Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Almelo

Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAlmelo
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016
CiteertitelBeleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

art. 4:81 Awb

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-09-2016Nieuwe beleidsregel

13-09-2016

gmb-2016-130642

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016

 

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft,

 

Overwegende dat het noodzakelijk is om beleidsregel op te stellen waarin in algemene termen wordt aangegeven in welke gevallen de gemeente Almelo de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) toepast;

 

Gelet op het bepaalde in:

  • de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

  • de Drank- en horecawet;

  • de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Almelo;

  • de Wet op de kansspelen;

  • de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche;

  • de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • de algemene subsidieverordening gemeente Almelo

  • allen voor zover deze betrekking hebben op het toepassen van de Wet Bibob;

 

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

 

  • 1.

    De definities in artikel 1.1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel, tenzij hiervan in het tweede lid wordt afgeweken.

  • 2.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      aanbestedende dienst: de gemeente Almelo;

    • b.

      aanvraag: de aanvraag om een beschikking respectievelijk het aanbod tot een overheidsopdracht, danwel de inschrijving en/of het aanbod waarmee wordt deelgenomen aan een aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht;

    • c.

      advies: het advies zoals bedoeld in artikel 9 van de wet;

    • d.

      beschikkingen en opdrachten: alle besluiten (beschikkingen en overheidsopdrachten) waarop de wet van toepassing is, zoals verleningen al dan niet onder voorschriften en/of beperkingen, weigeringen en intrekkingen van vergunningen of subsidies;

    • e.

      Besluit Bibob: het Besluit van 12 april 2003, houdende uitvoering van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

    • f.

      bestuursorgaan: de burgemeester respectievelijk het college van burgemeester en wethouders, dan wel het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • g.

      betrokkene: de aanvrager, de vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de subsidieontvanger;

    • h.

      Bibobtoets: de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij door het bestuursorgaan volgens deze beleidsregel wordt beoordeeld of er redenen ontleend aan de wet aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren respectievelijk de beschikking of opdracht in te trekken dan wel een advies aan te vragen (ook integriteitstoets);

    • i.

      Bibob-vragenformulieren: vragenlijsten waarin vragen als bedoeld in artikel 30 van de Wet Bibob zijn opgenomen;

    • j.

      Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob;

    • k.

      gegadigde: degenen die zich heeft gemeld voor een aanbestedingsprocedure teneinde een aanbieding te doen, of heeft ingeschreven op een aanbestedingsprocedure dan wel in onderhandeling is getreden met de gemeente als aanbestedende dienst;

    • l.

      indicatorenlijst: de door het Bureau ter beschikking gestelde lijst(en) die indicatoren bevat die aanleiding kunnen zijn tot het toepassen van de wet

    • m.

      integriteitstoets: de behandelwijze van een aanvraag welke na de reguliere toetsing plaatsvindt en waarbij volgens deze beleidsregel wordt beoordeeld of er aan de wet ontleende redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren respectievelijk de beschikking in te trekken dan wel een advies te vragen;

    • n.

      loonkostensubsidie/aanvulling loonwaarde1: een financiële vergoeding ter compensatie van een deel van de loonkosten voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een werknemer uit de doelgroep welke is gebaseerd op het verschil tussen de gemeten loonwaarde van de werknemer in zijn functie en het minimumloon;

    • o.

      onderaannemer: een derde aan wie een deel van de overheidsopdracht in onder-aanneming is of zal worden gegeven door degenen aan wie de overheidsopdracht is of zal worden gegund

    • p.

      overheidsopdracht: overheidsopdracht zoals bedoeld in artikel 1, sub j van de Wet Bibob;

    • q.

      paracommerciële instelling: rechtspersonen, anders dan een NV of een BV, die een horecabedrijf uitoefenen en zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Het betreft dus instellingen zoals dorps- en buurthuizen en bijvoorbeeld sportkantines;

    • r.

      reguliere toetsing: toetsing van de aanvraag, vergunning, opdracht of overeenkomst aan (wettelijke) gronden die niet op de wet berusten;

    • s.

      Wabo-aanvraag: de aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • t.

      wet: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

 

Artikel 2. Doel

  • 1.

    De gemeente beoogt met toepassing van de wet te voorkomen dat zij criminele activiteiten faciliteert waardoor de veiligheid, de leefbaarheid, de rechtsorde of de bestuurlijke slagkracht worden aangetast.

  • 2.

    Deze beleidsregel heeft tot doel duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop het bestuursorgaan de wet Bibob toepast.

 

Hoofdstuk 2. Toepassingsbereik

Artikel 3. Categorieën

 

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregel daarover is bepaald, de wet toepassen met betrekking tot:

A. beschikkingen, zoals bedoeld in:

 

I. artikel 3 van de Drank- en Horecawet

artikel 4 van de Drank- en Horecawet (para-commerciële instellingen) indien:

  • sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

II. artikel 7 van de Wet Bibob j° artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening

exploitatievergunning horecabedrijf, op grond van: artikel 7 van de Wet Bibob j° artikel 3:4 en 3:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

exploitatievergunning voor seksinrichtingen en/of escortbedrijven, op grond van: artikel 7 van de Wet Bibob j° artikel 2:79 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

evenementenvergunning voor de door de burgemeester aan te wijzen categorieën van vechtsportwedstrijden of – gala’s of andersoortige evenementen waarbij sprake is van risico’s op criminele facilitering.

 

III. artikel 2.1, eerste lid, onder a, e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, indien het betreft vergunningaanvragen die worden gedaan voor:

omgevingsvergunning (milieu) voor het oprichten van de inrichting, het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking van een inrichting indien:

sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (bouwen), waarbij de aanneemsom exclusief BTW (bouwkosten) meer bedraagt dan € 500.000 dan wel sprake is van bouwactiviteiten met een aanneemsom exclusief BTW boven

€ 50.000 welke betrekking hebben op de volgende risicocategorieën: horeca, prostitutie/seksinrichtingen/escortbedrijven, speelautomatenhallen en coffeeshops.

 

B. subsidies:

loonkostensubsidie oftewel de aanvulling loonwaarde, indien:

  • sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

  • 2.

    Het bestuursorgaan past, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregel daarover is bepaald, eveneens de Wet Bibob toe met betrekking tot de intrekking van de in het eerste lid genoemde beschikkingen respectievelijk de ontbinding van de in het eerste lid genoemde overeenkomsten.

  • 3.

    Bij opdrachten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b, zal het bestuursorgaan bedingen dat de overeenkomst kan worden ontbonden op gronden ontleend aan de Wet Bibob. Ook kan het bestuursorgaan bedingen dat onderaannemers alleen met toestemming van de gemeente kunnen worden gecontracteerd en dat in dat kader een advies kan worden gevraagd.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op aanvragen van andere overheden en semioverheidsorganisaties (o.a. door de minister toegelaten woningcorporaties).

  • 5.

    Het bestuursorgaan kan bepalen de Wet Bibob niet toe te passen indien het bestuursorgaan in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aan dezelfde betrokkene eenzelfde vergunning heeft verleend in verband waarmee een vragenlijst als bedoeld in artikel 5 is ingevuld én indien sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.

 

Artikel 4. Toepassing en bijzondere situaties

 

  • 1.

    Het bestuursorgaan past de Wet Bibob altijd toe in de in artikel 3, lid 1, sub a onder II genoemde categorieën.

  • 2.

    Het bestuursorgaan past de Wet Bibob toe in de overige in artikel 3 genoemde categorieën in die gevallen dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden dan wel er aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Er is in elk geval aanleiding om de Wet Bibob toe te passen, indien:

    • a.

      op basis van de door de gemeente (op basis van de beschikbare informatie) ingevulde indicatorenlijst aanwijzingen zijn dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

    • b.

      de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

    • c.

      in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

 

Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag om vergunning

Artikel 5. Vragenlijst

 

  • 1.

    In alle in artikel 4 omschreven gevallen moet betrokkene naast de reguliere aanvraag- en/of vragenformulieren ook Bibob-vragenformulieren invullen.

  • 2.

    Het bestuursorgaan maakt gebruik van de door het Bureau ter beschikking gestelde vragenformulieren en Indicatorenlijsten.

  • 3.

    Weigering om de in het eerste lid bedoelde Bibob-vragenformulieren in te vullen en/of het niet volledig invullen van de Bibob-vragenformulieren kan een grond opleveren om de aanvraag buiten behandeling te laten of de beschikking te weigeren.

 

Artikel 6. Onderzoek

 

  • 1.

    Het onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de wet bestaat uit:

  • a.

    het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking of een opdracht en in dat kader overgelegde gegevens, mede aan de hand van bij het bestuursorgaan bekende feiten en omstandigheden, alsmede aan de hand van de ingevulde Indicatorenlijst;

  • b.

    het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie die al dan niet door middel van het in het vorige artikel bedoelde vragenlijsten en de daarbij te voegen bijlagen is verstrekt door de aanvrager en de gegevens die zijn verkregen uit informatiebronnen die het bestuursorgaan volgens de wet kan raadplegen.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan zich bij het onderzoek laten ondersteunen door het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Oost-Nederland.

  • 3.

    Indien het onder b. bedoelde onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar dat de in artikel 3 van de wet bedoelde feiten zich zullen voordoen wordt een advies als bedoeld in artikel 9 van de wet ingewonnen bij het Bureau.

  • 4.

    Het voornemen om een advies te vragen aan het Bureau wordt gemotiveerd.

 

Artikel 7. Informatieplicht

 

  • 1.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 8.

  • 2.

    In het geval het bestuursorgaan overgaat tot het aanvragen van een advies aan het Bureau, voegt het een afschrift van het schrijven als bedoeld in het eerste lid toe aan de adviesaanvraag.

 

Artikel 8. Adviestermijn

  • 1.

    Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, wordt op grond van artikel 31 van de Wet Bibob de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 van de Wet Bibob.

  • 2.

    Indien het Bureau het advies niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid, van de Wet Bibob de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de in het derde lid van voornoemd artikel genoemde termijn.

  • 3.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het tweede lid.

 

 

Hoofdstuk 4. Besluitvorming

Artikel 9. Beschikking

 

  • 1.

    Het bestuursorgaan gaat over tot het negatief beschikken op de aanvraag of gunning op grond van de Wet Bibob, indien sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

  • 2.

    Indien het bestuursorgaan voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op grond van de Wet Bibob, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijzen in te brengen.

Het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die een advies ontvangt, kan dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

 

 

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 10. Inwerkingtreding

 

Deze beleidsregel treedt in werking de dag nadat zij zijn bekend gemaakt in het digitale gemeenteblad.

 

 

Artikel 11. Citeertitel

 

Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregel Wet Bibob gemeente Almelo 2016.

 

 

Aldus vastgesteld door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft.

burgemeester

J.H.M. Hermans-Vloedbeld

gemeentesecretaris

F.W. Van Ardenne

Almelo, 13 september 2016

TOELICHTING BIJ DE BELEIDSREGEL BIBOB GEMEENTE ALMELO

 

 

 

1. Inleiding

 

1.1Algemeen

Op 1 juni 2003 is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en het daarbij behorende Besluit Bibob in werking getreden. Deze wet stelt bestuursorganen in staat ongewilde facilitering door de overheid van criminele activiteiten tegen te gaan. De wet maakt het hierbij mogelijk bepaalde vergunningen (o.a. drank- en horeca, coffeeshops, bouw- en milieuvergunning) en subsidies te weigeren of in te trekken als er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning of de subsidie wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of het ‘witwassen’ van geld. In de wet is tevens een mogelijkheid opgenomen voor aanbestedende diensten om opdrachten niet te gunnen, indien hier eveneens sprake is van een ernstig gevaar.

 

1.2 Waarom een beleidsregel

Het is de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om het Bibob-instrument toe te passen. Vanwege de grote mate van bestuurlijke keuzevrijheid bij de toepassing van de Wet Bibob verdient het de voorkeur dat de toepassing plaatsvindt op basis van een beleidsregel, waarin het bestuursorgaan aangeeft op welke wijze de Wet Bibob gemeentebreed door het bestuursorgaan toegepast zal worden. Dit schept duidelijkheid naar de burgers en ondernemingen en voorkomt willekeur. De gemeente Almelo heeft sinds 2003 een beleidslijn voor de uitvoering van de Wet Bibob. De aanpassing van de Wet Bibob per 1 juli 2013 vraagt om actualisering van deze beleidslijn.

 

De afweging om tot een Bibob-onderzoek over te gaan, dient – juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument - weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen. Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol.

 

De toepassing van de Wet Bibob is slechts één van de middelen binnen de bestuurlijke aanpak van (georganiseerde) criminaliteit. De wetgever heeft bestuursorganen een instrument in handen gegeven, maar heeft daarbij tevens aangegeven, dat het instrument slechts mag worden ingezet als ultimum remedium. Het komt aan bod als andere instrumenten - zoals handhaving van bestaande regelgeving en bestaand beleid onvoldoende resultaat leveren.

 

Overigens wordt benadrukt dat de beleidsregel een algemeen kader bieden. Vanwege de complexiteit van de wet en de diversiteit van aanvragen om vergunningen blijft maatwerk noodzakelijk en kan indien dit de toepassing en het doel van de Wet Bibob ten goede komt worden afgeweken van het algemene kader.

 

1.3 Bevoegdheden

Ten aanzien van de genoemde vergunningen geldt dat het bestuursorgaan in deze zowel het college van burgemeester en wethouders als de burgemeester kan zijn. De burgemeester van Almelo heeft besloten dit beleid tevens van toepassing te verklaren ten aanzien van de vergunningen, die onder zijn gezag vallen. Ter voorkoming van misverstanden en omwille van de leesbaarheid wordt in vervolg gesproken over het “bestuursorgaan”, waarmee dus zowel het college als de burgemeester kan worden bedoeld.

 

1.4 Wet Bibob

In hoofdlijnen regelt de wet twee zaken. Ten eerste wordt het mogelijk om bepaalde vergunningen en subsidies te weigeren, bestaande beschikkingen in te trekken of gunning van een opdracht uit te sluiten wegens – globaal gezegd – misbruik ervan. Ten tweede voorziet de wet in een landelijk Bureau Bibob dat bestuursorganen desgevraagd adviseert over de mate van gevaar dat er sprake is van misbruik van de gevraagde beschikking en daartoe screeningen kan gaan uitvoeren.

Op grond van artikel 3 Wet Bibob kan een bestuursorgaan een beschikking weigeren of intrekken wanneer:

  • 1.

    sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het uit gepleegde strafbare feiten op geld waardeerbare voordelen te benutten;

  • 2.

    sprake is van een ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor het plegen van strafbare feiten;

  • 3.

    feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd;

  •  

1.5 Begrip aanvrager

Een centraal begrip in de Wet Bibob is ‘betrokkene’. Dit is degene die het besluit van de overheid vraagt of heeft gevraagd, bijvoorbeeld over het verlenen van een vergunning. Dit kan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zijn. Vaak is de betrokkene de vergunninghouder of –aanvrager, maar afhankelijk van het besluit kan de betrokkene bijvoorbeeld ook een subsidieaanvrager of een verhuurder van vastgoed zijn.

 

In een beoordeling op grond van de Wet Bibob worden ten eerste de strafbare feiten betrokken die (vermoedelijk) door de betrokkene zelf zijn begaan. Bij de beoordeling van de mate van gevaar wordt ook rekening gehouden met de strafbare feiten die (vermoedelijk) zijn begaan door (rechts)personen die direct of indirect leiding geven aan de betrokkene. Deze leidinggevenden zijn in de praktijk hoofdzakelijk bestuurders, maar soms worden ook andere personen als leidinggevenden aangemerkt, bijvoorbeeld bedrijfsleiders.

 

Strafbare feiten die (vermoedelijk) zijn gepleegd door personen die direct of indirect zeggenschap hebben over de betrokkene kunnen ook in de beoordeling worden betrokken. De betrokkene is hierbij in principe een rechtspersoon. Zeggenschap ligt hier bij de (indirecte) aandeelhouders. Is sommige gevallen wordt een ander als (feitelijk) zeggenschap hebbende aangemerkt.

 

De betrokkene staat ook in relatie tot (de strafbare feiten die al dan niet vermoedelijk zijn gepleegd door) degenen die hem vermogen verschaffen. Vermogen verschaffen kan op verschillende wijzen. Een financier kan bijvoorbeeld een geldlening hebben verstrekt, een bedrag hebben geschonken of iets op afbetaling hebben verkocht. Daarnaast kunnen ook aandeelhouders – gezien hun aandelenkapitaal – als financiers van een rechtspersoon worden aangemerkt.

 

De betrokkene staat in relatie tot (de strafbare feiten die al dan niet vermoedelijk gepleegd zijn door) degenen tot wie hij in een ‘zakelijk samenwerkingsverband’ staan. Dit begrip komt alleen voor in het kader van de Wet Bibob en is geïntroduceerd om op te kunnen treden tegen stroman- en katvangerconstructies. Het begrip omvat echter meer dan alleen deze constructies. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat er voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband sprake moet zijn van:

  • een zakelijke relatie;

  • die gericht is op samenwerking en

  • een zeker duurzaam en structureel karakter heeft.

 

In de praktijk bestaat (de motivering) van een zakelijk samenwerkingsverband doorgaans uit meerdere elementen. Zo kan het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband bijvoorbeeld worden aangenomen indien sprake is van een huurrelatie, het gezamenlijk exploiteren van gokautomaten, financiële banden of gezamenlijke deelneming in ondernemingen. Ook kan het bestaan van familie- of huwelijksband in de beoordeling worden meegewogen.

 

1.6 Algemeen toepassingsbereik Wet Bibob

De wet Bibob geldt voor een beperkt aantal soorten vergunningen en een beperkt aantal sectoren of branches. Deze vergunningen, sectoren of branches zijn genoemd in de Wet Bibob of in het bij de wet behorend Besluit Bibob. In deze beleidsregel wordt alleen ingegaan op het toepassingsbereik van de Wet Bibob welke van toepassing is voor de bestuursorganen van de gemeente.

 

Vergunningen

Waar het gaat om uitvoering van rijksregelgeving vallen vergunningen in het kader van de Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting en de Drank- en Horecawet onder de werking van de Wet Bibob.

 

In het Besluit Bibob worden lokale vergunningen als de exploitatievergunning voor horeca (droge en natte horeca), de vergunningen voor seksinrichtingen/ escortbedrijven, speelautomatenhallen, coffee- en smartshops en evenementenvergunningen (voor zover er sprake is van risico’s op criminele facilitering bij de verlening van een evenementenvergunning) onder de werking van de wet gebracht.

 

Subsidie

Ook op subsidieverstrekkingen is de Wet Bibob van toepassing. Anders dan bij vergunningen biedt de wetgever geen limitatieve lijst van soorten subsidieregelingen die onder de werking van de Wet Bibob vallen. Subsidieverstrekkers die gebruik willen maken van de extra weigering- en intrekkingsgronden, kunnen zelf de desbetreffende subsidieregelingen aanpassen.

 

Daarbij bestaat een onderscheid tussen: subsidieregelingen die bij of krachtens de wet geregeld zijn en individuele subsidieregelingen die niet bij of krachtens de wet geregeld zijn. Voor de subsidieregelingen die bij wet geregeld zijn, heeft de wetgever al een keuze gemaakt of de Wet Bibob van toepassing is.

 

Voor toepassing van de Wet Bibob bij gemeentelijke subsidieregelingen is toestemming van de ministers van Veiligheid en Justitie vereist. De toestemming wordt alleen geweigerd indien de toepassing van het Bibob-instrument een onevenredig zwaar middel zou zijn ten opzichte van het belang dat moet worden gehecht aan de desbetreffende subsidie(s).

 

Overheidsopdrachten

De branches waarbinnen overheidsopdrachten kunnen worden geweigerd op grond van de wet zijn beperkt tot de ICT-, de bouw- en de milieusectoren. Bij de aanbestedingsprocedures wordt aangesloten bij de Europese richtlijnen en kan met behulp van een advies van het landelijk Bureau Bibob nadere invulling worden gegeven aan de daarin vermelde uitsluitingsgronden.

 

Met de inwerkingtreding van de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob per 1 juli 2013 is het toepassingsbereik uitgebreid met:

Vastgoed- en grondtransacties waar de overheid betrokken is als civiele partij:

een overeenkomst of een andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak met als doel:

1º. het verwerven of vervreemden van een recht op eigendom of het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht;

2º. huur of verhuur;

3º. het verlenen van een gebruikrecht; of

4º. de deelname aan een rechtspersoon, een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot die onroerende zaak heeft of die onroerende zaak huurt of verhuurt.

  • 1.

    Specifieke vergunningen uit de Woningwet;

  • 2.

    Relevante vergunningen op grond van gemeentelijke verordeningen;

  • 3.

    Alle subsidies zonder toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie;

  • 4.

    Vergunningen in het kader van uitvoer, doorvoer en overdracht van strategische goederen en diensten;

  • 5.

    Vuurwerkimportvergunningen;

  • 6.

    Exploitatievergunningen voor speelautomaten.

Na inwerkingtreding van de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche zal de vergunningplicht bij wet geregeld worden en vervalt de grondslag uit de gemeentelijke verordening.

 

2. Uitgangspunten beleidsregel Wet Bibob

 

2.1 Subsidiariteit- en proportionaliteitsbeginsel.

Op basis van de Memorie van Toelichting van de Wet Bibob zijn de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de wet. Het instrument Bibob dient dan ook een ultimum remedium te zijn. Daarom bekijkt het bestuursorgaan eerst zelf of er geen bestaande weigerings- en/of intrekkingsgronden aanwezig zijn. Deze bestaande weigerings- en/of intrekkingsgronden hebben namelijk ook betrekking op de integriteit van de aanvrager of vergunninghouder.

 

Te denken valt bijvoorbeeld aan de eis “niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn” of de eisen van het ‘Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet’.

 

Op de tweede plaats dient het bestuursorgaan te onderzoeken of zij niet zelfstandig de Wet Bibob kan toepassen. Dit vindt plaats met behulp van de in artikel 30 van de Wet Bibob omschreven aanvraagformulieren. Hierin wordt onder meer gevraagd wie de leidinggevenden dan wel vermogensverschaffers van betrokkene(n) zijn, en wie de eventuele onderaannemer is en wat de wijze van financiering is.

 

Wanneer een bestuursorgaan zelf voldoende informatie heeft weten te verzamelen waaruit blijkt dat er sprake is van een situatie als omschreven in artikel 3 van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan rechtstreeks overgaan tot weigering of intrekking van de vergunning.

 

Het niet meewerken aan het invullen van het Bibob-vragenformulier mag hierbij overigens door het bestuursorgaan worden uitgelegd als een ernstig gevaar op crimineel misbruik en kan dus direct leiden tot intrekking of weigering van de vergunning.

 

2.2 Evenredigheidsbeginsel

De wetgever heeft in artikel 3 van de Wet Bibob eveneens tot uiting gebracht dat de weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, slechts plaats vindt indien deze evenredig is met de mate van gevaar en voor zover het ernstige gevaar als bedoeld in artikel 3 de ernst van de strafbare feiten betreft (zie artikel 3, vijfde lid Wet Bibob). Hiermee wordt bedoeld dat de strafbare feiten die aan de orde zijn, betrekking dienen te hebben op activiteiten waarvoor de vergunning of subsidie wordt of is aangevraagd. Iemand die bijvoorbeeld ooit is veroordeeld voor winkeldiefstal, kan niet om die reden een omgevingsvergunning worden geweigerd.

 

2.3 Geheimhouding

Vanwege de aard van de gegevens en de diversiteit aan bronnen waaruit door het Landelijk Bureau Bibob kunnen worden geput, dient met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de personen waarover het Landelijk Bureau Bibob gegevens heeft verzameld, een zeer stringent regime te worden gehanteerd ten aanzien van de verstrekking van die persoonsgegevens. De Wet Bibob kent dan ook een gesloten verstrekkingenregime.

Dit houdt in dat de persoonsgegevens die het Landelijk Bureau Bibob heeft geregistreerd, niet worden verstrekt buiten de gevallen om die in de wet Bibob expliciet zijn geregeld (artikel 28 Wet Bibob). De geheimhoudingsplicht geldt voorts voor eenieder die op basis van de Wet Bibob de beschikking krijgt over persoonsgegevens. Als zodanig geldt de geheimhoudingsplicht dus zowel voor de medewerkers van het Landelijk Bureau Bibob, het bestuursorgaan dat om een advies heeft verzocht en zijn ambtenaren en voor de betrokkene die in de motivering van de hem betreffende beslissing in voorkomend geval persoonsgegevens inzake derden kan aantreffen.

 

Het advies van het bureau zal worden gebruikt ter onderbouwing van de uiteindelijke beslissing omtrent de verlening dan wel intrekking van de vergunning. Slechts gegevens die noodzakelijk zijn ter motivering van de beschikking, zullen worden bekend gemaakt aan de betrokkene en worden opgenomen in de beslissing op de aanvraag.

 

Indien betrokkene gebruik wenst te maken van zijn recht een zienswijze in te dienen bij een negatieve beschikking2, heeft hij wel recht op inzage van het gehele advies. Gegevens over derden, die noodzakelijk zijn ter motivering van de beschikking kunnen door die derden (betrokkenen) eveneens worden ingezien, maar dan alleen die passages die rechtstreeks op hen betrekking hebben.

 

Op grond van het gestelde in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur vallen diverse in het kader van de Wet Bibob verstrekte gegevens niet onder de algemene informatieverstrekking-plicht van die wet. De in het kader van de Wet Bibob vergaarde informatie valt ook onder de werking van de Wet bescherming persoonsgegevens.

 

2.4 Administratieve lasten

Het toepassen van het Bibob-instrumentarium zorgt voor een lastenverzwaring bij de aanvrager, deze zal immers meer gegevens bij de aanvraag om een beschikking moeten overleggen.

 

Indien daadwerkelijk wordt overgegaan tot het aanvragen van een advies bij het Landelijk Bureau Bibob zal tevens de termijn waarbinnen een beslissing op de aanvraag wordt genomen worden opgeschort. Dit staat haaks op het streven te komen tot een lastenverlichting voor burgers en bedrijven en een snellere doorlooptijd van het afhandelen van aanvragen.

 

Algemeen uitgangspunt van de beleidslijn is dat de aanvrager niet onnodig wordt belast met allerlei procedures en uitgebreide formulieren, indien dit niet noodzakelijk is.

 

Dit betekent dat met het toepassen van het Bibob-instrumentarium terughoudend zal worden omgegaan. Een effectieve toepassing van het Bibob-instrumentarium is gediend met een selectieve inzet hiervan.

 

Door de Wet Bibob alleen van toepassing te verklaren op risicovolle branches dan wel gebieden of sectoren, worden administratieve lasten beperkt.

 

2.5 Financieel

Het beoordelen van aanvragen of subsidies in het kader van de Wet Bibob heeft financiële gevolgen voor de gemeente. Ook een aanvraag om advies aan het Landelijk Bureau Bibob brengt kosten met zich mee.

 

De Wet Bibob wordt niet in medebewind uitgevoerd; het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat artikel 108, 3e lid van de Gemeentewet niet van toepassing is en de kosten voor gemeenten voor het toepassen van het Bibob-instrumentarium niet door het Rijk worden gecompenseerd.

 

 

 

Verdiscontering kosten in leges

Ingevolge artikel 229, 1e lid, aanhef en onder b van de Gemeentewet kunnen “rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur te verstrekte diensten”.

De verwachte kosten voor toepassing van het Bibob-instrumentarium zullen worden verdisconteerd in de leges op die vergunningen waarop de Wet Bibob van toepassing is.

 

3. Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

 

In de beleidsregel wordt een aantal definities beperkter gedefinieerd dan in de Wet Bibob. Het gaat om de definities ‘beschikkingen en opdrachten’ en ‘betrokkene’. De genoemde begrippen worden in de beleidsregel beperkt uitgelegd, vanwege de in de beleidsregel gemaakte keuze de Wet bibob niet in zijn geheel toe te passen.

 

In de beleidsregel wordt verder gebruik gemaakt van een aantal nieuwe definities. Het gaat om de definities ‘aanvraag’, ‘bestuursorgaan’ en ‘Bibobtoets’. Het begrip ‘aanvraag’ wordt ruim uitgelegd en omvat zowel de aanvraag om een beschikking te nemen als het aanbod tot een overheidsopdracht.

 

Het begrip ‘loonkostensubsidie’, tegenwoordig aanvullende loonwaarde genoemd, is overgenomen uit de ‘Beleidsregel stimuleren werkbemiddeling 2014’.

 

Hoofdstuk 2: Toepassingsbereik

 

Artikel 3 lid 1: Categorieën

 

In beginsel heeft de wetgever in het kader van het proportionaliteit- en subsidiariteitbeginsel reeds een afweging gemaakt in de toepassingsgebieden van de Wet Bibob. De sectoren/ activiteiten zoals deze benoemd zijn in de Wet Bibob zijn door hun aard en omvang en eigenschappen kwetsbaar voor criminele infiltratie. Het Bibob-instrument speelt hierbij een rol waar het gaat om het tegengaan van de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld, waarbij er geen andere instrumenten zijn om deze problematiek effectief aan te pakken.

 

De volgende overwegingen hebben ten grondslag gelegen voor het aanwijzen van sectoren, activiteiten en/ of gebieden waarop het Bibob-instrumentarium van toepassing wordt verklaard:

  • het risico van criminele infiltratie bij bepaalde sectoren;

  • landelijke en lokale ervaringen met het toepassen van het Bibob-instrumentarium;

  • de aanwezigheid van bepaalde sectoren binnen de gemeente;

  • de aanwezigheid van bepaalde risicogebieden binnen de gemeente;

  • de afwezigheid van mogelijkheden om deze sectoren, activiteiten en/ of gebieden op andere wijzen vooraf te toetsen aan mogelijke risico’s op criminele infiltratie;

 

A. Beschikkingen

 

I Drank- en horecawetvergunning

Wettelijke grondslag: artikel 3 Drank- en horecawet

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en horecawet voor het uitoefenen van een horecabedrijf.

 

 

Wettelijke grondslag: artikel 4 Drank- en horecawet

Para-commerciële instellingen

Instellingen als genoemd in artikel 4 van de Drank- en horecawet vallen niet onder de beleidsregel Bibob, tenzij:

 

  • 1.

    sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 2.

    de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 3.

    in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

  •  

Toelichting:

Uit onderzoek naar de dreiging van de georganiseerde misdaad in bepaalde economische sectoren, dat op verzoek van de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa door onderzoeksgroep Fijnaut is uitgevoerd blijkt dat de horecabranche gevoelig is voor criminele invloeden. Daarnaast worden vergunningen veelvuldig gewijzigd en veelvuldig vinden in deze branches wisselingen (lees ook: transacties) plaats van ondernemers. De kans dat daarmee criminele activiteiten zijn gemoeid is daardoor groter.

 

Voor para-commerciële instellingen, zoals buurthuizen, sportkantines, e.d. is het risico op criminele infiltratie minder aanwezig. De afgelopen jaren is echter een verschuiving waarneembaar waarbij criminele infiltratie plaatsvindt, bijvoorbeeld door middel van sponsoring aan lokale sportverenigingen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat buurthuizen, jongerencentra, e.d. gebruikt worden voor bijvoorbeeld illegale gokactiviteiten. In dit kader is een vangnetregeling opgenomen ten aanzien van para-commerciële bedrijven.

 

Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval kan gebruik worden gemaakt van een door het Bureau Bibob ter beschikking gestelde lijst die indicatoren bevalt op basis waarvan een beoordeling kan worden gemaakt van het specifieke geval.

 

IIVergunningen op grond van artikel 7 Wet Bibob

 

Exploitatievergunning horecabedrijf

Wettelijke grondslag: Algemene plaatselijke verordening (APV)

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op vergunning ingevolge artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) voor het exploiteren van een inrichting waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.

 

Toelichting:

Ook coffeeshops vallen onder deze exploitatievergunning (rookwaren). Daarnaast geldt voor coffeeshops nog een gedoogverklaring. Deze valt echter niet onder de werking van de Wet Bibob, omdat de exploitatievergunning hier al in voorziet.

 

Exploitatievergunning voor seksinrichtingen, escortbedrijven en sekswinkels

Wettelijke grondslag: Algemene plaatselijke verordening (APV)

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op vergunning ingevolge artikel 3:4 en 3:10 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) voor het exploiteren van een inrichting waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden, of een natuurlijke persoon, een groep van natuurlijke personen of een rechtspersoon die bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen verricht of seksuele diensten aanbiedt in een andere ruimte dan de bedrijfsruimte.

 

Toelichting:

In de seksbranche vinden nog steeds veel misstanden plaats, zoals gedwongen prostitutie en mensenhandel. Ook is deze branche gevoelig voor andere criminele activiteiten, waaronder vastgoedfraude, witwassen. Daarnaast vindt betaling in deze branche in het algemeen plaats met contact geld en is de wijze van aansturing en zeggenschap over personen vaak ondoorzichtig.

 

Na inwerkingtreding van de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche is de grondslag voor vergunningverlening artikel 9 van die wet.

 

 

Evenementenvergunning

Wettelijke grondslag: Algemene plaatselijke verordening (APV)

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op een natuurlijk persoon, een groep van natuurlijke personen of een rechtspersoon die bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, evenementen organiseert, in de door de burgemeester aan te wijzencategorieën van vechtsportwedstrijden of –gala’s of andersoortige evenementen waarbij sprake is van risico’s op criminele facilitering bij de verlening van een evenementenvergunning. De wettelijke grondslag is gelegen in artikel 2:25 van de APV.Daarbij dient aangetoond te worden dat de specifieke tak van evenementen vatbaar is voor criminele beïnvloeding, bijvoorbeeld door een bestuurlijke rapportage van de politie of criminaliteitsanalysen door het RIEC ON

 

Toelichting:

Voor zover evenementen in horeca-inrichtingen worden georganiseerd door gevestigde horecaondernemers vallen deze al onder de Wet Bibob. Uit rapportages van de politie Amsterdam en de Dienst Nationale Recherche blijkt dat bij sommige evenementenvergunningen, waaronder die voor vechtsportwedstrijden en -gala’s, georganiseerde criminaliteit wordt gefaciliteerd en dat sprake is van vermenging van de onder- en bovenwereld. Hier valt vooral de rol van de organisatoren en sponsors op. Daarbij bestaat het risico dat de te verlenen evenementenvergunning mede zal worden gebruikt om wederrechtelijk verkregen vermogen te investeren, hetgeen niet denkbeeldig is bij de organisatie van een evenement van enige omvang.

 

De gemeente zal moeten kunnen aantonen dat de specifieke tak van evenementen vatbaar is voor criminele beïnvloeding, bijvoorbeeld door middel van bestuurlijke rapportages van de politie of criminaliteitsbeeldanalyses. Criminaliteitsbeeldanalyses worden doorgaans opgesteld door de politie, het openbaar ministerie, het RIEC al dan niet tesamen met het bestuur. Daarbij worden trends en ontwikkelingen in criminaliteit in beeld gebracht. Op basis van dergelijke analyses kan de burgemeester bepaalde categorieën evenementen aanwijzen, waarop de beleidsregel Bibob van toepassing is.

 

 

IIIOmgevingsvergunningen

 

Omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting (milieu)

Wettelijke grondslag: artikel 2.1, eerste lid, onder e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO)

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op vergunningen ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het oprichten, het veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting indien:

  • 1.

    sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 2.

    de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 3.

    in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

 

Toelichting:

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft op verzoek van de commissie Van Traa onderzoek gedaan naar de dreiging van georganiseerde misdaad in bepaalde sectoren.

Uit onderzoeken lijkt het gerechtvaardigd de aandacht voor milieuactiviteiten te richten op de zogenaamde risicobranches:

  • Afvalverwerkingsbedrijven

  • Grond(verzet)bedrijven, inclusief de grondbanken

  • Autoherstel/ -demontagebedrijven

  • Recyclingbedrijven (inclusief witgoedhandelaren)

  • Transportsector

  • Op- en overslagbedrijven

  • Vuurwerkhandel

  • Bedrijven voor het duurzaam opwekken van energie (mede door de vele subsidiestromen die hieraan gekoppeld zijn)

 

Bedrijven die vallen onder de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets

Deze categorie bedrijven, voor zover deze niet onder een van hiervoor benoemde branches vallen, zijn o.a. vanwege het kunnen toepassen van de Wet Bibob vergunningplichtig gemaakt. Hiermee worden deze categorie bedrijven als risicovol aangemerkt.

 

Risicogebieden en risicovolle aanvragers

Op basis van een handhavingsverleden of op basis van indicaties bij de aanvraag van de vergunning dient het mogelijk te zijn te besluiten tot het verplicht invullen van een Bibob-vragenformulier bij andere dan bovenstaande omgevingsvergunningen m.b.t. milieu. Daarnaast moet de mogelijkheid er zijn om in het kader van een zogenaamde “integrale aanpak van verloedering/ overlast,/onveiligheid buurten te benoemen waar het Bibob-instrumentarium op nader te bepalen categorieën binnen de omgevingsvergunning, of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen.

 

Vaak zie je dat op bepaalde industrieterreinen een clustering is van bepaalde bedrijfsactiviteiten, onder andere vanwege het bestemmingsplan. Ook de aanwezigheid van een haven of de ligging aan een snelweg kunnen bepalend zijn voor het vestigen van bepaalde bedrijvigheid. Bedrijven die geen omgevingsvergunning nodig hebben, maar op grond van de Wabo onder Algemene Maatregelen van Bestuur vallen (meldingsplichtige inrichtingen) vallen buiten het bereik van de Wet Bibob en vallen daarom ook buiten deze beleidsregel.

 

Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval kan gebruik worden gemaakt van een door het Bureau Bibob ter beschikking gestelde lijst die indicatoren bevat op basis waarvan een beoordeling kan worden gemaakt van het specifieke geval.

 

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (bouwen)

Wettelijke grondslag: artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO)

 

De beleidsregel Bibob van toepassing op vergunningen ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwen van een bouwwerk, waarbij de bouwkosten meer bedragen dan € 500.000,-.

 

De beleidsregel Bibob is eveneens van toepassing op vergunningen ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwen van een bouwwerk, waarbij de bouwkosten meer bedragen dan € 50.000,- en het bouwwerk valt onder de volgende risicocategorieën:

  • Horecabranche;

  • Prostitutiebranche (seksinrichtingen, escortbedrijven, seksbioscopen, sekswinkels, massagesalons);

  • Speelautomatenhallen;

  • Coffeeshops.

 

Toelichting:

Het toepassen van de Wet Bibob voor de omgevingsvergunning onderdeel Bouwen, kan – gelet op de risico’s- op verschillende wijzen plaatsvinden. Er zijn gemeenten die het toepassen van de Wet Bibob baseren op risicovol gebruik van het bouwwerk, gebieden aanwijzen, bepaalde bouwsommen hanteren of een combinatie hiervan.

 

Bouwsom

Bouwactiviteiten met een aanneemsom vanaf € 500.000 (exclusief BTW) vallen altijd onder de beleidsregel Bibob;

 

Risicocategorieën

Bouwactiviteiten met een aanneemsom vanaf € 50.000 (exclusief BTW) vallen eveneens onder de beleidsregel wanneer de bouwactiviteit betrekking heeft op een aantal specifiek benoemde risicocategorieën die gevoelig worden geacht voor criminele invloeden.

 

Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval kan gebruik worden gemaakt van een door het Bureau Bibob ter beschikking gestelde lijst die indicatoren bevat op basis waarvan een beoordeling kan worden gemaakt van het specifieke geval.

 

B. Subsidies

 

Wettelijke grondslag: artikel 6, eerste lid van de Wet Bibob

 

De beleidsregel Bibob is van toepassing op subsidies welke ingevolge de (algemene) subsidieverordening van de gemeente Almelo zijn aangewezen als subsidies welke vallen onder de werking van de Wet Bibob. Het betreft hier de volgende subsidie:

 

De loonkostensubsidie/aanvulling loonwaarde

De loonkostensubsidie oftewel de aanvulling loonwaarde indien:

 

  • 1.

    sprake is van een bijzonder geval waarbij aanleiding bestaat voor het vermoeden dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 2.

    de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 3.

    in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

 

 

Toelichting:

Subsidies kunnen misbruikt worden of ingezet worden voor andere doeleinden dan dat ze voor verstrekt zijn.

De aanvullende loonwaarde wordt gedefinieerd als: een financiële vergoeding ter compensatie van een deel van de loonkosten voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een werknemer uit de doelgroep welke is gebaseerd op het verschil tussen de gemeten loonwaarde van de werknemer in zijn functie en het minimumloon.

 

De met de aanvraag voor aanvullende loonwaarde gemoeide subsidies varieert per aanvrager tussen de € 8000 en € 400.000. Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval kan gebruik worden gemaakt van een door het Bureau Bibob ter beschikking gestelde lijst die indicatoren bevat op basis waarvan een beoordeling kan worden gemaakt van het specifieke geval.

 

 

 

Bestaande vergunning-situaties

De Wet Bibob geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om –naast het weigeren van een vergunning- verleende vergunningen in te trekken.

 

De aanleiding om bestaande vergunningen te onderwerpen aan een Bibob-toets doen zich voor als:

  • 1.

    er op basis van de door de gemeente (op basis van de beschikbare informatie) ingevulde Indicatorenlijst aanwijzingen zijn dat de beschikking of opdracht mogelijk mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 2.

    de gemeente op andere wijze bekend is met feiten en omstandigheden die aanleiding geven om te veronderstellen dat de beschikking of opdracht mede zou kunnen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen;

  • 3.

    in de gevallen dat het Openbaar Ministerie op basis van artikel 11 j° 26 van de Wet Bibob wijst op de wenselijkheid om een advies aan te vragen.

  •  

Eerdere toetsing betrokkenen (lid 5)

Bij een aanvraag om beschikking kan het Bibobformulier in beginsel achterwege blijven wanneer het de betreffende inrichting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag is getoetst op grond van de Wet Bibob én uit deze toetsing geen ‘ernstige mate van gevaar’ of ‘mindere mate van gevaar’ voor misbruik van de vergunning naar voren is gekomen en er geen substantiële wijzigingen in het gezag of financiering van de onderneming heeft plaatsgevonden. Volstaan kan worden met het afleggen van een verklaring dat zich geen substantiële wijzigingen hebben voorgedaan.

 

Artikel 4: Toepassing en bijzondere situaties

 

In artikel 3 is bepaald in welke gevallen de Wet Bibob in ieder geval wordt toegepast. De aanwijzing van categorieën in artikel 3 van de beleidsregel betekent niet dat het bestuursorgaan zich hiermee verplicht tot toepassing van de Wet bibob in alle overige genoemde gevallen. In de overige situaties is er voor gekozen om de beleidsregel alleen toe te passen in die situaties dat er aanwijzingen zijn dat de beschikking of de opdracht mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen.

 

 

 

 

Hoofdstuk 3: Procedure aanvraag om vergunning

 

Artikel 5: Vragenlijst

 

Om te komen tot een goede beoordeling in het kader van de Wet Bibob heeft het bestuursorgaan op grond van artikel 30 Wet Bibob de mogelijkheid om de aanvrager/ houder van een vergunning, subsidie of een gegadigde voor een overheidsopdracht vragen te stellen die zien op de bedrijfsstructuur, financiering, betrokken (rechts)personen etc.

 

Bij het beoordelen van de aanvraag worden in ieder geval de volgende onderwerpen beoordeeld:

  • 1.

    De naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de aanvrager of gegadigde;

  • 2.

    De naam, het adres en de woonplaats van de persoon die het formulier namens de aanvrager of gegadigde invult;

  • 3.

    Het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel

  • 4.

    De rechtsvorm van de aanvrager of gegadigde;

  • 5.

    De handelsnaam of handelsnamen waarvan de aanvrager of gegadigde gebruik maakt of heeft gemaakt;

  • 6.

    De natuurlijke personen of rechtspersonen die, voor zover van toepassing:

  • direct of indirect leiding geven of hebben gegeven aan betrokkene;

  • direct of indirect zeggenschap hebben of hebben gehad over betrokkene;

  • direct of indirect vermogen verschaffen of hebben verschaft aan betrokkene;

  • onderaannemer van betrokkene zijn;

  • 7.

    de wijze van financiering.

 

Voor het toetsen van aanvragen aan de Wet Bibob wordt gebruik gemaakt van het op grond van artikel 30 van de Wet Bibob door het Landelijk Bureau Bibob vastgestelde Bibob-vragenformulier (inclusief bijlageformulier). Dit Bibob-vragenformulier maakt integraal onderdeel uit van de aanvraag om een vergunning of subsidie.

 

Dit Bibob-vragenfomulier geldt voor alle aanvragen voor vergunningen, subsidies of gegadigden voor een overheidsopdracht welke onder het toepassingsbereik van deze beleidsregel vallen.

 

Aan de hand van de door de aanvrager ingevulde Bibob-vragenformulier wordt door het bestuursorgaan een zorgvuldige en geobjectiveerde Bibob-toets uitgevoerd. Ook kan mede op basis van de ontvangen informatie nader onderzoek worden gedaan naar de aanvrager in zogenaamde open bronnen (w.o. de Kamer van Koophandel, Kadaster, Hypotheekregister, e.d.)

 

Ontvankelijkheid aanvraag

De aanvraag om vergunning is pas ontvankelijk indien alle gevraagde gegevens zijn overlegd, dan wel dat het bevoegd gezag van mening is dat op basis van de verstrekte gegevens een voldoende beoordeling kan plaatsvinden op de aanvraag (en aanvrager) en de af te geven beschikking. Het ingevulde Bibob-vragenformulier is onderdeel van de aanvraag en daarmee van de ontvankelijkheidstoets. Een aanvraag is dus pas ontvankelijk indien alle gevraagde gegevens zijn overlegd.

 

De aanvrager zal indien gegevens ontbreken, in staat worden gesteld de aanvraag volledig te maken. De behandeling van de aanvraag (en hiermee de termijn) zal worden opgeschort tot het moment dat de ontbrekende gegevens zijn overlegd.

 

Indien de aanvrager weigert de gevraagde gegevens te overleggen kan dit aanleiding zijn de aanvraag om vergunning niet ontvankelijk te verklaren en de aanvraag buiten behandeling te stellen (met gebruikmaking van artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht). Dit zal pas plaatsvinden nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag compleet te maken en verzocht is de gevraagde gegevens aan te leveren.

 

Indien er naar aanleiding van de ingediende aanvraag en het ingevulde Bibob-vragenformulier onduidelijkheid blijft bestaan over bijvoorbeeld zeggenschap en financiering, kunnen er op grond van artikel 4.5 lid c van de Algemene wet bestuursrecht aanvullende vragen worden gesteld (zowel aanvullende vragen naar aanleiding van de overlegde gegevens als aanvullende vragen in het kader van het vragenformulier).

 

Artikel 6: Onderzoek

 

De keuze om een advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob dient weloverwogen genomen te worden. Een formele aanvraag kan grote consequenties hebben voor de aanvrager en overige betrokkene(n). Niet alleen in het kader van inbreuk op privacy, ook de beslistermijn op de aanvraag kan aanzienlijk worden opgeschort.

 

Een aanvraag om advies kan pas worden gedaan indien alle overige wettelijke weigeringsgronden zijn uitgeput (zelfstandige weigeringsgronden welke rechtstreeks uit de wet of verorderning voortvloeien (bijvoorbeeld eisen met betrekking tot het levensgedrag van exploitanten, strijdigheid met het bestemmingsplan, en dergelijke).

 

Het Landelijk Bureau Bibob heeft een indicatorenlijst opgesteld, waarmee het bevoegd gezag de aanvraag en de overlegde gegevens kan toetsen en kan beoordelen of de aanvraag “Bibob-waardig” is.

 

Indien er naar aanleiding van het ingevulde Bibob-vragenformulier conform artikel 30 van de wet Bibob en na toetsing van de aanvraag aan de hand van de indicatorenlijst nog vragen zijn over onder andere:

  • a.

    de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de directe omgeving van de onderneming;

  • b.

    de financiering van het bedrijf;

  • c.

    de omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd en/of de inventaris van de inrichting;

  • d.

    (andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, of het gebruiken van voordelen uit strafbare feiten;

  • e.

    (andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven vergunning een strafbaar feit is gepleegd.

 

Of

indien de Officier van Justitie ingevolge artikel 26 van de Wet Bibob het bevoegd gezag heeft gewezen op de wenselijkheid om in het kader van een aanvraag van een vergunning, dan wel een bestaande vergunning, een advies aan Bureau Bibob te vragen, kan het bestuursorgaan een advies aanvragen bij het Landelijk Bureau Bibob.

 

Het aanvragen van een advies bij het Landelijk Bureau Bibob is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen kan derhalve geen bezwaar of beroep worden ingesteld. Wel is de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag terug te trekken.

 

Regionaal Informatie en Expertise Centrum Oost-Nederland (RIEC ON)

Op landelijk niveau zijn er Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC) ingericht om gemeenten te ondersteunen bij het toepassen van de Wet Bibob.

 

Voor het beoordelen van de aanvraag, de aanvrager of de bij de aanvraag betrokken personen kan het bestuursorgaan zich laten ondersteunen door het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Oost-Nederland.

 

Binnen de wettelijke kaders kan het bestuursorgaan ook informatie opvragen over de aanvrager of over de bij de aanvraag betrokken personen.

 

Het onderzoek door het Landelijk Bureau Bibob

Het Landelijk Bureau Bibob zal naar aanleiding van de adviesaanvraag een nader onderzoek instellen en een advies uitbrengen over de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.

 

Het Landelijk Bureau Bibob valt onder het ministerie van Veiligheid en Justitie en heeft inzage in een aantal openbare en gesloten bronnen (bijvoorbeeld bij de belastingdienst, politie en justitie) en kan hierdoor een diepgaander onderzoek doen dan de gemeente.

 

Het Landelijk Bureau Bibob onderzoekt of betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in de Wet Bibob. Daarnaast kunnen andere personen betrokken worden in het onderzoek. In artikel 3 van de wet is bepaald dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als die feiten door een ander gepleegd zijn en deze persoon:

  • 1.

    direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene, dan wel

  • 2.

    zeggenschap heeft over dan wel heeft gehad over betrokkene, dan wel

  • 3.

    vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, dan wel

  • 4.

    in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

 

De gemeente zal de reguliere aanvraagformulieren voor vergunningen die hier worden bedoeld uitbreiden met een bijlage, waarin de vragen die genoemd zijn in artikel 30 van de Wet Bibob zijn opgenomen. Hierin wordt onder meer gevraagd wie de leidinggevenden dan wel vermogensverschaffers van betrokkene zijn en wat de wijze van financiering is. Al deze personen moeten er derhalve rekening mee houden dat zij onderworpen kunnen worden aan een Bibob-onderzoek.

 

Procedure

De gemeente vraagt een advies aan bij het Landelijk Bureau Bibob. Tegen deze beslissing kan geen bezwaar en beroep worden ingesteld. De aanvrager of houder van de vergunning wordt door de gemeente geïnformeerd over het feit dat een advies is gevraagd.

 

Het Landelijk Bureau Bibob kan contact opnemen met de aanvrager van de vergunning of de andere bij het onderzoek betrokken personen of bedrijven en dezen eventueel aanvullende vragen stellen. (artikel 12, lid 4 van de Wet Bibob).

 

Artikel 7: Informatieplicht

 

De aanvrager zal door de gemeente schriftelijk worden bericht dat de gemeente voornemens is een Bibob-advies aan te vragen.

 

Artikel 8: Adviestermijn

 

Het Landelijk Bureau Bibob moet binnen de daarvoor bij wet gestelde termijnen adviseren aan de gemeente. Deze termijn kan eventueel worden verlengd. Het bureau zal de gemeente hiervan in kennis stellen. De gemeente zal de aanvrager hiervan op haar beurt in kennis stellen. De beslistermijn voor de gemeente om te beslissen op de aanvraag wordt opgeschort gedurende de in de Wet Bibob gestelde adviestermijn van het Landelijk Bureau Bibob.

 

Hoofdstuk 4. Besluitvorming

 

Artikel 9. Beschikking

 

Het Landelijk Bureau Bibob kan, gebaseerd op artikel 3 van de Wet Bibob, drie soorten adviezen afgeven:

  • er is geen sprake van een ernstige mate van gevaar;

  • er is sprake van een ernstige mate van gevaar;

  • er is sprake van een mindere mate van gevaar.

 

Naar aanleiding van het afgegeven advies dient de gemeente op grond van artikel 3, lid 5, 6 en 7 van de Wet Bibob een afweging te maken over de beschikking. De gemeente kan besluiten de beschikking te verlenen, te verlenen onder voorwaarden, te weigeren of in te trekken.

 

Vergewisplicht

Het bestuursorgaan zal zelfstandig een beslissing moeten nemen op de aanvraag. Het advies van het Landelijk Bureau Bibob kan hierbij als advies dienen, het bestuursorgaan heeft hierbij een vergewisplicht (artikel 3.9 Awb: Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden).

Dit betekent dat het bestuursorgaan zelf zal moeten nagaan of de conclusies en het advies van het landelijk bureau ook gedragen worden door de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag hebben gelegen.

 

Zienswijze

Indien het voornemen bestaat een negatieve beslissing te nemen op grond van een Bibob-advies zal de gemeente betrokkene in de gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Betrokkene kan dan het advies inzien. Derden die in de beschikking zijn genoemd worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 4:8 Awb en moeten, indien te verwachten is dat zij hiertegen bedenkingen hebben, ook in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen. Derden hebben niet het recht om het advies in zijn geheel in te zien, maar kunnen alleen die passages inzien die rechtstreeks op hen betrekking hebben en die gebruikt worden bij de motivatie van de beschikking.

 

Besluit

Het bestuursorgaan gaat over tot het negatief beschikken op de aanvraag op grond van de Wet Bibob, indien sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Het bestuursorgaan heeft hierbij een eigen verantwoordelijkheid om te bepalen of er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Het advies van het Landelijk Bureau Bibob kan hierbij als motivering aan ten grondslag liggen.

 

Hergebruik Bibob-advies

Ingevolge artikel 29 van de Wet Bibob mag het bestuursorgaan dat of de aanbestedende dienst die een advies ontvangt, dat advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing3. Wel dient het bestuursorgaan bij haar besluitvorming zich te vergewissen of de in het bibob-advies opgenomen informatie nog actueel is en toepasbaar is op andere beslissingen.

 


1

Definitie overgenomen uit “Beleidsregel stimuleren werkbemiddeling 2014”.

2

Ingevolge artikel 4.7 van de Algemene wet bestuursrecht heeft een belanghebbende(n) het recht een zienswijze in te dienen bij geheel of gedeeltelijke afwijzen van een aanvraag om een beschikking. Hieruit volgt dat bij het weigeren van een beschikking of het stellen van aanvullende voorwaarden bij een beschikking, de aanvrager en overige belanghebbende(n) het recht hebben een zienswijze in te dienen. Uit artikel 33 van de Wet Bibob volgt dat inzage van het advies van het Landelijk Bureau Bibob door de aanvrager of overige betrokkene(n) alleen dan mogelijk is, indien op grond van artikel 3 van de Wet Bibob de gevraagde beschikking wordt geweigerd of aan de beschikking voorwaarden worden verbonden. Bij het positief beschikken op de gevraagde vergunning, is inzage in het Bibob-advies dus niet mogelijk.

3

De MvT geeft aan dit artikel een andere uitleg. Als gekeken wordt naar de parlementaire geschiedenis van artikel 29 van de Wet Bibob is het amendement (nr. 41, ingediend door Rouvoet) van belang. In dit amendement werd o.a. gesteld dat…” het Bureau Bibob op grond van artikel 19 persoonsgegevens die zijn verzameld of verkregen met het oog op de behandeling van een verzoek om advies, gedurende twee jaren verwerken in verband met een ander verzoek. Niet valt in te zien waarom als het landelijk bureau Bibob deze persoonsgegevens mag aanwenden ten behoeve van andere adviesaanvragen, de advies vragende bestuursorganen zelf de gekregen adviezen niet ten behoeve van andere beslissingen zouden mogen gebruiken”…. Dit amendement is aangenomen door de Tweede Kamer. Daarmee is dit amendement – met de toelichting daarop – deel geworden van de Wet Bibob. Dat betekent dat de hoofdregel luidt dat een bestuursorgaan een aan haar uitgebracht Bibob-advies in beginsel ongeclausuleerd mag hergebruiken, binnen een periode van twee jaar.