Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Noord-Holland

Ontgrondingenverordening Noord-Holland 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Holland
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingOntgrondingenverordening Noord-Holland 2010
CiteertitelOntgrondingenverordening Noord-Holland 2010
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerpontgronding, vergunning, natuurbouwprojecten, schadevergoeding, landbouwkundige bewerkingen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Provinciewet, art. 143

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

27-11-2010Nieuwe regeling

15-11-2010

Provinciaal Blad, 2010, 146

2010-50308

Tekst van de regeling

Intitulé

Ontgrondingenverordening Noord-Holland 2010

Provinciale Staten van Noord-Holland;

 

gelezen de voordracht van gedeputeerde staten:

 

gelet op de toepasselijke bepalingen van de Ontgrondingenwet;

 

gelet op artikel 143 van de Provinciewet;

 

besluiten:

  • 1.

    de Heffingsverordening ontgrondingen provincie Noord-Holland 2001 in te trekken;

  • 2.

    het provinciaal Bouwgrondstoffenplan 1999-2008 in te trekken;

  • 3.

    de Ontgrondingenverordening Noord-Holland 2010 vast te stellen.

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Ontgrondingenwet;

  • b.

    natuurbouwprojecten: eenmalige inrichtingsmaatregelen, die tot doel hebben de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen, die geen deel uitmaken van normaal onderhoud en die een omvorming van bestaande natuur tot gevolg hebben;

  • c.

    watergang: een water dat deel uitmaakt of deel gaat uitmaken van een stelsel, dat noodzakelijk is voor de af- en aanvoer van water in een bepaald gebied;

  • d.

    afvoer: het van het te ontgronden kadastraal perceel verwijderen van oppervlaktedelfstoffen naar elders;

  • e.

    landbouwkundige bewerkingen: werkzaamheden in verband met de normale uitvoering van het teeltplan als ploegen, eggen, frezen, egaliseren en scheuren.

Artikel 2 Vergunning

  • 1.

    Een aanvraag om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt ingediend door middel van een door gedeputeerde staten beschikbaar te stellen formulier.

  • 2.

    Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning kunnen gedeputeerde staten voorschriften verbinden.

  • 3.

    Intrekking of wijziging van een vergunning kan zowel op aanvraag als ambtshalve geschieden en vindt - evenals de weigering van een aanvraag om een vergunning - plaats op grond van strijd met de in artikel 3, tweede lid, van de wet bedoelde belangen.

  • 4.

    Op de voorbereiding van een beschikking om verlening, wijziging of intrekking van een vergunning zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.

Artikel 3 Vrijstellingen

  • 1.

    Geen vergunning is vereist voor:

    • a.

      het aanleggen of wijzigen van watergangen, waterpartijen, vijvers, bassins, putten of reservoirs, mits de hoeveelheid af te voeren oppervlaktedelfstoffen minder is dan 10.000 kubieke meter;

    • b.

      het maken of wijzigen van natuurbouwprojecten, mits de hoeveelheid af te voeren oppervlaktedelfstoffen minder is dan 10.000 kubieke meter;

    • c.

      het maken of wijzigen van waterkeringen, vaargeulen of havens, mits de hoeveelheid af te voeren oppervlaktedelfstoffen minder is dan 10.000 kubieke meter;

    • d.

      het uitvoeren van grondbewerkingen voor de land- en tuinbouw, mits de hoeveelheid af te voeren oppervlaktedelfstoffen minder is dan 10.000 kubieke meter;

    • e.

      het maken of wijzigen van spoorwegen, vliegvelden, bouwterreinen, industrieterreinen, openbare wegen, straten, pleinen, sportterreinen, parken, plantsoenen of al dan niet openbare tuinen, mits de verlaging niet meer dan drie meter bedraagt;

    • f.

      het maken of wijzigen van funderingen of ondergrondse delen van bouwwerken;

    • g.

      het aanleggen of wijzigen van kaden voor water-, spoel- en bezinkbassins voor de uitoefening van land- en tuinbouw;

    • h.

      het maken of wijzigen van permanente depots van oppervlaktedelfstoffen als deze onderdeel uitmaken van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer;

    • i.

      het oprichten of veranderen van een inrichting bestemd tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen als bedoeld in categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;

    • j.

      bodemsaneringen;

    • k.

      het doen van archeologische opgravingen door een daartoe bevoegde instantie;

    • l.

      de realisering van onderdelen van een landinrichtingsproject waarvoor het landinrichtingsplan of aanpassingsplan zoals bedoeld in artikel 4, sub b van de Ontgrondingenwet nog niet is vastgesteld, mits:

      • 1.

        de inrichting plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de landinrichtingscommissie en

      • 2.

        de hoeveelheid af te voeren oppervlaktedelfstoffen minder is dan 10.000 kubieke meter;

    • m.

      De aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe vastgesteld projectplan als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Waterwet.

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing op ontgrondingen die geheel of gedeeltelijk zijn gericht op de verkrijging van oppervlaktedelfstoffen.

  • 3.

    Lid 1, onder a, b, c, d sub 1 en l, is niet van toepassing als in een tijdsbestek van 12 maanden door cumulatie van ontgrondingen op het kadastrale perceel, de af te voeren oppervlaktedelfstoffen meer is dan 10.000 kubieke meter.

Schadevergoedingsprocedure

Artikel 4

Op een besluit dat wordt genomen op een verzoek om schadevergoeding is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 5 Verzoek om schadevergoeding

Een verzoek om schadevergoeding wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend en bevat ten minste:

  • a.

    naam en adres van de benadeelde;

  • b.

    een aanduiding van het besluit dat de schade naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt;

  • c.

    zo redelijkerwijs mogelijk een opgave van de aard en omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade;

  • d.

    een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden.

Artikel 6 Deskundigen

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een of meer deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking, ingevolge artikel 26, 28 en 29a van de wet.

  • 2.

    Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld tegenover die deskundigen zijn verzoek toe te lichten.

  • 3.

    De deskundigen brengen advies uit inzake:

    • a.

      de vraag of de schade een gevolg is van een besluit ter zake van een ontgronding, artikel 8 van de wet of een besluit inzake het opleggen van een gedoogplicht, artikel 21g van de wet;

    • b.

      de omvang van de schade;

    • c.

      de vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven;

    • d.

      de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd;

    • e.

      de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade anders dan door vergoeding in geld kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

    • f.

      welk bedrag aan schadevergoeding naar haar mening aan verzoeker behoort te worden toegekend;

  • 4.

    De deskundigen adviseren gedeputeerde staten zo snel als mogelijk doch in elk geval binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht en vermelden daarbij op welke wijze hij zijn zienswijzen omtrent het advies kenbaar kan maken.

Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 7

De Ontgrondingenverordening Noord-Holland 1998 (vastgesteld bij besluit van 25 mei 1998, Provinciaal blad 1998-39), alsmede de heffingsverordening ontgrondingen provincie Noord- Holland 2001 (vastgesteld bij besluit van 17 oktober 2000, Provinciaal blad 2000-79) worden ingetrokken.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking één dag na de datum van publicatie ervan in het Provinciaal blad.

Artikel 9

Deze verordening wordt aangehaald als: Ontgrondingenverordening Noord-Holland 2010.

Haarlem, 15 november 2010.

Provinciale Staten van Noord-Holland,

J.W. Remkes, voorzitter.

I.J.M. Speekenbrink, griffier.