Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Vught

Verordening maatschappelijke ondersteuning Vught 2017 ev.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVught
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning Vught 2017 ev.
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning Vught 2017 ev
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpMaatschappelijke ondersteuning

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2019Wijziging artt. 1, 2.1, 2.4, 3.1, 4.2, 4.5, 5.1, 5.2, 5.4, 6.1, 6.2, 11.5 en 11.6

13-12-2018

gmb-2018-281620

Documentnummer: BW/18 - 277030
01-01-201801-01-2019Meerdere artikelen

14-12-2017

GVOP, gemeenteblad

BW/16 - 165455
01-01-201701-01-2018Onbekend

22-12-2016

GVOP, gemeenteblad

BW/16 - 165455

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Vught 2017 ev.

 

 

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare voorzieningen.

    • b.

      bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet.

    • c.

      budgetplan: een overzicht van de door de cliënt voorgenomen besteding van het te verlenen persoonsgebonden budget.

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught.

    • e.

      financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, al dan niet forfaitair of gemaximeerd, bedoeld als bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening.

    • f.

      hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres;

    • g.

      ingezetene: degene die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in de gemeente Vught dan wel, indien het een inschrijving van een briefadres in de gemeente Vught betreft, degene die zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Vught heeft;

    • h.

      maatwerkvoorziening: als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, te verstrekken als voorziening in natura, en/of in de vorm van een persoonsgebonden budget of in de vorm van een financiële tegemoetkoming.

    • i.

      melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

    • j.

      natura-tarief: Het tarief dat van toepassing is voor voorzieningen in natura.

    • k.

      PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

    • l.

      vertegenwoordiger: Een natuurlijk persoon die door middel van machtiging dan wel bij wet namens de klant optreedt.

    • m.

      voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de cliënt toereikend en passend te zijn.

    • n.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

    • o.

      zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer de volgende criteria gelden:

      • ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; als verlener van diensten zoals bedoeld in de wet;

      • zelfstandigheid bij de inrichting van de eigen werkzaamheden en het uitvoeren daarvan;

      • het voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden;

      • het gericht zijn op en het perspectief hebben van het maken van winst;

      • bekendmaking van het ondernemerschap;

      • het streven naar meerdere opdrachtgevers.”

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2.1 Melding hulpvraag

De melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of per e-mail worden gedaan door of namens de cliënt bij het Wmo-loket.

Artikel 2.2 De aanvraag

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk via een door het college vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksverslag plaatsvinden.

Artikel 2.3 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting cliënt en huisgenoten en/of vertegenwoordigers

  • 1.

    Het college is in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de cliënt en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

    • b.

      de cliënt en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    De cliënt en diens huisgenoten en/of vertegenwoordigers zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

Hoofdstuk 3 Te bereiken resultaten

Artikel 3.1 De te bereiken resultaten

De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie stellen de cliënt in staat:

  • 1.

    een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het beschikken over een schoon en leefbaar huis;

    • b.

      het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

    • c.

      het beschikken over schone en draagbare kleding;

    • d.

      het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

  • 2.

    de woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het bereiken van de woning;

    • b.

      het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.

  • 3.

    zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

  • 4.

    medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan;

  • 5.

    zelf regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het voeren van regie over de zelfzorghandelingen;

    • b.

      het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

    • c.

      het vermogen heeft om zelf in het structureren van zijn dag te voorzien;

    • d.

      zelf besluiten kan nemen en regie voeren.

  • 6.

    een dagstructuur te hebben, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden;

    • b.

      het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme.

  • 7.

    Om een huishouden te voeren, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel neemt het college bij de toekenning van een maatwerkvoorziening over hulp bij het huishouden in ieder geval een besluit over de noodzaak van het verrichten dan wel het bieden van ondersteuning bij de onderstaande taken alsmede de hierbij behorende frequentie, te weten:

    • a.

      de broodmaaltijd bereiden

    • b.

      het verrichten van licht huishoudelijk werk

    • c.

      het verrichten van zwaar huishoudelijk werk

    • d.

      het verzorgen van de was

    • e.

      het doen van boodschappen

    • f.

      de dagelijkse organisatie van het huishouden

    • g.

      het geven van advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden.

      Het college houdt hierbij in ieder geval ook rekening met de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.

  • 8.

    Bij de verlening van een maatwerkvoorziening over hulp bij het huishouden aan een cliënt, houdt het college rekening met de gebruikelijke hulp die huisgenoten hierbij kunnen bieden.

  • 9.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

Hoofdstuk 4 Beoordeling van de aanspraak

Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening

Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, neemt het college het onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt.

Artikel 4.2 Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover:

    • a.

      deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen all-inclusive of opvang;

    • b.

      deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is.

  • 2.

    Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:

    • a.

      indien de cliënt geen ingezetene van de gemeente Vught is, met uitzondering van beschermd wonen all-inclusive en opvang;

    • b.

      indien de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

    • c.

      indien de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt;

    • d.

      voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de voorliggende voorziening de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt;

    • e.

      indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • f.

      voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • g.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt;

    • h.

      indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn huisgenoten en/of vertegenwoordigers niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4.

    • i.

      indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was voor deze verhuizing.

Artikel 4.3 Criteria in verband met wonen

  • 1.

    Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor een cliënt die beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning indien:

    • a.

      sprake is van een woonvoorziening in woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat:

    • 1.  reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten; of

    • 2.  voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen;

    • b.

      de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

    • c.

      de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud;

    • d.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • e.

      de gevraagde voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning;

    • f.

      de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.

    • g.

      het gaat om een woningaanpassing van een hostel/pension, kloosters, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning geldt het primaat van verhuizen.

Artikel 4.4 Criteria maatwerkvoorziening voor vervoer

  • 1.

    De ingezetene kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, indien hij beperkingen ondervindt in het lokaal verplaatsen en het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening geldt het primaat van de collectieve voorziening, zoals het collectief vervoer.

Artikel 4.5 Criteria beschermd wonen

  • 1.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor beschermd wonen indien:

    • a.

      de cliënt een geldende psychiatrische diagnose van een arts (BIG-geregistreerde artikel 14-functionaris) kan overleggen, en

    • b.

      de cliënt als direct gevolg van de geldende gediagnostiseerde psychiatrische aandoening een reële noodzaak heeft tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving.

  • 2.

    Onverminderd de wet en hetgeen elders in deze verordening is bepaald komt een cliënt niet in aanmerking voor beschermd wonen all-inclusive indien:

    • a.

      de cliënt zelfstandig kan wonen, zonder noodzaak voor specifieke ondersteuning die 24/7 (op afroep) beschikbare bescherming en/of begeleiding vereist, of

    • b.

      de cliënt geen medisch toetsbare psychiatrische diagnose kan overleggen op grond waarvan de noodzaak tot beschermd wonen blijkt, of

    • c.

      de cliënt wel een aantoonbaar gediagnostiseerde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar waarbij de medische behandeling (nog) op de voorgrond staat en waarbij de cliënt primair onder behandeling staat voor deze aandoening.

Artikel 4.6 Criteria opvang

  • 1.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor opvang indien de regio Den Bosch de regio is waarbinnen de opvang van de cliënt het meest kansrijk is.

  • 2.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald komt een cliënt niet in aanmerking voor opvang indien:

    • a.

      de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken;

    • b.

      de cliënt een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is;

    • c.

      er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleidt kan worden en / of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening;

    • d.

      de cliënt ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden;

    • e.

      de cliënt niet akkoord wenst te gaan met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de bijdrage;

    • f.

      de cliënt zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvangvoorziening of jegens de medewerkers van de instelling.

  • 3.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor vrouwenopvang indien:

    • a.

      de cliënt een vrouw is in de leeftijd van 18 jaar en ouder al dan niet met kinderen, en;

    • b.

      de cliënt geen veilig onderdak meer heeft ten gevolge van geweld in huiselijke kring, geweld in afhankelijk relaties, eer-gerelateerd geweld of mensenhandel.

  • 4.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor crisisopvang indien:

    • a.

      de cliënt 18 jaar en ouder is al dan niet met kinderen, en

    • b.

      de cliënt in een crisissituatie is beland door huisuitzetting en/of te maken heeft met meervoudige problemen.

  • 5.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor begeleid wonen indien:

    • a.

      de cliënt 18 jaar en ouder is al dan niet met kinderen, en

    • b.

      de cliënt dak- of thuisloos is in de zin van het (nog) niet kunnen hebben van een zelfstandig huurcontract op eigen naam, en

    • c.

      de verblijfsduur van een jaar, met een eventuele gemotiveerde verlenging van een half jaar, niet is verstreken.

HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget

Artikel 5.1 Criteria persoonsgebonden budget

Het college weigert de verlening van een PGB indien:

  • a.

    de cliënt geen volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd volgens het door het college vastgestelde model;

  • b.

    de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het budgetplan te bespreken;

  • c.

    de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

  • d.

    ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

  • e.

    de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder PGB opgelegde verplichtingen;

  • f.

    naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het PGB zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;

  • g.

    het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt problemen zal hebben met het omgaan met een PGB;

  • h.

    de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder.

  • i.

    er sprake is van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en/ of verslavingszorg.

Artikel 5.2 PGB

 

  • 1.

    De hoogte van een PGB:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan inzake de besteding van het PGB;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

    • d.

      kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociale netwerk of ZZP-ers.

  • 2.

    Het bedrag van het PGB voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT). Hierbij vindt afstemming plaats op de tarieven van de witte werkster.

    • b.

      87,50% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      87,50% van het van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 3.

    Het bedrag van het PGB voor begeleiding bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      50% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 4.

    Het PGB voor dagbesteding bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      50% van het tarief als bedoeld in lid 3 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 5.

    Het PGB budget voor kortdurend verblijf bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of een zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      30% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 6.

    Het PGB voor beschermd wonen bedraagt maximaal:

    • a.

      Bij PGB BW All-inclusive maximaal 88% van tarief HIN BW All-inclusive.

    • b.

      Bij PGB BW Thuis maximaal 86% van tarief HIN BW Thuis

    • c.

      Bij PGB BW Begeleid maximaal 88% van tarief HIN BW Begeleid.

  • 7.

    De hoogte van een PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de aanbieder zou zijn verschuldigd.

  • 8.

    Het college stelt op basis van de systematiek en tariefdifferentiatie genoemd in de leden 1 tot en met 7 in nadere regels de tarieven vast.

Artikel 5.3 Verplichtingen

De cliënt, aan wie een PGB is verstrekt, maakt met de hulpverlener of aanbieder in een schriftelijke overeenkomst tenminste afspraken over het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de wijze van declareren.

Artikel 5.4 Controle en verantwoording

Het college onderzoekt uit oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s en financiële tegemoetkoming.

HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten

Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of PGB conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 2.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening, zijnde beschermd wonen of opvang, is conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De bijdrage dan wel het totaal van de bijdragen, met uitzondering van de bijdrage voor beschermd wonen of opvang, is nooit hoger dan de kostprijs, met een maximum van € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, niet zijnde beschermd wonen of opvang, op nihil gesteld voor klanten met een bijdrageplichtig inkomen dat lager is dan 110% van het sociaal minimum.

  • 5.

    De bijdrage voor opvang wordt vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.

Artikel 6.2 Algemene voorziening

Voor een algemene voorziening is geen bijdrage verschuldigd conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 6.3 Kostprijs

  • 1.

    De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het college de voorziening in natura betrekt van een leverancier/aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten.

  • 2.

    De kostprijs van een PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB.

  • 3.

    Het college stelt nadere regels over (het bepalen van) de kostprijs, waarbij de kostprijs in afwijking van het eerste en tweede lid op een lager bedrag kan worden vastgesteld.

HOOFDSTUK 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 7.1 Beëindiging

Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

  • a.

    niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;

  • b.

    de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening;

  • c.

    de cliënt is overleden;

  • d.

    de cliënt geen ingezetene meer is van de gemeente, tenzij het beschermd wonen of opvang betreft.

Artikel 7.2 Herziening en intrekking

  • 1.

    Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien:

    • a.

      niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening;

    • b.

      de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

  • 2.

    Het college kan een beslissing tot verlening van een PGB intrekken indien blijkt dat de cliënt het PGB binnen zes maanden na toekenning nog niet heeft ingezet;

Artikel 7.3 Terugvordering

Het college kan, onverminderd artikel 2.4.1 van de wet, indien de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken:

  • a.

    het ten onrechte genoten betaalde PGB terugvorderen;

  • b.

    de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

HOOFDSTUK 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik

Artikel 8.1 Fraudepreventie

Het college informeert de cliënt over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 8.2 Onderzoek rechtmatigheid

Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 8.3 Nadere regels

Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

HOOFDSTUK 9 Kwaliteit en inspraak

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening:

    • a.

      is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg;

    • c.

      wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard;

    • d.

      wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren;

    • e.

      veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd;

    • f.

      beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk / gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard;

    • g.

      voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de aanbieder dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding bij levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

    • 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

    • 2°.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      gemeentelijke indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling

  • 1.

    Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor klachtenafhandeling heeft.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.

Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap

  • 1.

    Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor medezeggenschap heeft.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.

Artikel 9.5 Betrekken van cliënten bij het beleid

Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval de adviesraad op het sociaal domein in Vught, vroegtijdig bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.

HOOFDSTUK 10 Mantelzorgwaardering

Artikel 10.1 Mantelzorgondersteuning

Het college zorgt voor diverse vormen van ondersteuning aan en waardering van mantelzorgers. Daaronder valt onder andere het bieden van hulp bij het huishouden en informatie en advies. De ondersteuning is goed toegankelijk voor mantelzorgers.

HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.2 Indexering

Het college kan de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit nadere regels gemeente Vught geldende bedragen verhogen of verlagen.

Artikel 11.3 Evaluatie

Het door het gemeente gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.

Artikel 11.4 Overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vught 2015 wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van deze verordening;

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken, maar uiterlijk tot 1 januari 2018.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

Artikel 11.5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

Artikel 11.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning Vught 2019”.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Vught

in zijn openbare vergadering van 22 december 2016.

de raadsgriffier,

    

Mw. K.I. Goossens

de voorzitter,

    

R.J. van de Mortel

Toelichting op de verordening

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen van de begrippen die niet in de wet, het Uitvoeringsbesluit

Wmo 2015 of de Algemene wet bestuursrecht staan omschreven.

Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening

Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door personen zonder een beperking wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan een vergelijkbare voorziening. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden.

 

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: een fiets met trapondersteuning, airconditioning, inductie- en keramische kookplaten, douche, thermostatische kranen, verhoogd toilet of toiletbrilverhoger, toilet op begane grond en op slaapverdieping, wasdroger, een hendel mengkraan.

 

Wel moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is.

Onder e Hoofdverblijf

Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de basisregistratie personen. De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De cliënt dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de basisregistratie personen, aan te tonen.

Onder f Ingezetene

De gemeente is, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie, verantwoordelijk voor de ingezetenen. Dit geldt overigens niet voor beschermd wonen en opvang, waarbij de cliënt zich tot iedere gemeente kan wenden. De wet definieert het begrip ‘ingezetene’ niet. Vandaar dat de definitie in de Verordening is opgenomen. Uitgangspunt is dat sprake is van een ingezetene indien de persoon in de gemeente Vught staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Mocht sprake zijn van een briefadres in de gemeente Vught dan is de gemeente alleen verantwoordelijk indien deze persoon ook zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Vught heeft.

Onder g Maatwerkvoorziening

Deze definitie maakt helder dat een maatwerkvoorziening in twee vormen kan worden verstrekt:

  • 1.

    Als voorziening in natura; het gaat dan meestal om verstrekking in (bruik)leen of in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening.

  • 2.

    Als PGB; een PGB is een geldbedrag waarmee de cliënt zelf de gewenste ondersteuning kan betrekken.

Onder k Voorliggende voorziening

Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.  

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

 

Artikel 2.1 Melding

Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. In principe kan iedereen namens de cliënt een signaal afgeven dat de cliënt behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet (en daarover gaat artikel 2.1) kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd. 

artikel 2.2 De aanvraag

Deze bepaling regelt dat een aanvraag alleen schriftelijk kan worden ingediend. De cliënt heeft twee mogelijkheden: het gebruiken van een vastgesteld aanvraagformulier of het ondertekenen van het onderzoeksverslag. 

artikel 2.3 Nadere regels over procedure

In dit artikel is aangegeven dat het college nadere regels kan opstellen voor de wijze waarop wordt beoordeeld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. 

artikel 2.4 Medewerkingsverplichting cliënt en huisgenoten

Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan het, bijvoorbeeld in het kader van gebruikelijke hulp, van belang zijn om ook de huisgenoten te kunnen spreken. Daarom is er voor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te bevragen dan wel te onderzoeken. In het tweede lid is expliciet opgenomen dat de cliënt en diens huisgenoten medewerking moeten verlenen. 

HOOFDSTUK 3 TE BEREIKEN RESULTATEN

Artikel 3.1, lid 1, lid 7, lid 8, lid 9

 

I Algemene toelichting

Hierin wordt vastgesteld de uitwerking van de rechtsplicht van het college tot bevordering van zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie op het gebied van het voeren van het huishouden en de hierbij behorende maatwerkvoorzieningen.

 

In lid 2 staan specifiek de resultaten benoemd die door of namens het college bereikt moeten worden wanneer het college besluit tot toekenning van maatwerkvoorzieningen in verband met de belemmeringen die een belanghebbende ondervindt bij het voeren van een huishouden.

Deze resultaten zijn dat een belanghebbende dan moet kunnen beschikken over:

  • a.

    een schoon en leefbaar huis;

  • b.

    goederen voor primaire levensbehoeften;

  • c.

    schone en draagbare kleding;

  • d.

    de mogelijkheid om thuis te kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

Een duidelijke vaste lijn in de uitspraken over resultaatgericht indiceren van zowel de Centrale Raad van Beroep (verder te noemen: CRvB) en rechtbanken is dat besluiten over hulp bij het huishouden die enkel en alleen gebaseerd zijn op het noemen van te behalen resultaten, onrechtmatig zijn. De reden hiervan is dat de te behalen resultaten zo open zijn geformuleerd, dat dit in strijd komt met de beginselen van rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Kort en kernachtig, door enkel en alleen resultaatgericht indiceren, weet de cliënt niet waar die aan toe is.

 

Het is om deze reden dat de CRvB in zijn uitspraak van 18 mei 2016 heeft bepaald dat de gemeente op regelgevend niveau moet vaststellen wat de bijbehorende taken en frequentie zijn waarmee deze taken worden uitgevoerd.       

II Definities ivm. artikel 3.1, lid 1 en lid 7

Om te komen tot de in het eerste lid van artikel 3.1 bedoelde resultaten, is in lid 7 bepaald dat onder de taken in ieder geval dient te worden gerekend de volgende activiteiten, te weten:

  • a.

    de broodmaaltijd bereiden

  • b.

    het verrichten van licht huishoudelijk werk

  • c.

    het verrichten van zwaar huishoudelijk werk

  • d.

    het verzorgen van de was

  • e.

    het doen van boodschappen

  • f.

    de dagelijkse organisatie van het huishouden

  • g.

    het geven van advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden.

1. Maatstaf Schoon en leefbaar – bijbehorende taken 

In artikel 3.1, lid 1 staat dat na toekenning van een maatwerkvoorziening in verband met het voeren van een huishouden, de cliënt moet kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Hieronder wordt verstaan dat het huis zodanig ‘schoon’ dient te worden gehouden dat het niet vervuilt en dat zo een basisniveau van schoon (visueel stof- en vlekvrij) wordt bereikt.

Het gaat hierbij om wat moet worden gedaan om het resultaat van schoon en leefbaar te kunnen bereiken. Anders gezegd, dat wil zeggen dat de woning van de cliënt schoon is volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere cliënt afzonderlijk.

 

Het begrip “leefbaar” staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De aanwezigheid van dieren of een druk interieur van het huis zijn bijvoorbeeld geen reden voor uitbreiding van de hulp. 

2. Schoon en leefbaar huis in samenhang met de primaire leefruimten 

In het kader van de Wmo 2015 dient rekening te worden gehouden met de volgende definitie van een woning, welke schoongemaakt dient te worden: de cliënt dient gebruik te kunnen maken van een aantal elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, slaapkamer of een als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), keuken, sanitaire ruimtes (maximaal 1 badkamer en maximaal twee toiletten) en aangrenzende hal/trap/overloop.

 

Het gaat aldus over de primaire leefruimten in het huis die de cliënt daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Daarnaast betreft het de “binnenkant” van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier dus niet onder. 

3. Het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding

In artikel 3.1, lid 1 onder c wordt als te behalen resultaat in verband met de ondersteuning bij het voeren van een huishouden, tevens benoemd het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dit houdt in dat de cliënt, indien nodig, ondersteuning ontvangt zodat deze over schone en draagbare kleding kan beschikken. Onder het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding wordt ook het wassen van het bed- en linnengoed verstaan. Concrete taken bij deze maatwerk ondersteuning zijn het sorteren, wassen en drogen van het wasgoed. Ook omvat dit strijken en het wasgoed opvouwen en opbergen.

Draagbare kleding houdt in dat de bovenkleding niet gekreukeld is. Daarbij is het een eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om zo min mogelijk strijkgoed te hebben door bij voorbeeld de aanschaf van strijkarme kleding. Andere was dan bovenkleding wordt niet gestreken.  

4. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 

In zeer uitzonderlijke gevallen wordt ondersteuning geboden bij het doen van boodschappen.

5. De maaltijdbereiding 

Met dit te behalen resultaat is bedoeld dat een cliënt ondersteuning kan krijgen bij taken, zoals het klaarmaken van de broodmaaltijd (smeren, indien mogelijk klaarzetten in trommeltje in de koelkast) en het zetten van koffie of thee en/of het klaarmaken van de warme maaltijd (opwarmen in de magnetron of het koken van de warme maaltijd).

Eventueel ondersteuning bij het opruimen en afwassen van de gebruikte (keuken)hulpmiddelen, valt hier ook onder. 

6. Regie

 

Regie wordt als onderdeel van een maatwerkvoorziening toegekend als er ondersteuning nodig is bij het voeren van een gestructureerd huishouden. Concrete taken van de zorgaanbieder bij deze maatwerkondersteuning zijn het samen-op-werken van cliënt en huishoudelijke hulp tijdens de uitvoer van de schoonmaakwerkzaamheden, het aansturen van cliënt door de huishoudelijke hulp tot uitvoer van huishoudelijke werkzaamheden, het geven van instructies door de huishoudelijke hulp aan cliënt / volwassen huisgenoten (gebruikelijke hulp) met betrekking tot gebruik (technische) hulpmiddelen. 

7. Frequentie/omvang huishoudelijke taken 

Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt tussen zorgaanbieder en cliënt over de frequentie waarmee de taken worden uitgevoerd. Dit gesprek vindt plaats aan de hand van een door de gemeente aan de zorgaanbieder verstrekt format voor een ondersteuningsplan. De afspraken die een cliënt maakt over de frequentie van de schoonmaak moeten zó zijn dat de onder 2 genoemde primaire leefruimten op een algemeen aanvaardbaar basisniveau schoon en leefbaar blijven.

 

Dit kan ook heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van de cliënt. Het is aan de cliënt om samen met de zorgaanbieder keuzes te maken en prioriteiten te stellen.

 

Uitbreiding van huishoudelijke ondersteuning is mogelijk als de cliënt op grond van (ernstige) beperkingen zelf geen mogelijkheden heeft om enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of medische beperkingen heeft waaruit een hoger niveau van hygiëne noodzakelijk is.

 

Bij deze zaken geldt dat wordt verwacht dat een cliënt zelf al het mogelijke in het werk heeft gesteld ter beperking van vervuiling. Zo wordt van mensen met allergieën of COPD/astma verwacht dat zij in een gesaneerd huis wonen. Pas dan is het hogere niveau van hygiëne te bereiken. 

8. De taken die horen bij de ondersteuning bij het voeren van een huishouden

In het format van het ondersteuningsplan staan alle mogelijke taken opgesomd. De zorgaanbieder en de cliënt maken in een ondersteuningsplan specifieke afspraken over de uit te voeren taken en frequentie. Het college controleert of het plan voldoet aan de regels en of de cliënt hiermee voldoende gecompenseerd wordt. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de beschikking. 

9. artikel 3.1, lid 8 Gebruikelijke hulp

 

Bij het onderzoek naar de aanvraag voor huishoudelijke hulp wordt in het kader van de Wmo niet alleen de situatie van cliënt zelf bekeken. De gehele leefeenheid (inwonende personen) is verantwoordelijk voor het resultaat schoon en leefbaar huis en het hebben van schone en draagbare kleding. De inzet van de leefeenheid is voorliggend op een maatwerkvoorziening vanuit de gemeente en moet altijd eerst onderzocht te worden.

    

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.

Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.

 

Bijdrage van kinderen aan het huishouden:

In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken:

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen en kleding in de wasmand gooien.

  • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen. 

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:

  • schoonhouden van sanitaire ruimte

  • keuken en een kamer

  • de was doen

  • boodschappen doen

  • maaltijd verzorgen

  • afwassen en opruimen

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

10. Nadere regels op grond van artikel 3.1, lid 9  

Om snel in te kunnen springen op een behoefte aan extra kaders of regels is in lid 9 aan het college de regelgevende bevoegdheid toegekend om nadere regels te stellen. 

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening

Op grond van artikel 2.3.2 lid 8 van de wet is het college verplicht de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt. Een dergelijk onderzoeksverslag kan achterwege blijven indien de situatie duidelijk is en ook welke maatwerkvoorziening aan de orde is.

Dat kan zich bijvoorbeeld doen bij de verlenging van een toekenning. Het college kan verder afzien van het verstrekken van de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek indien de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de cliënt wegen heeft gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren. 

artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening

Lid 1

Onder b

De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend, ook wel adequaat of compenserend genoemd, als de meest goedkope voorziening te zijn. Allereerst moet dus sprake zijn van een passende voorziening. Indien meerdere voorzieningen passend zijn, wordt volstaan met het verstrekken van de goedkoopste van de passende voorzieningen.  

Lid 2

Onder a

Uit artikel 1.2.1 van de wet volgt dat de cliënt aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie in de gemeente waar hij ingezetene is voor zover het .

De wet bevat geen definitie van “ingezetene”. In de verordening is daaraan invulling gegeven door in artikel 1.1 een definitie op te nemen.

 

Onder d

De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 in de Wmo 2007, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Participatiewet, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet via de wet worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering.

 

Onder e

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.

 

Onder h

In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt opgenomen. En in artikel 2.4 van deze verordening is voor de cliënt en , diens huisgenoten een specifieke medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld. 

Artikel 4.3 Bijzondere criteria in verband met wonen

Dit artikel bevat een aantal weigeringsgronden die verband houden met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning). 

Artikel 4.4 Criteria maatwerkvoorziening voor vervoer

Het tweede lid regelt het primaat van het collectief vervoer. Bij de beoordeling of dit primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van het collectief vervoer is al bekend van onder de WVG en de Wmo. 

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET  

Artikel 5.1 Criteria PGB

Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een PGB. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een PGB. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een PGB. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ. 

Artikel 5.2 Hoogte persoonsgebonden budget

Dit artikel regelt de hoogte van een PGB. Daarbij regelt lid 4 onder b en c dat voor een PGB dat wordt besteed in het sociaal netwerk een lager tarief geldt. 

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN  

Algemeen

In het regeerakkoord is afgesproken dat voor Wmo-voorzieningen een vast tarief van € 17,50 per periodebijdrage zal worden ingevoerd (abonnementstarief). Voor de invoering van het abonnementstarief is een wetswijziging vereist en daarom kan de maatregel pas per 1 januari 2020 volledig worden ingevoerd. Voor 2019 is door de minister gekozen voor een tussenvorm. Het Uitvoeringsbesluit Wmo2015 wordt voor 2019 zo gewijzigd dat een maximale periodebijdrage van € 17,50 voormaatwerkvoorzieningen per 1 januari 2019 van kracht wordt. Het Besluit verlaging bijdrage Wlz zorgen maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2017/18, 34 104, nr. 225 (hierna: Besluit)) ligt momenteel nog ter advisering bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Het Besluit is voorgehangen bij de Tweede en Eerste Kamer. Het advies wordt eind september 2018 verwacht. Kort daarop volgt het nader rapport van de minister, waarna het Besluit volgens planning in september/oktober gepubliceerd kan worden. 

Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening

Dit artikel regelt dat een cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een bijdrage is verschuldigd. Onder de Wmo 2015 is nu ook een bijdrage voor een woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar verschuldigd. De kaders voor de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarbij er drie verschillende systematieken zijn voor:

  • 1.

    maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie,

  • 2.

    maatwerkvoorziening beschermd wonen

  • 3.

    maatwerkvoorziening opvang  

Bij beschermd wonen en opvang wordt voor de hoogte van de bijdrage de landelijke regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gevolgd, waarbij wordt uitgegaan van de maximale variant. Bij maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie is gekozen voor een lager marginaal tarief (10% i.p.v. 15%), hetgeen leidt tot een lagere bijdrage. 

Artikel 6.2 Algemene voorziening

Voor de algemene voorziening is de cliënt geen bijdrage verschuldigd. Wel kan de burger een kleine vergoeding moeten betalen aan de aanbieder van de algemene voorziening voor het gebruik. Hierbij valt te denken aan een vergoeding van bijvoorbeeld € 2,50 voor het gebruik van een welzijnsdienst. 

Artikel 6.3 Kostprijs

In dit artikel is de wijze van berekening van de hoogte van de kostprijs weergegeven. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een PGB is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het PGB. Het college stelt nadere regels over een (eventuele) lagere kostprijs. 

HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier en artikel 2.3.10 maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmovoorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.

In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg geschieden.

Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd. 

HOOFDSTUK 8 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. 

HOOFDSTUK 9 KWALITEIT EN INSPRAAK 

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. 

Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6 lid 1 van de wet).

Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. 

Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een klachtenregeling beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan. 

Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan. 

Hoofdstuk 10 Mantelzorgondersteuning

De gemeente Vught geeft hier invulling aan volgens het vastgestelde mantelzorgbeleid, gemeenteraad juni 2015. 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN 

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks de uitkomst van die zeer persoonlijke afweging toch nog leidt tot een onbillijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor doorlopende voorzieningen die zijn verstrekt op basis van de Wmo en de daarbij behorende verordening. 

Artikel 11.5 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. 

Artikel 11.6 Citeertitel

Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd kan worden. Het jaartal wordt in de naam opgenomen om de opeenvolgende verordeningen te kunnen onderscheiden.