Inspraakverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2007

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Intitulé

Inspraakverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2007

Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;

Gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 28 november 2006, nr. 06.aiz.131, tot vaststelling van de Inspraakverordening 2007;

Gelet op het bepaalde in artikel 79 van de Waterschapswet en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht,

BESLUIT:

de Inspraakverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2007 vast te stellen als volgt:

Inhoud

Artikel 1

Voor de toepassing van de verordening wordt onder inspraak verstaan een door of namens het dagelijks bestuur geboden gelegenheid voor ingezetenen en belanghebbenden om hun zienswijze omtrent te nemen besluiten van het algemeen bestuur van het waterschap kenbaar te maken.

Artikel 2

  • 1. Onverminderd het bepaalde bij wet, algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening vallen onder werking van de onderhavige verordening de door het algemeen bestuur van het waterschap te nemen besluiten van algemene strekking, tenzij deze daarvoor naar hun aard of naar hun belang niet in aanmerking komen.

  • 2. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid vallen in ieder geval onder de werking van deze verordening ontwerp-besluiten inzake:

    • a.

      verordeningen, met uitzondering van belastingverordeningen;

    • b.

      het handhaven dan wel aanpassen van waterstanden;

    • c.

      de aanleg of verbetering van waterstaatswerken;

    • d.

      de legger;

    • e.

      beleidsregels.

Artikel 3

Een ontwerpbesluit wordt voor ingezetenen en belanghebbenden gedurende zes weken:

  • -

    elektronisch ter inzage gelegd op de website van het waterschap en/of,

  • -

    bij toepassing van artikel 3 tweede lid Verordening elektronisch bekendmaken Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, fysiek op het kantoor van het waterschap ter inzage gelegd.

Artikel 4

  • 1. Het dagelijks bestuur maakt de terinzagelegging tijdig op de bij het waterschap gebruikelijke wijze bekend.

  • 2. De bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval:

    • a.

      de samenvattende zakelijke inhoud van het ontwerp-besluit;

    • b.

      de plaatsen met tijdstippen waarop het ontwerp-besluit ter inzage ligt;

    • c.

      de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 hun zienswijze over het te nemen besluit kenbaar kunnen maken;

    • d.

      de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden kennis kunnen nemen van de beschouwingen van het dagelijks bestuur omtrent de ingekomen reacties.

Artikel 5

Ingezetenen en belanghebbenden kunnen gedurende de in artikel 3 bedoelde termijn hun gemotiveerde zienswijze omtrent het te nemen besluit naar keuze schriftelijk of mondeling kenbaar maken aan het dagelijks bestuur.

Artikel 6

  • 1. In het voorstel aan het algemeen bestuur wordt melding gemaakt van de gehouden inspraakprocedure en de ontwerp-beantwoording van het dagelijks bestuur van de in het kader daarvan ingekomen reacties.

  • 2. Het dagelijks bestuur brengt degenen die een schriftelijke reactie hebben ingediend op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde stukken en van de wijze waarop de resultaten van de inspraak in het ontwerp-besluit zijn verwerkt.

Artikel 7

Deze verordening kan worden aangehaald als "Inspraakverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2007".

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2007.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van 28 februari 2007.
drs. E.Th. Meuleman,secretaris
ir. D. Vergunst, voorzitter

Toelichting

In het onderstaande volgt een algemene en artikelsgewijze toelichting op de Inspraakverordening.

In 1994 is de thans geldende inspraakverordening vastgesteld. Artikel 79 van de Waterschapswet schrijft voor dat het algemeen bestuur van het waterschap een verordening vaststelt waarin wordt geregeld op welke wijze ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van de door dat bestuur te nemen besluiten worden betrokken.

De inspraakverordening moet worden beschouwd als een aanvulling op inspraakregelingen die zijn opgenomen in formele wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen. Als voorbeeld daarvan kan worden gewezen op de in de Waterschapswet opgenomen inspraakregeling voor de begroting van het waterschap.

Het doel van inspraak is tweeledig. Aan de ene kant wordt belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening omtrent een ontwerp-besluit van het waterschapsbestuur kenbaar te maken. Aan de andere kant is het voor het waterschap een belangrijk hulpmiddel om op basis van een evenwichtige belangenafweging tot een besluit te komen.

Overigens wordt opgemerkt dat met een vroegtijdige voorlichting omtrent beleidsvoornemens een efficiënte benutting van de inspraakprocedure kan worden bevorderd. Wie bij het niet honoreren van hetgeen in de inspraakfase naar voren is gebracht geen genoegen neemt zal gebruik moeten maken van de dan bij of krachtens de wet, verordening of reglement aangegeven bezwaar- of beroepsmogelijkheden.

Onlangs is de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure van kracht geworden. Hiermee is een einde gekomen aan de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen “openbare voorbereidingsprocedure” en de “uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure”. Deze zijn vervangen door de “uniforme openbare voorbereidingsprocedure”, thans opgenomen in afdeling 3.4 van de Awb.

Met ingang van 1 juli 2006 is artikel 79 van de Waterschapswet gewijzigd. De tekst is sterk ingekort en in het tweede lid wordt verwezen naar afdeling 3.4 van de Awb. De wijziging betekent voorts dat voortaan in principe alle door het algemeen bestuur van het waterschap te nemen besluiten van algemene strekking (verordeningen, watergebiedsplannen, peilbesluiten etc.) aan inspraak onderhevig zijn. Onder de vigeur van het “oude” wetsartikel waren de belastingverordeningen uitgezonderd. Maar met de nieuwe regeling is deze uitzondering opgeheven. Voor een nuancering met betrekking tot de belastingverordeningen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2.

Ingevolge het nieuwe artikel 79, lid 2 van de Waterschapswet wordt de inspraak verleend door toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb, “voor zover in de inspraakverordening niet anders is bepaald”. Het waterschap mag dus bij verordening afwijken van de voorgeschreven wettelijke procedure. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt alleen voor het tweede lid (procedure) en niet voor het eerste (onderwerp). Het waterschap mag dus niet de belastingverordeningen uitzonderen van inspraak, zoals voordien wel mogelijk was.

Het waterschap kiest er voor om bij de in de Awb genoemde inspraaktermijn van 6 weken aan te sluiten; enerzijds vanwege de uniformiteit, anderzijds omdat er geen reden is daarvan af te wijken. Vóór 1 juli werden verschillende inspraaktermijnen gehanteerd. Op basis van de (“oude”) inspraakverdening was die termijn 4 weken in het geval er niet iets anders was bepaald in een specifieke regeling, zoals in de Verordening waterhuishouding ten aanzien van de totstandkoming van het waterbeheersplan (6 weken inspraak). Met deze nieuwe inspraakverordening wordt alles gelijk getrokken.

Artikelsgewijs

Artikel 1

De omschrijving van het begrip “inspraak” is ontleend aan artikel 79 van de Waterschapswet.

In het algemeen deel van de toelichting is op het doel en het belang van de inspraak al inge-daan. De verantwoordelijkheid voor de inspraak wordt gelegd bij het dagelijks bestuur, dat belast is met de uitvoering van waterschapsverordeningen.

Voor wat betreft “ingezetenen” wordt aangesloten bij artikel 11, juncto artikel 18, van de Waterschapswet. Deze artikelen geven aan dat ingezetenen degenen zijn die blijkens het persoonsregister van de gemeente, behoudens tegenbewijs, geacht kunnen worden hun werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap te hebben.

Onder “belanghebbenden” vallen in de eerste plaats alle natuurlijke en rechtspersonen, voor zover al niet vallend onder het begrip ingezetenen, die in het taakgebied van het waterschap krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwd en omgebouwd onroerend goed. Het is duidelijk dat deze personen in het algemeen belanghebbend (kunnen) zijn bij beleidsvoornemens van het waterschapsbestuur. Ten aanzien van organisaties, niet behorend tot de bovengenoemde categorieën, die het algemeen belang vertegenwoordigen, kan worden opgemerkt dat het om pragmatische redenen wenselijk is deze organisatie (bijvoorbeeld milieu-organisaties) bij de inspraak te betrekken. In de rechtspraak zijn vertegenwoordigers van “collectieve belangen” in het algemeen als belanghebbenden geaccepteerd. Verder dient in dat verband nog aandacht dat deze organisaties in artikel 151, vierde lid, van de Waterschapswet uitdrukkelijk als belanghebbenden worden aangemerkt, zij het in het kader van beroepsmogelijkheden tegen besluiten van gedeputeerde staten tot goedkeuring of onthouding van goedkeuring van waterschapsbesluiten. Het toelaten van deze vertegenwoordigers in het kader van inspraak kan derhalve procedures in latere stadia wellicht voorkomen.

Artikel 2

Ten aanzien van het object van de inspraak kan, waar het gaat om besluiten van het algemeen bestuur, worden opgemerkt dat uit de formulering van artikel 79 van de Waterschapswet blijkt dat alle besluiten van het algemeen bestuur (met “derdenwerking”) onder werking van de inspraakverordening vallen. Dit artikel spreekt immers over “de door het algemeen bestuur te nemen besluiten”. Uit deze redactie vloeit geen beleidsvrijheid voort ten aanzien van belastingverordeningen, zoals dat wel het geval was bij de oude redactie. Hierbij wordt echter wel aangetekend dat belastingverordeningen niet ter inspraak behoeven te worden voorgelegd indien louter sprake is van een aanpassing van het tarief (dit vanwege alsdan optredende doublures met de begrotingsvoorbereiding en -vaststelling), van een “doorvertaling” van formele wetgeving in de belastingverordening of indien sprake is van een redactionele wijziging die verder geen inhoudelijke consequenties heeft. Indien de herziening of wijziging van een belastingverordening te maken heeft met uitbreiding van bijvoorbeeld de belastingplicht, dan is het verlenen van inspraak wel gerechtvaardigd.

De kostentoedelingsverordening en de omslagklassenverordening blijven sowieso aan inspraak onderhevig; dit zijn immers geen belastingverordeningen.

Het ligt in de rede dat inspraakmogelijkheden naar hun aard uitsluitend van belang zijn voor besluiten met een algemene strekking. Voor besluiten die één of slechts een beperkte groep belanghebbenden treffen is een algemene inspraakprocedure niet noodzakelijk. Voor deze “beschikkingen” gelden andere rechtsbeschermingsregels (eveneens op grond van de Awb).

Het waterschap, in casu het dagelijks bestuur, zal steeds moeten motiveren waarom een bepaald besluit van algemene strekking niet onder de werkingssfeer van de inspraakverordening valt. Eén en ander heeft geleid tot de redactie van artikel 2 dat de besluiten van algemene strekking van het waterschap onder de werking van de inspraakverordening vallen, tenzij deze daarvoor naar hun aard en belang niet in aanmerking komen.

Het spreekt van zelf dat de inspraakverordening niet van toepassing is op intern werkende besluiten van het algemeen bestuur, omdat deze geen belangen van derden raken (zoals bijvoorbeeld reglementen van orde, bezoldigingsbesluiten van personeel).

Artikel 3 en 4

Deze artikelen regelen de wijze van publicatie en terinzagelegging. De wijze van publicatie kan worden afgestemd op de aard van het ontwerp-besluit (bijvoorbeel publicatie in een bepaald deel van het gebied). Uiteraard dient daarbij aan bepaalde minimumvereisten te worden voldaan. Als algemeen criterium geldt dat belanghebbenden redelijkerwijze kennis moeten kunnen nemen van de terinzagelegging/inspraakmogelijkheden. In dat licht is in artikel 4 bepaald dat de terinzagelegging ten minste via een daarvoor in aanmerking komend dag-, nieuws- en/of huis-aan-huisbladen bekend moet worden gemaakt. Overigens kan daarbij niet van het waterschap gevraagd worden dat het expliciet rekening houdt met belanghebbenden die niet in het waterschapsgebied wonen.

De termijn van terinzagelegging (minstens zes weken) is conform artikel 3:16 Awb. Ten aanzien van het gestelde in artikel 4, tweede lid onder a, wordt opgemerkt dat is gekozen voor de term “samenvattende zakelijke inhoud”, zodat men zich naar aanleiding van de publicatie omtrent een bepaald besluit vergaand kan informeren.

Het gestelde onder b spreekt voor zichzelf. Onder c is zowel aansluiting gezocht bij artikel 5. Daarmee is er voor gekozen om in de bekendmaking aan te geven dat men naar keuze schriftelijk of mondeling kan reageren. Onder d is er voor gekozen om de insprekers op de hoogte te stellen omtrent de wijze waarop zij zullen worden geïnformeerd ter zake van de beschouwingen van het dagelijks bestuur omtrent de ingekomen reacties van de insprekers.

Er is voor gekozen om de insprekers gericht en actief te informeren omtrent de gevolgen van de door hen ingezonden reacties. Niet-insprekers vallen buiten deze groep en worden dan ook niet actief geïnformeerd.

Artikel 5

Dit artikel vergt geen nadere toelichting.

Artikel 6

Dit artikel bepaalt dat van de inspraakprocedure en van het oordeel van het dagelijks bestuur op de ingekomen reacties melding wordt gemaakt in het voorstel dat aan het algemeen bestuur wordt voorgelegd. Het is uiteraard van belang dat degenen die een schriftelijke dan wel mondelinge reactie hebben ingediend van deze rapportage kennis kunnen nemen. Daartoe is een tweede lid opgenomen, dat de plicht voor het dagelijks bestuur bevat om degenen, die gereageerd hebben naar aanleiding van een ontwerp-besluit, op de hoogte te stellen. Door middel van toezending van het uiteindelijke voorstel aan het algemeen bestuur, waarin de resultaten van de inspraak zijn verwerkt, wordt aan de belanghebbende getoond wat met zijn of haar reactie is gedaan. Dat op deze wijze de terugkoppeling richting insprekers zal plaatsvinden zal in de bekendmaking worden aangegeven. Artikel 4, tweede lid, voorziet hierin. Het algemeen bestuur neemt het definitieve besluit en stelt daarmee eveneens de inspraaknota vast (op voorstel van het dagelijks bestuur).