Regeling vervallen per 31-12-2019

Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)

Geldend van 29-07-2014 t/m 30-12-2019

Intitulé

Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)

Artikel 1 Reikwijdte verordening

Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college van burgemeester en wethouders op de beleidsterreinen die zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting, met uitzondering van subsidies waarvoor de raad bij bijzondere subsidieverordening een regeling heeft getroffen.

Artikel 2 Uitvoering door het college van burgemeester en wethouders

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders, hierna te noemen het college, voert het subsidieproces uit en neemt de subsidiebesluiten. Het college kan beleidsregels dan wel nadere regelingen, hierna te noemen subsidieregelingen, vast stellen ter uitvoering van deze verordening.

  • 2.

    Indien het subsidiebudget voor de subsidieregeling op jaarbasis maximaal €250.000,00 bedraagt stelt het college bij subsidieregelingen vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en welke inhoudelijke criteria er gelden voor toe te kennen subsidies. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

  • 3.

    Indien het subsidiebudget voor de subsidieregeling op jaarbasis meer dan € 250.000,00 bedraagt stelt in afwijking van het eerste lid de raad de subsidieregelingen vast. Hierin wordt opgenomen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en welke inhoudelijke criteria er gelden voor toe te kennen subsidies. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

  • 4.

    Het college besluit over het aangaan en toepassen van een aanvullende (uitvoerings) overeenkomst. Het college stelt hiertoe beleidsregels vast.

  • 5.

    Het college is tevens bevoegd om op basis van deze verordening te besluiten over subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is.

Artikel 3 Europese regels over staatssteun

  • 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees staatssteunkader noodzakelijk is, zal het college deze verordening aanvullen.

  • 2. In de subsidieregeling worden de toepasselijke bepalingen van het Europees staatssteunkader opgenomen.

  • 3. Bij subsidies waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het Europees staatssteunkader.

  • 4. Bij subsidies waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is, komen alleen activiteiten, doelstellingen, resultaten, kosten en ondernemingen in aanmerking die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het toepasselijke Europees staatssteunkader.

Artikel 4 Evaluatie

Eenmaal in de vier jaren evalueert het college de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregelingen en de subsidieverstrekkingen en rapporteert hierover aan de raad.

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1. De raad legt de beschikbare middelen per programma jaarlijks vast in de gemeentebegroting en kan hierbij subsidieplafonds vaststellen.

  • 2. Het college kan met inachtneming van de gemeentebegroting subsidie(deel)plafonds en de wijze van verdeling vaststellen.

  • 3. Indien bij het vaststellen van een subsidieplafond of in een subsidieregeling geen voorrang is bepaald, wordt het beschikbare subsidiebedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.

Artikel 6 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester en wethouders met gebruikmaking van een aanvraagformulier. Het college kan bepalen dat de aanvraag digitaal wordt ingediend.

  • 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd, hoe de activiteiten daaraan bijdragen, waarbij voorts het belang wordt aangegeven van de activiteiten voor de gemeente of haar ingezetenen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van andere aangevraagde dan wel verleende subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

  • 3. Het college kan als de aanvrager een onderneming is bepalen dat gegevens en verklaringen worden overgelegd, die nodig zijn voor het bepalen van de toelaatbaarheid van de subsidie in verband met de Europese regels over staatssteun.

  • 4. Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt van meer dan € 50.000, voegt een kopie van de oprichtingsakte, de statuten en het jaarverslag, de jaarrekening inclusief balans van het voorgaande jaar toe aan de aanvraag.

  • 5. Bij subsidieregeling kan van lid 2 en lid 4 worden afgeweken.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

  • 1. Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Overige aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk 17 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 8 Beslistermijn

  • 1. Het college beslist op een tijdige en volledige subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaande aan het subsidie tijdvlak waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, binnen 9 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 4. Het college kan de beslistermijn met maximaal 9 weken verdagen. Zij doen hiervan voor afloop van de beslistermijn mededeling aan de aanvrager.

Artikel 9 Weigering, intrekking en terugvordering

  • 1. Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval indien:

    • a.

      de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met het Europese staatssteunkader;

    • b.

      In het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • c.

      de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met andere wettelijke voorschriften.

  • 2. Onverminderd het eerste lid kan het college de subsidie weigeren indien:

    • a.

      Niet voldaan is aan de eisen en criteria genoemd in deze verordening;

    • b.

      De te subsidiëren activiteiten van niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • c.

      Niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • d.

      De aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      De activiteit geen invulling geeft aan de doelstellingen of het beleid van de gemeente Zaanstad;

    • f.

      Het aannemelijk is dat de gelden niet of niet in onvoldoende mate besteed zullen worden aan de activiteiten en / of het doel waarvoor subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    • g.

      de doelstellingen, activiteiten, statuten of reglementen van de aanvrager dan wel het beoogde gebruik van de subsidie discriminatie opleveren wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op welke grond dan ook. Onder discriminatie wordt in dit verband niet begrepen onderscheid ter opheffing van maatschappelijke achterstand;

    • h.

      In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

  • 3. Het college kan een subsidie intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 4. Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 10 Algemene verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. Als aannemelijk is dat activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

  • 2. Een subsidieontvanger informeert het college verder onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      aanmerkelijke verschillen tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten van de begrote uitgaven en inkomsten, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen;

    • b.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat gemaakte afspraken voortvloeiende uit een tussen gemeente en subsidieontvanger gesloten uitvoeringsovereenkomst niet kunnen worden verwezenlijkt.

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel kunnen worden nagekomen;

    • d.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • e.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • f.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

  • 3. De subsidieontvanger heeft schriftelijke toestemming van het college nodig voor rechtshandelingen vermeld in artikel 4:71 van de Awb. Indien de betreffende rechtshandeling het voortbestaan van de subsidieontvanger bedreigt of aantoonbaar kan bedreigen of de belangen van de subsidieontvanger ernstig bedreigt of aantoonbaar kan bedreigen kan het college de goedkeuring in ieder geval weigeren.

  • 4. Subsidieontvangers die onder de werking van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector vallen dienen zich te houden aan het in deze wet opgenomen bezoldigingsmaximum en de openbaarmaking van de bezoldiging.

Artikel 11 Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht

  • 1. De subsidieontvanger beheert de middelen zorgvuldig en treft maatregelen ter voorkoming van vermogensschade.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht haar roerende zaken te verzekeren en verzekerd te houden op basis van dagwaarde.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht haar onroerende zaken te verzekeren en verzekerd te houden op basis van herbouw- of vervangingswaarde.

  • 4. De subsidieontvanger is verplicht het bij haar in dienst zijnde personeel en de voor haar werkzame vrijwilligers gedurende de tijd dat deze voor haar werkzaam zijn te verzekeren tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid.

Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1. 1.Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van het geen met de subsidie tot stand is gebracht.

  • 2. 2.Bij subsidies hoger dan € 50.000 kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 3. 3.Het college kan nadere eisen stellen aan de inrichting van de administratieve organisatie van de subsidieontvanger.

  • 4.

    • Het college kan verplichtingen opleggen met betrekking tot:

      • a.

        de hoogte van de contributie van de leden van de subsidieontvanger;

      • b.

        de hoogte van de tarieven of bijdragen van deelnemers aan de gesubsidieerde activiteiten;

      • c.

        de wijze waarop de gesubsidieerde activiteiten worden verricht;

      • d.

        een sociale wederdienst (social return on investment);

      • e.

        toegankelijkheid van de activiteiten voor mensen met een beperking;

      • f.

        duurzaamheid.

Artikel 13 Verantwoording subsidie tot en met € 5.000

  • 1. Subsidie tot en met € 5.000 wordt door het college direct vastgesteld of verleend en – tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid -binnen 13 weken nadat de activiteiten moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.

  • 2. De aanvrager kan worden verplicht om aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3. Bij subsidieregeling wordt bepaald of de subsidie wordt verleend of vastgesteld en op welke manier wordt aangetoond dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

Artikel 14 Verantwoording subsidie tussen € 5.000 en € 50.000

  • 1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 doch ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten zijn verricht;

    • b.

      een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

  • 3. Het college kan bepalen dat de verplichtingen zoals neergelegd in het tweede lid voor een bepaalde (categorie) subsidieontvangers niet gelden.

  • 4. Bij subsidieregeling of bij subsidiebeschikking kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoe verre de activiteiten zijn verricht.

Artikel 15 Verantwoording bij een subsidie vanaf € 50.000

  • 1. Bij subsidie van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in

    • a.

      bij een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      bij de overige subsidies uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2. De aanvraag bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten zijn verricht;

    • b.

      een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening). Hierin worden ook opgenomen de bezoldiging van de topfunctionarissen;

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidie tijdvlak met een toelichting daarop;

    • d.

      een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijke accountant. Het controleprotocol van Zaanstad is bepalend voor de controleopdracht.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld of andere gegevens of stukken worden verlangd.

  • 4. Het college kan besluiten dat de verplichting, zoals neergelegd in het tweede lid, onder d van dit artikel, voor een bepaalde (categorie) subsidieontvangers niet gelden of andere gegevens worden verlangd.

Artikel 16 Onderzoek

  • 1. Het college controleert de getrouwheid van de in artikel 13, 14 en 15 bedoelde gegevens en kan aanvullend onderzoek (laten) verrichten om een oordeel te krijgen de rechtmatigheid van besteding van de toegekende subsidie en de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde voorwaarden en verplichtingen.

  • 2. De rekenkamer van de gemeente kan nadere inlichtingen vragen over de jaarrekening dan wel een aanvullende onderzoek instellen. Oogmerk kan zijn om een oordeel te krijgen over de effectiviteit en doelmatigheid van de subsidie, de rechtmatigheid van besteding en de getrouwheid van de administratie ervan.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht medewerking te verlenen aan een controle respectievelijk een onderzoek zoals bedoeld in dit artikel en verschaft toegang tot de betreffende accommodatie en verleent inzage in de boekhouding

Artikel 17 Subsidievaststelling

  • 1. Het college stelt de subsidie vast binnen 9 weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste 9 weken worden verdaagd. Zij doet hiervan vóór afloop van de in het eerste lid vermelde termijn mededeling aan de aanvrager.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen categorieën van subsidies of subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 5. Indien de subsidieontvanger de volledige verantwoording niet tijdig indient kan het college de subsidie lager vaststellen.

Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening voorgeschreven definities.

  • 3. Bij subsidie waarop een Europees staatssteunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke staatssteunkader.

Artikel 19 Betaling en voorschot

  • 1. Betaling vindt plaats binnen 6 weken nadat de subsidie is vastgesteld.

  • 2. Het college kan bij subsidieverlening een voorschot geven. Het college stelt beleidsregels vast voor het verstrekken van voorschot en betaling.

  • 3. Het college kan vorderingen op een subsidieontvanger met de betaling verrekenen.

Artikel 20 Vermogensvorming subsidieontvanger

  • 1. Vermogensvorming met de subsidiemiddelen zal in beginsel niet worden toegestaan en exploitatieoverschotten mogen in beginsel niet worden gereserveerd.

  • 2. Het college kan de subsidieontvanger toestaan een bestemmingsfonds te vormen, mits die nauw samenhangt met de gesubsidieerde activiteiten. De subsidieontvanger dient vooraf toestemming aan het college te vragen en daarbij de noodzaak van het bestemmingsfonds te motiveren.

  • 3. Indien een bestemmingsfonds, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is opgebouwd, dient de subsidieontvanger het fonds aan te wenden voor het bestemmingsdoel. Over het bestemmingsfonds dient gerapporteerd te worden in de jaarrekening als aparte post op de balans.

  • 4. Indien een bestemmingsfonds als bedoeld in het tweede lid van dit artikel is opgebouwd, dient de subsidieontvanger dit fonds binnen 3 jaar te gebruiken voor de bestemming.

  • 5. Indien de subsidiemiddelen toegevoegd aan het bestemmingsfonds na 3 jaar niet is benut voor het bestemmingsdoel vloeien de middelen terug naar de gemeente.

Artikel 21 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet of onduidelijk is, beslist het college.

Artikel 22 Hardheidsclausule

  • 1. Het college kan in bijzondere gevallen artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2. Toepassing van het eerste lid wordt gemotiveerd in de subsidiebeschikking.

Artikel 23 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking.

  • 2.

    De Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2008, vastgesteld door de raad op 29 november 2007, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten in de raadsvergadering van 28 januari 2014.
Voorzitter, Raadsgriffier,

Toelichting Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (ASV)

Algemene toelichting

De Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling voor het verstrekken van subsidies door bestuursorganen. Subsidieverstrekking dient in beginsel gebaseerd te zijn op een wettelijk voorschrift (artikel 4:23, eerste lid, van de Awb). Deze eis komt voort uit de wens van de wetgever dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger voldoende gewaarborgd wordt. Tevens wordt hiermee een doelmatige besteding van overheidsuitgaven nagestreefd.

Subsidieverstrekking dient in beginsel gebaseerd te zijn op een wettelijk voorschrift. Dit wettelijke voorschrift dient de essentiële elementen van het proces van subsidieverstrekking bevatten, zoals een omschrijving van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Daarnaast moet het een grondslag bevatten voor de verplichtingen die het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden (voor zover die grondslag niet al in de Awb is neergelegd; zie artikel 4:37 van de Awb, dat niet limitatief is).

De ASV en de uitwerking daarvan in subsidieregelingen

Deze Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2014 (hierna te noemen: ASV) is een wettelijk voorschrift. Het is een procesverordening, die de essentiële elementen van het subsidieproces bevatten. De ASV bevat niet elementen die gelden voor het toekennen van de subsidie voor de diverse programma’s en beleidsvelden. Een uitwerking in beleidsinhoudelijke regelingen is dus noodzakelijk. In artikel 2 krijgt het college van burgemeester en wethouders (hierna te noemen: het college) de bevoegdheid gedelegeerd om subsidieregelingen vast te stellen waarin de beleidselementen worden vastgelegd, zoals de te subsidiëren activiteiten, de doelgroep en het subsidiebedrag. De door het college vastgestelde subsidieregelingen zijn door de delegatie wettelijke voorschriften. Wettelijke voorschriften dienen bekend te worden gemaakt via het Gemeenteblad én te worden gepubliceerd op www.overheid.nl. Dit is de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR).

In de ASV is een onderscheid gemaakt om verschillende (standaard)beslistermijnen te kunnen vastleggen per subsidiesoort. Er is zodoende onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en subsidies die voor een bepaalde activiteit worden verstrekt.

Het subsidiebegrip

Subsidie is een materieel begrip en wordt omschreven in artikel 4:21, eerste lid, van de Awb. Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan is het een subsidie.

Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen die aan de volgende kenmerken voldoen (zie artikel 4:21, eerste lid, van de Awb):

  • a.

    het betreft een aanspraak op financiële middelen;

  • b.

    die door een bestuursorgaan worden verstrekt;

  • c.

    met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;

  • d.

    anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Toelichting op de artikelen

Artikel 1. Reikwijdte verordening

In dit artikel wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om te besluiten over het verstrekken van subsidies op alle beleidsterreinen opgenomen in de begroting. Het betreft alle besluiten in het subsidieproces, dus ook lager vaststellen, weigeren, terugvorderen, uitbetalen, een voorschot geven en dergelijke. Het college past daarbij het bepaalde in deze verordening en in de gemeentebegroting toe.

Artikel 2. Uitvoering door het college van burgemeester en wethouders

Het eerste lid geeft aan het college opdracht om het subsidieproces uit de voeren. Dit omvat de bevoegdheid en verantwoordelijkheid om te besluiten over subsidies. Het college stelt ter uitvoering van deze bevoegdheid algemeen uitvoeringsbeleid op, zoals voorschotbeleid en sanctiebeleid. Daarnaast worden beleidsveldinhoudelijke regels gesteld voor specifieke subsidies. Subsidieregelingen geven algemeen verbindende voorschriften en vormen de juridische grondslag voor inhoudelijk subsidiebeleid met een bepaald beleidsdoel. Beleidsregels leggen vast hoe het college met zijn bevoegdheden omgaat ter uitvoering van een bepaald beleidsdoel. Beleidsregels worden gehanteerd wanneer er maar een beperkt aantal subsidieontvangers zijn, bij incidentele subsidies en wanneer het beleid nog niet volledig uitgekristalliseerd is. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor bij nieuwe gemeentelijke taken of bij nieuw beleid, waarbij het effect en de inzet van het subsidie-instrument nog niet beproefd zijn in de praktijk.

Hierbij kan gedacht worden aan voorschotbeleid, sanctiebeleid en ander uitvoeringsbeleid.

In een subsidieregeling wordt bepaald voor welke activiteiten subsidiemiddelen beschikbaar worden gesteld. Voor zover de gemeente Zaanstad iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. Ook in andere artikelen van de ASV wordt vastgelegd dat bij subsidieregeling het subsidiebeleid kan worden uitgewerkt, zoals het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de concrete subsidie of de wijze van verdelen van het subsidieplafond.

Artikel 4:36 Awb geeft de mogelijkheid dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een overeenkomst wordt gesloten. De subsidiëring is en blijft conform de Awb een publiekrechtelijke handeling waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. De overeenkomst wordt beheerst door het privaatrecht. Het instrument van de overeenkomst maakt het mogelijk dat de subsidiebeschikking de activiteiten waarvoor subsidie wordt toegekend op hoofdlijnen beschrijft, waarbij die beschrijving nader wordt uitgewerkt in de uitvoeringsovereenkomst. Een overeenkomst geeft bovendien uitdrukking aan de onderhandelingsrelatie tussen de gemeente en subsidieontvangers; van het maken van afspraken in plaats van het eenzijdig opleggen van eisen. Veelal wordt de uitvoeringsovereenkomst gehanteerd om prestatieafspraken met de grote, professionele subsidieontvangers vast te leggen. Overigens is het sluiten van een overeenkomst geen juridische noodzaak: de gemeente kan volstaan met een beschikking tot subsidieverlening waarin meer of minder precies is vastgelegd wat van de subsidieontvanger wordt verwacht. Het college besluit of een uitvoeringsovereenkomst moet worden gesloten. (derde lid).

Het college heeft haar algemeen beleid over het sluiten (uitvoerings)overeenkomsten in een beleidsregeling vastgelegd.

Het vijfde lid geeft aan het college tevens de bevoegdheid om te besluiten over subsidies waarvoor een juridische grondslag ontbreekt. Het betreft hier de subsidies die bedoeld zijn in lid 3 van artikel 4:23 Algemene Wet Bestuursrecht. Hieronder vallen de subsidies waarvan in de gemeentelijke begroting de subsidieontvanger en het budget is vermeld. Voor deze categorie wordt geen subsidieregeling vastgesteld, maar wordt het beleid vastgesteld in een beleidsnotitie. Tevens vallen hieronder incidentele subsidies, waarvoor geen subsidieregeling of beleidsregels zijn opgesteld. Dergelijke incidentele subsidies zonder juridische grondslag kunnen alleen verstrekt worden indien het aantal subsidieontvangers beperkt is en de subsidie voor ten hoogste 4 jaren wordt verstrekt. Het verstrekken van dergelijke incidentele subsidies vereist maatwerk.

Subsidies die door de gemeente zijn verkregen (inkomende subsidies) van Europese bestuursorganen vallen ook onder artikel 4:23 Awb lid 3.

Artikel 3. Europese regels over staatsteun

Staatssteun is in principe verboden (artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)). Er is sprake van staatssteun als financiële steun aan een onderneming (subsidies, garanties, leningen, korting op de grondprijs etc.) voldoet aan de criteria uit het staatssteunverbod.

Een onderneming is een entiteit die economische activiteiten verricht. Entiteiten die uitsluitend een typische overheidstaak zonder economisch karakter verrichten (activiteiten van puur sociale aard of het uitoefenen van overheidsgezag), zijn geen ondernemingen. Steun aan burgers valt niet onder het Europese staatssteunkader, mits de steun niet indirect alsnog bij een onderneming terechtkomt. Als er sprake is van staatssteun, is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening of om vrijstelling te vragen bij de Europese Commissie.

Om subsidies onder een vrijstellingsverordening te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er wordt afgeweken van de ASV, of dat deze wordt aangevuld. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en subsidiebeschikkingen die gebruik maken van het Europese steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.

Als sprake is van subsidie die valt onder een vrijstellingsverordening dan kunnen uiteraard alleen activiteiten, doelstellingen, resultaten, kosten en ondernemingen voor subsidie in aanmerking komen, die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4).

Artikel 4 Evaluatie

Aan het college wordt de opdracht gegeven om minimaal een keer in de 4 jaar te evalueren of de subsidieregelingen en de gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan de gestelde beleidsdoelen en of de subsidies de gewenste effecten hebben. Het college rapporteert hierover aan de raad.

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een subsidieplafond gegeven. Het dient om de uitgaven te beheersen. Het subsidieplafond voorkomt een open einde financiering. De raad stelt het financiële kader vast met de gemeentebegroting. Binnen dit kader kan het college voor beleidsterreinen en/of werkvelden subsidie(deel)plafonds vaststellen. Veelal gebeurt dit bij een subsidieregeling.

Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt vóór ingang van de periode waarop het betrekking heeft. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van belang is dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering kunnen worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Bij de bekendmaking wordt de wijze van verdelen vermeld.

Artikel 6. Aanvraag

Als gevolg van artikel 4:29 van de Awb begint het subsidieproces met een aanvraag.

Zowel voor de aanvrager als voor de gemeente is het praktisch om te werken met een aanvraagformulier. Het komt de efficiëntie van het subsidieproces ten goede. De aanvrager weet dan welke informatie hij moet leveren en de gemeente beschikt op overzichtelijke wijze over alle relevante informatie. Tevens kan met een aanvraagformulier de uniformiteit van behandeling van subsidieaanvragen in de verschillende beleidsterreinen van de gemeente worden bevorderd. Dit vergemakkelijkt de uitvoering en is van belang bij de evaluatie van het beleid.

In de loop van 2014 zal mogelijk worden om de subsidieaanvraag digitaal te doen. Tot het moment dat het college besloten heeft om de digitale weg open te stellen dienen subsidieaanvragen schriftelijk te worden gedaan.

Het college is bevoegd andere of slechts enkele van de in dit artikel genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk of voldoende zijn. Het college kan aanvullende gegevens eisen. Zo zal bij subsidie aan ondernemingen veelal worden gevraagd om een deminimis-verklaring. Hierin verklaren ondernemingen welke subsidies zij in de afgelopen 3 belastingjaren hebben ontvangen. Op basis van de deminimis-verordening kan bepaald worden of de subsidie geoorloofde steun is.

Artikel 7. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er is onderscheid gemaakt tussen subsidies voor activiteiten die voor een kalenderjaar worden verstrekt en overige subsidies voor kortlopende activiteiten. Bij die laatste groep gaat het vooral om subsidies die worden versterkt voor bepaalde kortlopende en in de tijd nauwkeurig afgebakende activiteiten.

Het derde lid maakt het mogelijk om in de desbetreffende subsidieregeling af te wijken van de hoofdregel.

Artikel 8. Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en overige subsidies.

Het derde lid maakt het mogelijk om in de desbetreffende subsidieregeling af te wijken van de hoofdregel.

Artikel 9. Weigering, intrekking en terugvordering

In dit artikel worden de algemeen geldende weigeringgronden van artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb, met nadere gronden aangevuld.

In het eerste lid zijn verplichte weigeringgronden opgenomen.

Subsidie wordt geweigerd wanneer de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met andere wettelijke voorschriften, waarbij het Europees staatssteunkader en de Wet Bevordering integriteit met naam worden genoemd.

Strijd met het Europees staatssteunkader treedt bijvoorbeeld op wanneer de subsidie hoger is dan volgens de cumulatieregels van het toepasselijke Europees staatssteunkader of de de-minimisverordening geoorloofd is.

De Wet Bibob stelt het college in staat om te screenen of de subsidieaanvragers dan wel -ontvangers in relatie staan tot strafbare feiten. Hierdoor wordt voorkomen dat een bestuursorgaan onbedoeld strafbare feiten faciliteert door het verlenen van een subsidie. Bij deze weigeringgrond is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen.

In het tweede lid zijn enkele facultatieve weigeringgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daar niet toe verplicht.

Lid 2 sub h geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling aanvullende weigeringgronden op te nemen. Weigeringgronden die met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Bij lid 3 betreft het intrekken van een verleende subsidie.

Bij lid 4 betreft het een terugvorderen met rente van subsidiemiddelen.

Artikel 10. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en een informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt.

De subsidieontvanger heeft schriftelijk toestemming nodig voor een aantal rechtshandelingen genoemd in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht. Het gaat om rechtshandelingen die van invloed kunnen zijn op de aanwending van subsidiegelden, de hoogte van de later ingediende subsidieaanvragen of de kwaliteit of omvang van de activiteiten (derde lid).

Artikel 11. Zorgvuldig beheer en verzekeringsplicht

In dit artikel wordt de algemene verplichting aan subsidieontvangers opgelegd om middelen zorgvuldig te beheren en relevante verzekeringen af te sluiten. Deze verplichtingen zijn opgenomen, omdat het beheer van invloed kan zijn op de hoogte van de later ingediende subsidieaanvragen of de kwaliteit of omvang van de activiteiten. Gesteld kan worden dat het vooral een zaak van de subsidieontvanger zelf is om de haar toevertrouwde middelen goed te beheren. De eigen verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger staat voorop te staan.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat mogelijk is direct op grond van de Awb en deze verordening.

De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 10 gegeven. In artikel 4:38 gaat het om verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Dat is het geval in het eerste lid van artikel 10: het beheer en gebruik van datgene wat met de subsidie tot stand is gebracht.

Artikel 13. Verantwoording subsidies tot en met € 5.000

De omvang van de verantwoordingsverplichting is gekoppeld aan de hoogte van het subsidiebedrag.

Bij de verstrekking van kleine subsidies aan bijvoorbeeld sportverenigingen of muziekkorpsen loopt de gemeente slechts een beperkt financieel risico. Het subsidiebedrag is niet zo hoog, terwijl de administratieve en bestuurlijke lasten naar verhouding hoog kunnen zijn.

In de ASV is er daarom voor gekozen om subsidies tot en met € 5.000 of wel direct vast te stellen of wel te verlenen en later ambtshalve vast te stellen. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling in te dienen. Hierdoor kan op de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. Kenmerkend is ook dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 10). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger. Een meer risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere risicoacceptatie. De verantwoordingsfocus bij kleine subsidies ligt op het leveren van de prestatie.

In het geval van directe vaststelling (eerste lid) worden bewijsstukken van de activiteit direct met de aanvraag meegestuurd. Ook als de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden kan dit worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie en risicoafweging van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering.

In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde termijn ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin rapportageverplichtingen worden opgelegd.

De subsidieontvanger dient desgevraagd, op een door het college in de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze bevoegdheid gebruik maken.

Artikel 14. Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. De wijze van verantwoording wordt bij de beschikking tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

Het tweede lid van artikel 14 bepaalt met welke documenten de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn uitgevoerd. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.

Bij subsidies van een beperkte omvang is het niet altijd nodig om een balans conform het tweede lid in te dienen. Hetzelfde geldt voor subsidies die voor een doel worden aangewend dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt, bijvoorbeeld de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger.

Voor dit soort subsidies is in het derde en vierde mogelijkheden geopend het college om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Bij de aanschaf van een speeltoestel bijvoorbeeld kan gedacht worden aan een foto. Bij een gehouden evenement aan een krantenartikel.

Artikel 15. Verantwoording subsidies vanaf € 50.000

Bij subsidies vanaf € 50.000 worden zwaardere eisen gesteld aan de verantwoording. Bij de financiële eindverantwoording wordt daarom in beginsel een goedkeurende controleverklaring van een accountant gevraagd. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en de gemaakte kosten.

Het college is niet verplicht om in alle gevallen te vragen om een controleverklaring. Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden.

Uitgangspunt is dat de verantwoordingslasten in verhouding moeten staan tot de hoogte van het subsidiebedrag.

Als er wordt gekozen voor het vragen van een controleverklaring door een onafhankelijke accountant is het van belang dat de subsidieontvanger en de accountant op de hoogte is van de beoogde wijze van verantwoorden en over de aspecten die in de controle worden betrokken. Daartoe is een controleprotocol door het college vastgesteld. Het controleprotocol wordt meegezonden met de subsidiebeschikking als het college een controleverklaring vraagt en is op grond van artikel 4:37, eerste lid onder f van de Awb een bindend voorschrift.

Sinds 2013 gelden voor het financiële jaarverslag ook de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet Normering Topinkomens. Elke instelling waarop de WNT van toepassing is en die valt onder regime 1 of 2, is verplicht om jaarlijks de bezoldiging van iedere topfunctionaris in het financieel jaarverslag op te nemen. Per topfunctionaris moet de bezoldiging worden vermeld op persoonsnaam, ongeacht een eventuele overschrijding van het bezoldigingsmaximum. Ook subsidierelaties die niet onder de WNT vallen met een subsidie van meer dan €50.000, wordt gevraagd om in de jaarrekening te rapporteren over de bezoldigingen.

Het college kan andere termijnen stellen. Zo wordt bij Verbonden Partijen een korte termijn voor verantwoording opnemen in de subsidiebeschikking. Immers op basis van Besluit Begroting Verantwoording is de gemeente sinds 2013 verplicht in de jaarrekening de (concept)jaarcijfers van de verbonden partij moet opnemen.

Artikel 16. Onderzoek

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van het gemeentelijke subsidiebeleid. Zij toetst bij de subsidieverstrekking de naleving van de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen. Het college kan besluiten om nader onderzoek te laten doen als zij dit wenselijk acht.

Ook de rekenkamer van de raad kan besluiten om nader onderzoek te doen. De rekenkamer heeft op basis van artikel 184 van de Gemeentewet al de bevoegdheid inlichtingen in te winnen over de jaarrekening en een onderzoek in te stellen bij privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente subsidie heeft verstrekt ten bedrage van ten minste vijftig procent van de baten van deze instelling, over de jaren waarop deze subsidie betrekking heeft. In lid 2 wordt de bevoegdheid van de rekenkamer uitgebreid naar alle subsidieontvangers.

De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek.

Artikel 17. Subsidievaststelling

Het eerste lid bevat de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.

Bij subsidieregeling kunnen categorieën van subsidieontvangers aanwijzen voor wie de subsidie ambtelijk wordt vastgesteld. Dus zonder dat hiervoor door de subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Dit wordt ambtelijke vaststelling genoemd. Hierdoor worden de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker beperkt. (derde lid)

In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Het vijfde lid geeft het college de bevoegdheid om een sanctie op te leggen bij het overschrijden van verantwoordingsverplichtingen en termijnen op te leggen. Indien niet tijdig een aanvraag tot vaststelling wordt gedaan zal de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn wordt gesteld om dit alsnog te doen. Doet hij dit vervolgens niet binnen deze termijn, dan zal het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling of bij de subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke staatssteunkader.

Artikel 19. Betaling en voorschot

In dit artikel wordt aangegeven binnen welke termijn de subsidie betaald zal worden en dat bij verlening een voorschot gegeven kan worden. In de Awb is bepaald dat als er voorschot wordt verleend, bepaald moet worden in welke termijnen dat gebeurd en welk bedrag (artikel 4:86 Awb) of eventueel alleen de manier waarop het voorschot wordt betaald (artikel 4:95 Awb).

Een voorschot kan verleend worden indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gesubsidieerde activiteiten zullen worden verricht. Het college heeft beleidsregels vastgesteld over het voorschot en betalingsbeleid.

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de subsidieregeling of de verleningbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De subsidieaanvrager hoeft dus geen aanvraag voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel de subsidieontvanger als de subsidieverstrekkende gemeente.

Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit is er voor gekozen om de termijnen waarop de (automatische) bevoorschotting plaats vindt niet in de verordening te noemen. Het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in verleningbeschikking vermeld.

Artikel 20. Vermogensvorming subsidieontvanger

Uitgangspunt is dat het opbouwen van vermogen met subsidiemiddelen niet wordt toegestaan. Het college kan een uitzondering maken wanneer de vorming van een bestemmingsfonds noodzakelijk is om het doel van de subsidie te verwezenlijken. De subsidieontvanger dient schriftelijk toestemming van het college te hebben en de subsidiemiddelen binnen 3 jaar inzetten voor de bestemming.

Artikel 21. Onvoorziene omstandigheden

Dit artikel kan niet worden toegelicht, omdat het onvoorzienbare omstandigheden betreft. Het gaat hierbij om omstandigheden waarin de verordening niet voorziet.

Artikel 22. Hardheidsclausule

De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen. De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.

Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft gekregen, dient dit beleid in de ASV of een subsidieregeling te worden neergelegd.

Artikel 23. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking en is van toepassing op alle aanvragen die na 1 januari 2014 wordt ontvangen. De verordening wordt bekendgemaakt in het gemeenteblad en gepubliceerd op overheid.nl. Op subsidieaanvragen die voor de inwerkingtreding zijn ingediend zijn de bepalingen van de Algemene Subsidie Verordening Zaanstad 2008 van toepassing.