Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Schoonhoven

Verordening Tegenprestatie gemeente Schoonhoven

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Schoonhoven
Officiële naam regelingVerordening Tegenprestatie gemeente Schoonhoven
CiteertitelVerordening Tegenprestatie
Vastgesteld doorGemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerptegenprestatie

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

-

Grondslagen

Artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      de Wet: de Participatiewet;

    • b.

      het College: burgemeester en wethouders van de gemeente;

    • c.

      tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het Bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden;

    • d.

      vrijwilligerswerk: werk dat onbetaald en onverplicht, in enig georganiseerd verband en met enige regelmaat, wordt verricht voor anderen en/of de samenleving;

    • e.

      grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

    • f.

      korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;

    • g.

      mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

    • h.

      doelgroep: belanghebbenden van 18 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet.

HOOFDSTUK 2 BELEID

Artikel 2. Verslag over beleid

  • 1.

    Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.

  • 2.

    Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de cliëntenraad.

HOOFDSTUK 3 DE TEGENPRESTATIE NAAR VERMOGEN

Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie

  • 1.

    Het College kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing.

  • 2.

    Het College stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het College in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1.

    Het College kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.

  • 2.

    Het College kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

  • 3.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het College rekening met de volgende factoren:

    • a.

      De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

    • b.

      De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

    • c.

      De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

    • d.

      Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

  • 4.

    Het College kan een belanghebbende elk jaar opnieuw een tegenprestatie opdragen.

Artikel 5. Vrijstelling

  • 1.

    Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie naar vermogen wordt de belanghebbende die:

    • a.

      Deelneemt aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject; of

    • b.

      Voor ten minste acht uur per week vrijwilligerswerk verricht waarvoor toestemming is verkregen van het College; of

    • c.

      Zorgtaken verricht als mantelzorger voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is; of

    • d.

      Een parttime baan heeft van ten minste 16 uur per week.

  • 2.

    De onder lid 1 sub a benoemde vrijstelling geldt niet voor belanghebbenden die de Nederlandse taal niet beheersen op niveau A2 of hoger;

  • 3.

    Het College bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat er sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in lid 1.

Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van zes maanden met een mogelijke verlenging tot ten hoogste één jaar.

  • 2.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor ten minste acht uren met een maximum tot 16 uren per week.

  • 3.

    Als de belanghebbende door persoonlijke omstandigheden niet in staat is hieraan te voldoen, kan het College kiezen voor een kleinere omvang en/of kortere duur van de werkzaamheden.

  • 4.

    De werkzaamheden kunnen groter van omvang en langer van duur zijn voor de belanghebbende die gedeeltelijk is vrijgesteld van de arbeidsplichten.

Artikel 7. Zoektermijn

  • 1.

    De belanghebbende aan wie het College de plicht tot tegenprestatie gaat opleggen, wordt door het College uitgenodigd om eerst zelf op zoek te gaan naar onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die hij gaat verrichten.

  • 2.

    Hiertoe verstrekt het College aan belanghebbende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van organisaties waarbij onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht.

  • 3.

    De termijn waarbinnen belanghebbende zelf kan zoeken is één maand. Deze termijn kan eenmalig op verzoek van belanghebbende worden verlengd met ten hoogste een maand.

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

  • 1.

    Het College draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 2.

    Indien het College geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het College binnen zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Artikel 9. Ontheffing

  • 1.

    Indien de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is én op grond daarvan volledig is vrijgesteld van de arbeids -en re-integratieverplichting wordt geen tegenprestatie opgelegd.

  • 2.

    Het College bepaalt op welke wijze moet worden aangetoond dat sprake is van medische belemmeringen.

  • 3.

    De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.

Artikel 10. Afstemming

1.Bij het niet of niet voldoende nakomen van de tegenprestatieplicht dient op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet een maatregel te worden overwogen.

Artikel 11.Verzekering en (on)kosten

  • 1.

    De gemeente verstrekt geen vergoeding voor de werkzaamheden. Het staat de organisatie waarbij belanghebbende werkt vrij om een vergoeding te geven die in redelijke verhouding staat tot de door belanghebbende gemaakte onkosten.

  • 2.

    Belanghebbende dient verzekerd te zijn tegen het risico van ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Deze verzekering wordt afgesloten door de organisatie waarbij belanghebbende werkt of, in het geval dat dit niet mogelijk is, door de gemeente waar belanghebbende woont en staat ingeschreven.

  • 3.

    De belanghebbende stelt samen met de organisatie waarbij hij werkzaamheden gaat verrichten een overeenkomst op. Daarin wordt in elk geval vastgelegd waaruit de werkzaamheden bestaan, voor hoeveel uren per week en gedurende welke periode.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel als toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

HOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 14. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Schoonhoven, gehouden op.

De griffier, De voorzitter,

Algemene toelichting

Het College is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het College opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Bevoegdheid opdragen tegenprestatie

De bevoegdheid van het College om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument

De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren.

Vrijwilligerswerk

Wanneer een belanghebbende in aanmerking komt voor een tegenprestatie wordt belanghebbende eerst gemotiveerd om zelf activiteiten te vinden om te voldoen aan de verplichting. Ook vrijwilligerswerk wordt hierbij, wanneer wordt voldaan aan de in de verordening gestelde criteria, beschouwd als een passend alternatief en geldt dan als vrijstellinggrond voor deelname aan de tegenprestatie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Mantelzorg

In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het College geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is. Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

Artikel 2. Verslag over beleid

Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie.

Cliëntenraad betrekken bij beleid

Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.

Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie

Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het College dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten.

De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop.

Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie

Het College heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het College bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend.

De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het College een tegenprestatie in beginsel uitsluitend opdraagt aan een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen.

Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het College een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt wel een tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.

Artikel 5. Vrijstelling

Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het College het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening.

Van vrijstelling op basis van het uitvoeren van re-integratieactiviteiten is sprake wanneer deze activiteiten noodzakelijk tijd en inspanning van de belanghebbende vragen en vastgelegd zijn door het College én periodiek gehandhaafd worden. Bijvoorbeeld door een periodieke controle van de sollicitatieplicht of bij deelname aan een aangeboden

re-integrateinstrument.

Bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal voor bemiddeling naar reguliere arbeid geldt deelname aan een traject richting re-integratie (bijvoorbeeld een leer-werktraject in het kader van Inburgering) niet als vrijstelling. Onder ‘onvoldoende taalniveau’ wordt in ieder geval verstaan het niet beheersen van de Nederlandse taal op A2-niveau (dit niveau geldt voor nieuwkomers als criterium voor het behalen van het Inburgeringsdiploma). Of, indien dit niet vastgesteld kan worden, volgens inschatting van het College wanneer het taalniveau van de belanghebbende een belemmering vormt voor de re-integratie.

Van vrijstelling op basis van deelname aan vrijwilligerswerk is sprake wanneer aan de hand van een overeenkomst wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de urencriteria en na toestemming van het College. Het College toetst of er sprake is van vrijwilligerswerk en of vrijwilligerswerk de re-integratie niet belemmerd.

Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie

Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.

Artikel 6 lid 4 is van toepassing wanneer een persoon geen enkele mogelijkheid heeft tot deelname aan re-integratieactiviteiten en de tegenprestatie zodoende de enige mogelijke vorm van participatie is.

Artikel 7.Zoektermijn

De in artikel 7 lid 1 beschreven onbeloonde activiteiten omvatten ook activiteiten in de vorm vrijwilligerswerk.

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

Artikel 8, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige

werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten. Indien het College besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn.

Artikel 9. Ontheffing

De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

Artikel 10. Afstemming

Net als bij het niet nakomen van de arbeids -en re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.

Artikel 11.Verzekering en (on)kosten

Als het College een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt.

In artikel 11 lid 2 wordt gesteld dat de gemeente geen vergoeding geeft voor onkosten. De tegenprestatie betreft geen re-integratieinstrument zodat middelen uit het Participatiebudget niet aangesproken kunnen worden. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan wel een aanvraag voor bijzondere bijstand worden beoordeeld. Wanneer er sprake is van een onkosten vergoeding welke wordt verstrekt door de organisatie wordt deze vrijgelaten voor zover het een redelijke vergoeding van de onkosten betreft.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.

Artikel 14. Citeertitel

In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  2. Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
  3. HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
  4. Artikel 1 Begripsomschrijvingen
  5. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
  6. de Wet: de Participatiewet;
  7. het College: burgemeester en wethouders van de gemeente;
  8. tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het Bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden;
  9. vrijwilligerswerk: werk dat onbetaald en onverplicht, in enig georganiseerd verband en met enige regelmaat, wordt verricht voor anderen en/of de samenleving;
  10. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
  11. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;
  12. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
  13. doelgroep: belanghebbenden van 18 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;
  14. Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet.
  15. HOOFDSTUK 2 BELEID
  16. Artikel 2. Verslag over beleid
  17. Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.
  18. Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de cliëntenraad.
  19. HOOFDSTUK 3 DE TEGENPRESTATIE NAAR VERMOGEN
  20. Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie
  21. Het College kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
  22. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
  23. niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;
  24. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en
  25. niet leiden tot verdringing.
  26. Het College stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het College in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
  27. Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie
  28. Het College kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.
  29. Het College kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
  30. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het College rekening met de volgende factoren:
  31. De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;
  32. De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
  33. De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;
  34. Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.
  35. Het College kan een belanghebbende elk jaar opnieuw een tegenprestatie opdragen.
  36. Artikel 5. Vrijstelling
  37. Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie naar vermogen wordt de belanghebbende die:
  38. Deelneemt aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject; of
  39. Voor ten minste acht uur per week vrijwilligerswerk verricht waarvoor toestemming is verkregen van het College; of
  40. Zorgtaken verricht als mantelzorger voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is; of
  41. Een parttime baan heeft van ten minste 16 uur per week.
  42. De onder lid 1 sub a benoemde vrijstelling geldt niet voor belanghebbenden die de Nederlandse taal niet beheersen op niveau A2 of hoger;
  43. Het College bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat er sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in lid 1.
  44. Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie
  45. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van zes maanden met een mogelijke verlenging tot ten hoogste één jaar.
  46. De tegenprestatie wordt opgedragen voor ten minste acht uren met een maximum tot 16 uren per week.
  47. Als de belanghebbende door persoonlijke omstandigheden niet in staat is hieraan te voldoen, kan het College kiezen voor een kleinere omvang en/of kortere duur van de werkzaamheden.
  48. De werkzaamheden kunnen groter van omvang en langer van duur zijn voor de belanghebbende die gedeeltelijk is vrijgesteld van de arbeidsplichten.
  49. Artikel 7. Zoektermijn
  50. De belanghebbende aan wie het College de plicht tot tegenprestatie gaat opleggen, wordt door het College uitgenodigd om eerst zelf op zoek te gaan naar onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die hij gaat verrichten.
  51. Hiertoe verstrekt het College aan belanghebbende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van organisaties waarbij onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht.
  52. De termijn waarbinnen belanghebbende zelf kan zoeken is één maand. Deze termijn kan eenmalig op verzoek van belanghebbende worden verlengd met ten hoogste een maand.
  53. Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden
  54. Het College draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
  55. Indien het College geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het College binnen zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
  56. Artikel 9. Ontheffing
  57. Indien de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is én op grond daarvan volledig is vrijgesteld van de arbeids -en re-integratieverplichting wordt geen tegenprestatie opgelegd.
  58. Het College bepaalt op welke wijze moet worden aangetoond dat sprake is van medische belemmeringen.
  59. De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.
  60. Artikel 10. Afstemming
  61. Bij het niet of niet voldoende nakomen van de tegenprestatieplicht dient op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet een maatregel te worden overwogen.
  62. Artikel 11. Verzekering en (on)kosten
  63. De gemeente verstrekt geen vergoeding voor de werkzaamheden. Het staat de organisatie waarbij belanghebbende werkt vrij om een vergoeding te geven die in redelijke verhouding staat tot de door belanghebbende gemaakte onkosten.
  64. Belanghebbende dient verzekerd te zijn tegen het risico van ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Deze verzekering wordt afgesloten door de organisatie waarbij belanghebbende werkt of, in het geval dat dit niet mogelijk is, door de gemeente waar belanghebbende woont en staat ingeschreven.
  65. De belanghebbende stelt samen met de organisatie waarbij hij werkzaamheden gaat verrichten een overeenkomst op. Daarin wordt in elk geval vastgelegd waaruit de werkzaamheden bestaan, voor hoeveel uren per week en gedurende welke periode.
  66. Artikel 12. Hardheidsclausule
  67. Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel als toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
  68. HOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN
  69. Artikel 13. Inwerkingtreding
  70. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
  71. Artikel 14. Citeertitel
  72. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie.
  73. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Schoonhoven, gehouden op.
  74. De griffier, De voorzitter,
  75. Algemene toelichting
  76. Het College is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het College opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
  77. Bevoegdheid opdragen tegenprestatie
  78. De bevoegdheid van het College om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
  79. Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument
  80. De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren.
  81. Vrijwilligerswerk
  82. Wanneer een belanghebbende in aanmerking komt voor een tegenprestatie wordt belanghebbende eerst gemotiveerd om zelf activiteiten te vinden om te voldoen aan de verplichting. Ook vrijwilligerswerk wordt hierbij, wanneer wordt voldaan aan de in de verordening gestelde criteria, beschouwd als een passend alternatief en geldt dan als vrijstellinggrond voor deelname aan de tegenprestatie.
  83. Artikelsgewijze toelichting
  84. Artikel 1. Begrippen
  85. Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
  86. Mantelzorg
  87. In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het College geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is. Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.
  88. Artikel 2. Verslag over beleid
  89. Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie.
  90. Cliëntenraad betrekken bij beleid
  91. Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.
  92. Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie
  93. Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het College dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten.
  94. De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop.
  95. Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie
  96. Het College heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het College bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend.
  97. De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het College een tegenprestatie in beginsel uitsluitend opdraagt aan een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen.
  98. Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het College een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt wel een tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.
  99. Artikel 5. Vrijstelling
  100. Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het College het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening.
  101. Van vrijstelling op basis van het uitvoeren van re-integratieactiviteiten is sprake wanneer deze activiteiten noodzakelijk tijd en inspanning van de belanghebbende vragen en vastgelegd zijn door het College én periodiek gehandhaafd worden. Bijvoorbeeld door een periodieke controle van de sollicitatieplicht of bij deelname aan een aangeboden
  102. re-integrateinstrument.
  103. Bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal voor bemiddeling naar reguliere arbeid geldt deelname aan een traject richting re-integratie (bijvoorbeeld een leer-werktraject in het kader van Inburgering) niet als vrijstelling. Onder ‘onvoldoende taalniveau’ wordt in ieder geval verstaan het niet beheersen van de Nederlandse taal op A2-niveau (dit niveau geldt voor nieuwkomers als criterium voor het behalen van het Inburgeringsdiploma). Of, indien dit niet vastgesteld kan worden, volgens inschatting van het College wanneer het taalniveau van de belanghebbende een belemmering vormt voor de re-integratie.
  104. Van vrijstelling op basis van deelname aan vrijwilligerswerk is sprake wanneer aan de hand van een overeenkomst wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de urencriteria en na toestemming van het College. Het College toetst of er sprake is van vrijwilligerswerk en of vrijwilligerswerk de re-integratie niet belemmerd.
  105. Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie
  106. Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
  107. Artikel 6 lid 4 is van toepassing wanneer een persoon geen enkele mogelijkheid heeft tot deelname aan re-integratieactiviteiten en de tegenprestatie zodoende de enige mogelijke vorm van participatie is.
  108. Artikel 7. Zoektermijn
  109. De in artikel 7 lid 1 beschreven onbeloonde activiteiten omvatten ook activiteiten in de vorm vrijwilligerswerk.
  110. Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden
  111. Artikel 8, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige
  112. werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten. Indien het College besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn.
  113. Artikel 9. Ontheffing
  114. De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).
  115. Artikel 10. Afstemming
  116. Net als bij het niet nakomen van de arbeids -en re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.
  117. Artikel 11. Verzekering en (on)kosten
  118. Als het College een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt.
  119. In artikel 11 lid 2 wordt gesteld dat de gemeente geen vergoeding geeft voor onkosten. De tegenprestatie betreft geen re-integratieinstrument zodat middelen uit het Participatiebudget niet aangesproken kunnen worden. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan wel een aanvraag voor bijzondere bijstand worden beoordeeld. Wanneer er sprake is van een onkosten vergoeding welke wordt verstrekt door de organisatie wordt deze vrijgelaten voor zover het een redelijke vergoeding van de onkosten betreft.
  120. Artikel 13. Inwerkingtreding
  121. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.
  122. Artikel 14. Citeertitel
  123. In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201501-01-2017Onbekend

09-12-2014

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      de Wet: de Participatiewet;

    • b.

      het College: burgemeester en wethouders van de gemeente;

    • c.

      tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het Bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden;

    • d.

      vrijwilligerswerk: werk dat onbetaald en onverplicht, in enig georganiseerd verband en met enige regelmaat, wordt verricht voor anderen en/of de samenleving;

    • e.

      grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;

    • f.

      korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;

    • g.

      mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

    • h.

      doelgroep: belanghebbenden van 18 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;

  • 2. Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet.

HOOFDSTUK 2 BELEID

Artikel 2. Verslag over beleid

  • 1. Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.

  • 2. Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de cliëntenraad.

HOOFDSTUK 3 DE TEGENPRESTATIE NAAR VERMOGEN

Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie

  • 1. Het College kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing.

  • 2. Het College stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het College in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1. Het College kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.

  • 2. Het College kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

  • 3. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het College rekening met de volgende factoren:

    • a.

      De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

    • b.

      De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

    • c.

      De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

    • d.

      Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

  • 4. Het College kan een belanghebbende elk jaar opnieuw een tegenprestatie opdragen.

Artikel 5. Vrijstelling

  • 1. Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie naar vermogen wordt de belanghebbende die:

    • a.

      Deelneemt aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject; of

    • b.

      Voor ten minste acht uur per week vrijwilligerswerk verricht waarvoor toestemming is verkregen van het College; of

    • c.

      Zorgtaken verricht als mantelzorger voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is; of

    • d.

      Een parttime baan heeft van ten minste 16 uur per week.

  • 2. De onder lid 1 sub a benoemde vrijstelling geldt niet voor belanghebbenden die de Nederlandse taal niet beheersen op niveau A2 of hoger;

  • 3. Het College bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat er sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in lid 1.

Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van zes maanden met een mogelijke verlenging tot ten hoogste één jaar.

  • 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor ten minste acht uren met een maximum tot 16 uren per week.

  • 3. Als de belanghebbende door persoonlijke omstandigheden niet in staat is hieraan te voldoen, kan het College kiezen voor een kleinere omvang en/of kortere duur van de werkzaamheden.

  • 4. De werkzaamheden kunnen groter van omvang en langer van duur zijn voor de belanghebbende die gedeeltelijk is vrijgesteld van de arbeidsplichten.

Artikel 7. Zoektermijn

  • 1. De belanghebbende aan wie het College de plicht tot tegenprestatie gaat opleggen, wordt door het College uitgenodigd om eerst zelf op zoek te gaan naar onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die hij gaat verrichten.

  • 2. Hiertoe verstrekt het College aan belanghebbende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van organisaties waarbij onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht.

  • 3. De termijn waarbinnen belanghebbende zelf kan zoeken is één maand. Deze termijn kan eenmalig op verzoek van belanghebbende worden verlengd met ten hoogste een maand.

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

  • 1. Het College draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 2. Indien het College geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het College binnen zes maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Artikel 9. Ontheffing

  • 1. Indien de belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is én op grond daarvan volledig is vrijgesteld van de arbeids -en re-integratieverplichting wordt geen tegenprestatie opgelegd.

  • 2. Het College bepaalt op welke wijze moet worden aangetoond dat sprake is van medische belemmeringen.

  • 3. De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.

Artikel 10. Afstemming

1.Bij het niet of niet voldoende nakomen van de tegenprestatieplicht dient op grond van de Afstemmingsverordening Participatiewet een maatregel te worden overwogen.

Artikel 11. Verzekering en (on)kosten

  • 1. De gemeente verstrekt geen vergoeding voor de werkzaamheden. Het staat de organisatie waarbij belanghebbende werkt vrij om een vergoeding te geven die in redelijke verhouding staat tot de door belanghebbende gemaakte onkosten.

  • 2. Belanghebbende dient verzekerd te zijn tegen het risico van ongevallen en wettelijke aansprakelijkheid. Deze verzekering wordt afgesloten door de organisatie waarbij belanghebbende werkt of, in het geval dat dit niet mogelijk is, door de gemeente waar belanghebbende woont en staat ingeschreven.

  • 3. De belanghebbende stelt samen met de organisatie waarbij hij werkzaamheden gaat verrichten een overeenkomst op. Daarin wordt in elk geval vastgelegd waaruit de werkzaamheden bestaan, voor hoeveel uren per week en gedurende welke periode.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel als toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 14. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van de gemeente Schoonhoven, gehouden op 9 december 2014

De griffier, De voorzitter,

Algemene toelichting

Het College is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel d en e van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het College opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Bevoegdheid opdragen tegenprestatie

De bevoegdheid van het College om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument

De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren.

Vrijwilligerswerk

Wanneer een belanghebbende in aanmerking komt voor een tegenprestatie wordt belanghebbende eerst gemotiveerd om zelf activiteiten te vinden om te voldoen aan de verplichting. Ook vrijwilligerswerk wordt hierbij, wanneer wordt voldaan aan de in de verordening gestelde criteria, beschouwd als een passend alternatief en geldt dan als vrijstellinggrond voor deelname aan de tegenprestatie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Mantelzorg

In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het College geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College redelijkerwijs noodzakelijk is. Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

Artikel 2. Verslag over beleid

Het College zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie.

Cliëntenraad betrekken bij beleid

Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.

Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie

Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het College dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten.

De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop.

Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie

Het College heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het College bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend.

De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het College een tegenprestatie in beginsel uitsluitend opdraagt aan een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen.

Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het College een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt wel een tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie op te leggen.

Artikel 5. Vrijstelling

Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het College het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening.

Van vrijstelling op basis van het uitvoeren van re-integratieactiviteiten is sprake wanneer deze activiteiten noodzakelijk tijd en inspanning van de belanghebbende vragen en vastgelegd zijn door het College én periodiek gehandhaafd worden. Bijvoorbeeld door een periodieke controle van de sollicitatieplicht of bij deelname aan een aangeboden

re-integrateinstrument.

Bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal voor bemiddeling naar reguliere arbeid geldt deelname aan een traject richting re-integratie (bijvoorbeeld een leer-werktraject in het kader van Inburgering) niet als vrijstelling. Onder ‘onvoldoende taalniveau’ wordt in ieder geval verstaan het niet beheersen van de Nederlandse taal op A2-niveau (dit niveau geldt voor nieuwkomers als criterium voor het behalen van het Inburgeringsdiploma). Of, indien dit niet vastgesteld kan worden, volgens inschatting van het College wanneer het taalniveau van de belanghebbende een belemmering vormt voor de re-integratie.

Van vrijstelling op basis van deelname aan vrijwilligerswerk is sprake wanneer aan de hand van een overeenkomst wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de urencriteria en na toestemming van het College. Het College toetst of er sprake is van vrijwilligerswerk en of vrijwilligerswerk de re-integratie niet belemmerd.

Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie

Het College bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het College de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.

Artikel 6 lid 4 is van toepassing wanneer een persoon geen enkele mogelijkheid heeft tot deelname aan re-integratieactiviteiten en de tegenprestatie zodoende de enige mogelijke vorm van participatie is.

Artikel 7. Zoektermijn

De in artikel 7 lid 1 beschreven onbeloonde activiteiten omvatten ook activiteiten in de vorm vrijwilligerswerk.

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

Artikel 8, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige

werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten. Indien het College besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn.

Artikel 9. Ontheffing

De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

Artikel 10. Afstemming

Net als bij het niet nakomen van de arbeids -en re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.

Artikel 11. Verzekering en (on)kosten

Als het College een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt.

In artikel 11 lid 2 wordt gesteld dat de gemeente geen vergoeding geeft voor onkosten. De tegenprestatie betreft geen re-integratieinstrument zodat middelen uit het Participatiebudget niet aangesproken kunnen worden. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan wel een aanvraag voor bijzondere bijstand worden beoordeeld. Wanneer er sprake is van een onkosten vergoeding welke wordt verstrekt door de organisatie wordt deze vrijgelaten voor zover het een redelijke vergoeding van de onkosten betreft.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.

Artikel 14. Citeertitel

In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.