Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Delft

Maatregelenverordening participatiewet 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDelft
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingMaatregelenverordening participatiewet 2015
CiteertitelMaatregelenverordening participatiewet 2015
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet art. 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2015nieuwe regeling

18-12-2014

Gemeenteblad, 13-01-2014

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Maatregelenverordening participatiewet 2015

De Raad van de gemeente Delft;

  • -

    heeft het voorstel gelezen van het college van burgemeester en wethouders van Delft van 14 oktober 2014;

  • -

    houdt rekening met artikel 8, aanhef en het eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet;

Op basis hiervan besluit de Raad:

  • -

    de Maatregelenverordening Participatiewet 2015 vast te stellen, en

  • -

    tegelijk in te trekken de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013,

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijving

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    De wet: de Participatiewet

  • b.

    Het college: het college van burgemeester en wethouders van Delft.

  • c.

    Algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet.

  • d.

    Bijzondere bijstand: de bijstand zoals deze bedoeld is in artikel 5, onder d van de wet.

  • e.

    Bijstand: Algemene en bijzondere bijstand.

  • f.

    Bijstandsnorm: de uitkeringsnorm zoals deze is bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet.

  • g.

    Uitkering: de algemene bijstand die wordt verstrekt op grond van de Participatiewet

  • h.

    Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals deze wordt bedoeld in artikel 36 van de wet.

  • i.

    Maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede, vijfde, zesde zevende en achtste lid van de wet ,

  • j.

    Sociale activering: het doen van onbeloonde maatschappelijke zinvolle activiteiten die zijn gericht op deelname op de arbeidsmarkt (arbeidsinschakeling).

  • k.

    Tegenprestatie: het in opdracht van het college doen van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten die niet gericht zijn op deelname op de arbeidsmarkt, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder c van de wet.

  • l.

    Activeringsperiode: periode van maximaal 4 weken na de melding om bijstand waarbij het college een aantal specifieke verplichtingen oplegt gericht op een zo snel mogelijke werkaanvaarding en/of het bevorderen van de participatie. Voor bijstandsaanvragers tot 27 jaar is dit geregeld in artikel 43, vierde lid van de wet.

  • m.

    Geüniformeerde verplichtingen: de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid van de wet.

  • n.

    Niet geüniformeerde verplichtingen: alle verplichtingen die aan de belanghebbende worden opgelegd met uitzondering van de geüniformeerde verplichtingen (artikel 18, vierde lid van de wet).

  • o.

    Belanghebbende:de persoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door het maatregelbesluit

Artikel 2: Het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Het college legt een maatregel op, als de belanghebbende volgens het college onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef toont om zelfstandig in het bestaan te voorzien.

  • 2.

    Daarnaast legt het college een maatregel op, als de belanghebbende niet of onvoldoende zijn verplichtingen nakomt die voortvloeien uit de wet met uitzondering van de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste lid van de wet.

  • 3.

    Het college legt ook een maatregel op indien de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegen het college of de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.

  • 4.

    Indien de belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.

  • 5.

    Het college stemt, indien er door bijzondere omstandigheden dringende redenen zijn de maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en zijn mogelijkheden middelen te verkrijgen.

  • 6.

    Voor de niet-geüniformeerde verplichtingen houdt het college voor de vaststelling van de maatregel ook rekening met de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten.

Artikel 3: Maatregel opleggen en berekenen

  • 1.

    De maatregel wordt opgelegd voor een bepaalde tijd, als percentage van de maandelijks verstrekte bijstandsnorm.

  • 2.

    De maatregel gaat in na het moment dat deze is opgelegd. Dit geldt ook indien overeenkomstig deze verordening de maatregel met terugwerkende kracht wordt opgelegd.

  • 3.

    De maatregel bestaat in principe uit een korting op de bijstandsuitkering. De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm die geldt in de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Als het niet mogelijk is de maatregel toe te passen op de bijstandsuitkering, kan het college in plaats daarvan besluiten de verstrekte, of de te verstrekken bijzondere bijstand te verlagen voor zover deze op grond van artikel 12, 36 of 36b van de wet is/wordt verleend.

Artikel 4: Besluit tot het opleggen van een maatregel

Als het college een maatregel oplegt, ontvangt de belanghebbende een schriftelijk besluit. Daarin staat, voor zover dat van toepassing is:

  • a.

    de reden van de maatregel;

  • b.

    de duur van de maatregel;

  • c.

    de periode waarover de maatregel wordt opgelegd;

  • d.

    het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;

  • e.

    het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd, op basis van de bijstandsnorm of het benadelingsbedrag;

  • f.

    de reden waarom het besluit afwijkt van de standaardmaatregel.

Artikel 5: De belanghebbende horen

    • 1.

      Voordat het college een maatregel oplegt, mag de belanghebbende zijn zienswijze naar voren brengen.

    • 2.

      Het college hoeft de belanghebbende niet de gelegenheid te geven gehoord te worden, als:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de belanghebbende al eerder de kans heeft gekregen om zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      het volgens het college niet nodig is om de belanghebbende te horen om de ernst van de gedraging vast te stellen;

    • d.

      de betrokkene zich ernstig heeft misdragen zoals bedoeld in artikel 15..

Artikel 6: Maatregel toch niet opleggen

  • 1.

    Het college legt een maatregel niet op, als:

  • a.

    elke vorm van verwijtbaarheid redelijkerwijs ontbreekt;

  • b.

    de gedraging plaatsvond meer dan 12 maanden voordat deze is geconstateerd.

  • 2.

    Het college kan afzien van een maatregel, als het daarvoor dringende redenen heeft.

  • 3.

    Als het college een maatregel niet oplegt op grond van dringende redenen, krijgt de belanghebbende daarvan schriftelijk bericht.

  • 4.

    Een besluit waarmee een maatregel is opgelegd staat, voor zover het betreft de toepassing van artikel 10 en 11 derde tot en met vijfde lid gelijk aan het besluit om daarvan af te zien in verband met dringende redenen.

Artikel 7: Hoe de maatregel wordt opgelegd

  • 1.

    Als met de maatregel de uitkering wordt verlaagd, kan deze verlaging op twee momenten ingaan:

  • a.

    Als de uitkering over de betreffende maand nog niet is uitgekeerd, wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag nadat het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.

  • b.

    Als de uitkering over de betreffende maand al is uitgekeerd, wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag van de maand nadat het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.

  • 2.

    Als de belanghebbende bijzondere bijstand ontvangt op basis van artikel 12, 36 of 36b van de wet, kan het college de maatregel toepassen op de in dat kader verleende bijzondere bijstand.

  • 3.

    Als een maatregel wordt opgelegd op bijzondere bijstand die op grond van artikel 12 van de wet wordt verstrekt, dan is deze maatregel – zowel wat hoogte (percentage) als duur betreft – gelijk aan de maatregel die wordt opgelegd op de algemene bijstand. De artikelen 9 tot en met 15 van deze verordening zijn van toepassing op beide soorten maatregelen, maar dan moet wel in plaats van bijstandsnorm worden gelezen: ‘bijzondere bijstand verstrekt op grond van artikel 12 van de wet’.

  • 4.

    De maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd, als na de maatregelwaardige gedraging het recht op algemene bijstand wordt beëindigd of ingetrokken. De grondslag is de bijstandsnorm die geldig is op de ingangsdatum van de maatregel. De maatregel kan niet eerder ingaan dan de dag waarop de gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid, als blijkt dat op het moment van de aanvraagprocedure er sprake is van bijstandsbehoeftigheid door een gedraging zoals beschreven in artikel 18, lid 4, van de wet dan wordt een maatregel opgelegd vanaf de ingangsdatum van de toegekende uitkering voor zover die niet ligt voor de betreffende gedraging.

  • 6.

    Kan een maatregel, ondanks het bepaalde in zevende lid, niet volledig worden uitgevoerd, omdat de uitkering wordt beëindigd? Dan wordt deze alsnog uitgevoerd, als de belanghebbende binnen een periode van één jaar opnieuw een uitkering ontvangt.

  • 7.

    In die gevallen waarin een maatregel niet volledig kan worden uitgevoerd, omdat de hoogte van de uitkering onvoldoende is, kan het bedrag van de maatregel verdeeld worden over meer maanden.

  • 8.

    Een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de verplichtingen voor een periode van meer dan drie maanden, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze wordt uitgevoerd, heroverwogen.

Artikel 8: Samenloop van gedragingen

Maakt een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig aan verschillende gedragingen en komt hij daardoor zijn verplichtingen niet na? Dan bepaalt het college de hoogte en duur van de maatregel op basis van de gedraging waarvoor de zwaarste maatregel geldt.

Hoofdstuk 2: De niet-geüniformeerde verplichtingen

Artikel 9: Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en tegenprestatie

Gedragingen van de betrokkene:

  • 1.

    die er toe leiden dat algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of dat algemeen geaccepteerde arbeid wordt verloren, voor zover deze gedraging niet hoort tot de geüniformeerde verplichtingen ; of,

  • 2.

    die er toe leiden dat verplichtingen die op grond van artikel 9, 9a en 55 van de wet niet worden nagekomen;

worden onderscheiden in de volgende categorieën:

 

  • 1.

    Eerste categorie;

    • a.

      het zich niet of niet tijdig als werkzoekende registreren bij het UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van deze registratie;

    • b.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheid van arbeidsinschakeling;

    • c.

      het zich niet houden aan de vastgestelde termijnen en procedures voor ziek- en betermeldingen, als zij moeten deelnemen aan re-integratieactiviteiten of op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd moeten verschijnen vanwege de uitvoering van de Participatiewet;

    • d.

      het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Plan van Aanpak zoals dit is bedoeld in artikel 44a van de wet,

    • e.

      het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een Trajectplan of re-integratieovereenkomst zoals deze zijn overeengekomen, gericht op de re-integratie van de belanghebbende.

    • f.

      het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende 4 weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de wet,

    • g.

      het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover deze verplichting niet behoort tot de geüniformeerde verplichtingen;

    • h.

      het in onvoldoende mate of niet behoorlijk meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de wet;

    • i.

      het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep van het college of een door het college aangewezen bedrijf of instantie dat belast is met de uitvoering van deze wet om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

    • j.

      het uit houding en gedrag laten blijken dat de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b van de wet onvoldoende worden nagekomen;

    • k.

      het niet of in onvoldoende mate nakomen van een bijzondere verplichting zoals bedoeld in artikel 55 van de wet, zoals het zich niet onderwerpen aan een door een arts geadviseerde noodzakelijke medische behandeling;

    • l.

      het onvoldoende nakomen van de verplichtingen, opgelegd door het college gedurende de activeringsperiode van 4 weken direct na de melding om een aanvraag om bijstand.

 

  • 2.

    Tweede categorie

    • a.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit voortvloeit uit een niet-geüniformeerde verplichting;

    • b.

      het niet meewerken aan het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet.

    • c.

      het geheel niet nakomen van de verplichtingen, opgelegd dhor het college gedurende de activeringsperiode van 4 weken direct na de melding om een aanvraag om bijstand.

    • d.

      het niet door de belanghebbende, jonger dan 27 jdar deelnemen aan het regulier onderwijs zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid onder c en d van de wet.

 

Artikel 10: Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van de niet-geüniformeerde verplichtingen

  • 1.

    De maatregel bij gedragingen als bedoeld in artikel 9 worden vastgesteld op:

  • a.

    30% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie.

    • 2.

      Indien de belanghebbende zich binnen een periode van 12 maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedragingen van dezelfde of een hogere categorie:

      • a.

        Eerste categorie: bij eerste recidive 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. Bij een tweede recidive binnen 12 maanden na de eerste recidive 100% gedurende 2 maanden. Bij een derde of volgende recidive binnen 12 maanden na het laatste besluit is dit 100% gedurende 3 maanden.

      • b.

        Tweede categorie: bij de eerste recidive 100% van de bijstandsnorm voor de duur van 2 maanden. Bij de tweede en volgende recidive 100%van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden.

Hoofdstuk 3: De geüniformeerde verplichtingen

Artikel 11: Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

  • 1.

    In artikel 18, vierde lid van de wet zijn de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn:

  • a.

    Het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    Het voldoen aan een door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;

  • c.

    Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere gemeente voordat men naar die andere gemeente verhuist;

  • d.

    Het bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag te reizen indien dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • e.

    De bereidheid om te verhuizen naar een andere gemeente, indien naar het oordeel van het college er geen andere mogelijkheden zijn voor het verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid mits de belanghebbende een arbeidsovereenkomst van tenminste 1 jaar met een beloning die tenminste gelijk is aan de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm kan aangaan.

  • f.

    Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden welke noodzakelijk zijn voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • g.

    Het niet belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag.

  • h.

    Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoeken naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet verlaagt het college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de betrokkene één van deze in het eerste lid genoemde verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te spreiden.

  • 3.

    Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een besluit zoals bedoeld in het tweede lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

  • 4.

    Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.

  • 5.

    Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een periode van drie maanden.

  • 6.

    Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen herzien, indien uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde verplichtingen nakomt.

  • 7.

    De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk indien deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan 1 maand.

 

Hoofdstuk 4: Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 12: Ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Indien een belanghebbende:

  • -

    tijdens de bijstandsperiode

  • -.

    of in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraag om een uitkering,

een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt bij de volgende gedragingen een maatregel toegepast:

  • a.

    het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggende voorziening;

  • c.

    het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van inkomsten;

  • d.

    het te snel interen van vermogen.

  • 2.

    De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien er sprake is van een gedraging zoals bedoeld onder het eerste lid onder a tot en met c. Indien de belanghebbende zich binnen een periode van 12 maanden opnieuw schuldig maakt aan dezelfde gedraging dan wordt de maatregel verdubbeld.

  • 3.

    Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt en wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende één maand.

  • 4.

    Is er sprake van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid onder d dan wordt de maatregel afgestemd op het bedrag dat naar het oordeel van het college te snel is ingeteerd.

  • 5.

    De maatregel als bedoeld in het vierde lid wordt op de volgende wijze vastgesteld:

  • a.

    bij een te snel ingeteerd bedrag tot € 1.000,-: 20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;

  • b.

    bij een te snel ingeteerd bedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 40% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;

  • c.

    bij een te snel ingeteerd bedrag van € 2000,- tot € 4000,-:40% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden;

  • d.

    bij een te snel ingeteerd bedrag van € 4000,- tot € 10.000,-: 50% gedurende zes maanden; en

  • e.

    bij een te snel ingeteerd bedrag van € 10.000,- of meer 50% gedurende twaalf maanden.

  • 6.

    In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de maatregel verdubbeld.

Artikel 13: Inburgeringsplicht

In die gevallen dat er met de belanghebbende afspraken zijn gemaakt met betrekking tot diens inburgeringsplicht en zijn die afspraken vastgelegd in een re-integratietraject binnen de WWB of de Participatiewet, dan wordt in die gevallen dat iemand zich niet houdt aan deze afspraken een maatregel opgelegd die net zo hoog is als de bestuurlijke boete die iemand om dezelfde reden krijgt opgelegd die geen uitkering van de gemeente ontvangt. Deze boete is geregeld in de Verordening Inburgering.

Artikel 14: Bijzondere verplichtingen op grond van 57 van de wet

  • 1.

    In sommige gevallen kan het college de belanghebbenden de verplichting opleggen direct van de uitkering vaste lasten door te betalen of de bijstand in natura te verstrekken. Indien de belanghebbenden hier niet of niet voldoende aan meewerkt dan wordt een maatregel opgelegd van 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  • 2.

    De duur van deze maatregel wordt verdubbeld indien de betrokkene binnen 12 maanden zich opnieuw schuldig maakt aan het schenden van de verplichting genoemd in het eerste lid.

 

Artikel 15: Zeer ernstige misdragingen

  • 1.

    Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, wordt een maatregel opgelegd van ten minste 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  • 2.

    Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na een gedraging als bedoeld in het eerste lid opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke gedraging, wordt een verlaging toegepast van ten minste 50% gedurende twee maanden. De hoogte van de maatregel is in ieder geval niet lager dan de maatregel zoals bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    In die gevallen dat belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de vorige verwijtbare gedraging zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, voor een derde of volgende keer schuldig maakt aan een dergelijke verwijtbare gedraging, wordt minimaal de laatst opgelegde maatregel verdubbeld. Daarbij wordt in eerste instantie de hoogte van de maatregel verdubbeld. Is dit niet mogelijk dan wordt de duur van de eerder opgelegde maatregel verdubbeld.

Hoofdstuk 5: Handhavingsbeleid

Artikel 16: Handhavingsbeleid

Artikel 16: Handhavingsbeleid

 

  • 1.

    Het college biedt periodiek, maar ten minste eenmaal per vier jaar, aan de gemeenteraad een handhavingsplan aan, met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet en de te verwachten resultaten.

  • 2.

    Jaarlijks rapporteert het college hierover aan de gemeenteraad.

  • 3.

    Het bedrag dat ten onrecht is uitgekeerd, vermeerderd met:

  • -

    afgedragen premies en loonbelasting,

  • -.

    plus eventueel uitgekeerde langdurigheidstoeslagen of individuele inkomenstoeslagen,

  • -.

    plus mogelijk verstrekte bijzondere bijstand

wordt volledig teruggevorderd of door een verlaging van de bijstandsnorm volledig geïncasseerd.

  • 4.

    Het college kan besluiten rente en kosten in rekening te brengen.

  • 5.

    Het college kan voor het handhavingsbeleid nadere regels stellen.

Hoofdstuk 6: Slotbepalingen

Artikel 17: Bevoegdheid college

In die gevallen waarin de verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 18: Hardheidsclausule

Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 19: Overgangsrecht

  • 1.

    Als dezelfde maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden zowel vóór als op/of na de datum dat deze verordening is ingegaan, worden besluiten, waaronder de beslissing op bezwaar, genomen met toepassing van deze verordening.

  • 2.

    Bij toepassing van het eerste lid wordt – voor zover van toepassing – de hoogte van de maatregel in het voordeel van de belanghebbende gematigd tot wat deze zou bedragen in de maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013.

Artikel 20: Ingangsdatum

  • 1.

    Deze verordening gaat in op 1 januari 2015.

  • 2.

    Op 1 januari 2015 vervalt de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013.

Artikel 21: Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Participatiewet 2015.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.

mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester

A.P. Oostdijk ,wnd.griffier.

Toelichting

 

Algemeen

 

Rechten en plichten in de Participatiewet

 

De Participatiewet schrijft voor dat voor bepaalde onderwerpen de Raad zelf regels moet maken. Die regels moet de Raad vastleggen in een verordening. Zo moet de Raad voor een deel zelf bepalen wat er gebeurt als iemand die een uitkering ontvangt zich niet houdt aan de regels die in deze wetten staan.

In deze maatregelenverordening staat welke maatregelen het college dan neemt. Dat heet een maatregel opleggen. Houdt een uitkeringsgerechtigde zich niet aan de regels, dan wordt de uitkering verlaagd.

Dat de Raad deze regels in een verordening moet vaststellen staat in artikel 8, eerste lid onder a van de Participatiewet.

 

Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om zo snel mogelijk weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Belangrijk is dan ook dat het college goed communiceert wat deze rechten en plichten zijn, en wat de gevolgen zijn als iemand zich niet aan zijn verplichtingen houdt.

 

In artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet staat dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende moet aanpassen. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen maatwerk is. Het college moet rekening houden met de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden.

 

Het tweede lid van artikel 18 van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde. Er moet ook rekening gehouden worden met het nakomen van de verplichtingen. Dat betekent dat het college rekening moet houden met de inzet van de uitkeringsgerechtigde om aan de verplichtingen te voldoen.

 

Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting.

Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.

 

Nieuwe verplichtingen

 

In de Participatiewet zijn in artikel 18, vierde lid, nieuwe arbeidsverplichtingen opgenomen. Deze staan bekend als de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Bij een schending van (één van) deze verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging bij een eerste overtreding vastgelegd op 1 maand (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).

 

Als is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan wordt dit niet aangemerkt als een maatregel. Met andere woorden als (één van) deze verplichtingen opnieuw worden geschonden dan wordt dit gezien als een eerste overtreding, en dus niet als een herhaling (recidive) van de overtreding. Dit wordt beoordeeld als een eerste schending van deze verplichtingen.

Is vanwege een andere dringende reden (artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet) afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is dit geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten. Als opnieuw de verplichtingen worden geschonden dan gelden wel de regels met betrekking tot recidive.

 

Als een maatregel wordt opgelegd voor een periode van drie of meer maanden dan moet het college uiterlijk binnen drie maanden onderzoeken of er redenen zijn om de maatregel te herzien. Het college onderzoekt dan of de omstandigheden en/of het gedrag van de betrokkene hiertoe aanleiding geven. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid van de Participatiewet.

 

Dit geldt echter niet voor de nieuwe geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Daarvoor geldt artikel 18, elfde lid. De maatregel bij een schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen wordt alleen herzien als betrokkene hier om vraagt.

 

De maatregelen die worden opgelegd hebben als doel het gedrag van de uitkeringsgerechtigde te veranderen. Dit heet een reparatoire sanctie(maatregel). Er is echter één uitzondering. Dit is een maatregel die wordt opgelegd als de betrokkene zich ernstig heeft misdragen. Deze maatregel is duidelijk bedoeld als een straf. Dit heet een punitieve sanctie.

Als een gedraging die leidt tot een reparatoire sanctie gepaard gaat met een strafbaar feit dan kan ook aangifte worden gedaan. Dit kan tegelijk omdat de opgelegde maatregel niet als straf wordt aangemerkt.

 

Regionale samenwerking

 

Er is sprake van een steeds verdergaande regionale samenwerking. Zo werkt de gemeente samen met de Haaglanden gemeenten in de werkgeversbenadering. Ook de uitvoeringsorganisatie Werkse! is gebaseerd op een regionale samenwerking. De arbeidsmarkt gaat verder dan de grens van de gemeente. Het is dan ook belangrijk dat de verschillende gemeenten een zelfde uitstraling hebben richting alle werkgevers. Ook wat betreft de op te leggen maatregelen indien cliënten (kandidaat werknemers) hun re-integratie- en arbeidsverplichtingen niet of niet voldoende nakomen. Deze maatregelverordening is dan ook in samenwerking met de regiogemeenten (H4) tot stand gekomen.

 

Vereenvoudiging

 

Het opleggen van een maatregel vergt zorgvuldigheid. Belangrijk is dat de regelgeving voor de uitvoering (maar ook voor cliënten) eenvoudig is. Binnen deze verordening is het aantal categorieën van maatregelwaardig gedrag (binnen de re-integratie- en arbeidsverplichtingen) teruggebracht van 4 naar 2.

Tegelijk is voor wat betreft de hoogte van de maatregel ook gekozen voor twee mogelijkheden, namelijk 30% en 100%. Deze maatregelverordening is daarmee iets strenger dan de vorige verordening, maar past binnen de bedoelingen van de overheid, om mensen ook middels meer maatregelen meer te activeren. Bovendien is dit duidelijker naar de burger: zij weten op deze wijze beter waar zij aan toe zijn.

 

 

Schenden van de inlichtingenplicht

 

De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en bijstand (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.

 

De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete. De gemeente doet dit in de verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet. IOAW en IOAZ. Deze verordening wordt apart aangeboden en is uitsluitend technisch aangepast.

 

 

 

 

 

TOELICHTING PER ARTIKEL

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

 

Niet alle begrippen die in deze verordening staan behoeven een nadere toelichting. In principe hebben zij dezelfde betekenis als die in de Participatiewet. Een aantal begrippen is toch nader omschreven.

 

Individueleinkomenstoeslag

De individueleinkomenstoeslag is een onderdeel van de bijzondere bijstand. Wanneer een uitkeringsgerechtigde geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt, kan iemand in uitzonderingsgevallen een maatregel over de individuele inkomenstoeslag krijgen.

 

Tegenprestatie

De wet kent het begrip tegenprestatie. Dit zijn onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden die het college een uitkeringsgerechtigde kan opdragen. Dit is geregeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet.

 

Artikel 2 Een maatregel opleggen

 

Een uitkering wordt in principe slechts tijdelijk verstrekt. Immers, iedereen die een uitkering ontvangt moet zijn best doen om zo snel mogelijk weer financieel zelfstandig te zijn (verantwoordelijk zijn voor de voorziening in het bestaan).

 

Aan het recht op een uitkering zijn dan ook verplichtingen verbonden. Deze kunnen worden onderverdeeld in:

  • 1.

    Het tonen van voldoende verantwoordelijkheidsbesef voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid van de Participatiewet.

  • 2.

    De plicht om mee te werken aan arbeidsinschakeling (artikel 9 Participatiewet).

Deze plicht bestaat uit twee delen:

  • 1.

    De arbeidsplicht: de plicht om te proberen werk te krijgen en aan te nemen. Hiertoe hoort ook het inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf, tenzij iemand van die verplichting ontheven is.

  • 2.

    De re-integratieplicht: de plicht gebruik te maken van de re-integratiemogelijkheden van het college, en zich houden aan de afspraken die hierover zijn gemaakt. Het college houdt hierbij rekening met de persoonlijke situatie van een uitkeringsgerechtigde.

De re-integratieverordening die elke gemeenteraad moet vaststellen, is de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen staan in het besluit dat een uitkeringsgerechtigde van het college ontvangt. Daarnaast staan er in de Participatiewet nog enkele nieuwe verplichtingen, de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen.

Voor jongeren tot 27 jaar gelden op dit punt nog enkele specifieke verplichtingen. Een van de verplichtingen is dat de jongere tijdens de zoekperiode van vier weken de plicht heeft om aantoonbaar te zoeken naar werk. Ook moet hij de mogelijkheden onderzoeken om een opleiding te volgen in het reguliere onderwijs.

  • 1.

    De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid Participatiewet).

Het college kan een uitkeringsgerechtigde medewerking vragen voor de uitvoering van de wet, bijvoorbeeld doordat een uitkeringsgerechtigde:

  • 1.

    toestemming geeft voor een huisbezoek;

  • 2.

    meewerkt aan een psychologisch of sociaal medisch onderzoek.

  • 3.

    Het meewerken aan een tegenprestatie.

Het college kan de uitkeringsgerechtigde opdragen als tegenprestatie naar vermogen voor een uitkering bepaalde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen. Indien de uitkeringsgerechtigde dit krijgt opgedragen is hij verplicht deze werkzaamheden naar behoren uit te voeren. Het gemeentelijk beleid hieromtrent is vastgelegd in de verordening tegenprestatie (art. 9, eerste lid onder c van de Participatiewet).

 

Artikel 18, tweede lid Participatiewet beschrijft een bijzondere overtreding, namelijk de uitkeringsgerechtigde mag zich niet misdragen tegenover het college en zijn medewerkers.

 

De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB).

Naast de eerder genoemde verplichtingen is er ook de informatieplicht. Een uitkeringsgerechtigde is verplicht het college te informeren over zaken die van invloed kunnen zijn op het re-integratieproces of het recht op bijstand. Hij moet zo'n verandering binnen twee weken doorgeven; hiervoor is een wijzigingsformulier beschikbaar. Ook digitaal kunnen wijzigingen worden doorgegeven. Het schenden van de informatieplicht valt echter niet meer onder deze maatregelverordening. Met de invoering van de Fraudewet (1-1-2013) moet bij een overtreding van de informatieplicht een boete worden opgelegd (en dus geen maatregel).

 

Tweede lid

Als de uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet of niet in voldoende mate nakomt dat legt het college een maatregel op. Het opleggen van een maatregel is niet vrijblijvend. De wet schrijft voor dat het college verplicht is een maatregel op te leggen.

 

Derde lid

Het college accepteert niet dat uitkeringsgerechtigden zich misdragen tegenover het college of tegenover anderen die belast zijn met de uitvoering van deze wet. In die gevallen legt zij een maatregel op. Meer hierover staat in artikel 15 van deze verordening.

 

Vierde lid

Heeft iemand al eerder een maatregel gehad? Dan kan dat reden zijn om de maatregel te verzwaren. Het college houdt hier dus rekening mee.

 

Vijfde lid

In de maatregelenverordening staan standaardmaatregelen voor verschillend gedrag. Het gaat hier om uitkeringsgerechtigden die zich niet aan hun verplichtingen houden. Zo’n standaardmaatregel kan een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm zijn voor een vaste periode.

In dit derde lid staat de hoofdregel: het college houdt bij het opleggen van een maatregel rekening met de persoonlijke situatie van een uitkeringsgerechtigde. Daarbij moet zij rekening houden met de gevolgen van de maatregel. Tegelijk mag het feit dat de betrokkene mogelijk financiële problemen ondervindt niet de reden zijn om af te zien van een maatregel.

 

Het college kan van de hoogte en de duur van de standaardmaatregel afwijken, als dat nodig is. Zij kan er voor kiezen om een zwaardere of lichtere maatregel op te leggen.

 

Bij het vaststellen of een uitkeringsgerechtigde een maatregel krijgt opgelegd, doorloopt het college twee stappen:

  • 1.

    vaststellen van de ernst van het gedrag;

  • 2.

    vaststellen van de omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde.

 

Hoe ernstig het maatregelwaardig gedrag is, bepaalt de hoogte en de duur van de maatregel. Bij de geüniformeerde verplichtingen wordt niet meer getoetst aan de mate van verwijtbaarheid.

 

Persoonlijke omstandigheden kunnen van invloed zijn op de hoogte van een maatregel. Een minder zware maatregel kan een uitkeringsgerechtigde bijvoorbeeld krijgen:

  • 1.

    als er bijzondere financiële omstandigheden zijn, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten, of uitgaven waarvoor geen financiële tegemoetkoming is;

  • 2.

    bij sociale omstandigheden, zoals: gezinnen met ten laste komende kinderen.

 

Zesde lid

Voor de niet-geüniformeerde verplichtingen gelden nog de oude bepalingen. In deze gevallen toets de gemeente wel op de mate van verwijtbaarheid, de ernst van het feit en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.

 

Artikel 3 Een maatregel berekenen

 

Eerste lid

Het college legt een maatregel op over de bijstandsnorm. De bijstandsnorm is het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Dit bedrag is gebaseerd op iemands leefsituatie. Bijvoorbeeld: de leeftijd van een uitkeringsgerechtigde, of er kinderen zijn, of iemand samenwoont of niet. Het college legt de maatregel op over de bijstandsnorm inclusief het vakantiegeld. In het kader van de overgangsregeling voor lopende zaken kan dit zijn inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging (tot 1-7-2015). Een maatregel is een bepaald percentage van de bijstandsnorm. Een maatregel wordt altijd opgelegd voor een bepaalde tijd.

 

In een enkel geval wordt de maatregel vastgesteld op basis van het benadelingsbedrag. Dat is het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen. Het kan ook het bedrag zijn dat het college aan bijstand moet betalen doordat de uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening. De hoogte van de maatregel hangt af van het benadelingsbedrag.

 

Tweede lid

Doorgaans legt het college een maatregel op in de toekomst, namelijk nadat het besluit is genomen om een maatregel op te leggen. Kan dat niet, bijvoorbeeld doordat een uitkeringsgerechtigde zijn uitkering al heeft ontvangen of geen uitkering meer ontvangt? Dan kan het college een maatregel ook met terugwerkende kracht opleggen, dus in het verleden.

 

Derde lid

De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm die geldt in de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Soms kan het college een maatregel opleggen op basis van artikel 12 van de wet. Dit is een apart artikel waarmee het college in sommige gevallen uitwonende jongeren van 18 tot 21 jaar een aanvulling kan geven op hun inkomen. Legt het college alleen over de lage uitkeringsnorm voor jongeren een maatregel op, dan zou dit oneerlijk zijn tegenover uitkeringsgerechtigden die ouder zijn 21 jaar. Met deze verordening kan het college ook een maatregel opleggen op de extra aanvulling voor deze jongeren.

 

In heel bijzondere gevallen kan het college een maatregel opleggen op de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 Participatiewet). Dit is een vorm van bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand is een soort gemeentelijk fonds waarop uitkeringsgerechtigden een beroep kunnen doen. Bijvoorbeeld als iemand door persoonlijke bijzondere omstandigheden extra kosten moeten maken en zij deze kosten niet kunnen betalen.

Een bijzondere situatie doet zich bijvoorbeeld voor als iemand zich bij het aanvragen hiervan ernstig misdraagt.

 

 

 

Artikel 4 Besluit bij opgelegde maatregel

 

De maatregel om de uitkering te verlagen, legt het college op met een besluit. Wanneer het college een maatregel over een lopende uitkering oplegt, dan is de basis daarvoor artikel 45 van de Participatiewet, samen met artikel 18, tweede lid van de Participatiewet. Legt het college een maatregel op met terugwerkende kracht, dan is de basis daarvoor artikel 54, derde lid van de Participatiewet. Het college bekijkt dan opnieuw het recht op een uitkering.

 

Is de uitkeringsgerechtigde het niet eens met de maatregel, dan kan hij bezwaar maken. Een onafhankelijke commissie bekijkt het besluit dan nogmaals. Deze commissie adviseert vervolgens het college, dat dan opnieuw een besluit neemt. Is de uitkeringsgerechtigde het ook hier niet mee eens, dan kan hij in beroep gaan bij de rechtbank.

 

Het college moet een uitkeringsgerechtigde altijd informeren over een besluit. Deze eisen staan in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij moet het besluit ook altijd toelichten en uitleggen aan een uitkeringsgerechtigde.

 

Artikel 5 De belanghebbende horen

 

Voordat het college de beschikking opstelt, moet zij de uitkeringsgerechtigde soms vragen om zijn kant van het verhaal te vertellen (‘hem horen’). Dat heet hoorplicht. Dit staat in artikel 4:7 van de Awb.

In het tweede lid staan een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De uitzonderingen onder a en b staan ook in de Awb. Vaak zijn er meer redenen om iemand niet te horen. Dan gaat het vaak om het niet verschijnen op een oproep.

 

Het is mogelijk dat een cliënt geen gebruik wil maken van de mogelijkheid om zijn kant van het verhaal te vertellen. Ziet de cliënt hier vanaf, dan zal het college op grond van deze verordening een besluit nemen.

 

Artikel 6 Maatregel toch niet opleggen

 

In dit artikel staat wanneer het college geen maatregel oplegt.

 

Eerste lid

Het college legt geen maatregel op, als een uitkeringsgerechtigde niets verweten wordt. Een andere reden is dat het gedrag te lang geleden heeft plaatsgevonden (dat heet verjaring). De maatregel moet namelijk wel effectief zijn (‘lik op stuk’), daarom legt het college een maatregel zo snel mogelijk op nadat het gedrag plaatsvond. Onder b staat daarom dat het opleggen van een maatregel moet worden opgelegd binnen één jaar nadat de het college erachter is gekomen dat er sprake is van maatregelwaardig gedrag.

 

In de oude verordening stond bij alle maatregelen het college rekening moest houden met de mate van verwijtbaarheid. Het is wel, maar niet helemaal verwijtbaar. In deze nieuwe wet kan dit alleen maar bij de oude, niet-geüniformeerde verplichtingen. Dat staat ook in deze verordening.

Voor de nieuwe, zgn. geüniformeerde verplichtingen geldt dat dit niet meer kan. We houden dan alleen nog maar rekening met of er überhaupt sprake is van verwijtbaarheid. Een mogelijke verminderde verwijtbaarheid wordt niet getoetst.

 

Tweede lid

Het college hoeft geen maatregel op te leggen wanneer er ‘dringende redenen’ zijn. Wat dat betekent, hangt van de situatie af.

 

Derde en vierde lid

Het college laat een uitkeringsgerechtigde per brief weten dat hij geen maatregel krijgt, als er sprake is van dringende redenen. Dat is belangrijk, als de uitkeringsgerechtigde het gedrag herhaalt dat aanleiding gaf tot het overwegen van de maatregel (recidive).

 

Het college moet zo goed mogelijk informeren over de verplichtingen die bij de bijstand horen. Uitkeringsgerechtigden moeten persoonlijk en op maat geïnformeerd worden.

 

Let op. Om te voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde het gedrag herhaalt, wordt de gematigde maatregel wel officieel gezien als een echte maatregel.

 

Artikel 7 Hoe de maatregel wordt opgelegd

 

Wat houdt de maatregel in en wanneer wordt hij opgelegd?

 

Eerste lid

De maatregel houdt in het tijdelijk verlagen van de uitkering. Dit kan op twee manieren. Het college verlaagt het uitkeringsbedrag

  • 1.

    in de eerstvolgende maand of maanden, of

  • 2.

    met terugwerkende kracht, dus in het verleden, door de uitkering opnieuw te bekijken en te beoordelen.

 

Het in de toekomst verlagen van de uitkering is de gemakkelijkste manier. Het college hoeft de bijstand dan niet opnieuw te bekijken en te beoordelen om vervolgens het bedrag van de maatregel terug te eisen. Het college legt de maatregel zo snel mogelijk op (‘lik op stuk’). Een uitkeringsgerechtigde krijgt zo snel mogelijk na het verwijtbare gedrag bericht van het college. Dat kan alleen als het college de uitkering over (dat deel van) de maand nog niet heeft betaald. Wanneer zij de uitkering al heeft betaald, moet een uitkeringsgerechtigde (een deel van) het geld van die uitkering terugbetalen. Dat is niet handig en moeilijk uit te voeren. Het college lost dit op door de maatregel dan op te leggen vanaf de eerste dag van de volgende maand.

 

Tweede en derde lid

Het college kan beslissen om de maatregel op te leggen op de bijzondere bijstand die iemand ontvangt op grond van artikel 12 van de wet. Dit geldt bijna alleen voor zelfstandig wonende jongeren. Wanneer een maatregel wordt opgelegd op de bijzondere bijstand, is deze net zo hoog en duurt deze net zo lang als de maatregel op de algemene bijstand.

 

Vierde lid

Soms merkt het college maatregelwaardig gedrag pas op nadat de uitkering is gestopt of ingetrokken. Dan kan het college achteraf een maatregel opleggen.

 

Vijfde lid

Soms is er op het moment dat iemand een aanvraag indient al sprake van maatregelwaardig gedrag. Bijvoorbeeld omdat iemand uit eigen beweging zijn werk heeft opgezegd. In die gevallen kan de gemeente al direct bij de start van de uitkering een maatregel opleggen

 

Zesde lid

Soms kan het college een maatregel niet uitvoeren omdat een uitkering is gestopt. Zij kan de maatregel dan alsnog opleggen. Dat kan wanneer een uitkeringsgerechtigde binnen een jaar opnieuw bijstand ontvangt. Hij ontvangt dan een brief waarin staat dat hij alsnog een maatregel opgelegd kan krijgen. Het daadwerkelijke besluit voor zo’n maatregel neemt het college pas wanneer een uitkeringsgerechtigde opnieuw bijstand aanvraagt.

 

Zevende lid

Soms kan het college een maatregel niet uitvoeren omdat het bedrag aan bijstand te laag is. Bijvoorbeeld wanneer de uitkering een aanvulling is op andere inkomsten, zoals alimentatie. Het college kan dan besluiten om de maatregel over verschillende maanden te verdelen. Hiermee voorkomt zij dat er rechtsongelijkheid ontstaat.

 

Achtste lid

Het college kan soms een maatregel voor langer dan drie maanden opleggen. Zij moet de maatregel dan na die drie maanden opnieuw beoordelen. Dat staat in artikel 18, derde lid Participatiewet. Een officieel besluit is daarbij niet nodig. Het college hoeft niet alle feiten en omstandigheden opnieuw te bekijken, maar alleen of het redelijk is dat de maatregel voortduurt. Daarbij kan zij rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde, maar ook of diegene zich wel aan zijn verplichtingen houdt.

 

Artikel 8 Samenloop van gedragingen

 

Een uitkeringsgerechtigde kan op min of meer hetzelfde moment op verschillende manieren de regels overtreden. Dan geldt de regeling voor samenloop. Overtreedt een uitkeringsgerechtigde tegelijk verschillende regels of verplichtingen door hetzelfde gedrag? Dan geldt het gedrag waarvoor de zwaarste maatregel geldt

 

Hoofdstuk 2: De niet-geüniformeerde verplichtingen

 

Artikel 9: Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en tegenprestatie.

 

De wet heeft een aantal verplichtingen vastgesteld waaraan de betrokkene moet voldoen. Deze verplichtingen inclusief de wettelijk vastgestelde maatregel (de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen) zijn beschreven in artikel 11 van deze verordening. Dit artikel betreft de overige verplichtingen. De verplichtingen in dit artikel zijn de zgn. niet-geüniformeerde verplichtingen welke deels zijn afgeleid uit de wet en deels door de gemeente zelf worden opgelegd.

 

Werkt een uitkeringsgerechtigde niet of niet genoeg mee aan het aan het werk gaan of blijven? Het (maatregelwaardig) gedrag dat daarbij hoort, verdeelt de Raad in twee categorieën. De zwaarte van het gedrag bepaalt in welke categorie een uitkeringsgerechtigde valt. Hoe meer het gedrag bijdraagt aan het niet aan het werk gaan of blijven, hoe zwaarder de categorie.

Bij het opleggen van verplichtingen en maatregelen houdt het college zo veel mogelijk rekening met de persoonlijke situatie van een uitkeringsgerechtigde.

 

Categorie 1,

Deze categorie omvat de volgende verplichtingen:

  • 1.

    de formele, officiële verplichting voor uitkeringsgerechtigden om zich in te schrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf. En ook om de inschrijving op tijd te verlengen.

  • 2.

    een uitkeringsgerechtigde moet meewerken aan een onderzoek om zijn / haar mogelijkheden te onderzoeken om (weer) aan het werk te gaan.

  • 3.

    een uitkeringsgerechtigde moet zich ook houden aan de regels over ziek- en betermelding. Het college en de re-integratiepartners informeren een uitkeringsgerechtigde op verschillende momenten over deze regels. Het niet komen opdagen bij afspraken valt onder categorie 1.

  • 4.

    voor jongeren geldt als specifieke bepaling dat een Plan van Aanpak wordt opgemaakt. Cliënt moet meewerken aan het opstellen hiervan. Maar ook het evalueren en het uitvoeren van het plan.

  • 5.

    voor personen tot 27 jaar geldt sinds 1 januari 2012 een ‘zoekperiode’ van vier weken. Dit houdt in dat hij pas na vier weken aanspraak kan maken op ondersteuning en/of een uitkering ; het college registreert daarom de datum van melding. Tijdens deze zoekperiode moet de jongere:

    • 1.

      aantoonbaar op zoek gaan naar werk;

    • 2.

      aantoonbaar onderzoeken wat zijn mogelijkheden zijn voor het volgen van onderwijs.

Heeft de jongere zich in deze zoekperiode niet ingespannen, dan wordt de aanvraag om een uitkering niet in behandeling genomen en start een nieuwe zoekperiode.. Heeft de jongeren bijna alles , maar onvoldoende gedaan, dan kan wel een uitkering worden verstrekt, maar met een maatregel.

  • 1.

    een cliënt moet zijn best doen om aan het werk te gaan. Doet hij dat niet voldoende? Dit is gedrag dat past binnen deze categorie.

  • 2.

    het onvoldoende of onbehoorlijk meewerken aan de door het college opgedragen tegenprestatie wordt gerekend tot deze, eerste categorie.

  • 3.

    uitkeringsgerechtigden moeten op tijd op een afspraak komen. Bijvoorbeeld om te zien of de bijstand nog van toepassing is, of om te zien of hij genoeg doet om (weer) aan het werk te gaan. Dit geldt voor alle afspraken of oproepen die het college en haar partners doen voor het uitvoeren van deze wet. Komt een uitkeringsgerechtigde niet op een afspraak? Dan is dit maatregelwaardig gedrag dat valt onder categorie 1.

Dit geldt ook voor afspraken die het college maakt met de cliënt om op een bepaald moment contact op te nemen met de gemeente. Dit kan mondeling aan de balie, maar ook schriftelijk of telefonisch. Ook dit soort gevallen wordt aangemerkt als een vorm van “het niet nakomen van afspraken”. Het verwijtbaar niet voldoen aan deze afspraken wordt gezien als maatregelwaardig gedrag binnen categorie 1.

  • 1.

    artikel 9, eerste lid onder b schrijft voor dat de betrokkene gebruik moet maken van voorzieningen die door het college worden aangeboden, zoals sociale activering, onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling of scholing. Doet de cliënt dit niet dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag volgens categorie 1.

  • 2.

    het college kan ook als bijzondere verplichting opleggen dat de cliënt zich onder medische behandeling stelt. Dit is geregeld in artikel 55 van de wet.

  • 3.

    bij uitkeringsaanvragen geldt een inspanningsperiode van 4 weken. Gedurende deze inspanningsperiode, direct na de aanvraag wordt de aanvrager enkele specifieke verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en de mogelijkheden van de aanvrager. De verplichtingen zijn gericht op een zo snel mogelijke werkaanvaarding en/of het vergroten van de mogelijkheden tot participatie. Immers, vanaf het moment dat een belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen zijn direct alle verplichtingen op hem van toepassing.

  • 4.

    de verplichtingen legt het college (in samenspraak met de belanghebbende) vast in een overeenkomst die door beide partijen (ten minste voor gezien) wordt ondertekend. De verplichtingen die worden opgelegd zijn een onderdeel van de in de wet opgenomen meewerkingsplicht en de re-integratieplicht. Het onvoldoende nakomen van deze verplichtingen wordt gerekend tot deze eerste categorie.

 

Categorie 2

In categorie 1 werd bij een aantal verplichtingen gesproken over het onvoldoende nakomen van de verplichting. In categorie 2 worden enkele gedragingen benoemd waarin de betrokkene geheel niet zijn verplichtingen nakomt. Dit zijn:

  • 1.

    het niet proberen algemeen geaccepteerd werk te vinden (voor zover dit niet past in artikel 11);

  • 2.

    het geheel niet voldoen aan het verrichten van een tegenprestatie.;

  • 3.

    direct na de melding om een aanvraag krijgt de betrokkene een aantal specifieke verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen zijn primair gericht op een zo snel mogelijke arbeidsinschakeling, zoals het inschrijven bij een of meerdere uitzendbureaus , het bijwerken van het CV, het verrichten van een aantal sollicitaties etc. Als de betrokkene hierin onvoldoende doet, dan is de eerste categorie van toepassing. Doet de betrokkene niets, dan is er sprake van de tweede categorie.

  • 4.

    in principe heeft de jongere geen recht op een uitkering als hij regulier onderwijs kan volgen. Toch zijn er situaties dat de jongere verwijtbaar niet deelneemt aan het onderwijs, terwijl het niet wenselijk is om de jongeren een uitkering te weigeren. In deze situaties legt het college dan een maatregel op.

 

Artikel 10 Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van de niet- geüniformeerde verplichtingen

 

In artikel 9 is beschreven dat de gemeente nog maar twee categorieën heeft van maatregelwaardig gedrag bij de zgn. niet-geüniformeerde verplichtingen. De standaard maatregel is als volgt vastgesteld:

  • 1.

    voor gedragingen vallend in de eerste categorie is dit 30% van de bijstandsnorm;

  • 2.

    voor gedragingen zoals bedoeld in de tweede categorie is dit 100% van de bijstandsnorm.

 

Niet in alle gevallen hebben maatregelen het gewenste effect. Soms gaat de betrokkene door met het maatregelwaardig gedrag, of doet hij het na korte tijd weer. Dan is er sprake van recidive. In die gevallen wordt opnieuw, maar dan wel een zwaardere maatregel opgelegd.

 

Voor gedragingen uit de eerste categorie is dit 100% gedurende één maand. Voor gedragingen in de tweede categorie is dit 100% gedurende 2 maanden.

 

Is er daarna weer sprake van recidive? Dan wordt de maatregel weer zwaarder. Oplopend tot 3 maanden 100% van de bijstandsnorm.

 

Hoofdstuk 3: De geüniformeerde verplichtingen

 

Artikel 11 Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.

 

De regering heeft er voor gekozen een aantal verplichtingen, met de bijbehorende maatregel op te nemen in de wet. Deze staan in artikel 18, vierde lid van de wet. Deze verplichtingen, die de geüniformeerde verplichtingen worden genoemd, zijn deels bekend, maar deels ook nieuw.

 

Deze verplichtingen hebben allemaal te maken met de arbeids- en re-integratieplicht. Deze verplichtingen betreffen:

  • 1.

    het behouden en aanvaarden van werk,

  • 2.

    het ingeschreven staan bij een uitzendbureau,

  • 3.

    als men gaat verhuizen naar een andere gemeente eerst proberen werk te vinden in de nieuwe gemeente,

  • 4.

    voor het verkrijgen van werk wordt een reistijd van 3 uur per dag acceptabel geacht,

  • 5.

    bereid te zijn te verhuizen naar een andere gemeente als iemand daar werk kan krijgen,

  • 6.

    het behouden van kennis en vaardigheden,

  • 7.

    je zodanig te kleden en te gedragen zodat dit geen belemmering is voor het verkrijgen van werk,

  • 8.

    het gebruik maken van een voorziening.

 

Tweede lid

Als de uitkeringsgerechtigde één van deze verplichting niet nakomt dan moet het college een maatregel opleggen. De hoogte van de maatregel is 100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand. Dit staat in artikel 18, vijfde lid van de wet. Het is mogelijk deze maatregel te spreiden over een periode van drie maanden. Dit doen we alleen als er zwaarwegende redenen zijn om de maatregel niet in 1 keer uit te voeren.

 

Derde tot en met vijfde lid

Ook in deze gevallen is het mogelijk dat de uitkeringsgerechtigde blijft volhouden in zijn maatregelwaardig gedrag. In het derde tot en met het vijfde lid staat hoe het college in deze gevallen handelt. Ook deze bepalingen komen uit de wet (artikel 18, lid 6 tot en met 8 van de Participatiewet).

 

Zesde en zevende lid

De uitkeringsgerechtigde die op basis van dit artikel een maatregel kreeg, kan als hij ondubbelzinnig aantoont, en laat blijken uit zijn houding en gedrag daarna wel de geüniformeerde arbeidsverplichtingen na te komen, kan het college verzoeken de maatregel te herzien. Het college is bereid hier aan te voldoen. In het zevende lid is vastgelegd dat het college dat niet doet in de eerste maand van de opgelegde maatregel. Dat betekent dat een herzieningsverzoek pas aan de orde zal zijn bij een recidive.

 

Hoofdstuk 4: Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

 

Artikel 12 Ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid

 

Als een uitkeringsgerechtigde of een gezin een uitkering krijgt, moet duidelijk zijn dat hij voldoende verantwoordelijkheidsbesef toont. Maar ook voordat een uitkering wordt moet iemand voldoende verantwoordelijkheidsbesef hebben. hebben getoond. Dat dit niet voldoende is, kan onder meer blijken uit:

  • 1.

    geen of een te late aanvraag doen voor een andere uitkering of regeling die extra of hoge kosten vergoedt (voorliggende voorziening);

  • 2.

    onverantwoordelijk omgaan met spaargeld;

  • 3.

    het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van inkomsten, zoals het eisen van de maximale alimentatie.

 

Als een uitkeringsgerechtigde onvoldoende besef heeft van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de kosten van bestaan, en daarmee de kosten van zijn bestaan afwendt op de bijstand dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag.

 

Tweede lid

Doet de betrokkene eerder een beroep op bijstand, omdat hij door eigen toedoen geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, dan wordt een maatregel opgelegd van 100% van de norm gedurende 1 maand. De betrokkene doet dan immers eerder dan nodig een aanvraag om bijstand. Indien binnen een periode van 12 maanden belanghebbende dezelfde weer/nog niet nakomt wordt de maatregel verdubbeld.

 

Derde lid

De fraudewet verplicht gemeenten en veel andere uitvoeringsorganisatie bij fraude een bestuurlijke boete op te leggen. Als de betrokkene om die reden onvoldoende geld heeft, en om die reden een beroep doet op bijstand, wordt dit ook aangemerkt als een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Ook in deze gevallen worden een maatregel opgelegd van 100% gedurende 1 maand.

 

Vierde en Vijfde lid

In sommige gevallenweet iemand met spaargeld dat hij in de nabije toekomst een beroep zal moeten doen op een uitkering. Betrokkene moet dit zo lang mogelijk uitstellen. De gemeente hanteert hiervoor bepaalde regels. Maakt de betrokkene zijn geld toch eerder op, en is dit naar het oordeel van de gemeente op een onverantwoorde manier gebeurd, dan legt de gemeente een maatregel op. De hoogte van de maatregel is gebaseerd op het bedrag dat de betrokkene naar het oordeel van het college te snel heeft ingeteerd.

 

Zesde lid

Ook bij deze maatregel geldt een recidivebepaling. Als de betrokkene binnen een periode van 12 maanden opnieuw het zelfde maatregelwaardig gedrag laat zien, dan wordt een zwaardere maatregel opgelegd.

 

Artikel 13: Inburgeringsplicht

 

Een uitkeringsgerechtigde is soms volgens de wet niet officieel inburgeringsplichtig, maar inburgeringsbehoeftig. Dat betekent dat een uitkeringsgerechtigde niet verplicht is om in te burgeren. Is iemand niet inburgeringsplichtig, maar inburgeringsbehoeftig, en zijn hier duidelijke afspraken over gemaakt in het re-integratieplan, dan is de uitkeringsgerechtigde toch verplicht zich aan de afspraken te houden. Houdt hij zich daar niet aan? Dan krijgt hij een maatregel opgelegd.

Om rechtsongelijkheid te voorkomen wordt met deze verordening de op te leggen maatregel net zo hoog als de boete bij mensen die inburgeringsplichtig zijn, maar geen uitkering ontvangen. De maatregel is in dit geval geen percentage van de uitkering, maar een vast bedrag. De hoogte van de boete regelt de gemeente in een andere verordening.

 

Artikel 14: Bijzondere verplichting op grond van artikel 57 Participatiewet

 

In artikel 57 van de wet staat dat wanneer een uitkeringsgerechtigde of een gezin een uitkering ontvangt, het college hem kan verplichten om mee te doen aan budgetbeheer. Het college kan ook namens een uitkeringsgerechtigde bepaalde betalingen (bijvoorbeeld voor de vaste lasten) doen, als zij denkt dat hij dat zelf niet kan. Als een uitkeringsgerechtigde of gezin weigert mee te werken, kan het college een maatregel opleggen.

De hoogte van de maatregel is 30% gedurende 1 maand.

 

In het tweede lid van dit artikel staat een bepaling voor het geval de betrokkene binnen 12 maanden weer niet meewerkt.

 

Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen

 

Eerste lid

Het college verstaat onder zeer ernstige misdragingen diverse soorten agressief gedrag. Het moet gaan om verwijtbaar gedrag of opzet, en gedrag dat normaal gesproken als onacceptabel gezien wordt.

 

Het college kan een maatregel opleggen, als er een verband is tussen het ernstige gedrag en eventuele belemmering bij het uitvoeren van de wet. Daarom staat er in dit artikel dat het zeer ernstige gedrag rechtstreeks verband moeten houden met de uitvoering van de wet.

 

Artikel 9, zesde lid van de wet heeft het over ‘het zich jegens het met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties. Dit gaat verder dan onder de WWB. Toen gold deze bepaling alleen voor (zeer) agressief gedrag tegenover medewerkers van het college (de gemeente) .

 

Stelt het college een maatregel vast wanneer een uitkeringsgerechtigde of een van zijn gezinsleden zich ernstig heeft misdragen? Dan moet zij daarbij rekening houden met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde of het gezin.

 

Voor het vaststellen van de ernst van het gedrag is een indeling gemaakt, waarbij 1 het minst ernstig is en 6 het ernstigst:

  • 1.

    verbaal geweld (schelden);

  • 2.

    discriminatie;

  • 3.

    intimidatie (uitoefenen van psychische druk, dreigen);

  • 4.

    zaakgericht fysiek geweld (vernielingen, kapot maken van spullen);

  • 5.

    mensgericht fysiek geweld (slaan, schoppen);

  • 6.

    een combinatie van deze agressievormen.

 

Om te zien hoe verwijtbaar het gedrag is, kijkt het college naar de omstandigheden op het moment van het gedrag. Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen ‘instrumenteel geweld’ en ‘frustratiegeweld’. Instrumenteel geweld is wanneer een uitkeringsgerechtigde het geweld met opzet gebruikt om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld een uitkering ontvangen. Frustratiegeweld is geweld dat een uitkeringsgerechtigde gebruikt door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke. De mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld is groter is dan bij frustratiegeweld.

 

Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, en de functionaris tegen wie de agressie zich richtte, kan aangifte doen bij de politie.

 

Het opleggen van een maatregel in deze situaties kan samengaan met een toegangsverbod voor gebouwen van de gemeente.

 

De maatregel bedraagt in deze gevallen ten minste 30% van de uitkeringsnorm.

 

Tweede en derde lid

In lid twee en drie staat welke maatregel een uitkeringsgerechtigde krijgt wanneer hij zich binnen twaalf maanden opnieuw ernstig misdraagt.

 

Hoofdstuk 5: Handhavingsbeleid

 

Artikel 16: Handhavingsbeleid

 

In artikel 8 van de wet staat dat de gemeenteraad verplicht is om in een verordening regels vast te stellen om te voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde of gezin ten onrechte bijstand ontvangt. Dit kan met een aparte verordening. De gemeenteraad van Delft heeft deze regels opgenomen in deze maatregelenverordening, omdat die ook al over maatregelen bij fraude spreekt.

 

In de verordening staat dat het college bij fraude het totale benadelingsbedrag opeist van een uitkeringsgerechtigde.

 

Het vierde en vijfde lid gaan over eventueel nieuw beleid en nieuwe regels. In de toekomst kan het college bij fraudevorderingen rente en kosten berekenen. Een fraudevordering is geld dat een uitkeringsgerechtigde moet terugbetalen omdat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Het college zal hier later regels voor opstellen.

 

Artikel 17 en 18:

 

In uitzonderlijke gevallen kan het college(of een ambtenaar die daarvoor een mandaat heeft) een afwijkend besluit nemen.

 

 

 

Artikel 19: Overgangsrecht

 

Deze maatregelenverordening is anders dan de vorige. Bijvoorbeeld de hoogte van de maatregel. Voor een aantal gedragingen is de zwaarte van de maatregel aangepast. Bovendien zijn er nieuwe verplichtingen waar de uitkeringsgerechtigde zich aan moet houden.

Daarom moet het college goed bekijken welke regel van toepassing is. Bovendien moet zij verwarring proberen te voorkomen. Het moment van verwijtbaar gedrag is leidend bij de vraag welke regels van toepassing zijn.

 

Eerste lid

Begon het maatregelwaardige gedrag vὸὸr het ingaan van deze verordening en bestond het nog toen deze verordening inging? Dan geldt voor het eerste besluit en voor een beslissing op bezwaar dat het college deze toetst aan deze nieuwe verordening.

 

Tweede lid

Om de rechtszekerheid te borgen, staat in het tweede lid dat het college in sommige gevallen een vergelijking tussen de oude en de nieuwe verordening moet maken. Een uitkeringsgerechtigde mag immers niet de dupe zijn van zwaardere regels in de nieuwe verordening, als hij niet eerder van de nieuwe regels op de hoogte was. Het college moet daarom de hoogte van de maatregel verminderen tot het bedrag of percentage dat staat in de oude verordening. Dit geldt alleen wanneer een uitkeringsgerechtigde voor het maatregelwaardige gedrag onder de nieuwe verordening een hogere maatregel zou krijgen.

 

Artikel 20 en 21:

 

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting