Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Onderbanken

Ergfoedverordening gemeente Onderbanken

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOnderbanken
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingErgfoedverordening gemeente Onderbanken
CiteertitelErfgoedverordening gemeente Onderbanken
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-03-2009Onbekend

19-02-2009

Onderbanken Journaal 18-03-2009

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Ergfoedverordening gemeente Onderbanken

De raad van de gemeente Onderbanken,

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 januari 2009;

overwegende dat in het kader van de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg de Monumentenwet 1988 is gewijzigd, inhoudende dat in de Monumentenwet het onderwerp "archeologie" is opgenomen en de deregulering van de vergunningplicht is verwerkt;

dat het voor de hand liggend is om de oude Monumentenverordening door de samenvoeging van monumenten en archeologie in de nieuwe vorm "Erfgoedverordening" te noemen;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988,

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende Erfgoedverordening gemeente Onderbanken

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    monumenten

    • 1.

      alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;

    • 2.

      terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1;

  • b.

    beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;

  • c.

    archeologisch monument: monument als bedoeld in artikel 1, lid a, sub 2;

  • d.

    commissie ruimtelijke kwaliteit: de op basis van art. 15, lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid;

  • e.

    gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart: topografische kaart van (delen van )het gemeentelijke grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven, waarbij onderscheid wordt gemaakt in hoge, middelhoge en lage verwachtingen;

  • f.

    archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;

  • g.

    hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of informatie;

  • h.

    middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie;

  • i.

    lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of informatie;

  • j.

    plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;

  • k.

    programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

  • l.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • m.

    vergunning voor een beschermd rijksmonument: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid sub f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Hoofdstuk 2. Rijksmonumenten

Artikel 2. Vergunning voor beschermd rijksmonument

  • 1.

    Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de commissie ruimtelijke kwaliteit.

  • 2.

    De commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van ontvangst van het verzoek om advies.

  • 3.

    Indien het bevoegd gezag niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.

Hoofdstuk 3. Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 3. Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden om in een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte te verstoren.

  • 2.

    Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;

    • a1.

      het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met een lage verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart en:

      • waarbij binnen een straal van 50 m geen archeologische vindplaats is;

      • een geen bijzondere dataset voorkomt;

    • a2.

      het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied met een middelhoge of hoge waarde als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart en:

      • waarbij binnen een straal van 50 m geen archeologische vindplaats is;

      • bij historische kernen het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2;

      • bij overige (bebouwde en onbebouwde) gebieden het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2;

    • b.

      in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

    • c.

      sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarvoor een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen.

    • d.

      het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart;

    • e.

      een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

      • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

      • de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

      • in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 4. Opgravingen en begeleiding

  • 1.

    Indien binnen het grondgebied van de gemeente Onderbanken onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, lid h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

    • a.

      het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1, lid k, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.

    • b.

      de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoel in artikel 1, lid j van deze verordening ter goedkeuring aan het college over te leggen.

  • 2.

    In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.

  • 3.

    Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen

Artikel 5. Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:

  • 1.

    de door het bevoegd gezag nader te stellen regels als bedoeld in artikel 3, lid 2, sub d;

  • 2.

    een aanwijzing als bedoeld in artikel 4, lid 2, tweede volzin.

Artikel 6 Strafbepaling

Degene die handelt in strijd met de artikelen 3 en 4 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 7. Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 8. Intrekken oude regeling

De Monumentenverordening Onderbanken 1991 wordt ingetrokken.

Artikel 9. Overgangsrecht

Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de geldende regels zoals die golden voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.

Artikel 11. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als "Erfgoedverordening gemeente Onderbanken"

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari 2009

De voorzitter

De griffier

Toelichting

A. Algemene toelichting

Gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de Archeologische Monumentenzorg alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, voldoet de bestaande gemeentelijke monumentenverordening niet meer aan de gestelde eisen.

Specifiek in het kader van de deregulering is de bestaande monumentenvergunning vereenvoudigd, waarbij de adviesplicht van de RACM grotendeels komt te vervallen.

De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit voort uit de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (tot stand gekomen op grond het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat nog niet alle bestemmingsplannen geactualiseerd zijn, voorziet deze verordening in ieder geval in de overgangssituatie door het college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere regels kunnen dezelfde regels zijn die gelden indien een aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel een archeologisch paragraaf is opgenomen.

B. Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

(toelichting alleen voor die onderdelen waar dit nodig is)

Sub b

Het is nodig om een begripsomschrijving van een beschermd rijksmonument in de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.

Sub d

De monumentencommissie is in Onderbanken opgenomen in de commissie ruimtelijke kwaliteit. In de raadsvergadering van 19 juni 2008 (gemeenteblad 2008/42) zijn de dorpsbouwmeester en een plaatsvervanger aangewezen als monumentencommissie, die daarmee de rol vervult die voortvloeit uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet.

Sub e

De gemeentelijke beleidsadvieskaart biedt een praktische oplossing in het geval nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. Op de beleidsadvieskaart zijn gebieden aangewezen met lage, middelhoge en hoge verwachtingswaarden. Met de vastgestelde ondergrenzen van archeologisch onderzoek kan aan een aanvrager een gericht advies worden afgegeven met betrekking tot het al dan niet verrichten van nader archeologisch onderzoek.

Hoofdstuk 2. Rijksmonumenten

Artikel 2. Vergunning voor beschermd rijksmonument

Lid 1

De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 van de Monumentenwet 1988 en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Rijksdienst voor Archeologie Cultuurhistorie en Monumenten en, buiten de bebouwde kom, ook Gedeputeerde Staten moeten binnen twee maanden na verzending van de adviesaanvraag adviseren.

Met ingang van 2009 wordt de beperking van de adviesplicht van de rijksdienst formeel ingevoerd. De verplichte ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning wordt losgelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht van toepassing blijven.

Lid 2 en 3

De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de commissie ruimtelijke kwaliteit bij de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald dat de commissie ruimtelijke kwaliteit geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn.

Hoofdstuk 3. Instandhouding van archeologische terreinen

Artikel 3. Instandhoudingbepaling

De Wet op de Archeologische Monumentenzorg verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van de gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat alle bestemmingplannen Malta-proof zijn.

Lid 2

Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op een vijftal uitzonderingsmogelijkheden. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachting- en cultuurhistorische advieskaart. Deze archeologische verwachtingswaarden is gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied en de afstand tot archeologische vindplaatsen. De gehanteerde maten zijn overgenomen uit het raadsbesluit d.d. 30 oktober 2008 (gemeenteblad 2008/49).

Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan up-to-date is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardekaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige archeologische terreinen of te verwachten archeologische waarden.

In onderdeel c wordt een projectbesluit en een drietal ontheffingsmogelijkheden genoemd uit de Wet ruimtelijke ordening. Bij dergelijke besluiten kan bij de aanvraag tot ontheffing of het nemen van een projectbesluit voorschriften worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor het projectbesluit/ontheffing wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overgelegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld.

Een dergelijke uitzondering wordt feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de aanvraag van een ontheffing/projectbesluit, bijv. de aanvraag om een aanlegvergunning. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d. worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.

Op grond van onderdeel d kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument of verwachtingsgebied.

Artikel 4. Opgravingen en begeleiding

De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen, zijn met name bedoeld om de regiefunctie van de gemeente te regelen. In het kader van de samenwerking met de andere gemeenten in Parkstad Limburg wordt bekeken in hoeverre er een regio-archeoloog kan worden aangesteld. Hierover zal separate besluitvorming plaatsvinden.

Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen (te laten) op te stellen, waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de verstoorder verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen

Artikel 5. Schadevergoeding

De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is. Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van toepassing. Het "veroorzaker-betaalt-principe", zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop. De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat redelijk of buitenproportioneel is.

Artikel 6. Strafbepaling

Artikel 154, lid 1 van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370 (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3.700 (januari 2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie met een maximum van € 74.000 (januari 2008).

Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de strafmaat en de wens om enige preventieve werking te bereiken, een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.

Artikel 7. Toezichthouders

De basis voor de aanwijzingsbevoegdheid van toezichthouders wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.

Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder is bevoegd elke plaats te betreden -met uitzondering van woningen- zonder toestemming van de bewoner.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 8. Intrekken oude regeling

Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.

Artikel 9. Overgangsrecht

In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. Hiermee is geregeld dat aanvragen om vergunning voor monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening en wetgeving.

Artikel 10. Inwerkingtreding

De datum van inwerkingtreding van de verordening is geregeld in artikel 15, lid 2 van de Monumentenwet 1988. Volgens dit lid wordt de verordening ter kennis gebracht aan de minister van OC en W en treedt in werking twee maanden nadat deze kennisgeving heeft plaatsgevonden.

Artikel 11. Citeertitel

Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening, is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term "Erfgoedverordening".