Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bunnik

VERORDENING REGELENDE DE DESTRUCTIE

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBunnik
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVERORDENING REGELENDE DE DESTRUCTIE
Citeertiteldestructieverordening voor de gemeente Bunnik
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De datum van inwerkingtreding is niet te achterhalen en is bij benadering ingevuld.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Artikel 17 Destructiewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-02-1966Nieuwe regeling

07-02-1966

Geen

Bunn-2264

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING REGELDENDE DE DESTRUCTIE

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 januari 1966 nr. 20l/304/305/006;

 

gelet op artikel 17 der Destructiewet;

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de navolgende VERORDENING REGELENDE DE DESTRUCTIE

Paragraaf 1 Begripsbepalingen.

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

"wet" : Destructiewet

"directeur": keuringsdierenarts, hoofd van de keuringsdienst van slachtdieren en van vlees of diens plaatsvervanger der gemeenten de Bilt, Bunnik, Houten, Jutphaas, Maarssen, Maartensdijk, Utrecht en Vleuten-de Meern te Utrecht;

"aangifte -plichtige" : degene, die als eigenaar of houder van destructiemateriaal ingevolge de wet verplicht is daarvan aangifte te doen;

"ondernemer" : de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie een vergunning, als bedoeld in artikel 5 der wet, is verleend en in wiens krachtens artikel 10 der wet vastgestelde gebied de gemeente is gelegen;

"destructor" :inrichting, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd tot het door verwerking onschadelijk maken van destructiemateriaal, voor welke aan de ondernemer een vergunning is verleend, als bedoeld in artikel 5 van de wet;

"destructiemateriaal" : materiaal van dierlijke herkomst, bedoeld in artikel 2 der wet;

"destructiemateriaal A": doodgeboren slachtdieren, alsmede gestorven of in nood gedode slachtdieren, welke moeten worden onbruikbaar gemaakt voor voedsel voor mens en dier zonder dat een nader onderzoek ingevolge de Vlees keuringswet heeft plaats gevonden;

"destructiemateriaal B": destructiemateriaal, bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b, f en h der wet;

"destructiemateriaal C": overig destructiemateriaal dat zich tot het tijdstip van ophalen door de ondernemer onder beheer of toezicht van de keuringsdienst van slachtdieren en van vlees bevindt.

Paragraaf 2 Aangifte, vervoer en bewaring door de aangifteplichtige.

Artikel 2
  • 1.

    De aangifteplichtige doet van het hebben of houden van destructiemateriaal zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op de dag, waarop dit materiaal als zodanig is ontstaan, in persoon, schriftelijk of telefonisch aangifte bij de directeur, voor zover in de volgende artikelen niet anders wordt bepaald. Burgemeester en Wethouders regelen de plaats, waar en de uren, binnen welke deze aangifte moet geschieden.

  • 2.

    De aangifte geschiedt, onder opgave van de soort en de hoeveelheid van het destructiemateriaal, alsmede van de plaats, waar het zich bevindt;

    de aangifte wordt in drievoud opgemaakt.

  • 3.

    Burgemeester en Wethouders stellen met inachtneming van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, der wet een model van het aangifteformulier vast.

  • 4.

    Door of vanwege de directeur wordt een gewaarmerkt exemplaar van het ingevulde aangifteformulier verstrekt aan de aangifteplichtige.

  • 5.

    De ondernemer ontvangt het derde exemplaar.

Artikel 3  

Het bepaalde in artikel 2, tweede en vierde lid, geldt niet ten aanzien van destructiemateriaal B, indien Burgemeester en Wethouders ter zake van de aangifte van dat materiaal afwijkende regelen vaststellen.

Artikel 4

Het bepaalde in artikel 2 geldt niet ten aanzien van destructiemateriaal C.

Artikel 5
  • 1.

    Behoudens het bepaalde in artikel 15 is de aangifteplichtige ten aanzien van destructiemateriaal A gehouden:

    • a.

      1. tot vervoer van het destructiemateriaal naar een door de directeur goedgekeurde, voor een vervoermiddel van deondernemer redelijkerwijs bereikbare plaats; omtrent het tijdstip van het vervoer naar en de bewaring van het destructiemateriaal op die plaats kan de directeur aanwijzingen geven;

      of

      2.tot vervoer van het destructiemateriaal zo spoedig mogelijk in de daguren naar de daartoe bestemde lokaliteit van het Openbaar Slachthui s te Utrecht en afgifte aldaar ter onthuiding;

      of

      3.tot afgifte van het destructiemateriaal zo spoedig mogelijk na de aangifte aan een door Burgemeester en Wethouders aangewezen lokale of regionale ophaaldienst voor vervoer naar een centrale verzamelplaats of de daartoe bestemde lokaliteiten van het Openbaar Slachthuis te Utrecht ter onthuiding;

      dan wel

    • b.

      tot het ter beschikking houden van het destructiemateriaal, afkomstig van gestorven dieren, geleden hebbende aan of verdacht van een ziekte, waarop titel III der Veewet van toepassing is, alsmede tot het afgeven daarvan voor vervoer door of vanwege de ondernemer ter plaatse, waar dit destructiemateriaal zich bevindt, met inachtneming van de omtrent de bewaring van dat destructiemateriaal door de directeur gegeven aanwijzingen.

    • c.

      Burgemeester en Wethouders geven met betrekking tot het afsluiten, het schoonhouden en het verdere beheer van verzamelplaatsen, alsmede het gemeentelijke toezicht daarop, nadere voorschriften.

Artikel 6
  • 1.

    De aangifteplichtige is gehouden destructiemateriaal B en C te bewaren, ter beschikking te stellen en af te geven voor vervoer naar de destructor met inachtneming van de ter zake door de directeur gegeven aanwijzingen.

  • 2.

    Destructiemateriaal, genoemd in artikel 2, eerste lid, sub b, c, d of f der wet, alsmede dat, genoemd in artikel 2, tweede lid der wet, moet worden bewaard in daarvoor bestemde bakken, dan wel metalen confiscaatemmers, tenzij de directeur ter zake van de bewaring een andere regeling met de aangifteplichtige treft.

Artikel 7

De aangifteplichtige is gehouden, zolang destructiemateriaal onder zijn berusting is, bederf of vermenging metandere stoffen tegen te gaan, zulks overeenkomstig door de directeur gegeven aanwijzingen.

Artikel 8

Aanwijzingen van de directeur omtrent de bewaring van destructiemateriaal anders dan op grond van art. 7, kunnen slechts strekken ter voorkoming van gevaar, schade of hinder voor de openbare gezondheid.

Artikel 9
  • 1.

    de ondernemer is verplicht tot het ophalen van het destructiemateriaal van de plaats, waar dit zich ingevolge de bepalingen van deze verordening bevindt.

  • 2.

    Het ophalen geschiedt uiterlijk op de werkdag, volgende op die, waarop het destructiemateriaal is aangemeld, tenzij het betreft destructiemateriaal B of C, dat door de ondernemer, ingevolge een met de directeur getroffen regeling, op gezette tijden wordt opgehaald,

Artikel 10

Het vervoer van het destructiemateriaal binnen de gemeente dient langs de kortste weg plaats te vinden. De vervoerder is verplicht er voor zorg te dragen, dat het vervoer geen sporen van het destructiemateriaal op de openbare weg nalaat,

Paragraaf 4 Overdracht.

Artikel 11
  • 1.

    Ten dienste van de overdracht aan de ondernemer wordt destructiemateriaal A door of vanwege de directeur op de dag van aangifte telefonisch aangemeld bij de ondernemer, onder mededeling van de gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

  • 2.

    De aanmelding bij de ondernemer van destructiemateriaal B of C geschiedt dooi de directeur zo spoedig mogelijk, tenzij het betreft destructiemateriaal, dat door de ondernemer, ingevolge een met de directeur getroffen regeling, op gezette tijden wordt opgehaald.

Artikel 12
  • 1.

    De overdracht van destructiemateriaal geschiedt door inlading in een daar voor bestemd vervoermiddel van de ondernemer.

  • 2.

    De ondernemer is verplicht de overdracht van destructiemateriaal B of C jaarlijks vóór 1 maart, onder opgave van de totale hoeveelheid over het voorafgaande jaar, aan het gemeentebestuur te bevestigen.

Paragraaf 5 Dode honden en katten

Artikel 13  

Omtrent de aangifte, het vervoer, het ophalen en de overdracht van dode honden en katten, alsmede omtrent de afgifte daarvan aan een van gemeentewege aangewezen verzameldienst, kunnen Burgemeester en "Wethouders, met inachtneming van het bepaalde in artikel 32 van het Destructiebesluit (Stbl. 1958,71) nadere voorschriften geven.

Paragraaf 6 Slotbepalingen.

Artikel 14
  • 1.

    De aanwijzing van materiaal, als bedoeld in artikel 2, derde lid, laatste alinea, der Wet, geschiedt door de Burgemeester op voorstel van de directeur of de directeur gehoord; zij wordt onverwijld aan de eigenaar of houder medegedeeld.

  • 2.

    De directeur houdt aantekening van het ingevolge het eerste lid aangewezen destructiemateriaal

Artikel 15

Burgemeester en Wethouders kunnen, met afwijking van het bepaalde in artikel Z, eerste lid, bepalen, dat de aangifte geschiedt bij een door hen aangewezen ambtenaar. Het zelfde geldt met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in artikel 11, eerste lid,

Artikel 16

Indien de directeur, dan wel de eigenaar of houder van destructiemateriaal A, sectie van dit destructiemateriaal noodzakelijk of wenselijk acht, wordt de sectie verricht in een daartoe bestemde lokaliteit van het Openbaar Slachthuis te Utrecht dan wel aan de destructor. De eigenaar of houder is, indien de sectie niet aan de destructor geschiedt, verplicht het destructiemateriaal naar eerstgenoemde lokaliteit te vervoeren of te doen vervoeren.

Artikel 17

Deze verordening kan worden aangehaald als "destructieverordening voor de gemeente Bunnik" en treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van haar afkondiging, M.i.v. dezelfde datum vervallen de verordeningen regelende de destructie van de voormalige gemeenten Bunnik, Odijk en Werkhoven,

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 febrauri 1966.

 

de raad voornoemd,

de secretaris,

de voorzitter,