Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Rotterdam

Leidingenverordening Rotterdam 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Rotterdam
Officiële naam regelingLeidingenverordening Rotterdam 2015
CiteertitelLeidingenverordening Rotterdam 2015
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Vastgesteld in openbare vergadering van 7 en 9 juli 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Gemeentewet, art. 154
  3. Gemeentewet, art. 156

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-08-2015Nieuwe regeling

07-07-2015

gmb-2015-66716

15bb3796; raadsstuk 15bb5758

Tekst van de regeling

Intitulé

Leidingenverordening Rotterdam 2015

De Raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 juni 2015 (kenmerk 15bb3796); raadsstuk 15bb5758;

overwegende dat:

  • -

    de ondergrondse infrastructuur aan kabels en leidingen van onmisbaar belang is voor het functioneren van de stad en haven;

  • -

    met deze kabels en leidingen ook grote andere belangen zijn gemoeid zoals milieu, veiligheid en (ondergrondse) ordening;

  • -

    daarom een specifiek op deze kabels en leidingen gerichte verordening noodzakelijk is;

  • -

    het daarbij efficient is de vigerende Aansluitverordening riolering 2012 te integreren in deze verordening;

gelet op de artikelen 149, 154 en 156 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen:

Leidingenverordening Rotterdam 2015.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

  • b.

    havengebied: gebied dat door de gemeente Rotterdam economisch is ingebracht in de onderneming van Havenbedrijf Rotterdam N.V. of in erfpacht is uitgegeven aan of in beheer is van Havenbedrijf Rotterdam N.V. binnen de gemeentegrens van Rotterdam;

  • c.

    kunstwerken: bruggen, tunnels, viaducten en specifiek voor de geleiding van een leiding aangebrachte infrastructuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan leidingentunnels en leidingenviaducten, en in infrastructuur aanwezige voorzieningen ten behoeve van de geleiding van leidingen;

  • d.

    leiding: buis bestemd voor het transport van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen, of een kabel, gelegen in, op of boven de grond, met uitzondering van bovengrondse hoogspanningskabels, of in kunstwerken, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals transformatorstations, mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten;

  • e.

    leidingexploitant: de (rechts)persoon onder wiens verantwoordelijkheid een leiding wordt aangelegd, beheerd of geëxploiteerd, waaronder tevens wordt begrepen de (rechts)persoon die een vergunning voor het aanleggen van een leiding heeft aangevraagd;

  • f.

    ondergrondse obstakels: bodemverontreiniging, materialen, objecten en stoffen die nadelige beïnvloeding van de staat van een aan te leggen of gelegde leiding tot gevolg hebben of kunnen hebben;

  • g.

    openbare ruimte: alle voor het publiek openbare, al dan niet met enige beperking, toegankelijke plaatsen binnen de gemeente Rotterdam, inclusief de daarin gelegen kunstwerken;

  • h.

    Stadsbeheer: cluster Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze verordening is van toepassing op de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van leidingen in de openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied.

  • 2. Deze verordening is niet van toepassing op kabels, bedoeld in de Telecommunicatiewet en op leidingen, die onderdeel zijn van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer of deel uitmaken van drukapparatuur als bedoeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur.

Artikel 3 Handboek Leidingen

Het college stelt ter uitvoering van deze verordening een Handboek Leidingen vast waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen betreffende de veiligheid, het ontwerp, het beheer, de aanleg, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van leidingen, alsmede bepalingen met betrekking tot het aansluiten op de openbare riolering.

Artikel 4 Vergunningenstelsel

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning leidingen in, op of boven de openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied:

    • a.

      aan te leggen of te houden;

    • b.

      te onderhouden of te exploiteren, of

    • c.

      te verwijderen.

  • 2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning bestaande leidingen:

    • a.

      te wijzigen;

    • b.

      te verplaatsen;

    • c.

      een andere functie te geven dan die in de vergunning is omschreven.

Artikel 5 Vergunning- en meldingprocedure

  • 1. Een vergunning wordt door het college op aanvraag aan de leidingexploitant verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • 2. De aanvraag voor een vergunning wordt ingediend bij Stadsbeheer door middel van een daartoe vastgesteld (digitaal) formulier.

  • 3. Het college stelt in het Handboek Leidingen vast welke gegevens en documenten voor de beoordeling van de aanvraag benodigd zijn.

  • 4. In geval van werkzaamheden aan bestaande leidingen over een maximale lengte van 25 meter en het maken van huisaansluitingen met een maximale lengte van 25 meter in de openbare ruimte, geldt een ten opzichte van de vorige leden verkorte procedure. Het college verleent voor de beoogde werkzaamheden toestemming indien ten minste vier werkdagen voorafgaande aan de werkzaamheden door de leidingexploitant melding is gedaan door middel van een door het college vastgesteld (digitaal) formulier. Aan de toestemming kunnen door het college voorwaarden worden gesteld. Artikel 8, tweede lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op:

    • -

      het havengebied;

    • -

      hoogspanningskabels;

    • -

      stadsverwarmingsleidingen;

    • -

      hoge druk gasleidingen;

    • -

      bouwaansluitingen;

    • -

      huisaansluitingen met een diameter groter dan 160 mm;

    • -

      aansluitingen op gemeentelijke riolering.

  • 6. Bij storingen, waarvoor uitstel van de reparatie niet mogelijk is of wanneer de storing buiten de normale werktijden plaatsvindt, geschiedt de melding, bedoeld in het vierde lid, bij het college bij aanvang van de werkzaamheden met het in lid twee genoemde (digitale) formulier.

Artikel 6 Karakter van de vergunning

  • 1. Een voor een leiding verleende vergunning is aan die leiding gebonden. De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

  • 2. Indien de leiding waarvoor een vergunning is verleend wordt overgedragen of de leidingexploitant in een andere rechtsvorm wordt omgezet, melden de oude en de nieuwe leidingexploitant respectievelijk meldt de nieuwe rechtspersoon dit onverwijld aan Stadsbeheer.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college in de vergunning bepalen dat de vergunning slechts geldt voor de leidingexploitant.

  • 4. Een krachtens deze verordening verleende vergunning geldt, voor zover van toepassing, tevens als een vergunning op grond van artikel 2:10 of 2:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam, tenzij sprake is van een vergunning gebaseerd op de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht.

Artikel 7 Beslistermijn

  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan eenmalig met acht weken worden verlengd.

  • 3. Het college houdt een beslissing op de aanvraag voor een vergunning aan, indien voor de aanleg, verplaatsing of verwijdering van de leiding tevens een (andere) vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 en/of de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht vereist is en er geen grond is om de vergunning te weigeren, tenzij:

    • a.

      de betreffende vergunning is afgegeven en zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend dan wel

    • b.

      een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist.

  • 4. De vergunning wordt in ieder geval niet verleend indien niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 8 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden.

  • 2. De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      de bescherming van de openbare orde;

    • b.

      de bescherming van de bodem;

    • c.

      de bescherming van de volksgezondheid;

    • d.

      de voorkoming van gevaar, schade of hinder;

    • e.

      de verkeersveiligheid en goede doorstroming van het verkeer;

    • f.

      het verschaffen van nadere informatie;

    • g.

      de bescherming en ongestoorde exploitatie van naburige leidingen;

    • h.

      de afstemming met andere werken;

    • i.

      de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd;

    • j.

      het behoud van de integriteit van de leiding;

    • k.

      de bepaling van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de leiding mogen of moeten beginnen;

    • l.

      de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend;

    • m.

      het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding;

    • n.

      de voorwaarden waaronder afwijking van het werkplan of het tijdschema is toegestaan;

    • o.

      de bepaling van onderhoudsverplichtingen;

    • p.

      het tracé waar de leiding moet worden gelegd en gehouden;

    • q.

      de bescherming van het historisch en archeologisch erfgoed.

Artikel 9 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden

  • 1. De geldigheid van een verleende vergunning komt van rechtswege te vervallen indien de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning is aangevangen met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning, tenzij het college hiervan uitdrukkelijk afwijkt in het besluit tot toekenning van de vergunning.

  • 2. Het college kan de vergunning, onverminderd het bepaalde in artikel 8, derde lid, wijzigen of intrekken, indien:

    • a.

      de leidingexploitant de exploitatie en/of het onderhoud van de leiding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vierentwintig maanden staakt dan wel de leiding anderszins gedurende een periode van ten minste vierentwintig maanden niet in gebruik is en/of niet onderhouden;

    • b.

      blijkt dat de vergunning op basis van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend;

    • c.

      de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;

    • d.

      de leidingexploitant het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft;

    • e.

      na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;

    • f.

      dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken.

  • 3. Het college kan een verleende vergunning wijzigen met het oog op de belangen bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Artikel 10 Intrekking vergunning op verzoek

  • 1. Het college trekt de vergunning in indien de leidingexploitant schriftelijk aan Stadsbeheer verklaart van de vergunning geen gebruik meer te willen maken.

  • 2. De (rechts)persoon die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als leidingexploitant, tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere (rechts)persoon, in welk geval laatstgenoemde (rechts)persoon als leidingexploitant wordt beschouwd, met dien verstande dat laatstgenoemde (rechts)persoon het bewijs van de overdracht kan leveren.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt in geval van een persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 6, derde lid, de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd tot het moment dathij schriftelijk aan Stadsbeheer verklaart van de vergunning geen gebruik meer te willen maken, de exploitatie van de leiding staakt en de leiding verwijderd is.

  • 4. Het college kan met het oog op de belangen bedoeld in artikel 8, tweede lid, aan het besluit bedoeld in het eerste lid voorschriften en beperkingen verbinden.

Artikel 11 Indienen documenten, termijn voltooiing

  • 1. Het college kan de leidingexploitant verplichten binnen een door het college vast te stellen termijn na verlening van de vergunning en voor de beoogde aanvang van de feitelijke werkzaamheden voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de leiding bij Stadsbeheer overeenkomstig het Handboek Leidingen, documenten in te dienen.

  • 2. De leidingexploitant voltooit de werkzaamheden met betrekking tot de aanleg, wijziging of verwijdering binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

Artikel 12 Inmeten, Schaderegeling Ingravingen Rotterdam

  • 1. De leidingexploitant stelt Stadsbeheer in de gelegenheid op werkdagen de gelegde leiding in te meten.

  • 2. De leidingexploitant draagt ervoor zorg dat het leidingtracé na afloop van het werk in de oorspronkelijke, dan wel in de vergunning omschreven staat wordt opgeleverd.

  • 3. Indien door de leidingexploitant werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van die openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de leidingexploitant in rekening conform de vigerende Schaderegeling Ingravingen Rotterdam.

Artikel 13 Ondergrondse obstakels

  • 1. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ondergrondse obstakels worden aangetroffen, meldt de leidingexploitant dit onverwijld aan Stadsbeheer.

  • 2. Het college kan bij gebleken ondergrondse obstakels in of nabij het tracé van de leiding aan de leidingexploitant maatregelen opdragen ter bescherming van de belangen waartoe deze verordening strekt en opschorting van de werkzaamheden gelasten. De kosten van de te nemen maatregelen komen ten laste van de leidingexploitant.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde opschorting wordt eerst gelast, indien:

    • a.

      is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan de door het college aan de leidingexploitant opgedragen maatregelen, of

    • b.

      naar het oordeel van het college maatregelen als bedoeld onder a. niet mogelijk zijn.

Artikel 14 Ter beschikking stellen tekeningen

Het college kan de leidingexploitant verplichten na de voltooiing van het werk tekeningen, waaruit de feitelijke situatie na de uitvoering van de werkzaamheden blijkt, om niet aan Stadsbeheer ter beschikking te stellen.

Artikel 15 Integriteit van leiding door onderhoud

  • 1. De leidingexploitant is verplicht, met inachtneming van het Handboek Leidingen, zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van de leiding.

  • 2. Het college kan de leidingexploitant verplichten periodiek aan Stadsbeheer een door een onafhankelijk en deskundig bureau opgesteld rapport te verstrekken, waarin wordt aangetoond dat de leiding voldoet aan de beperkingen en voorschriften waaronder de vergunning is verleend.

  • 3. Indien naar het oordeel van het college een leiding onvoldoende is onderhouden, zendt het college een aanzegging naar de leidingexploitant. De leidingexploitant meldt binnen de in de aanzegging bepaalde termijn op welke wijze en binnen welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden verricht.

  • 4. Indien voor het verrichten van onderhoud aan de leiding graafwerkzaamheden in de openbare ruimte worden verricht zijn de artikelen 11 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16 Grondslag Verlegregeling Rotterdam

Indien blijkt dat een leidingexploitant als gevolg van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 9, onderdeel f, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend en waarvan een vergoeding niet of niet voldoende is verzekerd, kent het college aan hem een vergoeding toe met inachtneming van de Verlegregeling Rotterdam.

Artikel 17 Meldingsplicht, onderzoek, opschorting exploitatie

  • 1. De leidingexploitant is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk conform de procedures als bedoeld

  • 2. in het Handboek Leidingen te melden en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.

  • 3. Het college kan de leidingexploitant opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat van verontreiniging, gevaar of hinder, ontstaan bij de exploitatie van de leiding.

  • 4. Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van de leiding opschorting gelasten van de exploitatie van de betreffende leiding en, indien sprake is van een vergrote kans op verontreiniging, gevaar of hinder door belendende leidingen, van laatstgenoemde leidingen.

Artikel 18 Termijn voor verwijdering

  • 1. De leidingexploitant is verplicht na het verlopen, opzeggen of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning de leiding binnen een door het college te bepalen termijn te verwijderen.

  • 2. De artikelen 4, 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de verwijderingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 19 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

Artikel 20 Termijn evaluatie

Het college zendt binnen tien jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens na vijf jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening.

Artikel 21 Overgangsregeling

  • 1. Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning krachtens deze verordening.

  • 2. Indien het college van oordeel is dat een schriftelijke toestemming dan wel reeds verleende vergunning als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan het college de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen de leidingexploitant het college nadere informatie over de leiding dient te verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen, bij gebreke waarvan de schriftelijke toestemming bij een door het college te bepalen tijdstip komt te vervallen.

  • 3. De aanvragen tot aanleg, wijziging, verplaatsing of verwijdering van een aansluiting van een particulier riool op de openbare riolering, die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, vallen onder de bepalingen van deze verordening.

Artikel 22 Strafbaarheid

Overtreding van de artikelen 4, 5, vierde lid, 6, tweede lid, 11, tweede lid, 12, eerste en tweede lid, 13, eerste en tweede lid, 15 en 17, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de dag van publicatie in het Gemeenteblad.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Leidingenverordening Rotterdam 2015.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 en 9 juli 2015.

De griffier, J.M. van Midden, wnd.

De voorzitter, A. Aboutaleb

TOELICHTING BIJ DE LEIDINGENVERORDENING ROTTERDAM 2015

Algemeen

Het transport via ondergrondse leidingen heeft de afgelopen decennia een hoge vlucht genomen. De relatief lage transportkosten en aanzienlijke voordelen ten opzichte van de overige vervoersmodaliteiten hebben ertoe geleid dat veel bedrijven hebben geïnvesteerd in het ondergrondse transport. In de gemeente Rotterdam is dan ook een zeer uitgebreid netwerk aan ondergrondse leidingen (kabels en buizen) ontstaan. Niet alleen vindt (vooral in de stad) de levering van drinkwater en energie en de telecommunicatie grotendeels via ondergrondse leidingen plaats. Ook bevindt zich binnen de grenzen van de gemeente Rotterdam (vooral in het havengebied) één van de grootste concentraties van (petro-) chemische en olie-industrieën ter wereld. Vele bedrijven vervoeren grote hoeveelheden verschillende stoffen via een netwerk van buisleidingen.

In de voorliggende verordening is de Aansluitverordening riolering 2012 opgenomen. De inzameling en transport van afvalwater is een taak van de gemeente. Voor het uitvoeren van deze taak heeft de gemeente rioolstelsels aangelegd en zorgt de gemeente voor het beheer van de openbare riolering. De openbare riolering is in eigendom en beheer bij de gemeente. Indien de openbare riolering op particulier terrein ligt, is er doorgaans een zakelijk recht op gevestigd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij pompputten en persleidingen in het buitengebied. Aansluitingen van derden op de openbare riolering zijn in eigendom en beheer van die derden. Door het eenduidig vastleggen van het onderscheid van een particulier en een openbaar/gemeentelijk deel wordt de verdeling van de verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud duidelijk.

Door middel van deze verordening wordt ook het bestaande beleid ten aanzien van het beheer en onderhoud van rioolaansluitingen zoals geformuleerd in het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) geëffectueerd. Deze verordening brengt dus geen wijziging tot stand van het huidige beleid. De particulier blijft verantwoordelijk voor zijn aansluiting op de openbare riolering en de gemeente blijft verantwoordelijk voor de openbare riolering.

Een verzamelleiding maakt in principe deel uit van de openbare riolering, mits de verzamelleiding ook in eigendom en beheer is bij de gemeente. In de praktijk komt het echter voor dat een verzamelleiding bijvoorbeeld op grond van een overeenkomst in beheer is bij een particulier. Indien een verzamelleiding in beheer is bij de particulier, valt die verzamelleiding onder de verantwoordelijkheid van de betreffende particulier(en).

Daarnaast heeft deze verordening tot doel het reguleren van aansluitingen op de openbare riolering. De openbare riolering bestaat uit verschillende buizen voor de afvoer van gemengd afvalwater, vuilwater, hemelwater en grondwater. Welke leidingen ter plaatse aanwezig zijn, verschilt van straat tot straat. Om te kunnen beoordelen of de juiste afvalwatersoort op de juiste leiding van de openbare riolering wordt aangesloten, is het verplicht te beschikken over toestemming van de gemeente.

Juridische basis

Het leggen, houden, verwijderen en dergelijke van leidingen wordt door middel van deze verordening publiekrechtelijk vergund. Voor het leggen en houden van telecomkabels is de Telecommunicatieverordening Rotterdam beschikbaar.

Deze verordening is gebaseerd op de artikelen 149, 154 en 156 van de Gemeentewet. Kernartikel van deze verordening is artikel 4: het is verboden in de openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied een leiding aan te leggen, te houden, te exploiteren en te verwijderen zonder een vergunning van het college. Kernpunten van deze verordening en de daaraan gekoppelde vergunningen zijn:

  • de veiligheid van de leidingen;

  • het minimaliseren van risico’s voor milieu en gezondheid van mens en dier;

  • te stellen eisen aan ordening en allocatie van leidingen;

  • te stellen eisen aan exploitatie en onderhoud;

  • te stellen eisen aan wijzigingen van leidingentracé’s en verwijdering van leidingen;

  • het eenduidig vastleggen van de beheerverantwoordelijkheid van de openbare riolering ten opzichte van de daarop aangesloten aansluitingen van derden (particulier riool).

Deze verordening geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ter uitvoering van deze verordening. Deze nadere regels zullen worden neergelegd in het Handboek Leidingen en voornamelijk technische eisen behelzen (met verwijzing naar bijvoorbeeld NEN-normen), alsmede (procesmatige) eisen behelzen waaraan bijvoorbeeld een aanvraag moet voldoen. Deze opzet is gekozen om het college in staat te stellen flexibel te reageren op nieuwe ontwikkelingen op technisch gebied.

In sommige gevallen zullen behalve een vergunning op basis van deze verordening ook vergunningen op grond van andere wettelijke regelingen nodig zijn. Zo laat deze verordening de afgifte van eventuele milieu- en omgevingsvergunningen onverlet. Ook kunnen vergunningen van andere dan de gemeentelijke organisatie nodig zijn, zoals vergunningen op basis van het Algemeen reglement voor de stadsspoorwegen (Metroregelement), vergunningen van waterschappen, etc.

Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op alle leidingen die zich bevinden in de openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied binnen de gemeente Rotterdam. Het begrip ‘openbare ruimte’ moet breed worden opgevat en bevat in beginsel alle ruimten die al dan niet met enige beperking algemeen toegankelijk zijn. Het vergunningenstelsel is uit oogpunt van het publieke belang ook van toepassing op leidingen die in de openbare ruimte van het door de gemeente aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. (hierna: HbR) uitgegeven havengebied worden/zijn aangelegd en geëxploiteerd. Daarnaast is deze verordening, mede uit het oogpunt van het publieke belang, ook van toepassing op het aan de openbare ruimte grenzende gebied, voor zover de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van leidingen in dat gebied invloed kan hebben op de openbare ruimte. Het toepassingsbereik ten aanzien van het aan de openbare ruimte grenzende gebied is dus afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval.

In dit kader wordt opgemerkt dat voor de aanleg, het houden, het onderhoud, de exploitatie en het verwijderen van bodemenergiesystemen, brandputten en dergelijke altijd een vergunning op grond van deze verordening vereist is, ook als deze zich op particulier terrein bevinden. Dergelijke systemen en putten bevinden zich immers in de diepe ondergrond en kunnen daardoor conflicteren met bijvoorbeeld (gestuurde) boringen en andere ondergrondse objecten.

Handhaving

Op het leggen, houden en exploiteren van leidingen wordt toezicht gehouden en wordt zonodig gehandhaafd in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Stadsbeheer heeft daartoe het Leidingenbureau belast met de vergunningverlening en registratie van de vergunde leidingen. Door deze registratie beschikt Rotterdam als een van de weinige gemeenten in Nederland over een vrijwel volledige leidingenverzamelkaart, van groot belang voor het beheer van de ondergrond en in geval van calamiteiten.

Het toezicht op en de handhaving van de naleving bij de uitvoering van deze verordening is in handen van de hiertoe benoemde toezichthouders, respectievelijk de handhavers van Stadsbeheer. Bij overtreding van vergunningvoorwaarden kan de gemeente een last onder dwangsom opleggen.

In dit verband wordt opgemerkt dat de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu belast is met het toezicht op en de handhaving van het Besluit externe veiligheid buisleidingen en dat Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken belast is met het toezicht op en de handhaving van het Besluit veiligheid lage druk gastransport.

Uitvoering en mandatering

De uitvoering van de Leidingenverordening Rotterdam 2015 (LVR) wordt opgedragen aan het cluster Stadsbeheer. Dit cluster zal in naam en onder verantwoordelijkheid van het college de afhandeling van vergunningsaanvragen en vergunningverlening ter hand nemen (mandaat). Voor het havengebied is tevens een rol weggelegd voor Havenbedrijf Rotterdam N.V. waaraan contractueel het beheer en onderhoud van de leidingenstroken in het havengebied is opgedragen. Een goede afstemming tussen Stadsbeheer en Havenbedrijf Rotterdam N.V. is in dit verband essentieel. In het kader van de verzelfstandiging van het Havenbedrijf zijn de bestaande procedureafspraken contractueel vastgelegd. Deze procedureafspraken vormen tevens het uitgangspunt bij de uitvoering van deze verordening.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE LEIDINGENVERORDENING ROTTERDAM 2015

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsomschrijvingen neergelegd. Van belang is op te merken dat in beginsel alle (horizontale maar ook verticale) leidingen in de openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied binnen de gemeente Rotterdam onder de reikwijdte van deze verordening vallen. Ook rioolbuizen, (huis)aansluitingen op de openbare riolering, bodemenergiesystemen en brandputten vallen onder het toepassingsbereik van deze verordening. Voor wat betreft de bodemenergiesystemen wordt tevens verwezen naar de Verordening Bodemenergiesystemen Rotterdam.

Een aantal categorieën leidingen is van de werkingssfeer uitgezonderd. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 2. Het bereik van deze verordening is niet beperkt tot leidingen die in de grond liggen, maar ook leidingen en bijbehorende voorzieningen die (deels) bovengronds liggen, en/of die door of over zogeheten kunstwerken zijn gelegd vallen onder de reikwijdte van deze verordening.

Met kunstwerken wordt bedoeld infrastructuur die voor leidingen is aangelegd om bijvoorbeeld een natuurlijke barrière (zoals een rivier) over te kunnen steken. Hierbij zij gedacht aan leidingentunnels en leidingenviaducten. Ook worden voorzieningen in bestaande infrastructuur (zoals bruggen) in deze verordening als kunstwerken beschouwd. In artikel 2, eerste lid, is de reikwijdte expliciet aangegeven. Bovengrondse hoogspanningskabels zijn uitgezonderd van de definitie van ‘leiding’ en vallen dus niet onder de vergunningplicht van deze verordening.

Met het begrip leidingexploitant wordt in eerste instantie bedoeld de (rechts)persoon in wiens opdracht de leiding wordt aangelegd. Voor het gemak wordt de aanvrager van een vergunning ook als leidingexploitant aangemerkt, hoewel daar feitelijk nog geen sprake van kan zijn (er is immers in geval van nieuwe leidingen nog geen leiding aanwezig). Nadat de leiding is aangelegd, zal de exploitant of beheerder van de leiding worden beschouwd als leidingexploitant. Veelal zal dat degene zijn onder wiens verantwoordelijkheid de leiding is aangelegd, maar dat behoeft niet altijd het geval te zijn. In geval van overdracht van de leiding gelden specifieke regels. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 6.

Het havengebied wordt afzonderlijk gedefinieerd in onderdeel c, omdat in dat gebied een afwijkend (strenger) regime zal worden gehanteerd ten opzichte van het stedelijk gebied. Dit komt met name tot uitdrukking in artikel 5, vierde lid (zie ook de toelichting bij dat artikel).

Artikel 2 Toepassingsbereik

In dit artikel wordt het toepassingsbereik van deze verordening weergegeven.

In de algemene toelichting is reeds ingegaan op het begrip openbare ruimte en het daaraan grenzende gebied.

Verder maakt het eerste lid van dit artikel duidelijk dat alle stadia van werkzaamheden, die verband houden met een leiding, onder de werkingssfeer vallen: van aanleg, wijziging en onderhoud tot verwijdering en herstel van de openbare ruimte.

In het tweede lid zijn kabels, die vallen binnen de reikwijdte van de Telecommunicatiewet en Telecommunicatieverordening, uitgezonderd van de werkingssfeer van deze verordening. Voor de aanleg, exploitatie en wijziging van die kabels is dan ook geen vergunning op basis van deze verordening benodigd, maar gelden de gedoogplicht en het instemmingbesluit op basis van voornoemde wet en verordening. Tevens zijn uitgezonderd alle leidingen die deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Niet is beoogd de leidingen die behoren tot de inrichting onder de vergunningplicht te stellen. Ook vallen leidingen die deel uitmaken van drukapparatuur in de zin van het Warenwetbesluit drukapparatuur niet onder de werkingssfeer van deze verordening.

Voorts geldt op basis van de artikelen 121 en 122 van de Gemeentewet vanzelfsprekend dat deze verordening niet van toepassing is indien en voor zover daarin wordt voorzien bij of krachtens hogere regelgeving. De gemeente kan dan door middel van deze verordening slechts aanvullende voorwaarden stellen, daar waar sprake is van overlap tussen hetgeen deze verordening en de betreffende hogere regelgeving beoogt. De meest relevante hogere regelgeving betreft in dit kader het Besluit externe veiligheid buisleidingen, het Besluit veiligheid lage druk gastransport, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Spoorwegwet en de Wegenverordening Zuid-Holland.

Artikel 3 Handboek Leidingen

Dit artikel biedt de grondslag voor het college om ter uitvoering van deze verordening nadere regels te stellen. Deze nadere regels zullen worden vervat in het Handboek Leidingen. Door vaststelling van het Handboek Leidingen (hierna: Handboek) krijgen de daarin neergelegde normen een publiekrechtelijk karakter. In de overige artikelen van deze verordening wordt verwezen naar het op basis van dit artikel vast te stellen Handboek.

Het Handboek is beschikbaar op internet via de website van de gemeente.

Artikel 4 Vergunningenstelsel

Dit artikel vormt de kern van het vergunningenstelsel. Het is verboden om een leiding aan te leggen, te exploiteren, te onderhouden, te wijzigen, te verplaatsen (waaronder verticale verplaatsingen) of te verwijderen, tenzij de leidingexploitant in het bezit is van een vergunning.

Artikel 5 Vergunning- en meldingprocedure

Dit artikel bepaalt dat de vergunning wordt verleend indien wordt voldaan aan de voorschriften in deze verordening en het Handboek Leidingen. De vergunningverlenende bevoegdheid is gemandateerd aan de clusterdirecteur van Stadsbeheer. Degene die een leiding wenst aan te leggen (of te wijzigen of verwijderen etc.) dient daartoe een aanvraag in bij Stadsbeheer, via www.rotterdam.nl. De voor de aanvraag benodigde documenten worden opgesomd in het Handboek en informatie daarover is verkrijgbaar via de gemeentelijke website en bij Stadsbeheer. In het vierde lid van dit artikel is expliciet opgenomen dat voor werkzaamheden aan bestaande leidingen over een lengte van minder dan 25 meter en voor huisaansluitingen van minder dan 25 meter een sterk vereenvoudigde procedure geldt. Vier werkdagen vóór aanvang van de werkzaamheden dient, door middel van de digitale module op www.rotterdam.nl, melding gemaakt te worden waarna een toetsing door Stadsbeheer plaatsvindt en toestemming verleend wordt. In de toestemming kunnen voorwaarden worden neergelegd. In gevallen van storingen waar reparatie geen uitstel kan lijden en in geval van calamiteiten geldt de meldtermijn van vier werkdagen niet, maar reparaties dienen in ieder geval voor aanvang van de werkzaamheden gemeld te zijn en toestemming door Stadsbeheer verstrekt te zijn.

Op grond van het vijfde lid geldt de verkorte procedure met nadruk niet voor het havengebied, werkzaamheden aan hoogspanningskabels, stadsverwarmingsleidingen, hoge druk gasleidingen, bouwaansluitingen, huisaansluitingen met een diameter groter dan 160 mm en aansluitingen op gemeentelijk riool. Met name vanwege veiligheidsaspecten en de ondergrondse ordening is het wenselijk dergelijke werkzaamheden te allen tijde aan een vergunningplicht te onderwerpen.

Artikel 6 Karakter van de vergunning

Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat in geval van overdracht (bijv. verkoop) van een leiding de vergunning die op die leiding betrekking heeft, inclusief alle rechten en plichten, overgaat op de nieuwe leidingexploitant. De vergunning is zaaksgebonden en ‘volgt’ het object. Uiteraard dient de nieuwe leidingexploitant zich volledig te houden aan de in de vergunning vermelde voorschriften. Indien wijziging van leidingexploitant plaatsvindt (bij overdracht, maar ook ingeval de rechtspersoonlijkheid wijzigt) moeten zowel de oude als de nieuwe leidingexploitant hiervan melding doen aan Stadsbeheer. De melding kan digitaal worden gedaan via de website van de gemeente. Het niet voldoen aan deze meldplicht levert een overtreding op. Op grond van het derde lid kan het college in bijzondere gevallen bepalen dat de vergunning persoonsgebonden en daarmee niet overdraagbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij leidingen die gebruikt worden voor zeer gevaarlijke stoffen. Zie hierover overigens ook de toelichting bij artikel 10.

Het vierde lid bevat een samenloopbepaling: indien een leidingvergunning is verleend, geldt deze tevens als een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (APV) om een weg open te breken of tijdelijk in gebruik te nemen indien dit voor de aanleg of verwijdering van een leiding noodzakelijk is.

Artikel 7 Beslistermijn

Dit artikel regelt de beslistermijn voor het college. Tevens wordt in dit artikel de verhouding weergegeven met andere vergunningen. De beslissing op een aanvraag voor een leidingenvergunning wordt aangehouden zolang geen vergunning op grond van de APV en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (zoals een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen) verstrekt is en deze vergunningen formele rechtskracht hebben. Dit geldt uiteraard alleen indien een dergelijke vergunning vereist is. Zie voor de samenloop met een vergunning om de weg open te breken de toelichting bij artikel 6.

Artikel 8 Voorschriften en beperkingen

Dit artikel biedt de basis om aan de vergunning voorwaarden en beperkingen te verbinden. De verordening en het Handboek vormen daarvoor gezamenlijk het kader. Bijbehorende toolkit(s) geven hierbij richting.

In het tweede lid staat een limitatieve lijst van belangen waartoe de voorwaarden en beperkingen kunnen strekken. Van belang is ook de bevoegdheid om aan de vergunning een beperkte tijdsduur te verbinden. Zodra die termijn afloopt, zal de leidingexploitant de leiding in beginsel moeten verwijderen. Vanzelfsprekend kan de leidingexploitant afspreken dat de leiding wordt overgedragen of op een later tijdstip wordt verwijderd. Zie ook de toelichting bij artikel 18.

Het derde lid biedt de basis voor het college om na afgifte uit eigen beweging een vergunning te wijzigen of aan te vullen. Vanzelfsprekend dient het college daarbij de belangen, genoemd in het tweede lid, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Algemene wet bestuursrecht in acht te nemen.

Artikel 9 Geldigheidsduur, intrekkings- en wijzigingsgronden

In het eerste lid is bepaald dat de geldigheid van een verleende vergunning van rechtswege komt te vervallen indien de leidingexploitant niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning is aangevangen met de werkzaamheden. Op die manier is het niet noodzakelijk een verleende vergunning actief in te trekken indien niet van die vergunning tijdig gebruik wordt gemaakt. De vergunning komt overigens niet van rechtswege te vervallen, indien het college dat in een specifiek geval uitdrukkelijk bepaalt. Het niet tijdig aanvangen van de werkzaamheden is immers redelijkerwijs niet altijd aan de leidingexploitant te wijten.

Daarnaast geeft dit artikel het college de bevoegdheid om een vergunning in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het tweede lid genoemde gronden. De belangrijkste grond betreft het intrekken indien de leidingexploitant de voorschriften van de verordening, het Handboek of de vergunning niet naleeft. Onderdeel e is een vangnetbepaling, die het college de bevoegdheid geeft om in te grijpen indien er ernstige gevolgen voor gezondheid en milieu dreigen als gevolg van het instandhouden van de vergunning. Deze bevoegdheid kan echter als laatste middel gebruikt worden aangezien eerst moet worden bezien of de dreiging kan worden weggenomen door aanpassing van de vergunning of door het stellen van nadere eisen. Onderdeel f betreft het geval indien er werken ter plaatse van de vergunde leiding moeten worden uitgevoerd, waardoor deze leiding niet kan blijven liggen of moet worden aangepast. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2012. Hierin is bepaald dat het intrekken van een vergunning voor de uitvoering van werken geen strijd oplevert met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (het verbod op détournement de pouvoir), ook niet als daarmee commerciële ontwikkelingen worden gefaciliteerd. Het college dient bij de intrekking van de vergunning invulling te geven aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 10 Intrekking vergunning op verzoek

In geval de leidingexploitant niet langer van een vergunning gebruik wenst te maken, kan hij hiervan schriftelijk mededeling doen aan Stadsbeheer. Met het afstand doen van de vergunning vervallen alle rechten die met de vergunning gepaard gaan. De leidingexploitant is vervolgens verplicht de leiding te verwijderen (artikel 18). Om te voorkomen dat een leidingexploitant door het afstand doen van een vergunning niet langer aanspreekbaar zou kunnen zijn, is in het tweede lid aangegeven dat de opzegger nog steeds wordt beschouwd als leidingexploitant in de zin van deze verordening. De verwijderingsplicht rust dan ook op hem. Dit geldt niet indien de leiding is overgedragen aan een andere (rechts)persoon. In dat geval wordt haast vanzelfsprekend de nieuwe eigenaar als leidingexploitant beschouwd. Uit oogpunt van een effectieve handhaving is het derde lid opgenomen waarin staat aangegeven dat in geval van een persoonsgebonden vergunning (zie artikel 6, derde lid) de vergunninghouder te allen tijde als leidingexploitant wordt beschouwd. Dit is alleen anders wanneer hij schriftelijk verklaart van de vergunning geen gebruik meer te maken, de exploitatie van de leiding staakt of de leiding verwijdert.

Artikel 11 Indienen documenten, termijn voltooiing

Nadat door Stadsbeheer de vergunning is verleend, kunnen de feitelijke werkzaamheden een aanvang nemen. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om te eisen dat bouwtechnische tekeningen en andere documenten worden overgelegd voor de start van de werkzaamheden. Waar mogelijk wordt in het Handboek opgenomen welke documenten in ieder geval overgelegd dienen te worden. Uit oogpunt van veiligheid is de aanleg van een leiding een essentieel element; het toezicht van gemeentewege op de aanleg van de leidingen is dan ook van groot belang. Om dat toezicht goed te kunnen uitoefenen is het nodig dat Stadsbeheer op de hoogte is van alle na de vergunningafgifte geplande werkzaamheden.

Artikel 12 Inmeten, Schaderegeling Ingravingen Rotterdam

Uit beheersmatige overwegingen zullen enkele feitelijke werkzaamheden worden verricht door Stadsbeheer. Het betreft het registreren van de gelegde en de verwijderde leidingen. Hiertoe wordt de leiding van gemeentewege ingemeten en geregistreerd. De leidingexploitant is verantwoordelijk voor een goede en zorgvuldige aanleg van de leiding. Hij moet ervoor zorgen dat de grond of bodem weer in de oorspronkelijke wijze wordt opgeleverd, tenzij in de vergunningvoorwaarden anders is bepaald. Het spreekt voor zich dat in het laatste geval oplevering dient plaats te vinden overeenkomstig de in de vergunning omschreven voorwaarden. Het derde lid bevat een regeling voor vergoeding van de kosten die gepaard gaan met herstel van de openbare ruimte die een direct gevolg zijn van werkzaamheden aan leidingen.

Artikel 13 Ondergrondse obstakels

Dit artikel heeft betrekking op het aantreffen van bodemverontreiniging en andere ondergrondse obstakels bij de aanleg van een leiding. De term 'bodemverontreiniging' is in deze verordening breder dan de terminologie in de Wet bodembescherming. Aan Stadsbeheer moeten alle stoffen en obstakels gemeld worden, die een nadelige invloed kunnen hebben op de staat van de leiding.

Hiermee wordt duidelijk wat de kritieke plaatsen in een leidingtracé zijn. Deze verplichting staat los van de plichten die reeds gelden op grond van de Wet bodembescherming (die is opgesteld vanuit milieubeschermingoptiek). Dit artikel is aanvullend ten opzichte van het in voornoemde wet neergelegde regime.

In geval dergelijke verontreiniging of obstakels worden aangetroffen dat aanleg van een leiding niet verantwoord is als de verontreiniging of obstakels niet eerst zijn opgeruimd, kan het college de leidingexploitant opdragen bepaalde maatregelen te treffen. De kosten voor deze maatregelen komen ten laste van de leidingexploitant zelf. Als sluitstuk kan het college opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze verordening het beoordelings- en beslissingskader.

Artikel 14 Ter beschikking stellen tekeningen

Dit artikel stelt het college in staat om te allen tijde (dus ook gedurende de beheerfase) zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn zogeheten ‘as built’- en/of revisietekeningen op te vragen. Normaliter zullen deze tekeningen zo spoedig mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden opgevraagd worden, maar dit artikel biedt tevens de mogelijkheid om in een later stadium de stand van zaken te verifiëren.

Artikel 15 Integriteit van leiding door onderhoud

Een belangrijk element van deze verordening is de onderhoudsplicht. In het Handboek Leidingen worden de beoordelingscriteria voor goed onderhoud neergelegd, uitgesplitst naar categorieën leidingen. De leidingexploitant is primair verantwoordelijk voor een goede staat van de leiding. Het college kan bepalen dat afschriften van de rapporten aan Stadsbeheer gezonden moeten worden. In geval de staat van de leiding onvoldoende is, is de leidingexploitant verplicht aan te geven op welke wijze en op welke termijn onderhoudswerkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

Indien de onderhoudsinspecties leiden tot de conclusie dat (een deel van) de leiding vervangen of aangepast moet worden, dan zal daarvoor op basis van artikel 4 een afzonderlijke vergunning moeten worden aangevraagd.

Een belangrijke indicatie van de toestand van de leiding is de mate waarin onderhoud wordt gepleegd aan de leiding. De noodzaak tot onderhoud en de tijdschema's voor onderhoud verschillen van leiding tot leiding en zijn afhankelijk van de getransporteerde stoffen. De vergunninghouder kan verplicht worden om periodiek verslag uit te brengen over de staat van de leiding. Indien naar het oordeel van Stadsbeheer blijkt dat onvoldoende onderhoud is gepleegd, kan Stadsbeheer de leidingexploitant aanzeggen onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Op de werkzaamheden aan de leiding en het openbreken van de openbare ruimte zijn de voorschriften over de aanleg van een leiding van overeenkomstige toepassing, hetgeen o.m. betekent dat de aanwijzingen van het college moeten worden opgevolgd.

In de toelichting bij artikel 2 is reeds aangegeven dat deze verordening niet van toepassing is indien en voor zover sprake is van overlap tussen het bepaalde bij of krachtens onder andere het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit veiligheid lage druk gastransport enerzijds en deze verordening anderzijds. Dergelijke overlap zal met name aan de orde kunnen zijn bij voorwaarden ten aanzien van de integriteit van de leiding.

Artikel 16 Grondslag Verlegregeling Rotterdam

Op basis van artikel 9, tweede lid, sub f kan het college een vergunning intrekken of wijzigen indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van werken. Voor zover de leidingexploitant daarbij schade lijdt die niet tot het normale bedrijfsrisico behoort en niet (voldoende) is verzekerd, zal het college hem een redelijke en billijke schadevergoeding toekennen (nadeelcompensatie). De criteria voor het vaststellen van een vergoeding worden neergelegd in beleidsregels (Verlegregeling Rotterdam).

Artikel 17 Meldingsplicht, onderzoek, opschorting exploitatie

Dit artikel betreft een incidentenregeling en behelst verplichtingen voor de leidingexploitant in geval van storingen en incidenten waarbij gevaar, hinder of verontreiniging plaatsvindt. Het geeft het college overigens de bevoegdheid om in voorkomende gevallen (waaronder ook concrete dreiging) maatregelen te treffen ten aanzien van de leiding die gevaar, hinder of verontreiniging veroorzaakt, maar ook – indien noodzakelijk - ten aanzien van de naburige leidingen. Overigens zal bij de toepassing van deze bevoegdheden zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van bestaande incidentenregelingen. Het in het tweede lid bedoelde onderzoek komt voor rekening van de leidingexploitant.

Ten aanzien van mogelijke overlap tussen deze verordening en hogere regelgeving wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 2 en 15.

Artikel 18 Termijn voor verwijdering

Na afloop van de geldigheidsduur van de vergunning, bij intrekking door het college en bij opzegging door de leidingexploitant moet de leiding worden verwijderd. Het ligt voor de hand om in de vergunning zelf voorwaarden op te nemen met betrekking tot het verwijderen van leidingen, maar zulks kan ook na afloop, intrekking of opzegging geschieden. De laatste exploitant of beheerder van de leiding is verplicht om voor verwijdering zorg te dragen. Mocht het om bepaalde redenen noodzakelijk of wenselijk zijn om de betreffende leiding te laten liggen, dan kan wijziging van de bestaande vergunning of een nieuwe vergunning aangevraagd worden.

Artikel 19 Toezichthouders

Beoogd wordt een aantal ambtenaren van Stadsbeheer aan te wijzen als toezichthouders. Zij zullen toezicht houden op de naleving van de voorschriften bij of krachtens deze verordening.

In dit verband wordt opgemerkt dat de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu belast is met het toezicht op en de handhaving van het Besluit externe veiligheid buisleidingen en dat Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken belast is met het toezicht op en de handhaving van het Besluit veiligheid lage druk gastransport.

Artikel 20 Termijn evaluatie Behoeft geen toelichting.

Artikel 21 Overgangsregeling

Deze bepaling bevat het overgangsrecht. De eigenaren van de talloze leidingen die thans in de openbare ruimte aanwezig zijn is in de meeste gevallen – al dan niet privaatrechtelijk - een ligrecht gegund waaraan diverse voorwaarden verbonden zijn. Die voorwaarden zijn gebaseerd op het Handboek Leidingen dat sinds 1986 als leidraad fungeert voor de afgifte van de privaatrechtelijke toestemmingen en de vergunningen op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening. Om redenen van efficiency en om te voorkomen dat de huidige leidingeigenaren hoge kosten moeten maken is ervoor gekozen de huidige toestemmingen te beschouwen als een vergunning in de zin van deze verordening. Er kan zich echter een situatie voordoen waarin Stadsbeheer op basis van de hem ter beschikking staande gegevens van mening is dat het veiligheidsniveau van een bepaalde leiding niet voldoet aan de eisen waar het krachtens deze verordening aan zou moeten voldoen.

In dat geval kan Stadsbeheer extra informatie van de leidingexploitant vragen waarna Stadsbeheer ambtshalve kan beslissen of instandhouding van de vergunning uit oogpunt van veiligheid toelaatbaar is. Ook kan Stadsbeheer van de leidingexploitant verlangen dat hij een nieuwe aanvraag indient, vergezeld van de benodigde documenten. Daarbij kan Stadsbeheer een termijn stellen waarbinnen de nadere informatie moet zijn aangeleverd of een nieuwe aanvraag moet zijn ingediend. Met deze systematiek wordt beoogd maatwerk te leveren ten aanzien van de vele, naar aard en leeftijd verschillende leidingen. Overigens zij opgemerkt dat voor leidingen die zonder toestemming of vergunning in de openbare ruimte liggen hoe dan ook een aanvraag moet worden ingediend om een vergunning op grond van de LVR te verkrijgen.

Als gevolg van het in deze verordening opnemen van de Aansluitverordening riolering 2012, is in het derde lid een overgangsregeling opgenomen voor aanvragen ten aanzien van aansluitingen van particulier riool op de openbare riolering.

Artikel 22 Strafbaarheid

Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Over het algemeen zal gekozen worden voor bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten en vormt de toepassing van strafrechtelijke sancties in beginsel een uiterste handhavingmiddel.

Dit gemeenteblad 2015, nummer 127, is uitgegeven op 14 juli 2015 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)