bbz

In onderstaande paragrafen wordt het aflossings- en invorderingsbeleid omschreven over de verschillende vorderingen binnen het sociaal domein. Vorderingen worden geïnd met 100% van de beschikbare ruimte in het inkomen of beschikbare vermogen al dan niet vallend onder het bescheiden vermogen.

Soms heeft de debiteur de beschikking gehad over het bedrag dat teruggevorderd wordt bv een erfenis. De vordering dient dan in één maal voldaan te kunnen worden. Indien de debiteur stelt daartoe niet meer in staat te zijn, dient primair onderzocht te worden of de vordering geheel of gedeeltelijk voldaan kan worden door middel van beslag op goederen die de debiteur toebehoren. Indien schuldenaren geen huurtoeslag of zorgtoeslag aanvragen, geven wij hen de tijd om dit alsnog te regelen. Na verloop van de aanvraag termijn houden we onverkort rekening met de (vermoedelijk aanwezige) toeslag.

Bij het invorderen van de openstaande saldi dient met 2 aspecten in het bijzonder rekening te worden gehouden. Het eerste punt betreft de vakantietoeslag en het tweede de vrijwillige aflossing.

  • 1.

    Met betrekking tot door het college al gereserveerde vakantietoeslag valt op te merken dat bij uitbetaling dit ook onder de voor verrekening vatbare uitkering valt. Het zal dus ook strekken tot aflossing van onze vordering. Vanaf de beslaglegging is de vakantietoeslag begrepen in de beslagvrije voet conform Burgerlijke rechtsvordering.

  • 2.

    Het onderscheid met een aflossing op vrijwillige basis en een dwanginvordering is dat bij vrijwillige aflossing van de vordering:

    • ·

      Er op termijn kwijtschelding mogelijk is indien ononderbroken wordt betaald (m.u.v. boetes);

    • ·

      Rekening kan worden gehouden met kosten die voor het verwerven van het inkomen noodzakelijk zijn en die niet door de werkgever worden vergoed;

    • ·

      Rekening kan worden gehouden met een betalingsregeling aan een andere schuldeiser met een hogere preferentie dan de eigen vordering van het college voor de duur van deze regeling.

§ 4.1. – Ten onrechte verleende bijstand of IOAW

·Waarbij een besluit tot terugvordering is genomen:

Wordt in beginsel opgeëist binnen 6 weken. Op verzoek kan worden verrekend met het recht op verleende bijstand of kan er vrijwillig worden afgelost. Vrijwillige aflossing kan tot een bedrag gelijk aan het voor beslag vatbare deel van de aan de debiteur toekomende inkomen tenzij er vermogen beschikbaar is. Indien er een bijstandsuitkering ontvangen zal er per direct rekening worden overgegaan. Als een regeling of verrekening mogelijk is, kan ook akkoord worden gegaan met een maandelijkse aflossing waarmee binnen 24 maand is betaald.

·Indien voor deze vorderingen een debiteur in verzuim is:

Wordt ingevorderd door middel van beslag op de aan de debiteur toekomende goederen en/of periodiek inkomen, conform de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij beslag op het periodieke inkomen van de debiteur wordt alle ruimte boven de van toepassing zijnde beslagvrije voet aangewend ter betaling van de vordering.

Toelichting:

Deze vorderingen worden maximaal verrekend, afgelost of ingevorderd. Eerst wordt het vermogen aangesproken en daarna het inkomen. De verrekening, aflossing of invordering van de vordering dient gelijk te zijn aan het voor beslag vatbare deel van de aan de debiteur verleende bijstand. Bij dwanginvordering op een periodiek inkomen van de debiteur wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 475d Rv. het gehele voor beslag vatbare deel van het inkomen geïnd.

§ 4.2. – Leningen en borgtochten

·Waarbij wel of geen besluit tot terugvordering aan ten grondslag ligt:

Worden in beginsel opgeëiste binnen 6 weken. Op verzoek kan worden verrekend met het recht op verleende bijstand of kan er vrijwillig worden afgelost. Vrijwillige aflossing kan tot een bedrag gelijk aan het voor beslag vatbare deel van de aan de debiteur toekomende inkomen tenzij er vermogen beschikbaar is. Indien er een bijstandsuitkering ontvangen zal er per direct rekening worden overgegaan. Als een regeling of verrekening mogelijk is, kan ook akkoord worden gegaan met een maandelijkse aflossing waarmee binnen 24 maand is betaald.

Toelichting:

De aflossing wordt bepaald op het maximale bedrag dat voor beslag vatbaar is. Indien leenbijstand ter overbrugging is verstrekt in afwachting van middelen die op korte termijn vrijkomen, kan veelal niet verrekend worden met de periodieke uitkering omdat op het moment dat belanghebbende de beschikking krijgt over deze middelen de uitkering moet worden beëindigd.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat ten aanzien van de leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen geldt dat de aflossing wordt gemaximaliseerd op 36 aaneengesloten maanden vanaf de 1e aflossingsverplichting, waarna het restsaldo kan worden kwijtgescholden.

§ 4.3. – Vorderingen die het gevolg zijn van het achteraf ontvangen van middelen

·Waarbij een besluit tot terugvordering is genomen:

Worden in beginsel opgeëist binnen 6 weken.

Toelichting:

Omdat het gaat over achteraf ontvangen middelen heeft de debiteur in principe de beschikking over het bedrag dat teruggevorderd wordt. De vordering dient derhalve in één maal voldaan te kunnen worden. Indien de debiteur daartoe niet in staat is, dient primair onderzocht te worden of de vordering geheel of gedeeltelijk voldaan kan worden door middel van beslag op goederen die de debiteur toebehoren. Indien er geen middelen meer zijn om de vorderingen in één keer terug te betalen en beslag op goederen niet mogelijk is dient een aflossing van de vordering overeengekomen te worden waarbij het aflossingsbedrag gelijk dient te zijn aan het voor beslag vatbare deel van de aan de debiteur toekomende periodieke inkomen. Bij dwanginvordering op een periodiek inkomen van de debiteur wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 475d Rv eveneens het voor beslag vatbare deel van het inkomen geïnd.

§ 4.4. – Vorderingen i.v.m. verstrekte leenbijstand onder verband van hypotheek

·Waarbij geen besluit tot terugvordering is genomen:

Worden afgelost met een bedrag gelijk aan 50% van het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm of 4% van de hoofdsom per jaar vermeerderd met de verschuldigde rente.

·Indien voor deze vorderingen een debiteur in verzuim is:

Wordt ingevorderd door middel van uitwinning van de gevestigde hypotheek en/of beslag op de aan de debiteur toekomende goederen en/of periodieke inkomen, conform de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.).

Toelichting:

De aflossingstermijn voor een geldlening onder verband van hypotheek op een eigen woning bedraagt maximaal 120 maanden en vangt aan op het moment dat de bijstandsuitkering wordt beëindigd. Bij een inkomen gelijk aan de bijstandsuitkering wordt geen aflossing gevraagd. Bij een inkomen hoger dan de bijstandsnorm wordt de aflossing bepaald op 50% van het inkomen, voor zover dat de bijstandsnorm overschrijdt. Indien de voorwaarden niet nagekomen worden en een besluit tot terugvordering is genomen, is het treffen van een betalingsregeling niet meer aan de orde. Het beslag is geheel te wijten aan weigerachtig gedrag van de schuldenaar.

Wanneer na 10 jaar niet het volledig geleende bedrag is terugbetaald, vervalt de periodieke aflossingsverplichting. De vordering blijft openstaan en vanaf dat moment wordt er wettelijke rente in rekening gebracht. Het restant van de lening en de rente wordt vervolgens afgerekend bij de verkoop of vererving van de woning. De ophoging van de rente bedraagt niet meer dan de ruimte boven de beslagvrije voet.

Bij krediethypotheken die zijn afgesloten voor de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet (1 januari 1996) zullen de aflossingsbedragen worden vastgesteld overeenkomstig de oude regels. De debiteur dient dan als aflossing 4% van de hoofdsom per jaar gedurende een termijn van 25 jaar alsmede de verschuldigde rente te betalen. Bij gebrek aan draagkracht kan uitstel van betaling van rente en aflossing verleend worden. Indien bij gebrek aan draagkracht na 25 jaar een deel van de hoofdsom en/of rente blijft openstaan, wordt dit restant afgerekend bij verkoop of vererving van de woning.

In geval van gedeeltelijke betaling op de vordering wordt de betaling eerst afgeboekt op de kosten daarna op de vervallen rente en ten slotte op de hoofdsom.

§ 4.5. – Vorderingen uit hoofde van leenbijstand voor levensonderhoud of kapitaal aan Bbz-ers

·Waarbij een besluit tot terugvordering voor levensonderhoud is genomen:

Worden ineens voldaan binnen een termijn van 6 weken dan wel overeenkomstig het nadere overleg met de Bbz-er.

·Waarbij geen besluit tot terugvordering van de kapitaallening is genomen;

Worden voldaan overeenkomstig de termijnen in de toekenningbeschikking of latere wijzigingsbeschikking.

·Waarbij een besluit tot terugvordering is genomen als voor deze vorderingen een debiteur in verzuim is;

Worden ingevorderd door middel uitwinning van eventuele pandrechten, een gevestigde hypotheek en/of van beslag op de aan de debiteur toekomende goederen en/of periodiek inkomen, conform de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Toelichting:

De voorwaarden waaronder de geldlening is verstrekt en de aflossing van de vordering, zijn vastgelegd in het Bbz-2004 en voor zo ver het een voor 01-01-2004 genomen besluit betreft, in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).

Terugbetaling van een lening voor levensonderhoud vindt plaats als meer inkomen is verworven dan de bijstandsnorm of als men boven de Bbz-vermogensgrens zit. In het minnelijk overleg over het besluit tot terugvordering van de uitkering voor levensonderhoud is een korte betalingstermijn het uitgangspunt. Men beschikte immers over voldoende middelen. De nieuwe maatschappelijk onaanvaardbare situatie dreigt te ontstaan is een lagere aflossing mogelijk.

Terugbetaling van een kapitaallening vindt plaats over een termijn van maximaal 10 jaar. Bij onvoldoende inkomen kan tot maximaal drie jaar uitstel van betaling worden verleend.

Na het stoppen van het bedrijf ontstaat een andere situatie. De zelfstandige zal dan veelal verzoeken om kwijtschelding, zie hiervoor hoofdstuk 5.

Indien de voorwaarden uit de lening onvoldoende nagekomen worden, is het treffen van een minnelijke betalingsregeling niet meer aan de orde. Het invorderen door beslag is te wijten aan weigerachtig gedrag van de schuldenaar. Indien op verzoek van de debiteur - gelet op alle omstandigheden - toch een betalingsregeling wordt aangegaan dan geldt dat het meerdere boven de beslagvrije voet hiervoor moet worden aangewend.

Overigens wordt op het moment van terugvorderen een rentedragende lening, renteloos gemaakt om de rentevordering niet groter te laten worden kan een lening zelf.

§ 4.6. – Verhaalsbijdragen en verhaalsvorderingen uit hoofde van onderhoudsplicht

·Wanneer een executoriale titel is verkregen op grond van artikel 62b PW of artikel 62h PW (verhaal in rechte) en de onderhoudsplichtige weigert de verschuldigde bedragen te voldoen; worden ingevorderd door middel van beslag op de aan de onderhoudsplichtige toekomende goederen en/of periodiek inkomen, conform de rechtsregels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij beslag op het periodieke inkomen van de debiteur betekent dit dat alle ruimte boven de van toepassing zijnde beslagvrije voet dient te worden aangewend ter betaling van de vordering.

Toelichting:

Bij het vaststellen van een verhaalsbijdrage wordt eerst gevraagd om vrijwillige nakoming. Wanbetaling leidt tot aanmaningen en tenslotte tot executie van voorhanden titels. Wanneer aan de verschuldigde verhaalsbijdrage en/of vordering een artikel 62b PW beschikking ten grondslag ligt, wordt het beslag uitgevoerd na het verstrijken van de in deze beschikking aangehaalde verzetstermijn en indien niet of onvoldoende binnen de daarvoor gestelde termijn, gehoor is gegeven aan de aanmaning tot betaling van het verschuldigde.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de hoogte van de verschuldigde verhaalsbijdrage voor minderjarige kinderen en daarmee samenlopende partner wordt vastgesteld overeenkomstig een vereenvoudigde berekeningsystematiek die afwijkt van de Trema-normen. Indien de onderhoudsplicht uitsluitend bestaat voor de ex-partner wordt overeenkomstig het trema-normen verhaald. Het bovenstaande heeft dan ook uitsluitend betrekking op verhaalsvorderingen. Bij een verzoekschrift zal voor de aflossing van de achterstallige termijnen de resterende draagkrachtruimte volledig worden benut. Dit geldt ook indien op verzoek van de onderhoudsplichtige toch een betalingsregeling wordt aangeboden voor de verhaalsvordering, waarbij ook een regeling mogelijk blijft die de gehele vordering binnen vierentwintig maanden voldoet.

§ 4.7. – Verhaalsvorderingen uit hoofde van schenking of nalatenschap

·Wanneer een executoriale titel is verkregen en de schuldenaar weigert de vordering te voldoen:

Wordt ingevorderd door middel van beslag op goederen en/of periodiek inkomen, conform Burgerlijke Rechtsvordering. Bij beslag op het periodiek inkomen van de debiteur betekent dit dat alle ruimte boven de van toepassing zijnde beslagvrije voet dient te worden aangewend ter betaling van de vordering.

Toelichting:

Verhaal wegens schenking of nalatenschap is zeldzaam. Primair wordt een verhaalsbedrag opgelegd ter hoogte van de verleende bijstand. Indien deze bijdrage niet wordt voldaan en een executoriale titel is verkregen, wordt het restant geïnd door middel van beslag.

Als een betalingsregeling wordt aangegaan, wordt alle ruimte boven de beslagvrije voet gevraagd.

Hoofdstuk 5: kwijtschelding pw, ioaw en bbz

§ 5.1. – Kwijtschelding

Indien het invorderen onmogelijk is of gepaard gaat met zeer nadelige effecten moet de mogelijkheid bestaan soepeler beleid te voeren. Het college heeft de bevoegdheid om in voorliggende gevallen af te zien van verdere terugvordering of verhaal dan wel de hoogte van het aflossingsbedrag te verlagen. Uitgangspunt blijft een strakke betaling waarbij zoveel mogelijk wordt ingevorderd.

Onderstaand kwijtscheldingsbeleid beoogt het debiteurenbeleid beter uitvoerbaar te maken en kan ook een positieve uitwerking hebben op de debiteur. Immers, het college kan debiteuren die aan bepaalde voorwaarden hebben voldaan, zicht bieden op een (eerder) einde van de aflossingsverplichting. Dit kan stimuleren tot betaling van de vordering in een situatie waarin de debiteur anders zou afhaken. Voorts geeft het de gemeente de mogelijkheid om vorderingen op te schonen die heel moeilijk te innen zijn of onevenredige kosten van inning meebrengen.

5.1.1. Algemeen

Het onderstaande beleid inzake kwijtschelding is – met uitzondering van onderdeel 4 van paragraaf 5.1.3 - in elk geval niet van toepassing op die debiteuren die op enig moment niet aan hun betalingsverplichting hebben voldaan waarna tot dwanginvordering is overgegaan. Hieronder wordt in dit verband niet begrepen het verrekenen met de periodieke uitkering van de gemeente Zwolle. Uitgezonderd van kwijtschelding zijn, op grond van de wet, de bestuurlijke boetes exclusief de gevallen beschreven in artikel 18a lid 13 Participatiewet.

Daarnaast geldt dat de aflossingsverplichting van achtergestelde vorderingen ontstaat op het moment dat de andere vorderingen zijn voldaan. Dat houdt tevens in dat elke vordering afzonderlijk moet worden beoordeeld ten aanzien van kwijtschelding. Indien er sprake is van meerdere vorderingen bij een debiteur, wordt in principe eerst afgelost op de oudste vordering tenzij de aard van de vordering naar het inzicht van het college aanleiding is om een andere volgorde te hanteren.

Het college kan besluiten af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering. Dit is een vrije bevoegdheid. De redenen om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien kunnen in de persoon zelf zijn gelegen en/of hun grondslag vinden in andere omstandigheden. Uitgangspunt blijft dat zoveel mogelijk van de schuld wordt terugbetaald, waarbij per individueel geval een afweging kan worden gemaakt of van (verdere) terugvordering zal worden afgezien. Het is de bedoeling dat de redenen om van (verdere) terugvordering af te zien steeds een relatie hebben met het individuele geval.

5.1.2. Bbz

Voor de zelfstandigen geldt dat er twee soorten leningen kunnen worden kwijtgescholden namelijk voor levensonderhoud dan wel bedrijfskapitaal.

Voor de zelfstandige die te veel levensonderhoud heeft genoten is het redelijk om wat betreft kwijtschelding aan te sluiten bij de categorie onder sub twee van de volgende paragraaf 5.1.3. d.w.z. afzien van verdere terugvordering bij stipte betaling na vijf jaar. Voor het kwijtschelden van een lening voor bedrijfskapitaal kan onderscheid worden gemaakt in drie gevallen:

  • ·

    De niet verwijtbare stopper;

  • ·

    De verwijtbare stopper;

  • ·

    De, ondanks een terugvorderingbesluit, doorgaande zelfstandige.

De niet-verwijtbaar gestopte zelfstandige kan na 5 jaar aflossing ter hoogte van 50% van de draagkracht kwijtschelding krijgen. Bij volledig verbruik van de aflossingsruimte door betaling aan preferentere schuldeisers kan betalingsuitstel worden verleend. Als deze zelfstandige daarnaast nog schulden heeft, dient hij de beschikbare ruimte daarvoor aan te wenden. De verwijtbare stopper zal eerst na 10 jaar aflossing kwijtschelding krijgen van zijn lening voor bedrijfskapitaal. De zelfstandige die na het nemen van een terugvorderingbesluit doorgaat met zijn bedrijf krijgt geen kwijtschelding behoudens onderdeel 4 van paragraaf 5.1.3. Er zal dan immers dwanginvordering plaatsvinden. Bovendien zou kwijtschelding de concurrentie ten opzichte van andere bedrijven in die bewuste branche, kunnen vervalsen. In beide gevallen – verwijtbaar stoppen en doorgaan na terugvordering - bedraagt de aflossing 100 procent van de voor beslag vatbare ruimte.

5.1.3. Kwijtscheldingsbeleid

De mogelijkheid om tot kwijtschelding of afboeking over te kunnen gaan, wordt ambtshalve beoordeeld. Dit om rechtsongelijkheid te voorkomen. De onderstaande bevoegdheid om op grond van de bepalingen af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering geldt niet ten aanzien van vorderingen die zijn gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat niet op de daartoe tot zekerheid strekkende goederen kan worden verhaald. De kosten van invordering kunnen ook worden kwijtgescholden.

  • 1.

    Besloten kan worden om af te zien van invordering of van verdere invordering van een (verhaals)vordering indien:

    • ·

      De vordering bij aanvang of per saldo minder dan € 200,00 bedraagt;

    • ·

      De schuldenaar na aanmaning niet tot betaling overgaat; en / of

    • ·

      Verdere invordering inefficiënt is gelet op de kosten die daarmee gepaard gaan.

  • 2.

    Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, inclusief een Bbz-vordering voor levensonderhoud, indien:

    • ·

      Er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht en de schuldenaar gedurende vijf jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig enzonder onderbrekingaan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald, dient de gehele vordering terugbetaald te worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.

  • 3.

    Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, indien:

    • ·

      en de schuldenaar gedurende tien jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan – zonderonderbreking het volledigevoor beslag vatbare deel van zijn inkomen heeft aangewend ter aflossing van de vordering. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele vordering terugbetaald te worden. Kwijtschelding is niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.

  • 4.

    Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een vordering, indien:

    • ·

      Een regeling tegen finale kwijting wordt verzocht; en

    • ·

      Te verwachten is dat een regeling tegen finale kwijting tot een beter resultaat leidt dan wanneer de gebruikelijke invorderingsprocedure wordt gevolgd; en

    • ·

      Tenminste een bod van 50% van het saldo van de vordering tegen finale kwijting wordt gedaan.

Het bovenstaande geldt ook ten aanzien van vorderingen waarop in het geheel nog niet is afgelost. In afwijking van het vorenstaande kan – afhankelijk van de individuele situatie – een lager afkooppercentage worden vastgesteld voor niet-verwijtbare vorderingen. Daarbij moet worden gedacht aan de situatie dat de reële verwachting bestaat dat in het individuele geval het akkoord gaan met een lager percentage het maximaal haalbare is. Een en ander ter beoordeling van het college (art 58 lid 7 sub d).

  • 5.

    Besloten kan worden om af te zien van verdere invordering van een vordering waaronder begrepen de inning van een verhaalsvordering, indien:

    • ·

      De schuldenaar gedurende 10 jaren geen betalingen heeft verricht op een verwijtbare vordering of 5 jaren op een niet-verwijtbare vordering; en

    • ·

      Het niet aannemelijk dat hij ze op enig moment zal gaan verrichten. Hierbij kan het ook gaan om een persoon wiens verblijfplaats onbekend is of die zich in het buitenland bevindt. De periode van 5 of 10 jaar kan direct na verzending van het besluit aanvangen maar ook op enig moment daarna. Bij het maken van de afweging of de verwachting bestaat dat de debiteur op enig moment in staat zal zijn de schuld te kunnen te betalen, speelt ook een rol of er andere (preferentere) schulden zijn waarop wordt afgelost en in die context er voor gemeente enig zicht bestaat op betaling van haar vordering.

  • 6.

    In geval van leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan van verdere terugvordering worden afgezien indien de schuldenaar gedurende 36 maanden ononderbroken heeft betaald op de vordering te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn betaald. De schuldenaar dient volledig aan eventuele aan de lening verbonden voorwaarden te hebben voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele lening terugbetaald worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.

  • 7.

    Besloten kan worden om af te zien van (verdere) invordering van elke vordering indien:

    • ·

      De vordering bij aanvang of per saldo minder dan € 10,00 bedraagt; en

    • ·

      Invordering inefficiënt is gelet op de kosten die daarmee gepaard gaan.

  • 8.

    Besloten kan worden af te zien van verdere invordering van een Bbz-vordering voor bedrijfskapitaal indien:

    • ·

      De schuldenaar na het niet-verwijtbaar stoppen van zijn bedrijf gedurende 5 jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig en zonder onderbrekingaan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. De aflossing bedraagt 50% van de draagkracht boven de bijstandsnorm, conform artikel 43 Bbz.

    • ·

      De schuldenaar na het verwijtbaar stoppen van zijn bedrijf gedurende 10 jaren - te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn moet zijn voldaan - volledig en zonder onderbrekingaan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Indien niet volledig en ononderbroken wordt betaald dient de gehele lening terugbetaald worden en is kwijtschelding niet langer mogelijk, behoudens afkoop onder punt 4.

§ 5.2. – Debiteuren met ernstige financiële problemen

Sommige van onze debiteuren hebben meerdere schuldeisers. Zij komen er alleen niet meer uit en dienen een aanvraag in bij het Team schulddienstverlening om in minnelijk overleg tot een sanering te komen. Dit noemen we debiteuren met ernstige financiële problemen. Met betrekking tot debiteuren met ernstige financiële problemen wordt een onderscheid gemaakt tussen vorderingen ontstaan door schending van de inlichtingenplicht en overige vorderingen, omdat het beleid dusdanig dient te zijn dat verwijtbaar gedrag niet mag lonen. Het uitgangspunt is dan ook dat ten aanzien van fraudevorderingen en boetes een strikte afbetalingsperiode wordt gehanteerd, waarbij maximaal dient te worden ingevorderd.

Om een debiteur met een vordering ontstaan door schending van de inlichtingenplicht toch enige perspectief te bieden kan het college medewerking verlenen aan een schuldenregeling op grond van artikel 60c PW. Gedurende de schuldenregeling kan alvast een deel van de vordering geïnd worden en mocht er vermogen vrij komen dan deelt het college hierin mee. De medewerking aan een schuldenregeling mag niet leiden tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Na de schuldenregeling wordt het incassoproces weer volledig in gang gezet.

Om het schenden van de inlichtingenplicht niet te laten lonen wordt er een termijn gekoppeld aan de toegang tot een schuldenregeling. Bij het vaststellen van de termijn wordt naar de mate van verwijtbaarheid gekeken en wordt onderscheidt gemaakt in de volgende categorieën:

  • ·

    Opzet met afbetalingstermijn van 24 maanden;

  • ·

    Grove schuld met afbetalingstermijn van 18 maanden;

  • ·

    Gewone verwijtbaarheid met afbetalingstermijn van 12 maanden, en

  • ·

    Verminderde verwijtbaarheid met afbetalingstermijn van 6 maanden.

Deze termijnen gelden voor de afbetaling van de bestuurlijke boete. Deze termijn het college ook voor de toelating tot een schuldenregeling waarbij de datum van het onderliggende besluit tot terugvordering als startdatum geld voor de wachttijd.

Voorstellen van saneerders dienen in overeenstemming te zijn met de NVVK-code, dat wil zeggen gelijke behandeling, finale kwijting, 36 maanden aflossen. Het voorstel dient verifieerbaar te zijn, dus inclusief schuldenoverzicht, aanbiedingen en te verstrekken krediet of bemiddeling. Voorstellen of verzoeken in het kader van een schuldregeling van een niet-erkende bemiddelaar worden niet gehonoreerd. We nemen alleen verzoeken in behandeling van diegenen die de Wet op het consumenten krediet (art 48) accepteert als bemiddelaar. Dit zijn met name:

  • -

    gemeentelijke kredietbanken en andere NVVK-leden

  • -

    gemeentelijke instellingen, bijvoorbeeld Sociale Diensten

  • -

    advocaten en deurwaarders

  • -

    curatoren en bewindvoerders op grond van de Faillissementswet

  • -

    registeraccountants en accountantsadministratieconsulenten

Ten aanzien van debiteuren met ernstige financiële problemen, welke het college hebben verzocht medewerking te verlenen aan het tot stand komen van een schuldregeling, worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • 1.

    Het dient redelijkerwijs voorzienbaar te zijn dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Als de schulden binnen een redelijke periode kunnen zijn voldaan, dan is er geen reden om af te zien van gedeeltelijke of verdere terugvordering;

  • 2.

    Voordat een schuldregeling tot stand is gekomen wordt niet gedeeltelijk afgezien van terugvordering of verdere terugvordering;

  • 3.

    Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de schuldenaar gewijzigd indien:

    • a.

      niet binnen 12 maanden nadat het besluit tot het gedeeltelijke afzien van terugvordering of verhaal bekend is gemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen als omschreven onder 1 tot en met 3;

    • b.

      de schuldenaar zich niet houdt aan de afspraken uit overeenkomst voor schuldregeling ;

    • c.

      het besluit tot stand is gekomen op grond van door of namens de schuldenaar verstrekte onjuiste en/of onvolledige gegevens;

  • 4.

    Vorderingen niet door pand of hypotheek gedekt zijn. Dit met uitzondering van dat gedeelte dat niet op deze goederen uitgewonnen kan worden. Met andere woorden: indien de vordering niet volledig voldaan kan worden uit het goed of de goederen waarop pand of hypotheek is gevestigd, kan het college voor het resterende deel van de schuld wel meegaan in de schuldregeling.

  • 5.

    Ten aanzien van verhaal van bijstand geldt dat het moet gaan om reeds verschuldigde verhaalsbijdragen die op het moment van besluiten om gedeeltelijk af te zien, opeisbaar zijn. Het college blijft evenwel bevoegd om toekomstige verhaalsbijdragen te innen.

Hoofdstuk 6: terugvordering, aflossing en invordering van overige regelingen

§ 6.1. – Algemeen

Het college is verantwoordelijk voor vele sociale voorzieningen. De voorgaande hoofdstukken waren geënt op de PW, IOAW en Bbz. Dit hoofdstuk voorziet in de terugvorderingen voor de overige regelingen:

  • ·

    IOAZ;

  • ·

    Gemeentelijke computerregeling Zwolle;

  • ·

    WI;

  • ·

    WIJ;

  • ·

    Wmo;

  • ·

    Wko;

  • ·

    Wwik.

In de onderstaande paragrafen zullen we het debiteurenbeleid schetsen voor vorderingen op de bovengenoemde terreinen. Het betreft de onderwerpen terugvordering, aflossing, invordering en kwijtschelding. De heronderzoeksfrequentie voor vorderingen op grond van overige regelingen is gelijk aan de frequenties in hoofdstuk drie van dit plan. De overige regelingen kennen, in tegenstelling tot de PW, geen verhaalsbepalingen.

§ 6.2. – Terugvordering

Er wordt regelmatig teveel uitkering, voorziening of subsidie verleend. Daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn zoals voorschotverlening. Maar ook verkeerd doorgeven, te laat verwerken of (per ongeluk) foutief verwerken van bepaalde gegevens. Het college kan het te veel betaalde of voorgeschoten bedrag terugvorderen op de gronden zoals aangegeven in de specifieke regelingen en/of beschikkingen. De termijnen waarbinnen door het college gereageerd moet worden verschillen per regeling en soort vordering. Het college hanteert als uitgangspunt dat zij de mogelijkheid tot terugvordering maximaal zal benutten. In het besluit tot terugvordering van de teveel ontvangen uitkering, voorziening of subsidie zal tegelijkertijd een betalingsregeling worden vastgelegd. Indien de betalingsregeling niet kan worden nagekomen kan in overleg met de consulent een passende regeling worden gemaakt.

Het college kan, uitgezonderd de Wmo, van de terugvordering afzien als er sprake is van een dringende reden (zie § 2.4).

§ 6.3. – Aflossing en invordering

Onderstaand wordt het aflossings- en invorderingsbeleid omschreven met betrekking tot de vorderingen uit bovenstaande regelingen. De debiteur zal in zijn algemeenheid geen bijstand voor levensonderhoud ontvangen zodat verrekening slechts mogelijk is met gelden uit de specifieke regeling.

De bovenstaande vorderingen worden ingevorderd door middel van beslag op de aan de debiteur toekomende goederen en/of alle ruimte boven de beslagvrije voet van het periodieke inkomen indien:

  • ·

    een besluit tot terugvordering is genomen; en

  • ·

    de debiteur in verzuim is;

Toelichting:

Uitgangspunt is dat op deze categorie vorderingen maximaal afgelost of ingevorderd dient te worden. Reden hiervoor is dat de ontstaansoorzaak van de vordering te wijten is aan de debiteur. Voor de meeste vorderingen uit deze categorie geldt dat terugbetaling meestal binnen 12 maanden zal zijn geregeld vanwege hun geringe omvang bv een persoonsgebonden budget (pgb) uit de wet maatschappelijke ondersteuning of de subsidie op grond van de WKO. Een terugbetaling van een pgb kan door verrekening met toekomstige persoonsgebonden budgetten. Op grond van de verwijtbare ontstaansoorzaak, dient primair onderzocht te worden of de vordering geheel of gedeeltelijk voldaan kan worden door middel van beslag op goederen die de debiteur toebehoren. Indien een aflossing van de vordering overeengekomen is, dient de aflossing gelijk te zijn aan het voor beslag vatbare deel van de aan de debiteur toekomende periodieke inkomen. Bij dwanginvordering op een periodiek inkomen van de debiteur wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 475d Rv eveneens het voor beslag vatbare deel van het inkomen geïnd.

Het onderscheid met een aflossing op vrijwillige basis en dwanginvordering is dat bij vrijwillige aflossing van de vordering:

  • ·

    Er op termijn kwijtschelding mogelijk is indien ononderbroken wordt betaald;

  • ·

    Rekening kan worden gehouden met kosten die voor het verwerven van het inkomen noodzakelijk zijn en die niet door de werkgever worden vergoed;

  • ·

    Rekening kan worden gehouden met een betalingsregeling met een andere schuldeiser met een hogere preferentie dan het college voor de duur van deze regeling;

Computerregeling

Het college verstrekte in huurkoop een computer aan ouders van schoolgaande kinderen met een beeldscherm, printer en dergelijke. Ouders betalen een kleine vergoeding per maand (huurkooptermijn). Meestal wordt de huurkooptermijn verrekend met de periodieke uitkering. Na drie jaar onafgebroken verrekening wordt de restvordering kwijtgescholden en worden de computer en randapparatuur eigendom van de gebruiker.

Na beëindiging van de periodieke uitkering wil de betaling van de huurkooptermijnen wel eens staken. De invordering zal dan plaatsvinden met 100% van de beslagruimte met dien verstande dat geen gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid tot revindicatie. De mogelijkheid van beroep op kwijtschelding na 3 jaar, is dan verloren gegaan door de civielrechtelijke dwanginvordering via de deurwaarder. De dwanginvordering heeft betrekking op de oorspronkelijke koopsom minus de betaalde huurkoop termijnen. Debiteuren die gedurende de looptijd van het huurkoopcontract in de minnelijke schuldregeling terechtkomen, mogen verdere betaling van de huurkooptermijnen staken. Deze resterende huurkoop-termijnen zullen worden meegenomen in de minnelijke schuldregeling. Debiteuren in een schuldsaneringsregeling ontvangen de computer om niet na het succesvol afronden van de schuldregeling.

Wet inburgering

De Wet inburgering gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige. Dit houdt in dat de inburgeringsplichtige zoveel mogelijk zelfstandig probeert het inburgeringsexamen te halen. Gemeenten moeten de inburgeringsplicht handhaven onder andere door bestuurlijke boetes die zijn vastgelegd in de Verordening Wet inburgering gemeente Zwolle 2009. De inburgeringsplichtige dient een opgelegde boete ineens binnen zes weken te betalen. Bij gebleken niet-betaling zal eenmalig worden aangemaand en vervolgens een dwangbevel worden opgemaakt. De betekening van het dwangbevel vindt plaats door de gerechtelijke deurwaarder. Indien de boete niet ineens kan worden betaald, zal de aflossingshoogte van de boete gelijk zijn aan het maximaal voor beslag vatbare bedrag.

Het college is eveneens verplicht om een eigen bijdrage te innen van een inburgeringsplichtige voor het gebruik van een inburgeringsvoorziening. De eigen bijdrage zal worden verrekend met een periodieke uitkering van het college, mits deze wordt verstrekt. In de beschikking voor de inburgeringsplichtige, waarin de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, dient de wijze van betaling dan wel verrekening te zijn opgenomen. De verschuldigde eigen bijdrage wordt in ten hoogste 12 termijnen voldaan of zoveel eerder als mogelijk (art 6 Verordening). Zodra een termijn wordt gemist zal het college de inburgeringsplichtige manen tot betaling. Indien betaling achterwege blijft zal een dwangbevel worden opgemaakt en betekend door de gerechtelijke deurwaarder. De aflossingshoogte van de achterstallige termijnen bedraagt het maximaal voor beslag vatbare bedrag.

§ 6.4. – Kwijtschelding en ernstige financiële problemen

Het beleid inzake kwijtschelding en financiële problemen is omschreven in hoofdstuk vijf van dit plan en geldt integraal voor deze vorderingen uit overige regelingen.

In concreto betekent dit dat bijvoorbeeld een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden op grond van de WMO kan worden kwijtgescholden na een termijn van vijf jaar indien de betrokken schuldenaar volledig en zonder onderbreking aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Begrippen

Aanmaning

Aansporing (schriftelijk) tot het alsnog betalen van een openstaande schuld.

Achtergestelde vordering

Vordering waarvan de aflossing pas ingaat op het moment dat andere vorderingen zijn voldaan.

Beschikking

Een besluit van een overheidsorgaan dat niet van algemene strekking is.

Beslagvrije voet

Een deel van het inkomen waarop in feite geen beslag gelegd mag worden.

Debiteuren heronderzoek

Periodiek uitgevoerd onderzoek naar de betalingsmogelijkheden en/of aflossingscapaciteit van de debiteur.

Debiteurenplan

Het plan waarin de regels zijn bepaald die gelden voor het uit te voeren (periodieke) onderzoek om de inning van een vordering te maximaliseren of aan te passen aan de omstandigheden van de debiteur inclusief het betalingsgedrag van de debiteur.

Doorgeschoten betaling

Betaling over een periode die gelegen is na beëindiging of intrekking van de bijstand, dan wel inkomsten die na beëindiging of intrekking van het recht op bijstand als gevolg van de systematiek van verrekening van inkomsten achteraf nog niet zijn verrekend.

Domicillie

Officiële woonplaats.

Dwangbevel

Bevel na aanmaning tot voldoening van de vordering. Door dat ‘bevel’ verkrijgt het college de mogelijkheid om de vordering bij de schuldenaar te innen (executoriale titel).

Executriale titel

Geschrift waarmee zonder verdere tussenkomst van de rechter een gerechtelijke tenuitvoerlegging plaats kan vinden.

Gemeentelijke computerregeling

De verordening van het college over verstrekking in huurkoop van computers aan ouders van schoolgaande kinderen.

Het college

Het college van Burgemeester en Wethouders

Integrale aanpak

Het algehele probleem volledig aanpakken.

Onder curaltele gestelde

Als iemand onder curatele staat wil dat zeggen dat hij geheel of gedeeltelijk handelingsonbekwaam is op vermogensrechtelijk en familierechtelijk terrein.

Onverschuldigde betaling

Een betaling zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig was.

Preventieve aanpak

Voorkomen dat er problemen ontstaan door van tevoren in te grijpen.

Systeemcheck

Periodiek onderzoek naar de betalingsmogelijkheden van debiteuren waarbij de beschikbare systemen worden geraadpleegd maar geen rapport wordt opgesteld.

SUWI

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Verhaalsbijdrage

Een bijdrage opgelegd aan een derde strekkend tot verhaal van bijstand vanwege onderhoudsplicht, schenking of nalatenschap.

Verhaalsvordering

Een verschuldigde betaling door het niet voldoen van verhaalsbijdrage(n).

Verwijtbaar gedrag

Schending van inlichtingenplicht of van andere aan de uitkering verbonden verplichting dan wel ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid bij het ontstaan van de vordering of het laten voortbestaan van een vordering.

Verzuim

De schuldenaar is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. (artikel 4:103 Awb).

Afkortingen

Bbz

Besluit bijstand zelfstandigen

IOAW

Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

IOAZ

Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

KVK

Kamer van Koophandel

OZB

Onroerendezaakbelasting

PW

Participatiewet

RDW

Rijksdienst wegverkeer

Rv .

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

VOW

Vertrokken en onbekend waarheen (spoorloos)

WI

Wet Inburgering

WIJ

Wet Investering in Jongeren

WKO

Wet kinderopvang

WMO

Wet maatschappelijke ondersteuning

WWB

Wet werk en bijstand

Wwik

Wet werk en inkomen kunstenaars