Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Noord-Brabant

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieNoord-Brabant
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingVerordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)
CiteertitelInterim omgevingsverordening Noord-Brabant
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010, Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008, Verordening wegen Noord-Brabant 2010, Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, Verordening water Noord-Brabant, Verordening ruimte Noord-Brabant, elektronisch bekend als NL.IMRO.9930.vr2014.va04 en de Waterverordening waterschap Rivierenland, voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van Noord-Brabant.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-11-2019nieuwe regeling

25-10-2019

prb-2019-7193

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent omgeving (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1.1 Begripsbepaling

aardkundige waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn;

 

aardpen

een veiligheidsmaatregel die voorziet in een verbinding van het elektriciteitsnet met de aarde;

 

agrarisch bedrijf

inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig-agrarisch bedrijf;

 

agrarisch-technisch hulpbedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking;

 

agrarisch-verwant bedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking;

 

ambitiekaart

kaart als bedoeld in artikel 1.2, derde lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

 

archeologisch monument

archeologisch terrein dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart staat afgebeeld en waaraan een monumentnummer is toegekend;

 

bebouwing

gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

bebouwingscluster

vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten Stedelijk gebied;

 

bebouwingsconcentratie

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;

 

bebouwingslint

min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten Stedelijk gebied;

 

bedrijventerrein

aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven;

 

beëindigingslocatie veehouderij

perceel waar de beëindigde veehouderij op grond van het vigerende bestemmingsplan was gevestigd, waar voor de veehouderij een mestnummer is afgegeven en rechten voor de productie van fosfaat voor de veehouderij zijn geregistreerd bij de Dienst Regelingen en waar de bedrijfsbebouwing is gesloopt;

 

bestaand bouwperceel

bouwperceel waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat;

 

bestemmingsvlak

geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

boorput

met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

 

boskern

aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare;

 

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen;

 

bouwperceel

aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;

 

bouwvlak

geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

 

brongerichte techniek

techniek, gericht op het voorkomen dat milieubelastende stoffen ontstaan in de stal;

 

buisleiding

buisleiding voor het transport van gas, olie of chemicaliën, met uitzon¬dering van buisleidingen voor het transport van aardgas, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

 

compartimenteringskering

regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering;

 

cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

 

detailhandel

bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde;

 

één-op-één beheermethode

methode waarbij één persoon dieren opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet;

 

equivalent A-gewogen niveau

geluidmaat (LAeq) waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde;

 

evenement

een georganiseerde gebeurtenis ten behoeve van meerdere bezoekers en met vaak tijdelijke voorzieningen voor water, electriciteit, catering of toiletvoorzieningen;

 

extensieve recreatie

openlucht recreatie waarbij de beleving van rust belangrijk is en het aantal recreanten per hectare beperkt is;

 

gebruiksoppervlakte

bruikbare oppervlakte van bebouwing en gronden, geschikt voor het beoogde gebruik, berekend op grond van NEN 2580;

 

gedenkteken

niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie op de provinciale weg dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden;

 

glastuinbouwbedrijf

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;

 

grond- of funderingswerken

werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies, met uitzondering van werken of handelingen waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, zoals het toepassen van een bodemenergiesysteem;

 

grondgebonden teeltbedrijf

agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;

 

grondgebonden veehouderij

veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie;

 

grondwateronttrekker

houder van een inrichting als bedoeld in artikel 15.34, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

 

GVE

groot vee-eenheid, waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe;

 

hergebruik

nieuwe handeling op of in een gesloten of voormalige stortplaats;

 

hergebruikplan

beschrijving en motivering van te treffen maatregelen en nazorg in relatie tot de milieurisico's bij hergebruik;

 

hokdierhouderij

veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;

 

kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter;

 

kernrandzone

overgangszone van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies;

 

kleinschalige bebouwing of -voorziening

bebouwing, al dan niet ten behoeve van een voorziening, met een gezamenlijke omvang van ten hoogste 90 m2;

 

LAeq, 24 uur

geluidmaat waarbij alle geluidniveaus over de periode van een etmaal zijn gemiddeld tot één waarde;

 

landbouw

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw -waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen- en elke andere vorm van bodemcultuur;

 

landgoed

ruimtelijk-functionele eenheid bestaande uit bos of overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke (woon)bebouwing;

 

landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;

 

lawaaisport

voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport;

 

locatiegebonden milieubelastende activiteit

inrichting als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht, bijlage 1;

 

maatregelkaart

kaart als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant;

 

mestbewerking

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest;

 

natuurbeheerplan

natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

 

natuurinclusieve bedrijfsvoering

economisch rendabel en grondgebonden landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor de biodiversiteit op en rond het bedrijf, zoals bedoeld in de Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant;

 

natuurontwikkelingsproject

project dat tot doel heeft de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen en dat een omvorming van bestaande natuur of het ontwikkelen van nieuwe, gebiedseigen natuur tot gevolg heeft;

 

N-depositie

neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol, per ha, per jaar en de belasting op het habitat als geheel in mol, per jaar;

 

netto glas

aantal m2 kasoppervlakte;

 

nieuwvestiging

vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

 

omgevingskwaliteit

de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde;

 

omschakeling

geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm;

 

onconventionele winning van koolwaterstoffen

winningsmethode, waarbij via verticale en horizontale boringen en hydraulisch kraken schaliegas en schalie-olie uit de diepe ondergrond vrij wordt gemaakt door water, zand en chemicaliën onder hoge druk in een boorput te pompen en zo scheurtjes te creëren in het brongesteente waar het gas in opgesloten zit;

 

ontgronding

activiteit, gericht op het permanent dan wel tijdelijk verlagen van de hoogteligging van het maaiveld of het verdiepen van de waterbodem;

 

Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte

entiteit gericht op de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels vanwege in het verleden op basis van de Regeling beëindiging veehouderijtakken behaalde milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;

 

overig-agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt;

 

parkeerterrein

terrein dat wordt gebruikt voor het bieden van parkeergelegenheid voor vier motorvoertuigen of meer;

 

permanente teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas;

 

profiel van vrije ruimte

ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor een toekomstige versterking van de waterkering;

 

recreatiewoning

woning of enig ander bouwwerk, ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf;

 

regionale waterkering

waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming;

 

restladingdamp

een gasvormige, uit vloeistof vervluchtigende verbinding, die na het lossen in een mobiele tank achterblijft;

 

ruimtelijke ontwikkeling

bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is;

 

sondering

het bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten;

 

splitsing

nieuwvestiging van een bouwperceel door opdeling van een bestaand bouwperceel;

 

stro(oisel)stal

stal waarin de mest of urine van de gehouden dieren in overwegende mate wordt vermengd met strooisel zoals stro, hooi en zaagsel waarbij vaste mest ontstaat, bijvoorbeeld potstallen, hellingstallen en vrijloopstallen;

 

teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een grondgebonden teeltbedrijf;

 

tuincentrum

bedrijf, geheel of in overwegende mate gericht op detailhandel van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, kamerplanten, artikelen voor de aanleg en het onderhoud van de tuinen alsmede tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen zoals bloempotten, vazen, plantenbakken en dergelijke;

 

uitbreiding

vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak;

 

veehouderij

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;

 

veldwerk

boorput of sondering

 

veranderen van de provinciale weg

uitvoeren, oprichten, hebben, instandhouden, onderhouden, wijzigen of verwijderen van de provinciale weg;

 

vergisting

het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces (waarbij biogas wordt geproduceerd);

 

verkoopvloeroppervlak

voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten;

 

vestiging

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

 

voormalige stortplaats

stortplaats waar vóór 1 september 1996 het storten van afval is beëindigd;

 

waterkering

waterkering met aangrenzende gronden, die van belang zijn voor de beveiliging tegen overstroming en als zodanig zijn aangewezen in de Waterwet of deze verordening, alsmede de overige waterkeringen die dienen voor bescherming tegen wateroverlast vanuit het regionale watersysteem overeenkomstig de Keuren van de waterschappen;

 

weg gerelateerde voorziening

voorziening die direct aansluitend aan de weg ligt en die ten behoeve van weggebruikers ter plaatse gevestigd is, zoals een motorbrandstoffenverkooppunt;

 

werkingsgebied

digitaal vastgelegd gebied waaraan regels zijn gekoppeld;

 

windturbine

bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor, bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie;

 

zorgvuldige veehouderij

veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving;

 

zwaar bedrijventerrein

terrein waar in overwegende mate bedrijven van categorie 4 en hoger, bedoeld in de VNG-publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering', zijn toegelaten;

Artikel 1.2 Interim omgevingsverordening

De geometrische plaatsbepalingen van planobjecten in deze verordening zijn met de daaraan gekoppelde regels vastgelegd als GML-bestand met plan-idn: NL.IMRO.9930.InterimOvr-va01 en bekend gemaakt via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 1.3 Opsommingen

Opsommingen in deze verordening zijn cumulatief tenzij anders aangegeven.

Hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten

Afdeling 2.1 Waterwinning voor menselijke consumptie

 

Paragraaf 2.1.1 Zorgplicht

Artikel 2.1 Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie

Lid 1

Degene die binnen de Waterwinning voor menselijke consumptie een activiteit verricht waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater is verplicht:

 

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Lid 2

 

De zorgplicht houdt in ieder geval in dat wanneer er sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater Gedeputeerde Staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.

Artikel 2.2 Afwijkende regels Beschermingszone rivierwaterwinning

Binnen de Beschermingszone rivierwaterwinning geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.1 Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie ter bescherming van de kwaliteit van het rivierwater en wordt bij een direct optredende of dreigende verontreiniging van het rivierwater Rijkswaterstaat onmiddellijk op de hoogte gesteld.

 

Paragraaf 2.1.2 Waterwingebied

Artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied

Lid 1

 

Binnen een Waterwingebied zijn de volgende activiteiten verboden:

 

  • a.

    een locatiegebonden milieubelastende activiteit;

  • b.

    het gebruik of aanwezig hebben van een (potentieel) schadelijke stof;

  • c.

    het aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden op of in de bodem;

  • d.

    het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as;

  • e.

    het toepassen van uitloogbare materialen;

  • f.

    het (laten) gebruiken als parkeerterrein of voor evenementen.

Lid 2

 

Als een (potentieel) schadelijke stof worden aangemerkt:

  • a.

    een zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM;

  • b.

    stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst';

  • c.

    stoffen met een schadelijke werking op de smaak of geur van het grondwater, alsmede mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken;

  • d.

    gewasbeschermingsmiddelen, biociden en derivaten daarvan.

Artikel 2.4 Afwijkende regels toegelaten activiteiten Waterwingebied

In afwijking van artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied zijn de volgende activiteiten toegestaan:

 

  • a.

    het winnen van grondwater voor menselijke consumptie met alle daarvoor noodzakelijke activiteiten;

  • b.

    reguliere bodemwerkzaamheden, zoals groenonderhoud en tuinieren, die de beschermende bodemlagen niet aantasten;

  • c.

    het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidsbestrijding;

  • d.

    het aanwezig hebben van stoffen die nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

  • e.

    het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, als deze afdoende zijn beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

  • f.

    het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, voor normaal gebruik, als deze bewaard worden in een deugdelijke verpakking en afdoende zijn beschermd tegen externe invloeden;

  • g.

    beweiding van de grond door een veehouderij met een intensiteit van ten hoogste 2 GVE;

  • h.

    het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit.

Artikel 2.5 Regels voor activiteiten in de bodem Waterwingebied

Het verbod bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder c, geldt niet als er overeenkomstig artikel 6.9 startmelding is gedaan voor:

 

  • a.

    het onderzoeken van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming;

  • b.

    het aanbrengen van aardpennen.

Artikel 2.6 Meldingsplichtige activiteiten Waterwingebied

Lid 1

 

Het verbod bedoeld in artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied, eerste lid, onder c, geldt niet als er overeenkomstig artikel 6.10 melding is gedaan voor:

  • a.

    de aanleg van (on)verharde paden voor niet-gemotoriseerd vervoer;

  • b.

    het toepassen van grond of baggerspecie met een kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarde;

  • c.

    werkzaamheden in de bodem gericht op behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie;

  • d.

    civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer;

  • e.

    de aanleg van kabels en leidingen, uitgezonderd buisleidingen.

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 Melding algemeen bevat de melding:

 

  • a.

    een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    een onderzoek waaruit blijkt dat er geen realistische alternatieven zijn voor de aanleg van kabels en leidingen buiten het waterwingebied.

Paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 2.7 Verboden activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied verboden:

  • a.

    een locatiegebonden milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.9;

  • b.

    het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen;

  • c.

    de toepassing van IBC-bouwstoffen;

  • d.

    de aanleg van een buisleiding;

  • e.

    opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen;

  • f.

    een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as;

  • g.

    activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen.

Lid 2

 

Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een zeer zorgwekkende stof zoals vastgesteld door het RIVM.

Artikel 2.8 Meldingsplichtige activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan als wordt voldaan aan de bepalingen in artikel 2.10 tot en met artikel 2.17:

 

  • a.

    het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof;

  • b.

    het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer;

  • c.

    het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem;

  • d.

    het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen op of in de bodem;

  • e.

    het inrichten of hebben van een parkeerterrein;

  • f.

    het (laten) gebruiken van gronden voor een evenement;

  • g.

    het toepassen van grond of baggerspecie.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid zijn werkzaamheden die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie toegestaan.

Artikel 2.9 Verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied

Er is sprake van een verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit in Grondwaterbeschermingsgebied, als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid onder a, in de volgende gevallen:

 

  • a.

    BRZO-inrichting;

  • b.

    IPPC, categorie 4 inrichting;

  • c.

    inrichting als bedoeld in bijlage 1C Besluit omgevingsrecht, categorie 28.4 gevaarlijke afvalstoffen.

Artikel 2.10 Meldingsplicht gebruik potentieel schadelijke stoffen Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als:

 

  • a.

    toepassing is gegeven aan de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen zoals opgenomen in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming;

  • b.

    er overeenkomstig artikel 6.10 melding is gedaan.

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding:

 

  • a.

    een beschrijving welke potentieel schadelijke stof het betreft, de hoeveelheid van deze stof en de reden waarvoor die nodig is;

  • b.

    een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • c.

    welke bodembeschermende maatregelen met de hoogst mogelijke vorm van bescherming worden getroffen.

Lid 3

 

Als potentieel schadelijke stoffen worden aangemerkt:

 

  • a.

    stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst';

  • b.

    stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater, alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan en die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken.

Artikel 2.11 Regels voor activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied

Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan tot de diepte zoals weergegeven op de kaart, in de volgende gevallen:

 

  • a.

    het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd;

  • b.

    sondering waarbij voor de afdichting van het gat toepassing is gegeven aan het protocol 2101 mechanisch boren, hoofdstuk 6.2, eis 16 en 17;

  • c.

    het aanbrengen van een aardpen;

  • d.

    wateronttrekkingen als bedoeld in artikel 6.4 en artikel 6.5 Waterwet, met uitzondering van activiteiten bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder g, en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd;

  • e.

    het uitvoeren van grond- of funderingswerken, anders dan boringen, waarbij:

    • 1.

      na graafwerkzaamheden het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld volgens het oorspronkelijke bodemprofiel;

    • 2.

      voor het inbrengen van palen alleen gebruik gemaakt mag worden van:

      • i.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet, of

      • ii.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is of grondverdringend wordt ingebracht, of

      • iii.

        schroefpalen.

  • f.

    de aanleg van kabels en leidingen, uitgezonderd een buisleiding;

  • g.

    er overeenkomstig artikel 6.9 startmelding is gedaan.

Artikel 2.12 Meldingsplicht en uitzondering voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwen Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem te lozen als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10:

 

  • a.

    er sprake is van gecontroleerd infiltreren met een voldoende zuiverende voorziening, of

  • b.

    als het water afstroomt via een watergang zonder infiltrerende werking.

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding:

 

  • a.

    een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord.

Lid 3

 

In afwijking van het eerste lid geldt alleen een plicht tot het doen van een startmelding overeenkomstig artikel 6.9, als er geen schadelijk uitloogbaar (bouw)materiaal is gebruikt.

 

Lid 4

 

Als schadelijk uitloogbaar (bouw)materiaal wordt in ieder geval aangemerkt:

 

  • a.

    zink, lood, koper;

  • b.

    gewolmaniseerd hout;

  • c.

    teerbitumen.

Artikel 2.13 Meldingsplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan afstromend hemelwater van verharde wegen voor gemotoriseerd verkeer in of op de bodem te lozen, als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10:

 

  • a.

    er sprake is van gecontroleerd infiltreren met een voldoende zuiverende voorziening;

  • b.

    het water afstroomt via een watergang zonder infiltrerende werking.

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding:

 

  • a.

    een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord.

Artikel 2.14 Meldingsplicht permanent parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

Het is toegestaan een permanent parkeerterrein in te richten of te hebben als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan en daarvoor een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10:

 

  • a.

    er is sprake van een gecontroleerd infiltreren van het afstromend hemelwater op of in de bodem met een voldoende zuiverende voorziening;

  • b.

    het hemelwater stroomt af via een watergang zonder infiltrerende werking.

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding:

 

  • a.

    een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    een beschrijving van de wijze waarop de voorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord.

Artikel 2.15 Regels voor tijdelijk onverhard parkeren Grondwaterbeschermingsgebied

Het tijdelijk inrichten van onverharde gronden als parkeerterrein in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

  • a.

    het betreft incidenteel en tijdelijk parkeren voor ten hoogste 10 etmalen per kalenderjaar;

  • b.

    aan gebruikers duidelijk is gemaakt dat er sprake is van een grondwaterbeschermingsgebied en dat het in de bodem komen van bepaalde stoffen een bedreiging vormt voor het grondwater;

  • c.

    er voldoende middelen beschikbaar zijn om een eventuele verontreiniging op te ruimen;

  • d.

    er een toezichthouder beschikbaar is die in geval van verontreiniging direct passende maatregelen treft;

  • e.

    er een logboek wordt bijgehouden van uitgevoerde controles en bevindingen;

  • f.

    er startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.9.

Artikel 2.16 Regels voor tijdelijk gebruik gronden voor een evenement Grondwaterbeschermingsgebied

Het tijdelijk gebruik van gronden voor een evenement in Grondwaterbeschermingsgebied is toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

  • a.

    een bodembeschermende voorziening is aangebracht ter plaatse van risicovolle activiteiten en handelingen, zoals het gebruik van aggregaten, chemische middelen en brandstoftanks;

  • b.

    spoelwater afkomstig van voorzieningen wordt opgevangen en naar buiten het grondwaterbeschermingsgebied wordt afgevoerd;

  • c.

    er een toezichthouder beschikbaar is die in geval van calamiteiten direct passende actie onderneemt;

  • d.

    er een logboek wordt bijgehouden van uitgevoerde controles en bevindingen;

  • e.

    er een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.9.

Artikel 2.17 Meldingsplicht en uitzondering toepassen grond en baggerspecie Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

Het is in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan grond of baggerspecie toe te passen in oppervlaktewater dan wel op of in de bodem tot ten hoogste 5000 m³ als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

  • a.

    de grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit is;

  • b.

    de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem gelijk is of slechter is dan de toe te passen grond of baggerspecie.

Lid 2

 

Er is sprake van grond of baggerspecie van voldoende kwaliteit als die:

 

  • a.

    de achtergrondwaarde niet overschrijdt; of

  • b.

    afkomstig is uit het betreffende grondwaterbeschermingsgebied en voldoet aan:

  •  

    • 1.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen bij toepassing op of in de bodem;

    • 2.

      de maximale waarde van de kwaliteitsklasse A bij toepassing in oppervlaktewater.

Lid 3

 

In afwijking van het eerste lid, aanhef, is het toegestaan meer dan 5000 m³ grond of baggerspecie toe te passen als er melding wordt gedaan overeenkomstig artikel 6.10.

 

Lid 4

 

In aanvulling op artikel 6.10 bevat een melding de resultaten van een locatie specifiek onderzoek waaruit blijkt dat de risico's op verontreiniging van het grondwater niet toenemen.

 

Paragraaf 2.1.4 Boringsvrije zone

Artikel 2.18 Regels voor activiteiten in de bodem Boringsvrije zone

Lid 1

 

Het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van tien meter of meer onder het maaiveld is in Boringsvrije Zone toegestaan:

 

  • a.

    tot de diepte zoals weergegeven op de kaart;

  • b.

    en er er overeenkomstig protocol 2101 mechanisch boren, eis 18, uiterlijk vier weken na uitvoering een beschrijving van het veldwerk aan gedeputeerde staten wordt gestuurd;

  • c.

    een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.9.

Lid 2

 

Het verrichten van werkzaamheden die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie zijn uitgezonderd van het verbod in het eerste lid.

Artikel 2.19 Regels voor warmtetoevoeging en -onttrekking Boringsvrije zone

Lid 1

 

Activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder in ieder geval het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem, is in de Boringsvrije zone toegestaan als:

 

  • a.

    er geen schadelijke middelen worden toegepast;

  • b.

    een startmelding is gedaan overeenkomstig artikel 6.9.

Lid 2

 

Als niet schadelijke middelen worden in volgorde van voorkeur aangemerkt: water, waterstofcarbonaat, monopropyleenglycol.

 

Afdeling 2.2 Grondwater

Artikel 2.20 Verbod onconventionele koolwaterstofwinning Diep grondwaterlichaam

Boven, in of onder een Diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden.

Artikel 2.21 Vrijstelling vergunningplicht grondwaterontrekking

Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is niet vereist voor een onttrekking gesitueerd in Geen Attentiezone waterhuishouding als:

 

  • a.

    de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt;

  • b.

    de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

Artikel 2.22 Vrijstelling registratieplicht bodemenergiesystemen

Lid 1

 

De verplichtingen met betrekking tot het melden, meten en registreren van een grondwateronttrekking, bedoeld in artikel 6.11, eerste, tweede en vierde lid, Waterbesluit, zijn niet vereist bij onttrekkingen voor bodemenergiesystemen gesitueerd in Geen Attentiezone waterhuishouding als:

 

  • a.

    de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur;

  • b.

    de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld.

Lid 2

De verplichting met betrekking tot de opgave van de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, bedoeld in artikel 6.11, vierde lid van het Waterbesluit, is niet van toepassing op een onttrekking voor een bodemenergiesysteem bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, als de gemeten hoeveelheden in overeenstemming zijn met de watervergunning.

 

Afdeling 2.3 Bodem

 

Paragraaf 2.3.1 Bodemsanering

Artikel 2.23 Het saneringsplan bodemsanering

Lid 1

 

Naast de eisen die op grond van artikel 39, eerste lid, of artikel 40, eerste lid, Wet bodembescherming worden gesteld bevat het saneringsplan de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist.

 

Lid 2

 

De aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen achterwege blijven als die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.

Artikel 2.24 Eisen saneringsplan bodemsanering Waterwingebied of Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

Als een sanering geheel of gedeeltelijk plaatsvindt binnen een Waterwingebied of een Grondwaterbeschermingsgebied is het saneringsplan gericht op het bereiken van de streefwaarde of de (verhoogde) achtergrondwaarde.

 

Lid 2

 

Als een volledige verwijdering van de verontreiniging niet kosteneffectief is, is het saneringsplan gericht op een stabiele eindsituatie, waarbij de contouren van een eventuele restverontreiniging zich niet groter worden.

 

Lid 3

 

Als het bereiken van de waarden bedoeld in het eerste lid niet haalbaar is, wordt aangegeven op welke wijze de risico’s voor het drinkwater, worden weggenomen.

 

Lid 4

 

Uit het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat:

 

  • a.

    hulpstoffen voor een in-situ-sanering geen risico vormen voor het drinkwater;

  • b.

    de afbraak van restproducten inzichtelijk is gemaakt.

Artikel 2.25 Wijziging saneringsplan bodemsanering

Bij een melding tot wijziging van het saneringsplan, genoemd in artikel 39, vierde lid en artikel 40 Wet bodembescherming worden de volgende gegevens verstrekt:

 

  • a.

    de gegevens die afwijken van het saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd;

  • b.

    de inhoud van de wijziging;

  • c.

    de reden van de wijziging;

  • d.

    de gevolgen van de wijziging voor de saneringsdoelstelling en de te treffen saneringsmaatregelen;

  • e.

    de eventuele verandering van het tijdstip waarop de sanering naar verwachting is afgerond.

Artikel 2.26 Saneringsverslag

Lid 1

 

Naast de eisen bedoeld in artikel 39c, eerste lid, Wet bodembescherming, bevat het saneringsverslag de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist.

Lid 2

 

De aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen achterwege blijven in het geval dat:

 

  • a.

    bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;

  • b.

    daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken;

  • c.

    de gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag.

Artikel 2.27 Nazorgplan

 

Lid 1

 

Naast de eisen bedoeld in artikel 39d, eerste lid, Wet bodembescherming, bevat het nazorgplan:

 

  • a.

    de gegevens zoals opgenomen in de door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde checklist;

  • b.

    een beschrijving van de handelwijze in geval van het gebruik van de locatie;

  • c.

    een beschrijving van de handelwijze in geval van graafwerkzaamheden op de locatie;

  • d.

    een beschrijving van de gebruiksbeperkingen in relatie tot de nazorg.

Lid 2

 

Als de maatregelen inhouden het regelmatig inspecteren van de beheers- en isolatievoorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

 

  • a.

    een beschrijving van de wijze en de tijdstippen waarop de instandhouding van de voorzieningen worden gewaarborgd en gecontroleerd;

  • b.

    de wijze en de tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan.

Lid 3

 

Als de maatregelen het periodiek monitoren van de restverontreiniging inhouden, worden de volgende gegevens verstrekt:

 

  • a.

    het monitoringsprogramma, waarin in ieder geval is opgenomen de wijze en het tijdstip waarop monitoring plaats vindt, de peilbuizen en de te verrichten analyses en frequentie van bemonstering;

  • b.

    de signaal- en actiewaarden met bijbehorende acties;

  • c.

    de wijze en tijdstippen waarop hierover verslag wordt gedaan.

Lid 4

 

Als de maatregelen het isoleren en beheersen van de achtergebleven verontreiniging inhouden, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop het betrokken gebied wordt beheerd.

 

Lid 5

 

Het vermelden in het nazorgplan van de aanvullende gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven in het geval dat:

 

  • a.

    bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;

  • b.

    daarbij de reden wordt aangegeven waarom de gegevens ontbreken;

  • c.

    de gegevens naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het nazorgplan.

Artikel 2.28 Melding bodemsanering

Lid 1

 

De uitvoerder van een grond- of grondwatersanering doet ten minste twee en ten hoogste zes weken voor aanvang van de sanering hiervan mededeling overeenkomstig artikel 6.11 Melding bodemsanering.

 

Lid 2

 

De uitvoerder meldt ten minste 2 werkdagen tevoren:

 

  • a.

    het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving;

  • b.

    het volledige voltooien van een grondsanering na aanvulling tot peil.

Lid 3

 

In geval van een gefaseerde sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, Wet bodembescherming wordt ten minste vier weken voor de aanvang van elke fase mededeling gedaan overeenkomstig artikel 6.11 Melding bodemsanering.

 

Lid 4

Als sprake is van een grondsanering of grondwatersanering waarbij is ingestemd met een aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere fase op de in het eerste lid, beschreven wijze gemeld.

 

Lid 5

 

De opdrachtgever van de sanering of de uitvoerder draagt tijdens en na de uitvoering van een sanering zorg voor het indienen van voortgangsverslagen:

 

  • a.

    bij een sanering met een langere duur dan zes maanden, iedere zes maanden een voortgangsrapport;

  • b.

    als een grondsanering wordt uitgevoerd in combinatie met een daarna nog doorlopende grondwatersanering en de gehele sanering langer duurt dan zes maanden, een tussentijds saneringsverslag conform artikel 39 c, eerste lid, van de Wet bodembescherming na afronding van de grondsanering en vervolgens iedere zes maanden een voortgangsverslag van de grondwatersanering.

Lid 6

Het eindverslag over de sanering, bedoeld in artikel 39c, eerste lid, Wet bodembescherming heeft betrekking op de gehele sanering.

 

Lid 7

De voortgangsverslagen worden opgesteld op basis van een door de uitvoerder op de locatie bij te houden logboek.

 

Lid 8

Voortgangsverslagen worden ingediend binnen een maand na afloop van de periode waar zij betrekking op hebben.

 

Lid 9

Saneringsverslagen en nazorgplannen worden ingediend binnen acht weken na afronding van de sanering, dan wel van het deel van de sanering waar zij betrekking op hebben.

 

Lid 10

Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van de voortgangsverslagen, binnen het kader van de afgegeven beschikking, aanwijzingen geven over voortgang.

Artikel 2.29 Verbijzondering van beleid

De bepalingen uit deze paragraaf blijven buiten toepassing voor zover sprake is van strijdigheid met regels die voortvloeien uit (toekomstig) beleid dat door Gedeputeerde Staten, door het Rijk of de Europese Unie is vastgesteld.

 

Paragraaf 2.3.2 Ontgronden

Artikel 2.30 Ontgrondingsactiviteit

Voor de toepassing van deze verordening worden tot één ontgrondingsactiviteit gerekend, die ontgrondingsactiviteiten die in elkaars nabijheid of volgtijdelijk worden uitgevoerd en waarbij onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan.

Artikel 2.31 Eenvoudige ontgrondingsactiviteit

De procedurele bepalingen in artikel 10, eerste tot en met derde lid, Ontgrondingenwet, zijn niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken en die betreffen:

 

  • a.

    een ondergeschikte wijziging waarvoor reeds eerder een vergunning is verleend;

  • b.

    een wijziging van de tenaamstelling van een reeds verleende vergunning; of

  • c.

    een intrekking van een verleende vergunning op verzoek van de vergunninghouder.

Artikel 2.32 Vrijstelling vergunningplicht ontgronden zonder meldingsplicht

Met toepassing van artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet is geen vergunning vereist voor de volgende categorieën van ontgrondingen:

 

  • a.

    grondwerken voor het maken, wijzigen en verwijderen van bouwwerken en funderingen;

  • b.

    het delven, openen en ruimen van graven;

  • c.

    het doen van archeologische opgravingen met vergunning krachtens de Erfgoedwet;

  • d.

    het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen en sonderingen;

  • e.

    het plaatsen, vervangen en opruimen van in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen;

  • f.

    de normale uitoefening van een landbouw-, tuinbouw- of bosbouwbedrijf;

  • g.

    grondwerken voor het normale onderhoud aan grond, werken of bouwwerken inclusief het reguliere onderhoud van waterlopen en zandvangers;

  • h.

    het aanleggen, wijzigen en opruimen van infrastructurele werken inclusief de retentievoorzieningen met een maximale diepte van 3,00 meter beneden het maaiveld, die in technische en functionele zin onlosmakelijk onderdeel vormen van deze werken, ter uitvoering van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit;

  • i.

    het verbeteren van de bodemgesteldheid en egalisatie, niet zijnde de realisatie van een voorziening voor oppervlaktewater, ten behoeve van het aanleggen, wijzigen en verwijderen van openbaar groen, pleinen, parken, parkeer- en industrieterreinen, sportterreinen – met uitzondering van golfbanen – en speelterreinen, ter uitvoering van een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit;

  • j.

    het ontginnen van een voormalige of gesloten stortplaats waarvoor Gedeputeerde Staten toestemming hebben verleend;

  • k.

    sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging krachtens de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer;

  • l.

    ontgrondingen, niet groter dan 2.000 m2, en waarbij niet dieper dan 3,00 meter beneden het maaiveld wordt ontgrond.

Artikel 2.33 Vrijstelling vergunningplicht ontgronden met meldingsplicht

Met toepassing van artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet, geldt voor de volgende categorieën dat er geen vergunning is vereist als er melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10 Melding algemeen:

 

  • a.

    functionele ontgrondingen, met een oppervlakte groter dan 2.000 m2, in het geval dat:

    • 1.

      niet dieper wordt ontgrond dan 3,00 meter beneden maaiveld;

    • 2.

      niet meer dan 15.000 m3 grond wordt vergraven;

    • 3.

      de ontgronding niet in strijd is met een ter plaatse geldend ruimtelijk besluit;

    • 4.

      de ontgronding niet in een gebied ligt dat op de Aardkundige waardevolle gebiedenkaart is aangeduid als aardkundig waardevol gebied;

    • 5.

      de ontgronding niet in een gebied ligt dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid als archeologisch monument;

    • 6.

      als de ontgronding in een gebied ligt dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart is aangeduid met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde of in een gebied met een zeer hoge of hoge historisch geografische waarde of historische groenstructuren, dat door middel van een rapportage conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is aangetoond dat de ontgronding geen afbreuk doet aan archeologische of cultuurhistorische waarden;

    • 7.

      als het de uitvoering betreft van werkzaamheden ten behoeve van de waterhuishouding, de ontgronding zich niet binnen 30 meter van de teen van een waterkering of binnen 200 meter van het aansluitpunt van een primaire waterkering op de hogere gronden plaatsvindt.

  • b.

    ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten in het kader van ecologische verbindingszones, beek- en kreekherstelprojecten of een overige natuurontwikkelingsproject, die:

    • 1.

      in overeenstemming zijn met de vigerende gebiedsanalyse PAS of een ter plaatse geldende gebiedsanalyse PAS, het vigerend natuurbeheerplan op het moment van de melding;

    • 2.

      zijn opgenomen in een plan waarin de betrokken belangen bij de ontgronding zijn afgewogen en dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 2.3.3 Stortplaatsen

Artikel 2.34 Verbod activiteiten Gesloten stortplaats

Lid 1

 

Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een Gesloten stortplaats wordt uitgevoerd:

 

  • a.

    werken te realiseren of in stand te houden;

  • b.

    stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen, neer te leggen, of te laten staan of liggen;

  • c.

    andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten als daardoor de instandhouding van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, Wet milieubeheer, belemmerd kan worden of de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.

Lid 2

 

Het eerste lid, is niet van toepassing op:

 

  • a.

    het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 Wet milieubeheer waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd;

  • b.

    handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan;

  • c.

    handelingen ter uitvoering van maatregelen vastgesteld bij of krachtens de Wet bodembescherming of de Waterwet;

  • d.

    handelingen waarvoor melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.37 Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen en waarvan is aangegeven dat met de melding volstaan kan worden.

Lid 3

Ontheffing is mogelijk van de in het eerste lid, gestelde verbod als het belang, dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

Artikel 2.35 Verbod activiteiten Voormalige stortplaats

Lid 1

 

Het is verboden in, op, onder of over een Voormalige Stortplaats:

 

  • a.

    werken te realiseren of in stand te houden;

  • b.

    stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen, neer te leggen, of te laten staan of liggen;

  • c.

    andere dan de onder a en b bedoelde handelingen te verrichten of handelingen na te laten als daardoor de aanleg van nazorgvoorzieningen verhinderd kan worden of de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing op:

 

  • a.

    het treffen van maatregelen volgens een hergebruikplan waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd;

  • b.

    handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan;

  • c.

    handelingen ter uitvoering van maatregelen vastgesteld bij of krachtens de Wet bodembescherming of de Waterwet;

  • d.

    handelingen waarvoor melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.37 Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen en waarvan is aangegeven dat met de melding volstaan kan worden.

Lid 3

Ontheffing van het verbod bedoeld in het eerste lid is mogelijk als het belang, dat de voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

Artikel 2.36 Regels vergunningverlening activiteiten op stortplaatsen

Lid 1

 

Het bevoegd gezag dat een besluit neemt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is, dan wel zal zijn gelegen op een voormalige of gesloten stortplaats, houdt rekening met Beleidsnota Hergebruik stortplaatsen van 22 juni 2004.

 

Lid 2

 

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften die tot doel hebben:

  • a.

    de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

  • b.

    aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

  • c.

    te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

Lid 3

 

Indien gedeputeerde staten geen bevoegd gezag zijn, stelt het bevoegde gezag gedeputeerde staten in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag, waarbij gedeputeerde staten aanwijzingen kunnen geven aan het bevoegd gezag met betrekking tot de inhoud van de aanvraag en de omgevingsvergunning.

Artikel 2.37 Meldingsplicht hergebruik stortplaatsen

Het verbod bedoeld in artikel 2.34 Verbod activiteiten Gesloten stortplaats, eerste lid en artikel 2.35 Verbod activiteiten Voormalige stortplaats, eerste lid, geldt niet als er een melding is gedaan overeenkomstig artikel 6.10 in de volgende gevallen:

 

  • a.

    handelingen die geen belemmering, dan wel beschadiging betekenen voor de nazorgvoorzieningen;

  • b.

    een ondergeschikte wijziging in de uitvoering van een hergebruikplan voor handelingen waarvoor reeds een ontheffing is verleend en welke geen belemmering, dan wel beschadiging betekenen voor de nazorgvoorzieningen;

  • c.

    een nadere uitwerking van maatregelen ter bescherming van de nazorgvoorzieningen van een hergebruikplan waarvoor reeds een ontheffing of vergunning is verleend teneinde te voldoen aan de voorschriften daarvan.

Afdeling 2.4 Lucht en geluid

 

Paragraaf 2.4.1 Luchtkwaliteit

Artikel 2.38 Verbod varend ontgassen in Ontgassingsvrijgebied

Lid 1

 

Het is verboden om in Ontgassingsvrij gebied restladingdamp van aardolieproducten die bestaan uit meer dan 10% benzeen te emitteren.

 

Lid 2

 

Van het verbod in het eerste lid kan ontheffing verleend worden als de belangen van het milieu zich daar niet tegen verzetten.

 

Paragraaf 2.4.2 Stiltegebied

Artikel 2.39 Zorgplicht Stiltegebied

Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een Stiltegebied de na te streven stilte en rust wordt verstoord, is verplicht:

 

  • a.

    dergelijk handelen of nalaten achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan;

  • b.

    indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om de verstoring te beperken;

  • c.

    indien er een verstoring optreedt, deze zoveel mogelijk te beperken en zo spoedig als mogelijk te beëindigen.

Artikel 2.40 Streefwaarde Stiltegebied

Binnen een Stiltegebied geldt een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24 uur.

Artikel 2.41 Grenswaarde milieubelastende activiteit Stiltegebied

Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in een Stiltegebied geldt:

 

  • a.

    40 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte, op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze 100 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt;

  • b.

    45 dB(A) Laeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte, op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze minder dan 100 meter van de grens van het Stiltegebied ligt.

Artikel 2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied

Lid 1

 

Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied geldt 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte:

 

  • a.

    op de grens van het Stiltegebied, als de locatie van de activiteit 50 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt;

  • b.

    op 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit, als deze minder dan 50 meter van de grens van het Stiltegebied ligt.

Lid 2

 

Als grenswaarde voor de geluidbelasting vanwege een niet locatiegebonden geluidsbron binnen de Attentiezone stiltegebied, geldt een geluidsniveau van 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op de grens van het Stiltegebied.

Artikel 2.43 Verboden gebruik toestellen Stiltegebied

Lid 1

 

Ter beperking van geluidsoverlast is het binnen een Stiltegebied verboden een toestel te gebruiken waardoor de na te streven stilte en rust wordt verstoord.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen:

 

  • a.

    als het toestel wordt gebruikt bij de aanleg kabels en buisleidingen voor directe woonaansluitingen;

  • b.

    als het gebruik van het toestel noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid;

  • c.

    als het toestel wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en niet hoorbaar is op een afstand van meer dan 50 meter van het toestel;

  • d.

    als het toestel wordt gebruikt:

     

    • 1.

      door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

    • 2.

      als noodseinmiddel in geval van nood;

    • 3.

      bij of krachtens de Wet natuurbescherming.

Lid 3

 

Het verbod bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

 

  • a.

    de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

  • b.

    de uitoefening van een locatiegebonden milieubelastende activiteit binnen de daarvoor geldende voorwaarden;

  • c.

    werkzaamheden door het drinkwaterbedrijf in Waterwinning voor menselijke consumptie;

  • d.

    het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 2.44 Verboden gebruik motorvoertuig en bromfiets Stiltegebied

Lid 1

 

Het is in een Stiltegebied verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten voor gemotoriseerd verkeer opengestelde wegen of terreinen.

 

Lid 2

 

Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.

 

Lid 3

 

Het verbod bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

 

  • a.

    de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

  • b.

    de uitoefening van een locatiegebonden milieubelastende activiteit binnen de daarvoor geldende voorwaarden;

  • c.

    werkzaamheden door het drinkwaterbedrijf in Waterwinning voor menselijke consumptie;

  • d.

    het onderhoud van het gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 2.45 Verboden gebruik vaartuigen Stiltegebied

Het is in een Stiltegebied verboden met een verbrandingsmotor aangedreven vaartuig sneller te varen dan 6 kilometer per uur.

Artikel 2.46 Verboden gebruik vuurwerk Stiltegebied

Lid 1

 

Het is in een Stiltegebied verboden vuurwerk tot ontbranding te brengen.

 

Lid 2

 

Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als dit:

 

  • a.

    noodzakelijk is voor oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar, of

  • b.

    plaatsvindt gedurende een bij Vuurwerkbesluit aangewezen periode.

Artikel 2.47 Instructieregels (Attentiezone) Stiltegebied

Lid 1

Het bevoegd gezag houdt in het Stiltegebied en de Attentiezone stiltegebied rekening met de grenswaarden, genoemd in artikel 2.40 Streefwaarde Stiltegebied, artikel 2.41 Grenswaarde milieubelastende activiteit Stiltegebied en artikel 2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied bij:

 

  • a.

    gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, Gemeentewet;

  • b.

    gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onder e, en 2.1, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • c.

    het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 8.42 Wet milieubeheer;

  • d.

    de ontheffing bedoeld in artikel 8a.51 Wet luchtvaart.

Lid 2

 

Het bevoegd gezag kan in geval van een bijzondere omstandigheid afwijken van de genoemde grenswaarden als:

 

  • a.

    de afwijking van de grenswaarde zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • b.

    de overschrijding ten hoogste 5 dB(A) van de grenswaarde bedraagt.

Lid 3

 

Er is in ieder geval sprake van een bijzondere omstandigheid als:

 

  • a.

    de locatiegebonden milieubelastende activiteit door het onverkort toepassen van de grenswaarde redelijkerwijs niet mogelijk is; of

  • b.

    uit onderzoek blijkt dat er geen alternatieve locatie mogelijk is.

Lid 4

 

In aanvulling op artikel 2.21 lid 1, onder b Activiteitenbesluit verbindt het bevoegd gezag aan het toelaten van festiviteiten tot ten hoogste 12 dagen per kalenderjaar de voorwaarde dat de grenswaarde als bedoeld in artikel 2.41 met ten hoogste 5 dB(A) wordt overschreden wat blijkt uit een daartoe opgestelde onderbouwing.

Artikel 2.48 Ontheffing Stiltegebied

Er kan ontheffing gevraagd worden van de artikel 2.43 tot en met artikel 2.46 overeenkomstig artikel 6.4.

 

Afdeling 2.5 Infrastructuur

 

Paragraaf 2.5.1 Provinciale weg

Artikel 2.49 Verbod gedragingen buiten Provinciale weg

Lid 1

 

Het is verboden om zich buiten de Provinciale Weg zodanig te gedragen dat daardoor de zorgplicht voor de provinciale weg wordt belemmerd of in het geding komt.

 

Lid 2

 

Onder zorgplicht voor de provinciale weg wordt verstaan de wettelijke verplichting van de provincie om haar wegen te onderhouden, bedoeld in artikel 15 van de Wegenwet, en om de belangen te beschermen, bedoeld in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.50 Verbod veranderen Provinciale weg

Lid 1

 

Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten de Provinciale weg te veranderen.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing op het veranderen van de provinciale weg door of in opdracht van de provincie tijdens het uitvoeren van de zorgplicht voor de Provinciale weg.

 

Lid 3

 

Ingeval er op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder d en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist is die mede van toepassing is op een Provinciale weg, worden Gedeputeerde Staten door het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

Artikel 2.51 Verboden gebruik Provinciale weg

Lid 1

 

Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten de Provinciale Weg te gebruiken voor ander gebruik dan voor verkeersdoeleinden.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing voor:

 

  • a.

    de provincie tijdens het uitvoeren van de zorgplicht voor de provinciale weg;

  • b.

    een gedenkteken, zolang die door de aanwezigheid, grootte, plaats of vormgeving de belangen die paragraaf 2.5.1 Provinciale weg beschermt niet in het geding brengt;

  • c.

    voorwerpen en stoffen die kortstondig op de provinciale weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, zolang deze voorwerpen of stoffen niet schadelijk, gevaarlijk of hinderlijk zijn of anderszins de belangen beschadigen die paragraaf 2.5.1 Provinciale weg beschermt;

  • d.

    voor zover toestemming is verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de wegenverkeerswetgeving of artikel 2.50 Verbod veranderen Provinciale weg.

Paragraaf 2.5.2 [gereserveerd]

 

Afdeling 2.6 Natuur

 

Paragraaf 2.6.1 Soortenbescherming

Artikel 2.52 Vrijstelling soorten

In verband met handelingen als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g, Wet natuurbescherming, is het in afwijking van artikel 3.10, eerste lid, Wet natuurbescherming, toegestaan om:

 

  • a.

    de soorten uit de opgenomen tabel te vangen;

  • b.

    de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de soorten uit de opgenomen tabel opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amfibieen

 

Bruine kikker

Rana temporaria

Gewone pad

Bufo bufo

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (oud: Triturus vulgaris)

Meerkikker

Rana ridibunda

Middelste groene kikker (of bastaardkikker)

Rana esculenta

Zoogdieren

 

Aardmuis

Microtus agrestis

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Haas

Lepus europeus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Wild zwijn

Sus scrofa

Woelrat

Arvicola terrestris

 

Artikel 2.53 Vrijstelling handelingen vogels ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden

Lid 1

 

Ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden en vee is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.1 en artikel 3.2, zesde lid, Wet natuurbescherming, toegestaan handelingen uit te voeren bestemd en geschikt voor:

 

  • a.

    vogels;

  • b.

    eieren;

  • c.

    niet vliegvlugge jongen als deze onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden weer in vrijheid worden gesteld.

Lid 2

 

De vrijstelling geldt niet voor het verbod tot doden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, Wet natuurbescherming.

Artikel 2.54 Vrijstelling handelingen amfibieën ter veiligstelling tegen het verkeer

 

Lid 1

 

Ter veiligstelling tegen het verkeer is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.5, 3.6, tweede lid en artikel 3.10 Wet natuurbescherming, toegestaan om:

  • a.

    beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te vangen door middel van het plaatsen van schermen en met behulp van emmers;

  • b.

    de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben;

  • c.

    de soorten, genoemd onder a, te vervoeren.

Lid 2

 

De vrijstelling bedoeld in het eerste lid, geldt slechts:

 

  • a.

    voor het vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats;

  • b.

    voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 2.55 Vrijstelling handelingen amfibieën voor onderzoek en onderwijs

Met het oog op het gebruik bij onderzoek en onderwijs is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.10 Wet natuurbescherming, toegestaan:

 

  • a.

    eieren van de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad, te vangen;

  • b.

    eieren van de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben;

  • c.

    eieren van de soorten, genoemd onder a, te vervoeren;

  • d.

    de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad onder zich te hebben, voor zover de metamorfose nog niet is voltooid;

  • e.

    de soorten, genoemd onder d, te vervoeren.

Artikel 2.56 Vrijstelling handelingen voor onderzoek en onderwijs

Met het oog op het gebruik voor onderzoek of onderwijs is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.2, zesde lid en artikel 3.6, tweede lid, Wet natuurbescherming, toegestaan:

 

  • a.

    keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot onder zich te hebben;

  • b.

    de producten, genoemd onder a, te vervoeren.

Artikel 2.57 Vrijstelling handelingen uitzetten diersoorten

Lid 1

 

Voor zover, op basis van deze paragraaf 2.6.1 Soortenbescherming, soorten zijn gevangen is het in afwijking van de verboden bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, Wet natuurbescherming, toegestaan dieren of eieren van dieren uit te zetten.

 

Lid 2

 

De uitzetting, bedoeld in het eerste lid, vindt zo spoedig mogelijk plaats op een voor de soort geschikte locatie.

 

Paragraaf 2.6.2 Schade- en overlastbestrijding

Artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten

Lid 1

 

Ter voorkoming van schade is het in afwijking van artikel 3.1, eerste, tweede en vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, Wet natuurbescherming, toegestaan voor de volgende soorten, handelingen, belangen, gevallen en middelen de genoemde handelingen te verrichten:

 

Soorten

Handeling

Wettelijk belang

Vrijstelling

Middelen

Steenmarter

Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom.

 

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.

Belangrijke schade aan gebouwen of eigendommen gelegen binnen de bebouwde kommen

 

Overlast in geval van vaste voortplantings-plaats of verblijfplaats in woningen, scholen, bedrijfsgebouwen of sport-accomodaties, gelegen binnen de bebouwde kommen

-vangkooien

Veldmuis

Vangen

Doden

 

Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.

ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen.

 

in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten

Belangrijke schade aan gewassen.

-rodenator

-middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld.

-klemmen

Woelrat

Vangen

Doden

 

 

 

Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

 

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.

Belangrijke schade of dreigende schade aan teelt van appels en peren

 

 

 

Belangrijke schade of dreigende schade aan waterkeringen.

-rodenator

-middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld.

-klemmen

-vangkooien

 

Lid 2

 

De vrijstelling geldt uitsluitend:

 

  • a.

    voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade;

  • b.

    voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van artikel 3.15, zevende lid, Wet natuurbescherming aangewezen persoon;

  • c.

    op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringend gebied;

  • d.

    nadat passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig het faunabeheerplan;

  • e.

    als handelingen worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan.

Lid 3

 

De vrijstelling voor het doden of het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de woelrat is uitsluitend van toepassing met gebruik van de toegestane middelen, op percelen waar teelt van appels en peren plaatsvindt.

 

Lid 4

 

De vrijstelling voor het vangen of doden van de woelrat, ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen geldt enkel op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daaropvolgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.

 

Lid 5

 

De vrijstelling voor het verstoren, opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters, alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort geldt alleen op grond van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortbeheerplan.

 

Lid 6

 

Het opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen daarvan mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch terzake deskundige.

 

Lid 7

 

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgeschort door Gedeputeerde Staten als bijzondere weersomstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2.59 Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom

Lid 1

 

Ter bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom is het gemeenten, in afwijking van artikel 3.1, eerste tot en met vierde lid, en artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, Wet natuurbescherming, toegestaan de daarin genoemde handelingen te verrichten voor de soorten, handelingen, belangen, gevallen en middelen die in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, eerste lid, zijn aangewezen.

 

Lid 2

 

De vrijstelling voor het opzettelijk verstoren of vangen, al dan niet in combinatie met het verplaatsen en vernielen van nesten en rustplaatsen, geldt alleen op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortenbeheerplan.

 

Lid 3

 

Het verstoren, vangen, opzettelijk vernielen van nesten en rustplaatsen mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige.

Artikel 2.60 Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten

Lid 1

 

In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten mogen in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk worden verontrust:

 

  • a.

    brandganzen;

  • b.

    grauwe ganzen;

  • c.

    kolganzen;

  • d.

    rotganzen;

  • e.

    taigarietganzen;

  • f.

    toendrarietganzen;

  • g.

    smienten.

Lid 2

 

Het opzettelijk verontrusten, bedoeld in het eerste lid, wordt, gelet op de verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn, geacht van wezenlijke invloed te zijn op de staat van instandhouding van deze soorten.

 

Lid 3

 

In afwijking van artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, eerste lid, is het de grondgebruiker, in de rust- en foerageergebieden, in de periode 1 november tot 1 april, slechts toegestaan van die vrijstelling gebruik te maken voor zover gebruikmaking hiervan niet leidt tot verontrusting van de aldaar aanwezige, in het eerste lid genoemde, soorten.

 

Lid 4

 

Als de grondgebruiker de ingevolge de vrijstelling toegestane handelingen door een ander laat uitoefenen, is het derde lid ook van toepassing op die persoon.

 

Lid 5

 

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor de opstallen, bedoeld in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten, tweede lid, onder c voor zover het door de grondgebruiker gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft.

Artikel 2.61 één-op-één beheermethode wilde zwijnen

Het doden van wilde zwijnen door middel van de één-op-één beheermethode, bedoeld in artikel 3.33, tweede lid, Wet natuurbescherming, is alleen toegestaan als dit in overeenstemming is met het faunabeheerplan.

 

Paragraaf 2.6.3 Houtopstanden

Artikel 2.62 Vrijstelling meldings- en herplantplicht

Lid 1

 

Het verbod, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet natuurbescherming, alsmede de verplichting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming, zijn niet van toepassing als sprake is van:

 

  • a.

    houtopstanden op oevers van vennen en poelen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

  • b.

    houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist; of

  • c.

    een tijdelijke houtopstand.

Lid 2

 

Van een houtopstand als bedoeld in het eerste lid, onder c, is sprake als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg bij Gedeputeerde Staten gemeld overeenkomstig artikel 6.12 Eisen vellingsmelding houtopstanden;

  • b.

    de houtopstand is niet aangeplant ter voldoening aan een andere verplichting tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming en is tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving;

  • c.

    de houtopstand is aangeplant voor de productie van hout of biomassa;

  • d.

    de houtopstand wordt binnen een periode van 40 jaar geheel geveld, gerekend vanaf het tijdstip van aanleg als bedoeld onder a.

Artikel 2.63 Eisen herplanting

Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming voldoet in elk geval aan de volgende eisen:

 

  • a.

    de oppervlakte van de herbeplanting is tenminste even groot als de oppervlakte van de gevelde houtopstand;

  • b.

    de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • c.

    de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak vormen;

  • d.

    het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan;

  • e.

    herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, Wet natuurbescherming niet aantasten;

  • f.

    de herbeplante houtopstand kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen.

Artikel 2.64 Ontheffingen herplantplicht

Lid 1

Ontheffing van de herplantplicht, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming, is mogelijk als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    velling van een houtopstand die als gevolg van natuurlijke processen op heideterreinen of zandverstuivingen is ontstaan;

  • b.

    velling van een houtopstand in verband met het omvormen naar een ander natuurbeheertype dan bos, op basis van de als onderdeel van het natuurbeheerplan vastgestelde ambitiekaart of maatregelkaarten;

  • c.

    velling van een houtopstand ter bevordering van de cultuurhistorische, aardkundige of archeologische waarden ter plaatse.

Lid 2

 

Ontheffing van de verplichting tot herplant op dezelfde grond, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming is mogelijk als dit niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden ter plaatse en, in aanvulling op artikel 2.63 Eisen herplanting, wordt voldaan aan de volgende eisen:

 

  • a.

    de andere grond is gelegen in de provincies Noord-Brabant of Limburg;

  • b.

    de andere grond is van gelijkwaardige grondkwaliteit;

  • c.

    als de velling heeft plaatsgevonden op grond die is gelegen in of aan een boskern vindt herplant ook plaats in of aan een boskern;

  • d.

    beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van ter plaatse aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden;

  • e.

    de andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet natuurbescherming en tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving.

Lid 3

 

Ontheffing is mogelijk van de herplanttermijn, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, Wet Natuurbescherming als natuurlijke of fysieke omstandigheden het niet mogelijk maken om binnen de termijn van 3 jaar aan de herplantplicht te voldoen.

 

Afdeling 2.7 Landbouw

 

Paragraaf 2.7.1 Natura 2000

Artikel 2.65 Vrijstelling vergunningenplicht Natura-2000

Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming, is niet van toepassing op agrarische beregening uit grondwater als is voldaan aan de Regeling natuurbescherming Noord-Brabant.

Artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij

 

Lid 1

 

Vanaf 1 januari 2020 is het verboden een huisvestingssysteem toe te passen of in werking te hebben dat:

 

  • a.

    is gerealiseerd op basis van een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit, die:

    • 1.

      voor de hoofdcategorie rundvee uit de Regeling ammoniak en veehouderij: langer dan 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden respectievelijk langer dan 20 jaar geleden is ingediend,

    • 2.

      voor alle andere diercategorieën: langer dan 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden, respectievelijk langer dan 15 jaar geleden is ingediend;

  • b.

    niet voldoet aan de vereisten opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem bij deze verordening.

Lid 2

 

In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt als datum 1 januari 2022, indien:

 

  • a.

    het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting;

  • b.

    voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 april 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend.

Lid 3

In aanvulling op het eerste en tweede lid geldt voor veehouderijen die op 6 juli 2017 op bedrijfsniveau gemiddeld voldeden aan de op dat moment geldende technische staleisen opgenomen in bijlage 2 dat de veehouderij voldoende mogelijkheden krijgt, zonder dat de bedrijfsvoering van de onderneming in gevaar komt, om te zorgen dat elk toegepast huisvestingssysteem binnen de veehouderij op zichzelf kan voldoen aan de vereisten als opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem bij deze verordening.

Artikel 2.67 Afwijkende regels voor specifieke categorieën

In afwijking van artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij, eerste lid, aanhef, geldt:

 

  • a.

    voor melkrundveehouderijen die toepassing geven aan een stro(oisel)stal als datum 1 januari 2024 indien:

     

    • 1.

      de stallen onderdeel zijn van een natuurinclusieve bedrijfsvoering;

    • 2.

      de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder;

    • 3.

      voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2022 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend;

  • b.

    voor een veehouderij die gebruik wil maken van een innovatief huisvestingsysteem dat in ontwikkeling is, als datum 1 januari 2022 indien:

    • 1.

      het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting;

    • 2.

      het systeem betrekking heeft op een brongerichte techniek met een aantoonbare kwaliteitsverbetering ten opzichte van op 25 oktober 2019 beschikbare systemen;

    • 3.

      aannemelijk is dat aan het systeem tijdig een Rav-code is toegekend met een emissiefactor die voldoet aan bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem;

    • 4.

      uiterlijk 1 april 2020 hiervan mededeling is gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.

  • d.

    voor vlees- en fokstieren uit de diercategorie A6 en A7, als datum 1 januari 2023 indien voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2021 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend;

  • e.

    voor geiten uit de diercategorie C1, C2 dan wel C3, als datum 1 januari 2023 indien voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2021 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend;

Artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij

Lid 1

 

Een huisvestingssysteem dat niet voldoet aan artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij mag toegepast worden tot uiterlijk 1 januari 2022, indien:

 

  • a.

    de veehouderij, waarvan het huisvestingssysteem deel uitmaakt, de bedrijfsvoering in zijn geheel beëindigt per uiterlijk 1 januari 2022 en hiervan voor 1 april 2020 bij de provincie mededeling is gedaan, door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier;

  • b.

    het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting;

  • c.

    gelijktijdig met de mededeling bewijs wordt overlegd dat een melding Activiteitenbesluit is gedaan dat het houden van vee uiterlijk 1 januari 2022 wordt gestaakt, respectievelijk een verzoek is gedaan tot intrekking van de omgevingsvergunning milieu per uiterlijk 1 januari 2022;

  • d.

    voor zover van toepassing gelijktijdig met de mededeling wordt verzocht om intrekking van de vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming per uiterlijk 1 januari 2022;

  • e.

    de elektrische installatie is goedgekeurd volgens NTA 8220 door een daartoe gecertificeerde instantie.

Lid 2

 

Een huisvestingssysteem dat niet voldoet aan artikel 2.66 Eisen huisvestingssysteem bestaande stal veehouderij mag toegepast worden tot uiterlijk 1 januari 2024 indien:

 

  • a.

    de veehouderij waarvan het huisvestingssysteem deel uitmaakt, de bedrijfsvoering in zijn geheel beëindigt per uiterlijk 1 januari 2024 en hiervan voor 1 april 2020 bij de provincie mededeling is gedaan, door middel van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier;

  • b.

    het tot de veehouderij behorende huisvestingssysteem voor de hele betreffende hoofdcategorie op 19 juli 2017 voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting;

  • c.

    gelijktijdig met de mededeling bewijs wordt overlegd dat een melding Activiteitenbesluit is gedaan dat het houden van vee uiterlijk 1 januari 2024 wordt gestaakt, respectievelijk een verzoek is gedaan tot intrekking van de omgevingsvergunning milieu per uiterlijk 1 januari 2024;

  • d.

    voor zover van toepassing gelijktijdig met de mededeling wordt verzocht om intrekking van de vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming per uiterlijk 1 januari 2024;

  • e.

    veehouderijen gevestigd binnen het werkingsgebied Beperkingen veehouderij instemmen dat het houden van vee planologisch wordt verboden op de locatie;

  • f.

    vanaf 1 januari 2022 ten hoogste het aantal dieren wordt gehouden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit de stallen waarvan sprake zou zijn geweest wanneer de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de tot 1 april 2020 geldende emissiereductie eisen, zoals opgenomen in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem;

  • g.

    als peildatum voor het bepalen van het aantal dieren geldt het aantal dieren dat op 18 juni 2019 op de locatie gehouden kan worden op grond van de vergunning ingevolge artikel 2.7 Wet natuurbescherming, of bij gebreke daarvan de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • h.

    indien het een melkveehouderij betreft, deze over de periode 2019 tot en met 2023 voldoet aan de voorwaarden voor:

    • 1.

      derogatie, wat blijkt uit een door RvO verleende derogatievergunning, of

    • 2.

      biologische bedrijfsvoering, wat blijkt een door SKAL uitgegeven certificaat;

  • i.

    de elektrische installatie is goedgekeurd volgens NTA 8220 door een daartoe gecertificeerde instantie.

Artikel 2.69 Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij

Lid 1

 

In aanvulling op artikel 1.11 Wet natuurbescherming, geldt bij het realiseren van een nieuwe stal dat deze voldoet aan de technische staleisen zoals opgenomen in Bijlage 2 op het moment dat de voor het realiseren van die nieuwe stal vereiste:

 

  • a.

    aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming is ingediend;

  • b.

    melding ingevolge artikel 2.7, eerste lid Regeling natuurbescherming is gedaan;

  • c.

    aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vastgestelde algemene maatregel van bestuur is ingediend, waarvoor op grond van artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen is vereist; of,

  • d.

    als onderdelen a tot en met c niet van toepassing zijn:

    • 1.

      een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend;

    • 2.

      een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan.

Lid 2

 

Onder nieuwe stal wordt verstaan:

 

  • a.

    een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf,

    • 1.

      waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning onderdeel bouwen vereist is en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het huisvestingssysteem uit de dan geldende Bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij; of

    • 2.

      waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de systemen opgenomen in artikel 2.70 Lijst met systemen, op het moment dat de daarvoor vereiste aanvraag om een vergunning is ingediend of de benodigde melding is gedaan, voor zover het aanleggen, aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof;

  • b.

    een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf;

  • c.

    een gebouw dat in de beoogde situatie als dierenverblijf wordt ingericht.

Lid 3

 

Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een Rav-code is opgenomen in de lijst behorende bij de Regeling ammoniak veehouderij.

Artikel 2.70 Lijst met systemen

Systemen als bedoeld in artikel 2.69 Eisen huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij zijn:

 

  • a.

    luchtwasser;

  • b.

    warmtewisselaar;

  • c.

    warmteheater;

  • d.

    bevorderen van interne luchtcirculatie door middel van ventilatoren of verwarming;

  • e.

    biofilter;

  • f.

    aanpassing van mestputten bij vee;

  • g.

    aanpassing van (rooster)vloeren bij vee;

  • h.

    aanpassing van opslagsystemen voor dierlijke mest;

  • i.

    schuine putwanden;

  • j.

    water- of mestkanalen;

  • k.

    systemen voor frequente mestafvoer (zoals riolering, mestpannen, mestbanden, mestschuiven);

  • l.

    mestmix- en mestbeluchtingssystemen;

  • m.

    systemen voor gescheiden opvang van urine en vaste mest;

  • n.

    mestbehandeling of wijzigen samenstelling (zoals temperatuurwijziging, luchtdoorvoer, toevoegen van zuur of formaldehyde);

  • o.

    aanpassing van ventilatiesystemen;

  • p.

    ionisatie;

  • q.

    droogfilterwand;

  • r.

    droogtunnel;

  • s.

    filters;

  • t.

    wijzigingen in grond- of volièrehuisvesting;

  • u.

    strooiselschuiven;

  • v.

    luchtconditionering;

  • w.

    buizenverwarming.

Paragraaf 2.7.2 Ontwikkeling agrarische bedrijven

Artikel 2.71 Tijdelijk verbod geitenhouderijen

Lid 1

 

Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor geitenhouderijen in Landelijk gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten is verboden.

 

Lid 2

 

Als bestaande oppervlakte dierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en

  • b.

    op 7 juli 2017 legaal aanwezig was; of

  • c.

    mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning.

Lid 3

 

In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, als het een vestiging of omschakeling betreft vanwege de verplaatsing van een bestaande geitenhouderij vanwege een aantoonbaar belang voor de bescherming van de gezondheid onder een gelijkblijvende omvang van deze geitenhouderij.

 

Lid 4

 

In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, als:

 

  • a.

    de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten die de geitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 7 juli 2017 mag houden;

  • b.

    het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijf hanteert.

Artikel 2.72 Verbod uitbreiding veehouderij

Lid 1

 

Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat:

 

  • a.

    een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;

  • b.

    een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;

  • c.

    binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.

Lid 2

 

Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

  • b.

    mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.

Lid 3

 

Het verbod bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt niet voor een veehouderij gevestigd in Beperkingen veehouderij, die voldoet aan de voorwaarden van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij als bedoeld in artikel 5.11.

Artikel 2.73 Zorgvuldige veehouderij

Lid 1

 

Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor veehouderijen in Landelijk Gebied dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is verboden.

 

Lid 2

 

Het verbod uit het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

  • a.

    maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

  • b.

    de maatregelen onder a. in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij;

  • c.

    de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving;

  • d.

    is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

  • e.

    is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

  • f.

    een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief;

  • g.

    binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.

Lid 3

 

Als bestaande oppervlakte van een dierenverblijf geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en

  • b.

    op 17 maart 2017 legaal aanwezig was, of

  • c.

    mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning.

Artikel 2.74 Stalderen

Lid 1

 

Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.

 

Lid 2

 

Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:

 

  • a.

    binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

  • b.

    de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

    • 1.

      ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

    • 2.

      ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

  • c.

    voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

Lid 3

 

Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of

  • b.

    mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning.

Lid 4

 

Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.

 

Lid 5

Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    het betreft een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf;

  • b.

    het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.

Lid 6

Het bewijs dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

Artikel 2.75 Afwijkende regels stalderen voor een stoppende veehouderij

In afwijking van artikel 2.74 Stalderen, vijfde lid, onder b, geldt voor veehouderijen die op 1 januari 2024 stoppen met de bedrijfsvoering en die gebruik maken van artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf.

Artikel 2.76 Sanerings- en verplaatsingslocatie Agrarisch bedrijf

Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf een verbod voor het oprichten van bebouwing ten behoeve van een veehouderij of glastuinbouwbedrijf.

 

Paragraaf 2.7.3 Mestbewerking

Artikel 2.77 Mestbewerking

Lid 1

 

Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid, en artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking binnen Landelijk gebied is verboden.

 

Lid 2

 

Het verbod uit het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de voorwaarden uit:

 

  • 1.

    artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, derde lid; of

  • 2.

    artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking.

Lid 3

 

Als bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de oppervlakte van:

 

  • a.

    de bebouwing die:

     

    • 1.

      op 13 juni 2017 legaal aanwezig was, of

    • 2.

      mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende omgevingsvergunning;

  • b.

    de onbebouwde grond die op 13 juni 2017 legaal mag worden gebruikt.

Hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten

Afdeling 3.1 Algemeen

 

Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Lid 1

 

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen:

 

  • a.

    een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, Wet ruimtelijke ordening;

  • b.

    een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wet ruimtelijke ordening;

  • c.

    een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken;

  • d.

    een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 Crisis- en herstelwet.

Lid 2

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder toelichting bij een bestemmingsplan tevens begrepen de motivering van het besluit en de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning en projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in het eerste lid onder c. en d.

Artikel 3.2 Rangorde

In geval meerdere bepalingen in dit hoofdstuk gelijktijdig van toepassing zijn op een gebied of in het geval dat er meerdere bepalingen van toepassing zijn binnen één bouwperceel, geldt de meest beperkende bepaling tenzij dit uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 3.3 Verhouding hoofdfunctie en nevenfunctie

Als op grond van dit hoofdstuk vestiging van een functie of gebruiksactiviteit op een bouwperceel is toegestaan, is die functie of activiteit ook als nevenfunctie toegestaan, tenzij dit expliciet anders is bepaald.

Artikel 3.4 Algemene maatwerkbepaling

Lid 1

 

Een bestemmingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, als daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel van de regel.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken wanneer dit nodig is vanwege een groot openbaar belang als:

 

  • a.

    is verzekerd dat er elders een gelijkwaardige ruimtelijke ontwikkeling planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven waarbij de aanwezige bebouwing is gesloopt, die in directe relatie staat tot de nieuwvestiging;

  • b.

    dit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, mede gelet op de bepalingen in deze verordening;

  • c.

    dit geen onevenredige aantasting van waarden geeft;

  • d.

    de ruimtelijk-economische belangen voor de langere termijn aanwezig zijn;

  • e.

    de juridische of feitelijke mogelijkheden voor vestiging op een bestaand bouwperceel in de gemeente en in de omliggende gemeenten ontbreken;

  • f.

    ingeval het een veehouderij betreft in Beperkingen Veehouderij, de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder;

  • g.

    ingeval de locatie in het Natuur Netwerk Brabant ligt, er overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant.

Lid 3

 

Een bestemmingsplan kan nieuwvestiging mogelijk maken van bebouwing, onder overeenkomstige toepassing van de regels die voor het betreffende werkingsgebied zijn op genomen, als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor:

 

  • a.

    het transporteren en leveren van energie, gas of water;

  • b.

    communicatiedoeleinden;

  • c.

    de bouw van waterstaatswerken.

Paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1

 

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

 

Lid 2

 

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

 

  • a.

    zorgvuldig ruimtegebruik;

  • b.

    de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;

  • c.

    meerwaardecreatie.

Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

 

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

 

  • a.

    de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:

     

    • 1.

      nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

    • 2.

      er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;

  • b.

    bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

  • c.

    gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Lid 2

 

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.

Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

 

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

 

Lid 2

 

De lagenbenadering omvat de effecten op:

 

  • a.

    de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

  • b.

    de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.

  • c.

    de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

Lid 3

 

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Artikel 3.8 Meerwaardecreatie

Lid 1

 

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

 

  • a.

    de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

  • b.

    de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

 

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

 

Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

 

Lid 2

 

Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

 

  • a.

    dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of

  • b.

    de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

Lid 3

 

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:

 

  • a.

    de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;

  • b.

    het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;

  • c.

    het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;

  • d.

    het wegnemen van verharding;

  • e.

    het slopen van bebouwing;

  • f.

    de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;

  • g.

    het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

 

Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

 

Afdeling 3.2 Basis op orde

 

Paragraaf 3.2.1 Waterwinning voor menselijke consumptie

Artikel 3.10 Waterwingebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Waterwingebied strekt uitsluitend tot instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening waarbij een medebestemming voor natuur of bos is toegelaten.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die:

 

  • a.

    het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen;

  • b.

    het gebruik van uitloogbare materialen verbiedt.

Artikel 3.11 Grondwaterbeschermingsgebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die:

 

  • a.

    functies en activiteiten beperken die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater, zoals stedelijke ontwikkeling, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten die (potentieel) schadelijke stoffen gebruiken;

  • b.

    het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen;

  • c.

    het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal verbieden.

Lid 3

 

Als schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal wordt in ieder geval aangemerkt:

  • a.

    zink, lood, koper;

  • b.

    gewolmaniseerd hout;

  • c.

    teerbitumen.

Artikel 3.12 Boringsvrije zone

 

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Boringsvrije Zone strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen.

 

Paragraaf 3.2.2 Stiltegebied

Artikel 3.13 Toedeling activiteiten en functies in Stiltegebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Stiltegebied strekt mede tot behoud van stilte en rust in het gebied en houdt daarmee rekening bij de toedeling van functies en activiteiten.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die behoren tot het normale gebruik, beheer en onderhoud van binnen het gebied aanwezige functies en gronden.

Artikel 3.14 Externe werking [stiltegebied]

Een bestemmingsplan houdt bij een evenwichtige toedeling van activiteiten en functies in de Attentiezone Stiltegebied rekening met het behoud van de stilte en rust in het daarbinnen gelegen Stiltegebied.

 

Paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant

Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

 

  • a.

    strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

  • b.

    bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;

  • c.

    staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

Lid 2

 

Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

 

Lid 3

 

Als de inrichting en beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een bestemmingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.

Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

 

In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie.

 

Lid 2

 

Op de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het Natuur Netwerk Brabant staat, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

 

Lid 3

 

Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

Artikel 3.17 Afwijkende regels ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant kan een ontwikkeling toelaten als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor:

 

  • a.

    nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig artikel 3.18;

  • b.

    het nee, tenzij-principe, overeenkomstig artikel 3.19;

  • c.

    de saldo-benadering, overeenkomstig artikel 3.20;

  • d.

    een kleinschalige uitbreiding, overeenkomstig artikel 3.21.

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing op Natura 2000 - gebied.

Artikel 3.18 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

 

Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan kan bepalen dat ontwikkelingen binnen een omheind militair terrein zijn toegestaan als negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel als mogelijk worden beperkt en er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie.

 

Lid 3

Een bestemmingsplan kan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan als:

 

  • a.

    het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door Stedelijk gebied loopt;

  • b.

    de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

Artikel 3.19 Toepassing van het Nee, tenzij-principe

Lid 1

 

Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan het nee, tenzij-principe, bevat een onderbouwing dat:

 

  • a.

    er sprake is van een groot openbaar belang;

  • b.

    er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant;

  • c.

    er geen andere oplossingen voorhanden zijn die de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant voorkomen;

  • d.

    de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt;

  • e.

    er bij het verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;

  • f.

    op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.

Lid 2

 

Voor het onderzoek naar alternatieve locaties geldt dat:

 

  • a.

    gezocht wordt naar alternatieve locaties binnen de gemeente en in omliggende gemeenten;

  • b.

    een alternatieve locatie overwegend dezelfde functie kan vervullen;

  • c.

    tijdverlies en meerkosten zijn op zichzelf geen reden om een alternatief af te wijzen.

Lid 3

Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.

Artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering

Lid 1

 

Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan dat toepassing geeft aan de saldo-benadering, bevat een visie die de ontwikkelingen binnen het betrokken gebied in samenhang beziet en die tot doel heeft een grotere kwaliteitswinst voor meerdere functies, waaronder de natuur, te bereiken.

 

Lid 3

 

De visie beschrijft in ieder geval:

 

  • a.

    de omvang van het gebied;

  • b.

    de doelen voor de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat;

  • c.

    er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;

  • d.

    op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.

Lid 4

 

Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.

Artikel 3.21 Kleinschalige herbegrenzing

Lid 1

 

Een bestemmingsplan kan een ontwikkeling binnen Natuur Netwerk Brabant mogelijk maken in het geval dat:

 

  • a.

    de aantasting van areaal Natuur Netwerk Brabant kleinschalig is;

  • b.

    de ontwikkeling slechts leidt tot een beperkte aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant;

  • c.

    de ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve of kwantitatieve versterking van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant als geheel;

  • d.

    er een afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden;

  • e.

    er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing;

  • f.

    er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;

  • g.

    op welke wijze de uitvoering en monitoring zijn verzekerd.

Lid 2

 

Voor een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid doen burgemeester en wethouders een verzoek als bedoeld in artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek.

Artikel 3.22 Compensatie

Lid 1

 

De verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door:

 

  • 1.

    fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23;

  • 2.

    financiële compensatie, overeenkomstig artikel 3.24.

Lid 2

 

De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling:

 

  • a.

    natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;

  • b.

    tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak;

  • c.

    tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak;

  • d.

    bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk;

  • e.

    bij verstoring van natuur: maatwerk.

Artikel 3.23 Fysieke compensatie

Lid 1

 

De fysieke compensatie vindt plaats in:

  • a.

    de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant;

  • b.

    de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones.

Lid 2

 

Fysieke compensatie kan ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied als dit deel uitmaakt van de saldobenadering bedoeld in artikel 3.20 Toepassing van de saldobenadering.

 

Lid 3

 

Een bestemmingsplan waarvoor een compensatieplicht geldt, borgt de uitvoering van de compensatie.

 

Lid 4

 

De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over:

 

  • a.

    de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt;

  • b.

    de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd;

  • c.

    de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie;

  • d.

    de termijn van uitvoering;

  • e.

    de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen;

  • f.

    het reguliere- en ontwikkelingsbeheer.

Lid 5

 

De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, bedoeld in het derde lid afgerond.

 

Lid 6

 

In aanvulling op het vijfde lid, wordt bij een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start.

 

Lid 7

 

In afwijking van het vijfde lid kan bij een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie een termijn van maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Artikel 3.24 Financiële compensatie

Lid 1

 

De financiële compensatie wordt bepaald op grond van de omvang van de compensatieverplichting overeenkomstig artikel 3.22, tweede lid, en omvat de volgende kostenelementen:

 

  • a.

    kosten voor de planontwikkeling en planuitvoering;

  • b.

    kosten van de aanschaf van vervangende grond;

  • c.

    kosten van de basisinrichting;

  • d.

    kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd.

Lid 2

 

De financiële compensatie wordt uiterlijk zes weken na de vaststelling van het bestemmingsplan gestort in de provinciale compensatievoorziening ter uitvoering van de geformuleerde compensatietaakstelling.

Artikel 3.25 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:

 

  • a.

    ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied en in Verstedelijking Afweegbaar;

  • b.

    ten minste 25 meter in alle overige gebieden.

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels, om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, die in ieder geval:

 

  • a.

    het oprichten van bebouwing beperken;

  • b.

    het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken.

Lid 3

 

Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over:

 

  • a.

    het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;

  • b.

    de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;

  • c.

    het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

  • d.

    het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.

Lid 3

Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud.

 

Artikel 3.27 Behoud en herstel van watersystemen

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels die:

 

  • a.

    het oprichten van bebouwing beperken;

  • b.

    het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken;

  • c.

    het ophogen van gronden beperken.

Paragraaf 3.2.4 Aardkundige-, cultuurhistorische- en landschappelijke waarden

Artikel 3.28 Aardkundige waarden

Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied:

 

  • a.

    is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant;

  • b.

    stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden

Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied:

 

  • a.

    is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart;

  • b.

    stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Artikel 3.30 Nieuwe Hollandse Waterlinie

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Nieuwe Hollandse Waterlinie:

 

  • a.

    is mede gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden;

  • b.

    stelt regels ter bescherming van de kernkwaliteiten van de onderscheiden gebieden.

Lid 2

De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn nader beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart en betreffen de samenhang van forten, dijken, kaden en inundatiekommen, de openheid en het groene, overwegend rustige karakter.

Artikel 3.31 Complex van cultuurhistorisch belang

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Complex van cultuurhistorisch belang:

 

  • 1.

    strekt tot bescherming van de cultuurhistorische waarden van het complex zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart;

  • 2.

    bepaalt dat alleen de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is nieuwvestiging van functies mogelijk als is onderbouwd dat dit:

  • a.

    bijdraagt aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex;

  • b.

    past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin het complex is gelegen.

Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:

 

  • a.

    strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken;

  • b.

    stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied;

  • c.

    borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

Lid 2

 

De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

 

Afdeling 3.3 Klimaat

 

Paragraaf 3.3.1 Waterveiligheid

Artikel 3.33 Aansluiting primaire waterkering

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Aansluiting primaire waterkering strekt mede tot behoud van de waterkerende functie.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels aan activiteiten in de bodem die kunnen leiden tot aantasting van de waterkerende functie.

Artikel 3.34 Rivierbed

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Rivierbed strekt mede tot bescherming tegen overstroming.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

 

  • a.

    de activiteiten en functies niet kwetsbaar zijn ten aanzien van de waterdiepte en de frequentie van overstromen;

  • b.

    is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden;

  • c.

    is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden.

Paragraaf 3.3.2 Waterberging

Artikel 3.35 Regionale waterberging

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Regionale waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

 

Lid 2

 

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid:

 

  • a.

    bepaalt dat uitsluitend het oprichten van een gebouw ten dienste van de waterberging is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter;

  • b.

    stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden, voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud.

Lid 3

 

Een bestemmingsplan kan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toestaan als het plan een onderbouwing bevat dat hierdoor het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd.

Artikel 3.36 Reservering waterberging

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

 

Lid 2

 

De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft indien dat bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van functies.

 

Afdeling 3.4 Duurzame energie

Artikel 3.37 Windturbines in Landelijk gebied

Lid 1

 

In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als:

 

  • a.

    de windturbines inpasbaar zijn in de omgeving;

  • b.

    er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines;

  • c.

    de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project;

  • d.

    de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.

Lid 2

Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a.

    de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

  • b.

    na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;

  • c.

    voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 3.38 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant

In aanvulling op artikel 3.37 kan een bestemmingsplan in Natuur Netwerk Brabant bepalen dat nieuwvestiging van windturbines is toegestaan, als:

 

  • a.

    het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt;

  • b.

    uit de alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken zo veel mogelijk worden beperkt;

  • c.

    er bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 3.22 Compensatie;

  • d.

    voor de overdraai van de wieken is artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied

Binnen Stedelijk gebied is de bouw van een windturbine mogelijk met een bouwhoogte van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als:

 

  • a.

    de windturbine inpasbaar zijn in de omgeving;

  • b.

    er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines;

  • c.

    is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt.

Artikel 3.40 Afwijkende regels windturbines in Verstedelijking afweegbaar

Het bepaalde in artikel 3.39 Windturbines in Stedelijk gebied is van overeenkomstige toepassing op een bestemmingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt binnen Verstedelijking afweegbaar.

Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied

Lid 1

 

Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:

 

  • a.

    uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;

  • b.

    de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;

  • c.

    de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;

  • d.

    de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;

  • e.

    de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.

Lid 2

 

De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:

 

  • a.

    de mate van meervoudig ruimtegebruik;

  • b.

    de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;

  • c.

    de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.

Lid 3

 

Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

 

  • a.

    de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

  • b.

    na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;

  • c.

    voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Afdeling 3.5 Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit

Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1

 

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

 

  • a.

    de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;

  • b.

    het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Lid 2

 

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

 

  • a.

    bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;

  • b.

    bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

  • c.

    geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

  • d.

    houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;

  • e.

    geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;

  • f.

    draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Lid 3

 

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het bestemmingsplan regels over:

 

  • a.

    een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang;

  • b.

    het beperken van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waaronder:

    • 1.

      bedrijfswoningen;

    • 2.

      bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden;

    • 3.

      voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar

In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:

 

  • a.

    binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;

  • b.

    transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;

  • c.

    de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;

  • d.

    de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.

Artikel 3.44 Samenloop Verstedelijking afweegbaar met andere werkingsgebieden

Lid 1

 

Als Verstedelijking afweegbaar samenvalt met Natuur Netwerk Brabant geeft het bestemmingsplan in aanvulling op artikel 3.43 overeenkomstige toepassing aan paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant en geldt voor het gebied buiten het Natuur Netwerk Brabant dat de duurzame stedelijke ontwikkeling:

 

  • a.

    plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving;

  • b.

    geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein.

Lid 2

 

Als Verstedelijking afweegbaar samenvalt met de Groenblauwe Mantel of Attentiezone Waterhuishouding, geeft het bestemmingsplan in aanvulling op artikel 3.43 overeenkomstige toepassing aan artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel of artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding en geldt dat de duurzame stedelijke ontwikkeling:

 

  • a.

    plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving;

  • b.

    geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein.

Lid 3

Bij samenloop met een ander werkingsgebied geldt dat de stedelijke ontwikkeling rekening houdt met de opgenomen regels.

Artikel 3.45 Afwijkende regels voor de ontwikkeling van stedelijke functies in kernrandzones

Als er sprake is van een kernrandzone, kan een bestemmingsplan ter plaatse van Landelijk gebied voorzien in:

 

  • a.

    de vestiging van een tuincentrum als:

    • 1.

      de omvang van de ontwikkeling past in de omgeving, gelet op een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving;

    • 2.

      regels worden gesteld ter voorkoming van oneigenlijke vormen van detailhandel;

    • 3.

      er adequate verkeers- en vervoersvoorzieningen worden getroffen.

  • b.

    de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen als:

    • 1.

      de locatie in een kernrandzone ligt dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone;

    • 2.

      de beoogde ontwikkeling slechts een kleinschalige bebouwing of -voorziening met zich brengt;

    • 3.

      het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft;

    • 4.

      de publieksaantrekkende werking beperkt is.

  • c.

    de vestiging van een lawaaisport direct aansluitend op een bedrijventerrein, als dit geen belemmering geeft voor een efficiënt gebruik van dat terrein.

Artikel 3.46 Verkeersdoeleinden

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de nieuwe aanleg of wijziging van een gemeentelijke of Provinciale weg, inclusief de bouw van daartoe behorende kunstwerken.

 

Lid 2

 

Het bestemmingsplan bevat een onderbouwing:

 

  • a.

    waarom de aanleg van de weg nodig is gelet op het verkeerskundige probleem of de ontwikkelingen die plaatsvinden;

  • b.

    van de keuze van het tracé gelet op de verrichte onderzoeken;

  • c.

    van de maatregelen voor de inpassing van de weg waarbij de ontwikkeling in samenhang wordt bezien met zijn omgeving om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur en landschap, te bereiken;

  • d.

    van de noodzaak voor een aan de weg gerelateerde voorziening.

Lid 3

 

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de bouw of aanleg van een parkeervoorziening.

 

Lid 4

 

In geval van samenloop met een ander werkingsgebied geldt dat het bestemmingsplan rekening houdt met de opgenomen regels.

 

Afdeling 3.6 Vitaal platteland

 

Paragraaf 3.6.1 Veehouderij

Artikel 3.47 Tijdelijk verbod geitenhouderij

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten.

Artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied

Lid 1

 

Een bestemmingplan van toepassing op Stedelijk gebied bepaalt dat:

 

  • a.

    uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten;

  • b.

    een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;

  • c.

    een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;

  • d.

    binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden.

Lid 2

 

Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    op 21 september 2013 legaal aanwezig was; of

  • b.

    mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.

Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als:

 

  • a.

    is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

  • b.

    het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

  • c.

    de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

  • d.

    mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is;

  • e.

    is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

  • f.

    is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

  • g.

    de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

  • h.

    de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

Lid 2

 

Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11.

 

Lid 3

 

Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als:

 

  • a.

    de locatie goed is ontsloten;

  • b.

    de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

  • c.

    in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water.

Artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf

Lid 1

 

Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat:

 

  • a.

    een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als:

    • 1.

      maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

    • 2.

      de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

    • 3.

      is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

    • 4.

      is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

    • 5.

      een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

  • b.

    binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;

  • c.

    bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.

Lid 2

 

Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.

 

Lid 3

 

Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11.

Artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij

Lid 1

 

In afwijking van artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, eerste lid aanhef, en artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf, eerste lid onder a, geldt binnen Beperkingen veehouderij dat:

 

  • a.

    uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten;

  • b.

    een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;

  • c.

    een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten.

Lid 2

 

Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:

 

  • a.

    op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of

  • b.

    gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.

Lid 3

 

Het eerste lid is niet van toepassing als er sprake is van een grondgebonden veehouderij die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij.

Artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat:

 

  • a.

    binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

  • b.

    de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

    • 1.

      ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

    • 2.

      ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

  • c.

    voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

Lid 2

Voor de toepassing van dit artikel geldt als bestaande oppervlakte dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer .

 

Lid 3

 

Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het eerste lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    het betreft een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf;

  • b.

    het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.

Lid 4

 

In afwijking van het derde lid, onder b, geldt voor veehouderijen die gebruik maken van artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf.

 

Lid 5

 

Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

Artikel 3.53 Afwijkende omvang veehouderij

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan de uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 hectare mogelijk maken in één of meer van de volgende situaties:

  • a.

    de veehouderij beschikt blijvend over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder;

  • b.

    er sprake is van het opheffen van een overbelaste situatie waarbij:

    • 1.

      er elders feitelijk en juridisch een bouwperceel voor een veehouderij wordt opgeheven en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;

    • 2.

      de eenmalige uitbreiding van het bouwperceel ten hoogste de oppervlakte van het opgeheven bouwperceel bedraagt;

    • 3.

      het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2,5 hectare bedraagt.

  • c.

    dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, als:

    • 1.

      de noodzaak daartoe blijkt uit een advies van door Gedeputeerde Staten benoemde deskundigen;

    • 2.

      het bestemmingsplan borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij.

  • d.

    bij een voorloperbedrijf op het gebied van de zorgvuldige veehouderij is eenmalig een uitbreiding van het bestaande bouwperceel mogelijk met 0,5 hectare als:

    • 1.

      de veehouderij door het treffen van maatregelen zoals benoemd in de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij een score van ten minste 8,5 haalt;

    • 2.

      de maatregelen van dien aard zijn dat deze permanent bijdragen aan het karakter van zorgvuldige veehouderij en in het bestemmingsplan zijn vastgelegd;

    • 3.

      het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt.

Lid 2

 

Er is sprake van een overbelaste situatie als bedoeld in het eerste lid onder b indien:

 

  • a.

    er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aanzienlijke overschrijding bestaat van de in artikel 6.3, eerste lid onder d en e, opgenomen normen waardoor geen goed woon- en leefklimaat geborgd kan worden; of

  • b.

    er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.

Lid 3

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien:

 

  • a.

    de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;

  • b.

    de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is;

  • c.

    het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.

Paragraaf 3.6.2 Grondgebonden teelten

Artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als:

 

  • a.

    dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is;

  • b.

    de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m².

Artikel 3.55 Grondgebonden teeltbedrijf in Groenblauwe mantel

Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als:

 

  • a.

    dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is;

  • b.

    de bouw of uitbreiding van kassen is uitgesloten;

  • c.

    de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 3 hectare is toegestaan.

Paragraaf 3.6.3 Glastuinbouw

Artikel 3.56 Glastuinbouwbedrijven in Gemengd landelijk gebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied:

 

  • a.

    bepaalt dat vestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan;

  • b.

    kan bepalen dat uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare netto glas als is aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is om de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf voor langere termijn te waarborgen.

Artikel 3.57 Glastuinbouwbedrijven in de Groenblauwe mantel

Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel bepaalt dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan.

 

Paragraaf 3.6.4 Overig-agrarisch bedrijf

Artikel 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Artikel 3.59 Overig-agrarisch bedrijf in Groenblauwe mantel

Een bestemmingsplan van toepassing op Groenblauwe mantel voor een overig-agrarisch bedrijf:

 

  • a.

    bepaalt dat de vestiging van een overig-agrarisch bedrijf is uitgesloten;

  • b.

    kan bepalen dat omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel is toegestaan, als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied;

  • c.

    kan voorzien in een uitbreiding van een bestaand overig-agrarisch bedrijf tot ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel als dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Paragraaf 3.6.5 Agrarisch gerelateerde bedrijven

Artikel 3.60 Bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Landelijk gebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf of een bestaand agrarisch-verwant bedrijf die:

 

  • a.

    de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen;

  • b.

    bepalen dat de omvang ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

  • c.

    een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten;

  • d.

    kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

    • 1.

      een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

    • 2.

      welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

    • 3.

      hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

Artikel 3.61 Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als:

 

  • a.

    de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving;

  • b.

    de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel;

  • c.

    is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

  • d.

    mestbewerking is uitgesloten.

Lid 2

 

Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare.

 

Paragraaf 3.6.6 Afwijkende regels voor specifieke gebieden

Artikel 3.62 Voorrangsbepaling

Het bepaalde in deze paragraaf heeft voorrang op de overige bepalingen van afdeling 3.6 Vitaal platteland.

Artikel 3.63 Glastuinbouw-vestigingsgebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Glastuinbouw-vestigingsgebied :

 

  • a.

    bepaalt dat nieuwvestiging, vestiging, uitbreiding van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is toegestaan;

  • b.

    onderbouwt dat de vestiging van overige functies de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het vestigingsgebied niet belemmeren.

Artikel 3.64 Glastuinbouw-doorgroeigebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Glastuinbouw-doorgroeigebied bepaalt:

  • a.

    dat vestiging en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is uitgesloten;

  • b.

    tot welke omvang uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan.

Lid 2

 

In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan bepalen dat vestiging en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is toegestaan als het plan onderbouwt dat:

 

  • a.

    dit noodzakelijk is vanwege de sanering van een glastuinbouwbedrijf elders waarbij verzekerd is dat het glastuinbouwbedrijf planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven; of

  • b.

    dit voortvloeit uit een herschikking van glastuinbouwbedrijven binnen het doorgroeigebied die bijdraagt aan een verbetering van de omgevingskwaliteit in het gebied.

Lid 3

 

Als het voor een bestaand glastuinbouwbedrijf in het doorgroeigebied niet mogelijk is om aansluitend op het bestaande bouwperceel uit te breiden, kan voor die uitbreiding binnen het gebied een nieuw bouwperceel worden aangewezen.

 

Lid 4

 

Als er in een Doorgroeigebied samenloop bestaat met de instructieregels opgenomen in paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant, zijn de bepalingen uit die paragraaf van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.65 Teeltondersteunende kassen

Een bestemmingsplan van toepassing op Teeltondersteunende kassen kan als dat noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering binnen het bouwperceel voorzien in de bouw van Teeltondersteunende kassen tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare netto glas, als het bestemmingsplan bepaalt dat omschakeling en doorgroei naar een zelfstandig glastuinbouwbedrijf is uitgesloten.

Artikel 3.66 Teeltgebied Zundert

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Teeltgebied Zundert kan binnen een bouwperceel voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste drie hectare netto.

 

Lid 2

 

In afwijking van artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, eerste lid, onder c, kan een bestemmingsplan van toepassing op Teeltgebied Zundert voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten een bouwperceel, als deze voorzieningen worden geconcentreerd en aansluiten op een bouwperceel.

Artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

Een bestemmingsplan van toepassing op een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in een passende herbestemming op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:

 

  • a.

    Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV);

  • b.

    Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV);

  • c.

    Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB);

  • d.

    Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV);

  • e.

    Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN);

  • f.

    artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij.

Paragraaf 3.6.7 Ontwikkeling van niet agrarische functies

Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat:

 

  • a.

    alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan;

  • b.

    zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

Lid 2

 

Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als:

 

  • a.

    dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf;

  • b.

    in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.

Artikel 3.69 Afwijkende regels wonen

In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in:

 

  • a.

    de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat:

    • 1.

      de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;

    • 2.

      overtollige bebouwing wordt gesloopt.

  • b.

    de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing.

  • c.

    in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat:

    • 1.

      er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

    • 2.

      overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Artikel 3.70 Afwijkende regels bedrijfswoningen

Lid 1

In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning binnen het bouwperceel van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf als de toelichting een verantwoording bevat dat:

 

  • a.

    de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is;

  • b.

    de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning.

Lid 2

 

Voor een grootschalig verblijfsrecratief bedrijf zijn onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid ten hoogste twee bedrijfswoningen toegestaan.

 

Lid 3

 

Een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een bestaande burgerwoning als bedrijfswoning, als de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt.

Artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die:

 

  • a.

    de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen;

  • b.

    een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten;

  • c.

    kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

    • 1.

      een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

    • 2.

      welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

    • 3.

      hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

Artikel 3.72 Afwijking bestaande lawaaisport

In afwijking op artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied geldt voor lawaaisport dat een beperkte uitbreiding alleen mogelijk is binnen Gemengd landelijk gebied.

Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

  • a.

    de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

    • 1.

      een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

    • 2.

      welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

    • 3.

      hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.

  • b.

    er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

  • c.

    overtollige bebouwing wordt gesloopt;

  • d.

    de vestiging heeft geen betrekking op:

    • 1.

      een kantoor met baliefunctie;

    • 2.

      lawaaisport;

    • 3.

      mestbewerking.

Lid 2

 

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

 

  • a.

    over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

  • b.

    welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

  • c.

    dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

  • d.

    dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

 

  • a.

    bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

  • b.

    een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

  • c.

    een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking

Lid 1

 

In afwijking van artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied en artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd Landelijk Gebied op een bestaand bouwperceel voorzien in een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking of de vestiging van mestbewerking als:

 

  • a.

    het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

  • b.

    de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd;

  • c.

    ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;

  • d.

    de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

  • e.

    de mestbewerking vanuit het oogpunt van een veilige en gezonde leefomgeving en gelet op artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit inpasbaar is in de omgeving;

  • f.

    de locatie niet in Beperkingen Veehouderij ligt;

  • g.

    de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;

  • h.

    de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.

Lid 2

 

Als gebruiksoppervlakte voor mestbewerking geldt de bestaande oppervlakte voor mestbewerking van bebouwing en de bestaande oppervlakte in gebruik voor mestbewerking van onbebouwde grond.

Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening

Lid 1

 

In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt.

 

Lid 2

 

In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat:

 

  • a.

    het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd;

  • b.

    permanente bewoning is uitgesloten.

Artikel 3.76 Afwijkende regels omvang vrije-tijds voorziening

Lid 1

 

lIn afwijking van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied een andere omvang toelaten voor een vrije-tijds voorziening als:

 

  • a.

    dat past in de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel;

  • b.

    ter uitvoering van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap elders leegstaand vastgoed binnen Landelijk gebied is gesloopt van een omvang die ten minste gelijk is aan de oppervlakte van de bebouwing die boven de 1 hectare wordt toegestaan;

  • c.

    de ontwikkeling in samenhang met andere doelen voor het gebied en de directe omgeving wordt uitgevoerd, waarbij ook kwaliteitswinst voor andere functies, waaronder natuur, wordt bereikt.

Lid 2

Als de afwijkende omvang leidt tot bovenlokale effecten, waaronder een grote publieksaantrekkende werking, geldt in aanvulling op het eerste lid dat:

 

  • a.

    de ontwikkeling draagvlak heeft in de regio;

  • b.

    is voorzien in een goede ontsluiting van de voorziening;

  • c.

    het initiatief buiten de Nieuwe Hollandse waterlinie ligt.

Afdeling 3.7 Ontwikkeling met Rood voor Groen

 

Artikel 3.77 Toepassing van kwaliteitsverbetering landschap

Als toepassing wordt gegeven aan de bepalingen van deze paragraaf, is voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap.

Artikel 3.78 Kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties

Lid 1

 

aEen bestemmingsplan van toepassing op Verstedelijking afweegbaar kan voorzien in de nieuwvestiging van één of meer woningen als uit een ontwikkelingsvisie blijkt dat:

 

  • a.

    de woningen worden opgericht binnen een bebouwingsconcentratie;

  • b.

    er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling;

  • c.

    de nieuwvestiging:

    • 1.

      bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van de bebouwingsconcentratie;

    • 2.

      gepaard gaat met een fysieke tegenprestatie die in evenredige verhouding staat tot de ontwikkeling van de woningen;

    • 3.

      is bezien of een ruimte voor ruimte ontwikkeling deel kan uitmaken van de kwaliteitsverbetering.

Lid 2

Er is sprake van een evenredige verhouding als de fysieke tegenprestatie vergelijkbaar is met de regeling ruimte voor ruimte, bedoeld in artikel 3.80.

Artikel 3.79 Landgoederen

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een landgoed onder de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    de omvang bedraagt ten minste 10 hectare;

  • b.

    het landgoed kan mede bestaande agrarische bedrijven, bestaande woningen en gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant omvatten;

  • c.

    de nieuwvestiging van één of meer woongebouwen is toegestaan als:

    • 1.

      de woongebouwen een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben en de situering en omvang passen bij de aard en het karakter van het landgoed;

    • 2.

      per 1500 m3 woongebouw ten minste 5 hectare landgoed wordt aangewezen, waarop ten minste 2,5 hectare nieuwe natuur wordt gerealiseerd;

    • 3.

      per 750 m3 woongebouw maximaal één woonfunctie wordt toegelaten.

  • d.

    de bebouwing op het landgoed wordt zoveel als mogelijk geconcentreerd, waarbij het oprichten van nieuwe bebouwing in het Natuur Netwerk Brabant is uitgesloten;

  • e.

    in afwijking van het bepaalde onder c. is binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing de vestiging van een woonfunctie of splitsing in meerdere woonfuncties toegestaan als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing;

  • f.

    het bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een (vollegronds)teeltbedrijf of een veehouderij die blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder;

  • g.

    de nodige voorzieningen worden getroffen voor extensieve recreatie, waarbij feitelijk en juridisch is verzekerd dat deze voorzieningen openbaar toegankelijk zijn;

  • h.

    de aanleg en duurzame instandhouding van het landgoed zijn verzekerd.

Lid 2

 

De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat de op grond van het eerste lid toegelaten ontwikkeling leidt tot een duurzame verrijking van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken.

 

Lid 3

 

In geval er gronden binnen het landgoed liggen die behoren tot het werkingsgebied waarop paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant van toepassing is, is de verplichte realisering van nieuwe natuur, bedoeld in het eerste lid, mede mogelijk binnen nog niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant.

 

Lid 4

 

Een bestemmingsplan kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toelaten binnen de in het tweede lid toegelaten bebouwing, als dit:

 

  • a.

    ondergeschikt blijft aan de woonfunctie van het landgoed;

  • b.

    past binnen de overige voorwaarden die elders in dit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten zijn opgenomen.

Lid 5

 

Een Complex Van Cultuurhistorisch Belang, als bedoeld in artikel 3.31, kan niet worden aangewezen als landgoed bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.80 Ruimte-voor-ruimte

Lid 1

 

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:

 

  • a.

    er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;

  • b.

    de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;

  • c.

    een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;

  • d.

    er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.

Lid 2

 

Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • a.

    een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt;

  • b.

    de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;

  • c.

    de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;

  • d.

    er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij;

  • e.

    de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is;

  • f.

    de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd;

  • g.

    de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken;

  • h.

    een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit;

  • i.

    in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij.

Lid 3

 

In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

 

Lid 4

 

Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld.

Hoofdstuk 4 Instructieregels aan waterschappen

Afdeling 4.1 Omgevingswaarden

 

Paragraaf 4.1.1 Regionale waterkeringen

Artikel 4.1 Veiligheidsnorm waterkerend vermogen regionale waterkering

Lid 1

 

Voor een Regionale waterkering is de veiligheidsnorm binnen het werkingsgebied op de kaart aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die deze regionale waterkering veilig moet kunnen keren.

 

Lid 2

 

Voor een compartimenteringskering geldt als veiligheidsnorm het behoud van het bestaand waterkerend vermogen, het feitelijk profiel, zoals vastgelegd in de legger.

 

Lid 3

 

Bij de bepaling van het waterkerend vermogen bedoeld in het eerste lid wordt rekening gehouden met de waterstanden in relatie tot de overschrijdingskans, zoals weergegeven in de Regeling maatgevende hoogwaterstanden.

 

Lid 4

 

De norm, bedoeld in het eerste en tweede lid, geldt als resultaatsverplichting voor het waterschap.

 

Paragraaf 4.1.2 Normering wateroverlast

Artikel 4.2 Norm wateroverlast Stedelijk gebied

Lid 1

 

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van:

 

  • a.

    1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

  • b.

    1/10 per jaar voor overige gebieden.

Lid 2

 

De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.

Artikel 4.3 Afwijkende norm wateroverlast Stedelijk gebied

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Afwijkende norm wateroverlast Stedelijk gebied als norm een overstromingskans 1/150 per jaar.

Artikel 4.4 Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied

Lid 1

 

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van:

 

  • a.

    1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

  • b.

    1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;

  • c.

    1/25 per jaar voor akkerbouw;

  • d.

    1/10 per jaar voor grasland.

Lid 2

 

Voor bebouwing die is gelegen buiten Stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik.

 

Lid 3

De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.

Artikel 4.5 Afwijkende norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied

Lid 1

 

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen het gebied Afwijkende norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied de binnen het werkingsgebied opgenomen overstromingskans als norm voor landgebruik en bebouwing.

 

Lid 2

 

De norm, bedoeld in het eerste lid, betreft een inspanningsverplichting.

Artikel 4.6 Normvrij gebied

Binnen Normvrij gebied geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden.

 

Afdeling 4.2 Toedeling beheer

 

Paragraaf 4.2.1 Watersystemen

Artikel 4.7 Toedeling watersysteembeheer

Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem, gelet op de taakomschrijving opgenomen in het reglement van het betreffende waterschap op grond van de Waterschapswet.

 

Paragraaf 4.2.2 Provinciale vaarwegen

Artikel 4.8 Toedeling beheer Provinciale vaarweg

Lid 1

 

Waterschap Brabantse Delta is belast met de uitvoering van het beheer over de Provinciale vaarweg.

 

Lid 2

 

Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta is belast met het nautisch beheer over de provinciale vaarwegen, volgens de bepalingen bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet.

Artikel 4.9 Beheerdoelstelling Provinciale vaarweg

Waterschap Brabantse Delta legt de hoedanigheid van de wateren als vaarweg, de scheepvaartklasse als opgenomen binnen het werkingsgebied Provinciale vaarweg en het profiel vast in de legger.

Artikel 4.10 Opdracht tot regeling en bestuur Provinciale vaarweg

Lid 1

 

Het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta stelt bij verordening regels in het belang van de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de Provinciale vaarweg, evenals de daartoe behorende werken.

 

Lid 2

 

Bij het vaststellen van de verordening, bedoeld in het eerste lid, neemt het bestuur de doelstellingen, bedoeld in artikel 4.9 in acht.

 

Lid 3

 

Toepassing van het eerste lid geschiedt mede in het belang van het watersysteembeheer of de bescherming van de landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin een vaarweg is gelegen.

Artikel 4.11 Toezicht beheer Provinciale vaarweg

Met het toezicht op de naleving van artikel 4.10 Opdracht tot regeling en bestuur Provinciale vaarweg zijn belast de bij besluit van het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta aan te wijzen personen.

 

Afdeling 4.3 Waterbeheer

 

Paragraaf 4.3.1 Samenhangend regionaal waterbeheer

Artikel 4.12 Doorwerking gebiedsbegrenzing

Bij het vaststellen van regels met betrekking tot handelingen in een watersysteem of beschermingszone als bedoeld in artikel 78 Waterschapswet, houdt het algemeen bestuur rekening met de begrenzing van de Attentiezone waterhuishouding en de daarbinnen gelegen natte natuurparels.

 

Paragraaf 4.3.2 Waterbeheerplan

Artikel 4.13 Aanvullende bepalingen waterbeheerplan

Lid 1

 

Het waterbeheerplan bevat in aanvulling op artikel 4.6 Waterwet, ten minste:

 

  • a.

    de beschrijving van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

  • b.

    het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • c.

    de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • d.

    een raming van de kosten van de, gedurende de planperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode;

  • e.

    het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime voor de aan het oppervlaktewater en het freatisch grondwater toegekende functies.

Lid 2

 

Het waterbeheerplan is voorzien van een toelichting waarin ten minste is opgenomen:

 

  • a.

    de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken;

  • b.

    een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het eerste lid onder c genoemde maatregelen.

Paragraaf 4.3.3 Legger

Artikel 4.14 Aanvullende bepalingen Legger waterstaatswerken

Lid 1

 

De legger bevat in aanvulling op artikel 5.1, eerste lid, Waterwet in ieder geval:

 

  • a.

    het lengteprofiel en dwarsprofielen van de primaire- en regionale waterkeringen;

  • b.

    het dwarsprofiel van de oppervlaktewaterlichamen onder beheer van het waterschap.

Lid 2

 

Op de overzichtskaart, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Waterwet, is ten aanzien van de primaire waterkeringen het profiel van vrije ruimte aangeven.

Artikel 4.15 Vrijstelling leggerplicht voor oppervlaktewaterlichamen

Lid 1

 

Oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 Waterwet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm, afmeting en constructie van het oppervlaktewaterlichaam en het dwarsprofiel, bedoeld in artikel 5.1 eerste lid onder b, Waterwet.

 

Lid 2

 

Vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen zijn vrijgesteld van de in artikel 5.1 Waterwet bedoelde verplichtingen met betrekking tot omschrijving van de vorm en afmeting van het betreffende oppervlaktewaterlichaam. De ondersteunende kunstwerken, die deel uitmaken van vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, worden wel omschreven.

 

Lid 3

 

Het waterschap maakt een overzichtskaart met daarop:

 

  • a.

    de oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in het eerste lid, weergegeven als lijnelement;

  • b.

    de vrij meanderende oppervlaktewaterlichamen, bedoeld in het tweede lid, weergegeven door een zone waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich feitelijk kan bevinden.

Lid 4

De verplichting bedoeld in het derde lid geldt niet voor oppervlaktewaterlichamen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde.

 

Paragraaf 4.3.4 Peilbesluit

Artikel 4.16 Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten

Het algemeen bestuur van het waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de aangewezen gebieden.

Artikel 4.17 Aanvulling inhoud peilbesluit

Lid 1

 

Het peilbesluit bevat in aanvulling op artikel 5.2, tweede lid, van de Waterwet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

 

Lid 2

 

Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

 

  • a.

    de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

  • b.

    een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van een geldend peilbesluit, dan wel de bestaande situatie in het geval dat er nog geen peilbesluit geldt;

  • c.

    een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

Artikel 4.18 Herziening peilbesluit

Het algemeen bestuur van het waterschap draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en beziet ten minste eens in de tien jaar of aanpassing nodig is.

 

Afdeling 4.4 Projecten en informatievoorziening

 

Paragraaf 4.4.1 Projectprocedure voor waterstaatswerken

Artikel 4.19 Verzoek projectprocedure

Lid 1

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap kan aan Gedeputeerde Staten verzoeken hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de Waterwet, van toepassing te verklaren op:

 

  • a.

    projectplannen voor de aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen;

  • b.

    projectplannen voor de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen;

  • c.

    projectplannen voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken in verband met beekherstel en verdrogingsbestrijding.

Lid 2

 

In een verzoek als bedoeld in het eerste lid geeft het dagelijks bestuur aan:

 

  • a.

    wat de bovenlokale betekenis is van het project en waarom het met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht;

  • b.

    welke besluiten nodig zijn ter uitvoering van het projectplan, bedoeld in artikel 5.8 van de Waterwet.

Paragraaf 4.4.2 Informatieplichten

Artikel 4.20 Verslag veiligheidsnorm waterkeringen

Lid 1

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 4.1 Veiligheidsnorm waterkerend vermogen regionale waterkering, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.

 

Lid 2

 

Het verslag bevat een beoordeling van de veiligheid, waarbij onder meer de veiligheidsnorm, de hydraulische randvoorwaarden en de legger worden betrokken.

 

Lid 3

 

Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevat het verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

Artikel 4.21 Verslag norm wateroverlast

Lid 1

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de normen voor wateroverlast, bedoeld in paragraaf 4.1.2 Normering wateroverlast, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

 

Lid 2

 

Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, waarbij de normen wateroverlast en de legger worden betrokken.

 

Lid 3

 

Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevat het verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

Artikel 4.22 Voortgangsrapportage ten behoeve van het toezicht op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer

Lid 1

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap rapporteert jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de uitvoering van het regionale waterbeheer.

 

Lid 2

 

De rapportage, bedoeld in het eerste lid, bevat informatie over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.

Artikel 4.23 Informatieplicht actuele tekortkomingen van waterkeringen

Lid 1

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap informeert Gedeputeerde Staten jaarlijks voor 1 oktober over de bekende actuele tekortkomingen in het stelsel van primaire en regionale keringen en de te nemen maatregelen ter voorbereiding op een doeltreffend optreden bij gevaar als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 5 van de Waterwet.

 

Lid 2

 

In de informatie, bedoeld in het eerste lid, geeft het dagelijks bestuur aan of er tijdelijke of bijzondere maatregelen aan de orde zijn totdat de verbeteringswerken voor de desbetreffende keringen zijn afgerond.

Hoofdstuk 5 Instructieregels aan Gedeputeerde Staten

Afdeling 5.1 Wijzigingsbevoegdheid

 

Paragraaf 5.1.1 Wijziging van de regels

Artikel 5.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid regels

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de regels van deze verordening te wijzigen in de volgende gevallen:

 

  • a.

    er is sprake van een kennelijke onvolkomenheid of onduidelijkheid in de tekst, mits dit geen beleidsinhoudelijke wijziging ten gevolge heeft;

  • b.

    er bestaat strijdigheid met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel.

Artikel 5.2 Specifieke wijzigingsbevoegdheid regels

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot wijziging van de regels in de volgende gevallen:

 

  • a.

    artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied, tweede lid: als dat vanwege het belang van de bescherming van het grondwater nodig is kunnen (potentieel) gevaarlijke stoffen worden toegevoegd of verwijderd.

  • b.

    paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied: als dat vanwege het belang van de bescherming van het grondwater nodig is kunnen:

     

    • 1.

      (potentieel) gevaarlijke stoffen worden toegevoegd aan of verwijderd uit artikel 2.7, tweede lid, en artikel 2.10, derde lid;

    • 2.

      verboden locatiegebonden milieubelastende activiteiten worden toegevoegd aan artikel 2.9.

  • c.

    artikel 2.38 Verbod varend ontgassen in Ontgassingsvrijgebied: als dat vanwege het belang van de bescherming van het milieu nodig is, kunnen stoffen worden toegevoegd aan het eerste lid.

  • d.

    afdeling 2.6 Natuur:

     

    • 1.

      artikel 2.52 Vrijstelling soorten: indien nodig kunnen soorten worden toegevoegd aan of verwijderd uit aan het eerste lid;

    • 2.

      artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten: indien nodig kunnen soorten, handelingen, belangen en middelen alsmede de daaraan verbonden voorwaarden worden toegevoegd of gewijzigd;

    • 3.

      artikel 2.59 Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom: indien nodig kunnen soorten, handelingen, belangen en middelen alsmede de daaraan verbonden voorwaarden worden toegevoegd of gewijzigd.

  • e.

    paragraaf 2.7.1 Natura 2000, gehoord de commissie van deskundigen:

     

    • 1.

      artikel 2.67 Afwijkende regels voor specifieke categorieën, indien dat vanuit de uitvoerbaarheid van de regels nodig blijkt;

    • 2.

      artikel 2.70 Lijst met systemen, zodra wijzigingen in de Rav-lijst, de Wabo of het Activiteitenbesluit milieubeheer daartoe aanleiding geven;

    • 3.

      Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen, indien de ontwikkelingen in emissiereducerende technieken of het regionale N-depositieniveau daartoe aanleiding geven.

  • f.

    artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf: als dat nodig is vanwege de openstelling van een nieuwe regeling, kan een nieuwe regeling worden toegevoegd.

Paragraaf 5.1.2 Aanpassing van de werkingsgebieden

Artikel 5.3 Wijziging grenzen van werkingsgebieden

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet:

 

  • a.

    de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering;

  • b.

    de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen;

  • c.

    de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening;

  • d.

    er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;

  • e.

    de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld.

Lid 2

 

In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van het Natuur Netwerk Brabant dat:

 

  • a.

    een wijziging van de grens van Natura2000 niet is toegestaan;

  • b.

    de wijziging tot doel heeft de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant te verbeteren;

  • c.

    de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behouden of versterkt.

Lid 3

 

In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Attentiezone Waterhuishouding dat de beoogde ontwikkeling waarvoor de wijziging nodig is, geen nadelig effect heeft op de waterhuishouding ter plaatse.

 

Lid 4

 

In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Verstedelijking Afweegbaar dat:

 

  • a.

    dit past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;

  • b.

    dit nodig is vanwege een stedelijke ontwikkeling die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige of landschappelijke kwaliteit leidt;

  • c.

    de gewenste uitbreidingsrichting aanvaardbaar is of de behoefte aan de uitbreidingsrichting is vervallen.

Lid 5

 

In aanvulling op het eerste lid geldt voor een wijziging van de grenzen van Beperkingen Veehouderij dat:

 

  • a.

    het een ondergeschikte wijziging van het gebied betreft;

  • b.

    is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mede gelet op aspecten vanuit milieu en volksgezondheid;

  • c.

    er geen aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.

Artikel 5.4 Aanwijzen Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd een nieuwe locatie toe te voegen aan het werkingsgebied Sanerings- En Verplaatsingslocatie agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 2.76 en artikel 3.67 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf ingeval er vanwege de openstelling van een regeling nieuwe saneringslocaties ontstaan waarvoor een passende herbestemming geboden is.

Artikel 5.5 Aanwijzen Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd Rust- En Fourageergebied Ganzen En Smienten aan te wijzen en te wijzigen voor ganzen en smienten.

Artikel 5.6 Wijzigen scheepvaartklassen Provinciale vaarweg

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de scheepvaartklassen die voor het werkingsgebied Provinciale vaarweg zijn opgenomen, te wijzigen.

 

Afdeling 5.2 Nadere regels

Artikel 5.7 Regeling maatgevende hoogwaterstanden

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het vaststellen van de Regeling maatgevende hoogwaterstanden.

Artikel 5.8 Nadere regels provinciale wegen

Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen voor:

 

  • a.

    het veranderen van de provinciale weg;

  • b.

    het gebruiken van de provinciale weg anders dan voor verkeersdoeleinden.

Artikel 5.9 Nadere regels natuurbescherming

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast voor agrarische beregening over het inrichten, in stand houden, veranderen of in bedrijf hebben van een installatie voor de onttrekking van grondwater voor de beregening van grasland, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt waarbij:

 

  • a.

    op basis van objectieve gegevens en onderzoek vaststaat dat er geen significante effecten voor Natura 2000- gebieden optreden; of,

  • b.

    een passende beoordeling over het beleid van de waterbeheerder heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van de Natura- 2000-gebieden niet worden aangetast.

Lid 2

 

Gedeputeerde staten kunnen, ter beperking van het risico voor het behoud van de vogelstand en de zorg voor dierwelzijn, nadere eisen stellen aan de wijze waarop de handelingen als bedoeld in artikel 2.58 Vrijstelling schadeveroorzakende soorten en artikel 2.59 Vrijstelling overlast veroorzakende soorten binnen de bebouwde kom worden uitgevoerd alsmede aan de kwaliteiten en/of opleiding van de in dat artikel bedoelde ecologisch terzake deskundige.

Artikel 5.10 Nadere regels cultuurhistorische- en aardkundige waarden

Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast waarin zij voor de toepassing van deze verordening het volgende beschrijven:

 

  • 1.

    de aardkundige waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant;

  • 2.

    de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart.

Artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast voor de ontwikkeling van zorgvuldige veehouderij over:

 

  • a.

    de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij;

  • b.

    de voorwaarden waaraan een grondgebonden veehouderij moet voldoen.

Lid 2

 

In de nadere regels kunnen Gedeputeerde Staten ook voorwaarden stellen welke maatregelen betrokken worden bij de afweging of een grotere omvang van een bouwperceel mogelijk is.

Artikel 5.12 Nadere regels gebiedsgericht maatwerk

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten nadere regels vaststellen, in het geval dat:

 

  • a.

    er een bijzondere situatie is die om een gebiedsgerichte benadering vraagt;

  • b.

    dit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies als bedoeld in artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;

  • c.

    de ontwikkeling waarvoor de regels worden gesteld geen afbreuk doet aan de doelen waarvoor de regels zijn gesteld;

  • d.

    dit past binnen de kernwaarden en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie;

  • e.

    binnen Natuur Netwerk Brabant in ieder geval toepassing wordt gegeven aan het vereiste van compensatie als opgenomen in artikel 3.22 Compensatie;

  • f.

    voor veehouderij geldt dat:

    • 1.

      de ontwikkeling aantoonbaar bijdraagt aan de transitie naar zorgvuldige veehouderij;

    • 2.

      er geen toename is van de oppervlakte dierenverblijf binnen het gebied waarvoor de nadere regels worden gesteld;

    • 3.

      de ontwikkeling draagvlak heeft;

    • 4.

      is aangegeven van welke regels afwijking wordt beoogd.

Lid 2

In het geval nadere regels zijn vastgesteld treden deze regels in de plaats van de regels uit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten.

 

Afdeling 5.3 Maatwerk in concreet geval

Artikel 5.13 Hardheidsclausule

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzonder geval de algemene regels, vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover, gelet op de betrokken belangen, toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en als het doel waarvoor de regels is vastgesteld hierdoor niet wordt geschaad.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is niet van toepassing op:

 

  • a.

    de verplichting tot het doen van een melding,

  • b.

    de verplichting tot het doen van een aanvraag van een vergunning, of

  • c.

    de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening.

Lid 3

 

In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de realisatiedatum zoals opgenomen in artikel 2.67, onder b, als voor de toepassing van een systeem voorlopige emissiefactoren zijn vastgesteld en een onverkorte toepassing van de realisatiedatum niet redelijk is.

Artikel 5.14 Ontheffing van algemene regels uit hoofdstuk 2

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de regels in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten als dit in de regels is aangegeven en het belang waarvoor de regel is gesteld zich daar niet tegen verzet.

 

Lid 2

 

Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang waarvoor de regel, waarvan ontheffing wordt verleend, is gesteld.

 

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing wijzigen of intrekken als:

 

  • a.

    de houder van de ontheffing daarom verzoekt;

  • b.

    het gebruik maken van de ontheffing ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt en deze gevolgen door het verbinden van aanvullende beperkingen en voorschriften niet in voldoende mate kunnen worden beperkt of voorkomen; of

  • c.

    gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing.

Artikel 5.15 Ontheffing van instructieregels uit hoofdstuk 3

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten van deze verordening, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

 

Lid 2

 

De aanvraag bedoeld in het eerste lid maakt deel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waarbij in de toelichting van dat bestemmingsplan worden opgenomen:

 

  • a.

    een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

  • b.

    een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken als binnen twee jaar, te rekenen van de datum van de ontheffing, geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing.

 

Afdeling 5.4 Regionaal samenwerken

Artikel 5.16 Instellen regionaal omgevingsoverleg

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten organiseren samen met gemeenten, regio's en waterschappen ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg met als doel te komen tot samenhangende afspraken over klimaatadaptatie, energietransitie, duurzame verstedelijking en bereikbaarheid, een duurzame concurrerende economie en zorgvuldig ruimtegebruik.

 

Lid 2

 

Het overleg sluit aan bij het schaalniveau van bestaande regionale samenwerkingsverbanden.

Artikel 5.17 Werkwijze regionaal omgevingsoverleg

De deelnemers aan het regionale omgevingsoverleg werken een zorgvuldige en transparante werkwijze uit gericht op samenwerken en het maken van afspraken over de ontwikkeling en uitvoering van een integraal omgevingsbeleid waarbij in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken:

 

  • a.

    de voorbereiding van het overleg;

  • b.

    het besluitvormingsproces;

  • c.

    de rollen en verantwoordelijkheden van de deelnemers aan het omgevingsoverleg;

  • d.

    de beschikbaarstelling van de afspraken;

  • e.

    een monitoringssysteem rondom de voortgang van de uitvoering van de afspraken.

Artikel 5.18 Prognoses

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio's ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose, een prognose voor de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen en een trendanalyse van de mobiliteitsontwikkeling, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken.

 

Lid 2

 

De prognoses en analyses houden rekening met het principe van concentratie van verstedelijking.

Artikel 5.19 Regionale omgevingsagenda

Lid 1

 

Het regionale overleg stelt tenminste eens per bestuursperiode een Regionale omgevingsagenda op met daarin:

 

  • a.

    de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven binnen het fysieke domein in de betreffende regio;

  • b.

    de inbreng vanuit de regio voor de Regionale omgevingsagenda als opvolger van de Mirtgebiedsagenda en uitvoeringsinstrument van de nationale omgevingsvisie;

  • c.

    het schaalniveau waarop de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven worden uitgewerkt, zoals bovenregionaal, Brabantstad, (sub-) regionaal, integrale gebiedsopgaven;

  • d.

    afspraken over het monitoren en verstrekken van relevante informatie ten behoeve van de monitoring door partijen.

Lid 2

 

De Regionale omgevingsagenda is leidend bij de verdere uitwerking en bespreking van opgaven.

 

Lid 3

 

In geval er geen overeenstemming wordt bereikt over het toe te passen schaalniveau stellen Gedeputeerde Staten dit vast, gehoord de mening van de deelnemers aan het regionaal overleg.

Artikel 5.20 Uitwerking Regionale omgevingsagenda

Lid 1

 

De uitwerking van de gezamenlijke ambities en hoofdopgaven in integrale gebiedsontwikkelingen en concrete programmering vindt plaats op een schaal die past bij de ruimtelijk-functionele relaties van de opgave zoals opgenomen in de Regionale omgevingsagenda.

 

Lid 2

 

Gedeputeerden Staten maken jaarlijks -uiterlijk 31 december- ten minste afspraken over:

 

  • a.

    duurzame verstedelijking en bereikbaarheid binnen het netwerk van de (sub-)regionaal samenwerkende steden en dorpen, in samenhang met de opgaven met betrekking tot klimaatadaptatie, energietransitie, mobiliteit, economische structuurversterking, sociale veerkracht en zorgvuldig ruimtegebruik;

  • b.

    de prioritaire integrale gebiedsopgaven in de betreffende (sub-)regio's en de gezamenlijke aanpak hiervan, die liggen in gebieden waar meerdere urgente transitieopgaven uit de provinciale omgevingsvisie samenkomen.

Lid 3

De afspraken over duurzame verstedelijking, als bedoeld in het tweede lid over de ontwikkeling, herbestemming en/of transformatie van locaties voor wonen, werken en voorzieningen:

 

  • a.

    maken duidelijk hoe het (sub-)regionale woningbouwprogramma en de behoefte aan werklocaties, zowel in kwantitatieve, kwalitatieve als ruimtelijke zin, de komende jaren worden ingezet;

  • b.

    zijn gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en op een realistische, flexibele en vraaggerichte planning en programmering van woningbouw, werklocaties en voorzieningen;

  • c.

    zijn er op gericht overprogrammering te voorkomen en gaan waar nodig in op deprogrammering;

  • d.

    worden gemaakt, rekening houdend met (toekomstige) binnenstedelijke transformatieopgaven en het aanpakken en voorkomen van leegstand;

  • e.

    de werkwijzen die gehanteerd worden, de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, en het (sub)regionale besluitvormingsproces dat doorlopen wordt om nieuwe locaties voor wonen, werken en voorzieningen te ontwikkelen of bestaande locaties van functie te laten veranderen.

Lid 4

 

Periodiek, ten minste eens per bestuursperiode, maken partijen in de (sub-)regio afspraken over de toepassing van artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap en worden de resultaten met elkaar besproken.

 

Lid 5

 

Er is sprake van een afspraak wanneer er overeenstemming is tussen provincie, gemeenten en waterschappen in de betreffende regio.

 

Lid 6

 

In het geval partijen niet tot overeenstemming komen, stellen Gedeputeerde Staten de afspraken vast, gehoord de mening van deelnemers aan de Regionale omgevingsagenda.

 

Afdeling 5.5 Instellen adviesorganen

Artikel 5.21 Advisering ontgrondingenvergunning

Gedeputeerde Staten wijzen adviseurs aan, niet zijnde bestuursorganen, die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot de voorbereiding van een beschikking betreffende verlening, weigering, wijziging of intrekking van een ontgrondingenvergunning.

Artikel 5.22 Advisering veehouderij

Gedeputeerde Staten stellen een commissie van onafhankelijke deskundigen in voor advies over:

 

  • a.

    aanpassingen van , waarbij zij beoordeelt of deze al dan niet overeenstemmen met de meest actuele versie van de Rav-lijst;

  • b.

    situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de Rav-lijst niet voorziet of sprake is van interpretatieverschillen.

Afdeling 5.6 Overige verplichtingen

 

Paragraaf 5.6.1 Registratieverplichtingen

Artikel 5.23 Grondwaterregister

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.4 Waterwet worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 Waterbesluit worden verstrekt.

 

Lid 2

 

In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 6.4 Waterwet verleende vergunningen vermeld krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.

 

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 6.4 Waterwet ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister als de inrichting:

 

  • a.

    niet overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, Waterbesluit is gemeld; of

  • b.

    overeenkomstig artikel 6.11, eerste lid, Waterbesluit moet worden gemeld aan een ander bestuursorgaan dan Gedeputeerde Staten.

Lid 4

 

Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt.

 

Paragraaf 5.6.2 Bebordingsplicht

Artikel 5.24 Bebording Gebied bescherming waterwinning

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat het gebied dat is aangewezen ten behoeve van de waterwinning als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld.

 

Lid 2

 

De borden bedoeld in het eerste lid worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.

Artikel 5.25 Bebording stiltegebied

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat het gebied dat is aangewezen ter voorkoming of beperking van geluidhinder als zodanig goed zichtbaar is aangeduid door middel van borden, waarvan het model door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld.

 

Lid 2

 

De borden bedoeld in het eerste lid worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied.

 

Afdeling 5.7 Monitoring en evaluatie

Artikel 5.26 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden periodiek een verslag aan Provinciale Staten over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.

Artikel 5.27 Monitoring N-depositie

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten doen jaarlijks verslag van de ontwikkeling van de N-depositie op Natura 2000-gebied.

 

Lid 2

 

Bij de verslaggeving wordt in ieder geval aandacht gegeven aan:

 

  • a.

    de volumeontwikkeling in de veehouderij;

  • b.

    de mate van toepassing van emissiearme stalsystemen;

  • c.

    de mate waarin de beleidsdoelstelling met betrekking tot de depositieafname bereikt wordt.

Artikel 5.28 Rapportage uitvoering financiële compensatie

Gelet op artikel 3.24 Financiële compensatie stellen Gedeputeerde Staten jaarlijks een rapportage vast waarin:

 

  • a.

    verantwoording wordt gegeven over de bestedingen uit het compensatiefonds van het afgelopen jaar;

  • b.

    een prioritering wordt gegeven aan de realisatie van het Natuur Netwerk Brabant voor het toekomstige jaar.

Hoofdstuk 6 Procedurele bepalingen

Afdeling 6.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1 Procedure bij ambtshalve wijziging werkingsgebied en nadere regels

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten geven toepassing aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding en ambtshalve wijziging van de grenzen van een werkingsgebied, als bedoeld in paragraaf 5.1.2 Aanpassing van de werkingsgebieden.

 

Lid 2

 

Gedeputeerde Staten geven toepassing aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van nadere regels, als bedoeld in afdeling 5.2 Nadere regels.

Artikel 6.2 Procedure grenswijziging werkingsgebied op verzoek

Lid 1

 

In het geval dat burgemeester en wethouders het voornemen hebben om een verzoek tot wijziging van de grens van een werkingsgebied te doen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling, maakt dit voornemen deel uit van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van een bestemmingsplan.

 

Lid 2

 

Het ontwerp besluit bevat de volgende gebiedsaanduidingen:

 

  • a.

    gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening toe te voegen [naam gebiedscategorie];

  • b.

    gebiedsaanduiding: overig – in Interim omgevingsverordening te verwijderen[naam gebiedscategorie];

  • c.

    gebiedsaanduiding - vanwege natuurcompensatie te realiseren natuur, beheertype [landelijke code], indien van toepassing.

Lid 3

 

Een verzoek wordt na afloop van de terinzagelegging bedoeld in artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht, bij Gedeputeerde Staten ingediend en gaat vergezeld van een beschrijving waaruit blijkt dat is voldaan aan de in deze verordening gestelde voorwaarden waaronder wijziging van de begrenzing mogelijk is en, in voorkomende gevallen, van naar voren gebrachte zienswijzen.

 

Lid 4

 

Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld eerste lid.

 

Lid 5

 

Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing.

Artikel 6.3 Vaststellen elektronisch formulier

Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van het indienen van aanvragen en documenten een elektronisch formulier vaststellen.

 

Afdeling 6.2 Ontheffing

 

Paragraaf 6.2.1 Ontheffing rechtstreeks werkende regels hoofdstuk 2

Artikel 6.4 Ontheffing algemeen

Lid 1

 

Een aanvraag voor ontheffing of wijziging van een eerder verleende ontheffing gebaseerd op bepalingen als opgenomen in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten wordt ingediend met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.

 

Lid 2

 

Een aanvraag bevat in ieder geval:

 

  • a.

    waarvan ontheffing wordt verzocht;

  • b.

    een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit plaatsvindt;

  • c.

    een beschrijving van de activiteit alsmede de noodzaak daarvan;

  • d.

    de potentiele gevolgen van de ontheffing gelet op het belang dat de regel beoogd te beschermen;

  • e.

    de maatregelen om ongewenste gevolgen te voorkomen dan wel te beperken.

Lid 3

 

Een beschrijving van de activiteit bevat voor zover van toepassing tevens gegevens over de constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken.

 

Lid 4

 

Op de voorbereiding van het besluit op de aanvraag is Titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behoudens in geval de aanvraag:

 

  • 1.

    een ondergeschikte wijziging van een eerder verleende ontheffing betreft;

  • 2.

    een nadere uitwerking van een eerder verleende ontheffing betreft.

Artikel 6.5 Ontheffing stortplaatsen

In aanvulling op artikel 6.4 Ontheffing algemeen, bevat de aanvraag voor ontheffing van de regels, bedoeld in paragraaf 2.3.3 Stortplaatsen:

 

  • a.

    een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik en, indien van toepassing, de aanleg van nazorgvoorzieningen te kunnen realiseren;

  • b.

    de naam en het adres van eenieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de percelen waar de ontheffing betrekking op heeft;

  • c.

    de maatregelen die worden getroffen om:

    • 1.

      de aanleg van eventuele additionele nazorgvoorzieningen te realiseren;

    • 2.

      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    • 3.

      aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

    • 4.

      anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren

    • 5.

      te voorkomen dat de uitvoering van de nazorgvoorzieningen anderszins wordt belemmerd.

  • d.

    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van onder c. bedoelde maatregelen.

  • e.

    een hergebruikplan met daarin een beschrijving:

    • 1.

      van het voorgenomen gebruik van de gesloten of voormalige stortplaats en van het gebied waarin eventuele additionele nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

    • 2.

      op welke wijze wordt voldaan aan de Beleidsnota Hergebruik gesloten stortplaatsen van 22 juni 2004.

Paragraaf 6.2.2 Ontheffing instructieregels uit hoofdstuk 3

Artikel 6.6 Aanvraag ontheffing instructieregels

Lid 1

 

De aanvraag om ontheffing van instructieregels, bedoeld in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten van deze verordening maakt onderdeel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan en wordt ingediend met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.

 

Lid 2

 

De aanvraag bevat:

 

  • a.

    een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

  • b.

    een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

Lid 3

 

Op de voorbereiding van een ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat deze voorbereiding onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Burgemeester en wethouders sturen na afloop van de termijn van tervisielegging de tegen het voornemen ingebrachte zienswijzen onverwijld toe aan Gedeputeerde Staten, vergezeld van hun oordeel daaromtrent.

 

Lid 4

 

Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in het derde lid en maken dit besluit bekend via een openbare kennisgeving langs elektronische weg.

 

Afdeling 6.3 Vergunning en melding

 

Paragraaf 6.3.1 Vergunning

Artikel 6.7 Intrekken en wijziging van een vergunning

Gedeputeerde Staten kunnen een vergunning als bedoeld in paragraaf 2.5.1 Provinciale weg intrekken of wijzigen als één van de volgende situaties zich voordoet:

 

  • a.

    er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    een verandering in omstandigheden of inzichten dit rechtvaardigt;

  • c.

    de voorschriften of beperkingen verbonden aan een vergunning niet worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen de gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen 12 maanden;

  • e.

    de houder van de vergunning dit verzoekt.

Artikel 6.8 Buiten toepassing blijven van de lex silencio positivo

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op vergunningen bedoeld in:

 

  • 1.

    paragraaf 2.3.2 Ontgronden

  • 2.

    paragraaf 2.5.1 Provinciale weg

Paragraaf 6.3.2 Melding

Artikel 6.9 Startmelding

Lid 1

 

Een startmelding wordt ingediend met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgestelde elektronisch formulier.

 

Lid 2

 

De startmelding wordt ingediend ten minste twee weken voordat tot de activiteit waarop de startmelding betrekking heeft, wordt overgegaan.

Artikel 6.10 Melding algemeen

Lid 1

 

Een melding wordt ingediend met gebruikmaking van het door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld elektronisch formulier.

 

Lid 2

 

De melding bevat:

 

  • a.

    een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;

  • c.

    de noodzaak voor de activiteit;

  • d.

    inzicht dat wordt voldaan aan de regels uit deze verordening die gelden voor deze activiteit.

Lid 3

 

De melding wordt gedaan tenminste acht weken voordat de activiteit waarop de melding betrekking heeft, wordt gestart.

 

Lid 4

 

Gedeputeerde Staten delen de indiener binnen acht weken na ontvangst van de melding mede of met een melding kan worden volstaan.

 

Lid 5

 

De mededeling bedoeld in het vierde lid kan omvatten:

 

  • a.

    de periode waarin van de melding gebruik mag worden gemaakt;

  • b.

    een besluit tot het stellen van aanvullende voorschriften op de regels die gelden voor de activiteit ingevolge deze verordening;

  • c.

    de plicht om de start van de werkzaamheden vooraf te melden.

Lid 6

 

Met de activiteit mag eerst worden gestart nadat Gedeputeerde Staten hebben aangegeven dat met de melding kan worden volstaan.

Artikel 6.11 Melding bodemsanering

Er wordt gebruik gemaakt van het door Gedeputeerde Staten vastgestelde elektronische formulier voor de indiening van:

 

  • 1.

    een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid Wet bodembescherming;

  • 2.

    het saneringsplan;

  • 3.

    het saneringsverslag;

  • 4.

    het nazorgplan;

  • 5.

    een melding als bedoeld in paragraaf 2.3.1 Bodemsanering.

Artikel 6.12 Eisen vellingsmelding houtopstanden

Lid 1

 

In afwijking van artikel 6.10 Melding algemeen wordt een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet natuurbescherming ten minste vier weken en niet langer dan één jaar voorafgaand aan de velling gedaan.

 

Lid 2

 

In aanvulling op artikel 6.10 Melding algemeen, tweede lid bevat de melding de volgende gegevens:

 

  • a.

    de oppervlakte van de velling of, in geval van rijbeplanting, het aantal bomen;

  • b.

    de boomsoort waarop de velling betrekking heeft;

  • c.

    de leeftijd van de houtopstand;

  • d.

    de reden van de velling.

Lid 3

 

Er kan ontheffing worden gevraagd van de in het eerste lid genoemde termijn onder overeenkomstige toepassing van artikel 6.4 Ontheffing algemeen.

 

Afdeling 6.4 Overige besluiten

 

Artikel 6.13 Bodemsanering

Lid 1

 

Titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op:

 

  • a.

    de voorbereiding van een beschikking ernst en spoed;

  • b.

    het instemmen met een saneringsplan;

  • c.

    het instemmen met een saneringsverslag;

  • d.

    het instemmen met een nazorgplan.

Lid 2

 

Voor de toepassing van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht worden als een aanvraag tot het nemen van een beschikking aangemerkt:

 

  • a.

    de indiening van het rapport van het nader onderzoek;

  • b.

    het doen van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, Wet bodembescherming;

  • c.

    de indiening van het saneringsplan;

  • d.

    de indiening van het saneringsverslag;

  • e.

    de indiening van het nazorgplan.

Lid 3

 

In afwijking van het eerste lid, is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de voorbereiding van een beschikking ernst en spoed, het instemmen met een saneringsplan of het instemmen met een nazorgplan als ten minste twee van de volgende gevallen van toepassing zijn:

 

  • a.

    er is eerder sprake geweest van klachten, hinder of onrust met betrekking tot de verontreinigingslocatie;

  • b.

    de locatie ligt in een door Gedeputeerde Staten aangewezen bijzonder gebied, kwetsbaar gebied of stiltegebied, waarbij andere belanghebbenden aanwezig kunnen zijn;

  • c.

    er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging die met spoed moet worden gesaneerd op grond van artikel 29, eerste lid juncto artikel 37, eerste lid, Wet bodembescherming;

  • d.

    er is sprake van een actueel blootstellingsrisico op een vrij toegankelijk terrein;

  • e.

    de beschikbaarheid van openbare wegen en voorzieningen wordt beperkt.

Artikel 6.14 Regionaal waterplan

Lid 1

 

Op de totstandkoming van een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4 Waterwet is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat eenieder zienswijzen tegen het ontwerp plan kan inbrengen.

 

Lid 2

 

In het regionaal waterplan kan worden bepaald dat Gedeputeerde Staten het regionaal waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionaal waterplan gegeven regels.

 

Lid 3

 

Het besluit van Gedeputeerde Staten tot uitwerking van het regionaal waterplan maakt deel uit van het regionaal waterplan.

Hoofdstuk 7 Regels inzake faunabeheer en vaarwegbeheer

Afdeling 7.1 Faunabeheer

 

Paragraaf 7.1.1 Faunabeheereenheid

Artikel 7.1 Werkgebied faunabeheereenheid

Lid 1

 

Er is één faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, Wet natuurbescherming, in de provincie.

 

Lid 2

 

Het werkgebied bevat het volledige grondgebied van de provincie.

Artikel 7.2 Bestuurssamenstelling

Lid 1

 

Het bestuur wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter.

 

Lid 2

 

De voorzitter wordt met instemming van Gedeputeerde Staten door het bestuur benoemd.

 

Lid 3

 

De maatschappelijke organisaties, bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, behoeven de instemming van Gedeputeerde Staten voor hun deelname aan het bestuur.

 

Lid 4

 

Het bestuur stelt een bestuursreglement vast dat ten minste bevat:

 

  • a.

    een beschrijving van de procedure voor benoeming van:

    • 1.

      de onafhankelijk voorzitter;

    • 2.

      de bestuursleden.

  • b.

    de zittingsperiode van de bestuursleden en de onafhankelijk voorzitter;

  • c.

    een beschrijving van de wijze waarop het bestuur haar maatschappelijke verantwoordelijkheid in transparantie vormgeeft.

Lid 5

 

Het bestuursreglement, bedoeld in het vierde lid, behoeft de instemming van Gedeputeerde Staten.

 

Lid 6

 

Gedeputeerde Staten kunnen één adviseur benoemen die de vergaderingen van het bestuur kan bijwonen.

 

Lid 7

 

Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast dat is gericht op:

 

  • a.

    de uitvoering van de loketfunctie;

  • b.

    de procedure voor machtigingen;

  • c.

    monitoring.

Lid 8

 

Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan:

 

  • a.

    het bestuursreglement;

  • b.

    het huishoudelijk reglement.

Artikel 7.3 Taken en verantwoordelijkheden faunabeheereenheid

Lid 1

 

Naast het vaststellen van een faunabeheerplan, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, Wet naturbescherming, heeft de faunabeheereenheid tot taak:

 

  • a.

    het coördineren van de uitvoering van het vastgestelde faunabeheerplan of de faunabeheerplannen;

  • b.

    het faciliteren van de mogelijkheid om te komen tot het bestrijden en voorkomen van belangrijke schade aan de in de Wet natuurbescherming genoemde belangen;

  • c.

    het organiseren en coördineren van tellingen van de in het wild levende dieren, conform het faunabeheerplan;

  • d.

    het bijhouden van een actueel register van wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, Wet natuurbescherming, waarin ook de begrenzing van de werkgebieden van deze eenheden is opgenomen.

Lid 2

De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste:

 

  • a.

    de taken en bevoegdheden van de faunabeheereenheid;

  • b.

    de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen;

  • c.

    de actuele regelgeving op het gebied van faunabeheer.

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten kunnen, naast de taken in het eerste en tweede lid, ter uitvoering van het provinciale faunabeleid, aan de faunabeheereenheid extra uitvoerende taken toekennen.

Artikel 7.4 Jaarlijks verslag

Lid 1

 

Het jaarlijks verslag van de faunabeheereenheid, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, Wet natuurbescherming, bevat ten minste:

 

  • a.

    cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten, ontheffingen en de uitvoering voor de jacht voor soorten waar het faunabeheerplan betrekking op heeft;

  • b.

    een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming, of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort;

  • c.

    inzicht in de ontwikkeling van schade veroorzaakt door diersoorten beschreven in het faunabeheerplan.

Lid 2

 

Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan de inhoud van het verslag.

 

Paragraaf 7.1.2 Faunabeheerplan

Artikel 7.5 Geldigheidsduur

Lid 1

 

Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren.

 

Lid 2

 

De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

 

Lid 3

 

De wijziging, bedoeld in het tweede lid, behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

 

Lid 4

 

Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur, genoemd in het eerste lid, met maximaal 24 maanden verlengen.

Artikel 7.6 Reikwijdte

Lid 1

 

Een faunabeheerplan kan mede betrekking hebben op het grondgebied van een andere faunabeheereenheid dan de faunabeheereenheid in de provincie Noord-Brabant, voor zover het de situatie betreft, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, tweede volzin, van de Wet natuurbescherming.

 

Lid 2

 

Onverminderd het bepaalde in artikel 3.12, derde lid, van de Wet natuurbescherming heeft een faunabeheerplan betrekking op een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.

Artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan

Lid 1

 

Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:

 

  • a.

    de omvang van het totale werkgebied van de faunabeheereenheid in hectares;

  • b.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven;

  • c.

    een beschrijving van de samenhang tussen populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht;

  • d.

    een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zijn verricht in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was;

  • e.

    een beschrijving van de aard en de omvang van de handelingen die zullen worden verricht gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort;

  • f.

    een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft zullen plaatsvinden;

  • g.

    een vermelding van de criteria op basis waarvan wildbeheereenheden handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft kunnen verrichten;

  • h.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten, ten aanzien waarvan binnen de provincie een duurzaam beheer of schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, gebaseerd op uitgevoerde (trend)tellingen, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebieden gedurende het jaar;

  • i.

    een overzicht van de gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort en representatieve gebieden, in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid;

  • j.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen;

  • k.

    een omschrijving van de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft gewaarborgd zal worden, voor zover de maatregelen binnen de competentie van de faunabeheereenheid vallen.

Lid 2

 

Het bepaalde in het eerste lid, onder d en i, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

 

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot:

 

  • a.

    de in een faunabeheerplan op te nemen gegevens;

  • b.

    de wijze waarop het faunabeheerplan tot stand komt.

Artikel 7.8 Aanvullende eisen met betrekking tot de beperking van de omvang van populaties

Lid 1

 

Met betrekking tot soorten waarvoor binnen de provincie duurzaam beheer van de populatie gewenst of noodzakelijk is, waaronder ook wordt verstaan het in omvang beperken van de populatie of populaties, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens:

 

  • a.

    een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer, bestaande uit een onderbouwing van één of meerdere belangen, als bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan;

  • b.

    de huidige stand van de in de aanhef bedoelde diersoorten waarvoor een ontheffing is verleend, in relatie tot de toekomstige en gewenste stand;

  • c.

    een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt teneinde dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren;

  • e.

    een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en ernstige dan wel belangrijke schade te voorkomen;

  • f.

    per diersoort een beschrijving van de handelingen die, in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had, zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen;

  • g.

    een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen zal worden bepaald;

  • h.

    voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

Lid 2

 

Het bepaalde in het eerste lid, onder d en f, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

Artikel 7.9 Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van vrijstellingen

Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover dit het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor op grond van deze verordening vrijstelling is verleend, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens:

 

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding onder de vrijstelling, bedoeld in paragraaf 2.6.2 Schade- en overlastbestrijding, is gewaarborgd;

  • b.

    voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de mate waarin de belangen, op grond waarvan de vrijstelling is verleend, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, kwantitatieve gegevens over het effect van die handelingen.

Artikel 7.10 Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van een ontheffing

Lid 1

 

Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover dit het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor ontheffing is vereist, bevat een faunabeheerplan, naast hetgeen de Wet natuurbescherming en artikel 7.7 Algemene eisen faunabeheerplan verlangen, ten minste de volgende gegevens:

 

  • a.

    een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de mate waarin de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, Wet natuurbescherming, zouden worden geschaad indien niet tot schadebestrijding zou worden overgegaan;

  • b.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was, zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van het effect van die handelingen;

  • c.

    in geval wordt gekozen voor de handeling doden, een beschrijving waarom alternatieve handelingen of handelwijzen niet tot een bevredigend resultaat zullen leiden.

Lid 2

 

Het eerste lid, onder b, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.

Artikel 7.11 Eisen met betrekking tot de jacht

Inzake de jacht bevat het faunabeheerplan ten minste:

 

  • a.

    de gegevens, genoemd in artikel 7.7, eerste lid, onder a tot en met i;

  • b.

    in samenhang met de gegevens, genoemd in artikel 7.7, eerste lid, onder c, een beschrijving van de maatschappelijke belangen die worden gediend met de uitoefening van de jacht;

  • c.

    een omschrijving van de 'redelijke stand van het aanwezige wild', bedoeld in artikel 3.20, derde lid, Wet natuurbescherming, onderverdeeld naar wildsoort per representatief gebied;

  • d.

    een beschrijving van de maatregelen die door jachthouders op het niveau van een wildbeheereenheid of de wildbeheereenheden worden getroffen indien, als gevolg van de in het faunabeheerplan beschreven jacht, de redelijke stand van het aanwezige wild of de aanwezige wildsoorten negatief wordt beïnvloed;

  • e.

    een beschrijving van de wijze waarop jachtaktehouders de gegevens, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Wet natuurbescherming, verstrekken aan de faunabeheereenheid;

  • f.

    een beschrijving van de ontwikkeling van de populatie op basis van trendgegevens.

Artikel 7.12 Goedkeuring

Lid 1

 

Om voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen die voortvloeien uit de Wet natuurbescherming en het bepaalde in deze verordening.

 

Lid 2

 

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 7.5, tweede lid.

 

Paragraaf 7.1.3 Wildbeheereenheid

Artikel 7.13 Oppervlakte en begrenzing

Lid 1

 

De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.

 

Lid 2

 

Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het werkgebied van een andere wildbeheereenheid.

 

Lid 3

 

Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.

 

Lid 4

 

Het werkgebied van een wildbeheereenheid is volledig gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord- Brabant.

 

Lid 5

 

De wildbeheereenheid draagt er zorg voor dat de juiste begrenzing van het werkgebied wordt gemeld aan de faunabeheereenheid.

Artikel 7.14 Statuten

De wildbeheereenheden dragen er zorg voor dat de verenigingsstatuten zodanig zijn geformuleerd dat deze met betrekking tot de doelstellingen overeenkomen met de eisen uit de Wet natuurbescherming.

Artikel 7.15 Tellingen en registratie

Lid 1

 

De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied, ter uitvoering van het bepaalde in het faunabeheerplan, de (trend)tellingen van in het wild voorkomende diersoorten.

 

Lid 2

 

De wildbeheereenheid draagt zorg voor een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Wet Natuurbescherming.

 

Lid 3

 

Het eerste en tweede lid worden uitgevoerd conform het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplan.

Artikel 7.16 Informatieverstrekking

Lid 1

De wildbeheereenheid verstrekt op verzoek van de faunabeheereenheid de nodige informatie aan de faunabeheereenheid over de uitvoering van het faunabeheerplan.

 

Lid 2

 

De wildbeheereenheid informeert haar leden op adequate wijze over:

 

  • a.

    regelgeving;

  • b.

    de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane handelingen;

  • c.

    ecologische feiten;

  • d.

    ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.

Afdeling 7.2 Vaarwegbeheer

Artikel 7.17 Toedeling beheer vaarwegen

Lid 1

 

De volgende vaarwegen en havens betreffen provinciale vaarwegen in beheer van de provincie:

 

  • a.

    Mark;

  • b.

    Mark-Vlietkanaal;

  • c.

    Dintel;

  • d.

    Roode Vaart;

  • e.

    Roosendaalsche en Steenbergse vliet (inclusief de Steenbergse en Heense haven).

Lid 2

 

De volgende vaarwegen en havens worden toebedeeld aan het genoemde bestuursorgaan, voor zover gelegen binnen Stedelijk gebied:

 

  • a.

    Gemeente Breda: het deel van de Mark Bovenstrooms van de Singel tot aan hectometerpaal 0,0 en de overige wateren in Breda, inclusief de Krouwelaar, Belcrum en de Nieuwe Haven;

  • b.

    Gemeente Eindhoven: Eindhovens Kanaal en het Beatrixkanaal;

  • c.

    Gemeente Halderberge: Jachthaven Oudenbosch;

  • d.

    Gemeente Helmond: Traverse Helmond, inclusief industriehaven;

  • e.

    Gemeente 's-Hertogenbosch: Industriehaven 's-Hertogenbosch, Aa, Dommel, Singelgracht, Traverse 's-Hertogenbosch en de overige wateren in 's-Hertogenbosch;

  • f.

    Gemeente Moerdijk: Leeman, Nolleke Sas;

  • g.

    Gemeente Oss: Industriehaven Oss (Burg. Jansenhaven en Burg. van Veldhuizenhaven), Burgemeester Deelenkanaal;

  • h.

    Gemeente Roosendaal: Schipbeek / Halsegat / Oude Haven;

  • i.

    Gemeente Waalwijk: Kerkvaart, Capelsche Haven, Binnen- en Buitenhaven.

Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen

Afdeling 8.1 Kosten en schade vanwege rechtstreeks werkende regels

 

Artikel 8.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing:

 

  • a.

    op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten op grond van artikel 15.21 juncto artikel 15.20 en op grond van artikel 15.22 Wet milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van de regels in hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten;

  • b.

    op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten op grond van de artikelen 26 en 28 en waar relevant artikel 29 a van de Ontgrondingenwet.

Artikel 8.2 Aanvraag

De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens:

 

  • a.

    de regels waardoor de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt;

  • b.

    de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade;

  • c.

    de wijze waarop de kosten of de schade naar het oordeel van de aanvrager vergoed moet worden en, als een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 8.3 Deskundigen

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 8.1.

 

Lid 2

 

Gedeputeerde Staten kunnen het advies inwinnen van de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.

 

Lid 3

 

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten.

 

Lid 4

 

Als Gedeputeerde Staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.

 

Lid 5

 

Als de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.

 

Lid 6

 

De deskundigen brengen advies uit inzake:

 

  • a.

    de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;

  • b.

    de omvang van de kosten dan wel de schade;

  • c.

    de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven;

  • d.

    de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien;

  • e.

    de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt;

  • f.

    de hoogte van de toe te kennen vergoeding.

Lid 7

 

De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk, maar uiterlijk dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies, uit aan Gedeputeerde Staten.

 

Lid 8

 

Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in artikel 8.3, vijfde lid, tevens aan de grondwateronttrekker, en vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 8.4 Horen grondwateronttrekker

Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij een beslissing nemen met betrekking tot een vergoeding van kosten dan wel schade.

Artikel 8.5 Toekennen vergoeding

Lid 1

 

Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van:

 

  • a.

    als het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen, een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken;

  • b.

    als de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt, een afschrift van die opvattingen;

  • c.

    als het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15:20, vierde lid, Wet milieubeheer heeft ingewonnen, een afschrift van dat advies;

  • d.

    het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.

Lid 2

 

Als bij het verzoek geen afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen Gedeputeerde Staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.

 

Lid 3

 

Gedeputeerde Staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.3, tweede lid, binnen vijf maanden na ontvangst van het verzoek.

 

Afdeling 8.2 Tegemoetkoming faunaschade

Artikel 8.6 Aanvraag

Lid 1

 

Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 Wet natuurbescherming, wordt door de aanvrager ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze.

 

Lid 2

 

De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

 

Lid 3

 

Schade die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op de voorgeschreven wijze is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 8.7 Taxatie van de schade

Lid 1

 

De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om een tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten dan nadat de schade namens of in opdracht van Gedeputeerde Staten is getaxeerd.

 

Lid 2

 

Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier 'bevestiging taxatie grondgebruiker' kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier aan Gedeputeerde Staten.

 

Afdeling 8.3 Hogere kosten Wet ruimtelijke ordening

Artikel 8.8 Verzoek om vergoeding hogere kosten

Lid 1

 

Het verzoek om vergoeding van hogere kosten bedoeld in artikel 6.8 Wet ruimtelijke ordening bevat ten minste de volgende gegevens:

 

  • a.

    de bepalingen op grond waarvan de gemeente zich voor hogere kosten ziet gesteld;

  • b.

    de aard en omvang van de kosten;

  • c.

    de wijze waarop naar het oordeel van burgemeester en wethouders in de kosten tegemoet dient te worden gekomen en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar hun oordeel daarvoor in aanmerking komt.

Lid 2

 

Indien burgemeester en wethouders een advies van deskundigen hebben ingewonnen, gaat het verzoek vergezeld van een afschrift van dat advies.

Artikel 8.9 Aanwijzing en advisering door deskundigen

Lid 1

 

Gedeputeerde Staten kunnen over een verzoek als bedoeld in artikel 8.8 Verzoek om vergoeding hogere kosten het advies inwinnen van een of meer deskundigen.

 

Lid 2

 

Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid worden burgemeester en wethouders die het verzoek hebben ingediend in de gelegenheid gesteld hun verzoek aan die deskundigen toe te lichten.

 

Lid 3

 

De deskundigen adviseren over:

 

  • a.

    de vraag of de hogere kosten zijn gemaakt door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening;

  • b.

    de omvang van de hogere kosten;

  • c.

    de vraag of de hogere kosten redelijkerwijs niet voor rekening van de gemeente behoren te blijven;

  • d.

    de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke tegemoetkoming is of kan worden voorzien;

  • e.

    de vraag of aanleiding bestaat voor het nemen van maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt;

  • f.

    de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming.

Lid 4

 

De deskundigen brengen binnen drie maanden na ontvangst van het desbetreffende verzoek hun advies uit aan Gedeputeerde Staten.

 

Lid 5

 

Gedeputeerde Staten zenden een afschrift van het advies aan burgemeester en wethouders die het verzoek hebben ingediend en vermelden daarbij binnen welke termijn deze hun opvattingen over het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 8.10 Beslistermijn

Gedeputeerde Staten besluiten op het verzoek bedoeld in artikel 8.8 Verzoek om vergoeding hogere kosten uiterlijk vier maanden na ontvangst van het desbetreffende verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 8.9 Aanwijzing en advisering door deskundigen, eerste lid, binnen negen maanden na de ontvangst van het verzoek.

Hoofdstuk 9 Strafbaarstelling en overgangsrecht

Afdeling 9.1 Strafbaarstelling

Artikel 9.1 Strafbepaling

Als strafbaar feit wordt aangemerkt een gedraging in strijd met het gestelde bij of krachtens:

 

  • a.

    artikel 2.1 Zorgplicht Waterwinning voor menselijke consumptie;

  • b.

    paragraaf 2.1.2 waterwingebied;

  • c.

    paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied;

  • d.

    paragraaf 2.1.4 Boringsvrije zone;

  • e.

    artikel 2.20 Verbod onconventionele koolwaterstofwinning Diep grondwaterlichaam;

  • f.

    paragraaf 2.3.3 Stortplaatsen;

  • g.

    artikel 2.38 Verbod varend ontgassen in Ontgassingsvrijgebied;

  • h.

    paragraaf 2.4.2 Stiltegebied;

  • i.

    paragraaf 2.5.1 Provinciale weg.

Afdeling 9.2 Overgangsrecht

 

Paragraaf 9.2.1 Algemeen

Artikel 9.2 Overgangsrecht besluiten

Besluiten die zijn genomen op grond van de bij artikel 10.1 ingetrokken verordeningen, of eerdere versies daarvan, behouden hun gelding en daarop blijft het recht van toepassing dat ten tijde van het nemen van het besluit van toepassing was.

 

Paragraaf 9.2.2 Aanvullend overgangsrecht hoofdstuk 2

Artikel 9.3 Eerbiedigende werking

Activiteiten en handelingen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig worden uitgeoefend, kunnen worden voorgezet onder overeenkomstige toepassing van de tot dan geldende bepalingen.

Artikel 9.4 Overgangsrecht meldingen

Op activiteiten of handelingen waarvoor melding is gedaan op grond van een bij artikel 10.1 ingetrokken verordening, of een eerdere versie daarvan, blijft het recht van toepassing dat ten tijde van het indienen van de melding van toepassing was.

Artikel 9.5 Afwijkend overgangsrecht gerealiseerde nieuwe stallen

Lid 1

 

Voor nieuwe stallen waarvoor op 25 mei 2010 reeds een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen, treedt de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem, behorende bij deze verordening.

 

Lid 2

 

Onverminderd het eerste lid, treedt de technische uitvoering volgens de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssysteem, behorende bij deze verordening.

 

Lid 3

 

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

 

  • a.

    de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is ingetrokken;

  • b.

    de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een algehele weigering inhoudt; of,

  • c.

    het bevoegde gezag heeft medegedeeld dat het Besluit landbouw milieubeheer niet op de veehouderij van toepassing is.

Artikel 9.6 Afwijkend overgangsrecht huisvestingssysteem nieuwe stallen

Lid 1

 

In het geval er een nieuwe stal is opgericht waarop de bij artikel 10.1, onder d, ingetrokken verordening respectievelijk de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 of de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant van toepassing was, geldt dat de technische staleisen en de Lijst met systemen van toepassing blijven, zoals die golden op het moment dat de voor het realiseren van die nieuwe stal vereiste:

 

  • a.

    aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming is ingediend;

  • b.

    melding ingevolge artikel 2.7, eerste lid, Regeling natuurbescherming is gedaan;

  • c.

    aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vastgestelde algemene maatregel van bestuur is ingediend, waarvoor op grond van artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen is vereist; of,

  • d.

    als onderdelen a tot en met c niet van toepassing zijn:

    • 1.

      een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is ingediend;

    • 2.

      een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan.

Lid 2

 

Op aanvragen en meldingen voor nieuwe stallen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, ingediend, respectievelijk gedaan voor de inwerkingtreding van de tweede wijzigingsverordening Verordening natuurbescherming Noord-Brabant op 19 juli 2017, blijft artikel 1.4, aanhef, van die verordening, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening, zijn werking behouden.

Artikel 9.7 Overgangsrecht stalderen bij veehouderijen

In het geval dat Gedeputeerde Staten een ontheffing hebben verleend ingevolge de bij artikel 10.1, onder f, ingetrokken verordening of een eerdere versie daarvan, en waarbij aan deze ontheffing de voorwaarde is verbonden dat er elders dierenverblijf is gesloopt, kan artikel 2.74 Stalderen buiten toepassing blijven tot ten hoogste de omvang van de bebouwing die feitelijk gesloopt is.

 

Paragraaf 9.2.3 Aanvullend overgangsrecht hoofdstuk 3

Artikel 9.8 Eerbiedigende werking bestaande planologische mogelijkheden

Lid 1

 

Bestaande planologische mogelijkheden, waaronder het feitelijk gebruik van gronden en opstallen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig worden uitgeoefend, worden gerespecteerd en kunnen worden voorgezet.

 

Lid 2

 

Onder bestaande planologische mogelijkheid, zoals een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt verstaan:

 

  • a.

    datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van een:

    • 1.

      uitwerking van het geldend bestemmingsplan, als dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Wet ruimtelijke ordening, of

    • 2.

      besluit van de gemeente als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter;

  • b.

    datgene waarvan handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

Artikel 9.9 Overgangsrecht bestemmingsplannen

Lid 1

 

De bepalingen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten zijn van toepassing op de vaststelling van een bestemmingsplan dat na de inwerkingtreding van deze verordening wordt vastgesteld.

 

Lid 2

 

Als termijn, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening, waarbinnen een bestemmingsplan moet zijn aangepast aan de bepalingen van deze verordening, geldt de eerst volgende herziening van het bestemmingsplan.

 

Lid 3

 

In afwijking van het tweede lid blijven de aanpassingstermijnen uit een eerder vastgestelde verordening op grond van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening, hun gelding behouden.

 

Lid 4

 

De bepalingen van artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen blijven buiten toepassing voor zover Gedeputeerde Staten een ontheffing hebben verleend ingevolge een eerdere verordening en waarbij aan deze ontheffing de voorwaarde is verbonden dat er elders dierenverblijf is gesloopt, tot ten hoogste de omvang die feitelijk gesloopt is.

 

Lid 5

 

In gevallen dat Gedeputeerde Staten ontheffing hebben verleend van een instructieregel uit de Verordening ruimte, bedoeld in artikel 10.1 Intrekking verordeningen, onder f, of een eerdere versie daarvan, geldt die ontheffing tevens als ontheffing van deze verordening.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Intrekking verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

 

  • a.

    Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010;

  • b.

    Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant 2008;

  • c.

    Verordening wegen Noord-Brabant 2010;

  • d.

    Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;

  • e.

    Verordening water Noord-Brabant;

  • f.

    Verordening ruimte Noord-Brabant, elektronisch bekend als NL.IMRO.9930.vr2014.va04;

  • g.

    Waterverordening waterschap Rivierenland, voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van Noord-Brabant.

Artikel 10.2 Overgang nadere regels

Na inwerkingtreding van deze verordening berust de:

 

  • a.

    Regeling maatgevende hoogwaterstanden regionale keringen Noord-Brabant 2010 op artikel 5.7 Regeling maatgevende hoogwaterstanden van deze verordening;

  • b.

    Regeling veranderen en gebruiken van wegen Noord-Brabant 2013 op artikel 5.8 Nadere regels provinciale wegen van deze verordening;

  • c.

    Regeling nadeelcompensatie wegen Noord-Brabant op artikel 5.8 Nadere regels provinciale wegen van deze verordening;

  • d.

    Regeling natuurbescherming Noord-Brabant op artikel 5.9 Nadere regels natuurbescherming van deze verordening;

  • e.

    Cultuurhistorische waardenkaart en de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart op artikel 5.10 Nadere regels cultuurhistorische- en aardkundige waarden van deze verordening;

  • f.

    Nadere regels Verordening ruimte, Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij 2.0 op artikel 5.11 Nadere regels zorgvuldige veehouderij van deze verordening;

  • g.

    Nadere regels Verordening ruimte-Markdal op artikel 5.12 Nadere regels gebiedsgericht maatwerk van deze verordening.

Artikel 10.3 Overgang legesheffing

Voor de toepassing van de Legesverordening Noord-Brabant 2012 blijven de Provinciale milieuverordening 2010, de Verordening wegen Noord-Brabant 2010 en de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant tot en met 1 januari 2020 hun werking behouden.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10.5 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Bijlage 1  

[gereserveerd]

bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen

behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

 

Lijst met technische eisen

Emissiefactoren voor de emissie vanuit het dierenverblijf, inclusief de emissie van de mest die in het dierenverblijf is opgeslagen, die van toepassing zijn op nieuwe of bestaande huisvestingssystemen die op grond van paragraaf 2.7.1  aan deze bijlage moeten worden getoetst. De in deze bijlage opgenomen reducties zijn percentages die gelden ten opzichte van de traditionele emissies, zoals opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij. De bijbehorende emissiefactor is de emissie uitgedrukt in het aantal kilogrammen ammoniak per dierplaats per jaar dat maximaal is toegestaan.

 

Code in RAV-lijst

Diercategorie

Streef-

reductie/ emissie in kg NH3/dp/jr traditioneel systeem volgens Rav

Eisen t/m

31-3-2020

Eisen in de periode

1-4-2020 t/m 31-12-2023

Eisen in de periode

1-1-2024 t/m 31-12-2027

Eisen vanaf 1-1-2028

 

 

 

Re-

duc-

tie

Emissie-factor

Re-

duc-

tie

Emissie-factor

Re-

duc-

tie

Emissie-factor

Re-

duc-

tie

Emissie-factor

Runderen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A1

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

-beweiden2

-permanent opstallen in open stal

-permanent opstallen in mechanisch geventileerde stal

 

 

 

40-

55%

70%

 

85%

 

 

 

 

12,3

13,0

 

13,0

 

 

 

 

43%

46%

 

61%

 

 

 

 

7,0

7,0

 

5,1

 

 

 

 

43%

54%

 

61%

 

 

 

 

7,0

6,0

 

5,1

 

 

 

 

51%

62%

 

70%

 

 

 

 

6,0

5,0

 

4,0

 

 

 

 

51%

70%

 

70%

 

 

 

 

6,0

4,0

 

4,0

A2

zoogkoeien ouder dan 2 jaar

- 100 of meer zoogkoeien in ligboxen incl. kalveren

 

- zoogkoeien ouder dan 2 jaar overige huisvesting

 

 

0%

 

 

 

 

0%

 

 

4,1

 

 

 

 

4,1

 

 

46%

 

 

 

 

0%

 

 

2,2

 

 

 

 

4,1

 

 

54%

 

 

 

 

0%

 

 

1,9

 

 

 

 

4,1

 

 

61%

 

 

 

 

0%

 

 

1,6

 

 

 

 

4,1

 

 

71%

 

 

 

 

0%

 

 

1,2

 

 

 

 

4,1

A31

vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

- in ligboxen

- overige huisvesting

 

 

40-

85%

0%

 

 

4,4

 

4,4

 

 

43%

 

0%

 

 

2,5

 

4,4

 

 

43%

 

0%

 

 

2,5

 

4,4

 

 

50%

 

0%

 

 

2,2

 

4,4

 

 

50%

 

0%

 

 

2,2

 

4,4

1 Biologisch gehouden jongvee valt niet onder deze categorie zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf.

2 Indien in een huisvestingssysteem weidegang als  managementmaatregel zoals opgenomen in bijlage 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij wordt toegepast wordt de emissiefactor van dat huisvestingssysteem verlaagd met het bij weidegang vermelde reductiepercentage.

A43

vleeskalveren tot circa 8 maanden

85%

3,5

50%

1,8

50%

1,8

70%

1,1

85%

0,5

A63

vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden

- minder dan 100 dieren A6+A7

-100 of meer dieren A6+A7

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

5,3

 

5,3

 

 

 

 

0%

 

46%

 

 

 

 

5,3

 

2,9

 

 

 

 

0%

 

54%

 

 

 

 

5,3

 

2,4

 

 

 

 

0%

 

62%

 

 

 

 

5,3

 

2,0

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

5,3

 

1,6

A73

fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar

- minder dan 100 dieren A6+A7

-100 of meer dieren A6+A7

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

6,2

 

6,2

 

 

 

0%

 

46%

 

 

 

6,2

 

3,3

 

 

 

0%

 

54%

 

 

 

6,2

 

2,9

 

 

 

0%

 

62%

 

 

 

6,2

 

2,4

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

6,2

 

1,9

3 Biologisch gehouden vleesrundvee valt niet onder deze categorie zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf.

Schapen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B1

schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg

0%

0,7

0%

0,7

0%

0,7

0%

0,7

0%

0,7

Geiten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

C14

geiten ouder dan 1 jaar

-minder dan 500 dieren C1+C2+C3

 

 

0% 

 

 

1,9 

 

 

0% 

 

 

1,9 

 

 

0% 

 

 

1,9 

 

 

0% 

 

 

1,9 

 

 

0% 

 

 

1,9 

C24

opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar

-minder dan 500 dieren C1+C2+C3

-500 of meer dieren C1+C2+C3

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

0,8

 

0,8

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

0,8

 

0,24

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

0.8

 

0,24

 

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

0,8

 

0,12

 

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

0,8

 

0,12

 

C34

opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen

-minder dan 500 dieren C1+C2+C3

-500 of meer dieren C1+C2+C3

 

 

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

 

0,2

 

0,2

 

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

 

0,2

 

0,06

 

 

 

 

 

0%

 

70%

 

 

 

 

 

0,2

 

0,06

 

 

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

 

0,2

 

0,03

 

 

 

 

 

0%

 

85%

 

 

 

 

 

0,2

 

0,03

 

4 Biologische geitenhouderijen vallen niet onder deze categorieën zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Gelet op de verplichting dat de dieren altijd naar buiten moeten kunnen en de stallen natuurlijk geventileerd moeten worden is toepassing van luchtwassers niet mogelijk. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf.

Varkens5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D1.1

biggenopfok (gespeende biggen)

85%

0,69

85%

0,1

85%

0,1

85%

0,1

85%

0,1

D1.2

kraamzeugen (incl. biggen tot spenen)

85%

8,3

85%

1,3

85%

1,3

85%

1,3

85%

1,3

D1.3

guste en dragende zeugen

85%

4,2

85%

0,63

85%

0,63

85%

0,63

85%

0,63

D2

dekberen, 7 maanden en ouder

85%

5,5

85%

0,83

85%

0,83

85%

0,83

85%

0,83

D3

vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking

85%

3

85%

0,45

85%

0,45

85%

0,45

85%

0,45

5 Voor de biologische varkenshouderij (categorie D) geldt een streefreductie van 40%. Gelet op de verplichte uitloop en dat de stallen natuurlijk geventileerd moeten worden is toepassing van luchtwassers niet mogelijk. Er zijn diverse systemen toepasbaar en beschikbaar, daarnaast zijn maatregelen toepasbaar die een reductie geven op basis van bewezen werkingsprincipes zoals scheiden, koelen, verdunnen en aanzuren. Per geval worden emissiereducerende maatregelen beoordeeld. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf.

Kippen

 

 

K= Kolo-

nie

S= Schar-rel

V= Voliè-

re

 

 

 

 

 

 

 

E1

opfokhennen en hanen van legrassen; jonger dan 18 weken

- niet-batterijhuisvesting

 

 

 

 

- batterijhuisvesting

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,17

 

 

 

 

 

0,045

 

 

 

 

 

K 90%

S 40%

V 82%

87%

 

 

 

 

 

0,017

0,102

0,03

 

 

 

0,007

 

 

 

 

 

90%

60%

85%

 

 

 

87%

 

 

 

 

 

0,017

0,068

0,026

 

 

 

0,007

 

 

 

 

 

90%

70%

85%

 

 

 

87%

 

 

 

 

 

0,017

0,051

0,026

 

 

 

0,007

 

 

 

 

 

90%

85%

85%

 

 

 

87%

 

 

 

 

 

0,017

0,026

0,026

 

 

 

0,007

E2

legkippen en (groot-)ouderdieren van legrassen

niet-batterijhuisvesting

 

 

 

 

- subcategorie leg(groot)ouderdieren

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,315

 

 

 

 

 

0,315

 

 

 

 

 

K 90%

S 78%

V 83%

72%

 

 

 

 

 

0,032

0,069

0,056

 

 

 

0,088

 

 

 

 

 

90%

85%

85%

 

 

 

78%

 

 

 

 

 

0,032

0,047

0,047

 

 

 

0,069

 

 

 

 

 

90%

85%

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,032

0,047

0,047

 

 

 

0,047

 

 

 

 

 

90%

85%

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,032

0,047

0,047

 

 

 

0,047

E3

(groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken

85%

0,25

40%

0,15

60%

0,1

70%

0,075

85%

0,038

E4

(groot-)ouderdieren van vleeskuikens

85%

0,58

25%

0,435

40%

0,348

60%

0,232

85%

0,087

E5

Vleeskuikens

85%

0,068

70%

0,021

74%

0,018

82%

0,012

85%

0,01

E6

additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag i.c.m.

- opfokleghennen (E1) en vleeskuikens (E5)

 

- leghennen (E2) en

–vlees-

kuiken(groot)ouder-

dieren (E3 en E4)

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,03

 

 

 

0,05

 

 

 

 

 

67-

70%

 

 

67-

70%

 

 

 

 

 

0,010-

0,009

 

 

0,017- 0,015

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,005

 

 

 

0,008

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,005

 

 

 

0,008

 

 

 

 

 

85%

 

 

 

85%

 

 

 

 

 

0,005

 

 

 

0,008

 

Kalkoe-nen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

F1

ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; tot 6 weken

85%

0,15

0%

0,15

0%

0,15

0%

0,15

85%

0,02

F2

ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; van 6 tot 30 weken

85%

0,47

0%

0,47

0%

0,47

0%

0,47

85%

0,05

F3

ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder

85%

0,59

0%

0,59

0%

0,59

0%

0,59

85%

0,09

F46

vleeskalkoenen

85%

0,68

40%

0,41

60%

0,27

70%

0,2

85%

0,1

6 Bij deze diercategorie kunnen dezelfde huisvestingssystemen en de bijbehorende reductiepercentages worden toegepast als die welke zijn opgenomen bij de diercategorie vleeskuikens (E5).

Eenden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

G1

ouderdieren van vleeseenden tot 24 maanden

85%

0,32

0%

0,32

0%

0,32

0%

0,32

85%

0,048

G2

vleeseenden

85%

0,21

0%

0,21

0%

0,21

0%

0,21

85%

0,032

Nertsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H1

nertsen, per fokteef

85%

0,58

57%

0,25

-

-

Ver-bod

 

Ver-bod

 

Konijnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I1

voedster inclusief 0,15 ram en bijbehorende jongen tot speenleeftijd

85%

1,2

40%

0,72

50%

0,6

70%

0,36

85%

0,18

I2

vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd

85%

0,2

40%

0,12

50%

0,1

70%

0,06

85%

0,03

Parelhoenders

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

J16

parelhoenders voor de vleesproductie

85%

0,068

70%

0,021

74%

0,018

82%

0,012

85%

0,01

6 Bij deze diercategorie kunnen dezelfde huisvestingssystemen en de bijbehorende reductiepercentages worden toegepast als die welke zijn opgenomen bij de diercategorie vleeskuikens (E5).

Paarden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

K1

volwassen paarden (3 jaar en ouder)

0%

5

0%

5

0%

5

0%

5

0%

5

K2

paarden in opfok (jonger dan 3 jaar)

0%

2,1

0%

2,1

0%

2,1

0%

2,1

0%

2,1

K3

volwassen pony's (3 jaar en ouder)

0%

3,1

0%

3,1

0%

3,1

0%

3,1

0%

3,1

K4

pony's in opfok (jonger dan 3 jaar)

0%

1,3

0%

1,3

0%

1,3

0%

1,3

0%

1,3

Struisvogels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

L1

struisvogelouderdieren

0%

2,5

0%

2,5

0%

2,5

0%

2,5

0%

2,5

L2

opfokstruisvogels (tot 4 maanden)

0%

0,3

0%

0,3

0%

0,3

0%

0,3

0%

0,3

L3

vleesstruisvogels (4 tot 12 maanden)

0%

1,8

0%

1,8

0%

1,8

0%

1,8

0%

1,8

 

Toepassing specifieke systemen

 

A1 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar – BWL 2018.06

Toepassing van het huisvestingssysteem met BWL 2018.06 is mogelijk. In de Regeling ammoniak en veehouderij is dit systeem opgenomen met een voorlopige emissiefactor van 7,1 kilogram per dierplaats per jaar. De waarde van de voorlopige emissiefactor wordt berekend door bij de waarde van de bijzondere emissiefactor 15% van de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting op te tellen. De bijzondere

emissiefactor voor dit huisvestingssysteem bedraagt minder dan de geëiste 7 kilogram per dierplaats per jaar. Definitieve emissiefactoren voor deze diercategorie worden daarnaast afgerond op hele kilogrammen. Mede door de 15% extra marge is de verwachting dat uiteindelijk voldaan kan worden aan de in de tabel opgenomen eis van 7 kg. Ammoniakemissiemetingen worden nog uitgevoerd. Dit stalsysteem is eveneens zeer goed toepasbaar in bestaande stallen en om toepassing van dit systeem en andere innovaties te stimuleren wil de provincie toepassing mogelijk maken. Het betreft een voorlopige uitzondering tot het moment dat hiervoor definitieve emissiefactor wordt vastgesteld. Indien uit metingen en de daaruit volgende definitieve emissiefactor blijkt dat niet voldaan wordt aan de gestelde eisen is nieuwe toepassing niet mogelijk en geldt voor de reeds aangevraagde en vergunde toepassingen de in deze verordening opgenomen vervangingstermijn van 20 jaar.

 

Toelichting toepassing huisvestingssystemen voor diercategorieën waarin de Regeling ammoniak enveehouderij niet voorziet.

 

A2 Zoogkoeien ouder dan 2 jaar en A3 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

Indien zoogkoeien en/of vrouwelijk jongvee gehouden worden in een huisvestingssysteem met ligboxen zoals dat wordt toegepast in de categorie A1 melkveehouderij, wordt voor deze categorieën aangesloten bij de huisvestingssystemen opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij bij de categorie A1. Er wordt dan vergelijkbaar reductiepercentage als bij categorie A1 gehanteerd. Een huisvestingsysteem uit de categorie A1 met een emissie van 7,0 kg ammoniak per dierplaats per jaar en een reductie van 46% geeft bij toepassing in de categorieën A2 en A3 een gelijk reductiepercentage ten opzichte van de factor van traditionele huisvesting in de categorieën A2 en A3.

A6 vleesstieren en overig vleesvee van 8 tot 24 maanden en A7 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2jaar.

Vleesstieren worden tegenwoordig veelal in strostallen gehouden, hebben vaak een open karakter en worden veelal natuurlijk geventileerd en lenen zich daarom minder goed voor luchtwassystemen. De effectiviteit van een luchtwasser zal onder zulke omstandigheden lager zijn en meer in lijn liggen met die van de melkveehouderij. Aan bedrijven met weinig dieren (minder dan 100 dieren als som categorie A6 en A7) wordt daarom vooralsnog geen emissiereductieverplichting opgelegd. Voor de grotere gespecialiseerde bedrijven met meer dan 100 dieren uit de categorieën A6 en A7 wordt aangesloten bij de reductie eisen voor de melkveehouderij.

 

C1 geiten ouder dan 1 jaar, C2 opfokgeiten van 61 dagen t/m 1 jaar en C3

Voor deze categorieën is toepassing van luchtwassers uit de categorie D (varkens) mogelijk. In verband met de bedrijfsvoering wordt rekening gehouden met lekverliezen waardoor 5% van de lucht ongezuiverd naar buiten gaat. Voor toepassing in de geitenhouderij wordt daarom 5% van het verwijderingsrendement dat is toegekend aan het systeem in mindering gebracht. Een luchtwasser met een verwijderingsrendement van 85% voor de varkenshouderij heeft een rendement van 80% bij toepassing in de geitenhouderij. Een luchtwasser met een rendement van 70% voor de varkenshouderij voldoet hiermee niet aan de reductiedoelen voor de geitenhouderij. De verwachting is dat deze systemen in oktober 2017 opgenomen worden in de Regeling ammoniak en veehouderij.

 

Toelichting

 

Algemene toelichting

 

1.1 Leeswijzer

 

In deze algemene toelichting op de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (verder te noemen Interim omgevingsverordening) wordt ingegaan op de relatie van de Interim omgevingsverordening met de omgevingsvisie, wat de Interim omgevingsverordening is, uitgangspunten bij de totstandkoming, opbouw en de van toepassing zijnde wettelijke kaders.

 

Het algemene deel wordt afgesloten met een korte toelichting op Hoofdstuk 1 van de Interim omgevingsverordening: de begripsbepalingen.

Na de algemene toelichting volgt een artikelsgewijze toelichting. Hierbij zijn alleen de hoofdlijnen van beleid en achtergrond van de regels opgenomen. De meer uitgebreide informatie is terug te vinden in de wetgeving die tot het stellen van de regels verplicht en de op provinciaal niveau vastgestelde (strategische) beleidsplannen, zoals de omgevingsvisie, het Provinciaal milieu- en waterplan, het Provinciaal verkeers- en vervoersplan, de Structuurvisie ruimtelijke ordening, Brabant uitnodigend groen en diverse daarop gebaseerde beleidsplannen en -uitwerkingen.

 

1.2 Inleiding

De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2021 in werking.

 

De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van:

 

  • Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2. Wet milieubeheer

  • Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet

  • Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet

  • Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming

  • Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening

  • Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet

De Verordening luchtvaart en de vastgestelde Luchtvaartbesluiten bevatten voor een deel ook regels voor de fysieke leefomgeving. Het onderdeel luchtvaart is nog niet in de Interim omgevingsverordening verwerkt. Dit wordt wel bij de definitieve omgevingsverordening betrokken.

 

1.3 Verhouding tot de omgevingsvisie

 

Ambitie

 

Met de Brabantse omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe we hieraan willen werken.

 

De provincie gelooft dat we met elkaar moeten zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat we dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij we streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.

 

De omgevingsvisie is vastgesteld om–vooruitlopend op de Omgevingswet- kansen te benutten. Met ruimte voor handelen door te werken vanuit doelen in plaats vanuit instrumenten. Door maatschappelijk gedragen waarden centraal te stellen. Door meerwaarde-creatie als basis te hanteren in plaats van als uitzondering. En door vanuit casuïstiek te werken en het doel voorop te stellen.

 

Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien. En stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie. De Brabantse Omgevingsvisie is door een intensief proces met provinciale staten, gemeenten, waterschappen, omgevingsdiensten, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers tot stand gekomen. De uitvoering van de visie en de concrete acties om de doelen te realiseren, staan niet in de visie. Ook dat werken we samen uit met anderen.

 

Een nieuw samenspel

 

We pakken complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners aan. Door verschillende doelen met elkaar te verweven en slimme combinaties te maken, ontstaat een grotere meerwaarde voor het gebied. De provincie richt zich op het verknopen en verweven van opgaven en het zoeken naar synergie en meerwaarde. Daarbij kijken we vanuit verschillende richtingen naar een ontwikkeling:

 

  • Een ‘diepe’ manier van kijken: we kijken niet alleen naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar betrekken hierin de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven. Daarbij kijken we op verschillende schaalniveaus naar gelang een vraagstuk daarom vraagt en benutten we de factor tijd actief. Hierbij kijken we ook naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek, en naar (effecten in) de toekomst.

  • Een ‘ronde’ manier van kijken: we kijken niet sectoraal maar combineren opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken met een balans tussen people, planet en profit.

  • Een ‘brede’ manier van kijken: we kijken niet vanuit één gezichtspunt maar betrekken daar veel partijen bij, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.

Provinciale rol

 

De inzet van de provincie richt zich vooral op situaties waarbij de provincie een toegevoegde waarde heeft bij het realiseren van maatschappelijke doelen door:

 

  • Richting geven: Naast visievorming en het formuleren van ambities heeft de provincie een verantwoordelijkheid voor het benoemen van randvoorwaarden en spelregels. Bij bovengemeentelijke onderwerpen heeft de wetgever daarvoor een specifieke verantwoordelijkheid gelegd bij provincies. Het gaat dan soms om bescherming tegen onomkeerbare gevolgen zoals voor ons grondwater, natuur en cultuurhistorie. En soms zijn spelregels juist nodig om ontwikkelingen mogelijk te maken door deze op een hoger schaalniveau te bekijken, zoals Nimby projecten of de regionale insteek bij verstedelijking.

  • Beweging stimuleren: Door kennis te ontwikkelen, onderzoek te doen en als intermediair op te treden naar het Rijk en buurlanden.

  • Ontwikkeling mogelijk maken: Door middelen ter beschikking te stellen, zelf risicodragend te investeren of door zelf de uitvoering ter hand te nemen bij gemeente overstijgende projecten.

Kernwaarden en instrumenten

 

Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. We zetten in op:

 

  • 1.

    meerwaardecreatie

  • 2.

    technische en sociale innovatie

  • 3.

    kwaliteit boven kwantiteit

  • 4.

    een continue verbetering van de leefomgeving

  • 5.

    proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel

Om uitvoering te geven aan de visie heeft de provincie straks onder de Omgevingswet verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts 1 van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen.

 

Een ander belangrijk instrument voor de uitwerking van de omgevingsvisie zijn de (beleids)programma’s uit de Omgevingswet. Hierin worden de ambities uit de omgevingsvisie uitgewerkt en vertaald naar concrete acties en inzet van instrumenten.

 

Dit is bijgaand schematisch weergegeven.

 

1.4 Waarom een Interim omgevingsverordening?

 

De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. Omdat de Interim verordening beleidsneutraal is en vooral is bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening.

 

De wijzigingen die ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt, worden nader toegelicht in paragraaf 1.6 van deze algemene toelichting en zijn ook schematisch weergegeven in het Overzicht Nu - straks dat als bijlage van deze toelichting is opgenomen.

 

Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving).

 

Bovendien biedt deze tussenstap de mogelijkheid om al een jaar te werken met een nieuwe opbouw en aangepaste regels. De ervaringen die hiermee worden opgedaan, worden betrokken bij de definitieve omgevingsverordening.

 

Bij de samenvoeging zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • een gebruikersvriendelijke verordening met een duidelijke opbouw en een vereenvoudiging van de regels;

  • geen dubbele regelgeving dus er worden geen regels gesteld voor aspecten die al op nationaal niveau zijn geregeld;

  • regels ondersteunen de uitvoering en nieuwe manier van werken uit de omgevingsvisie en brengen partners als gemeenten, waterschappen, ondernemers en bewoners zoveel mogelijk in positie om eigen verantwoordelijkheid te nemen;

  • regels bieden waar mogelijk ruimte voor eigen invulling en afweging, bijvoorbeeld door meer te werken met doelvoorschriften en open normen;

  • een ja, mits benadering en het positief formuleren van voorwaarden.

1.5 Digitale aspecten

 

De Interim omgevingsverordening is een digitaal product. Dit draagt bij aan het beter op elkaar afstemmen van regels en werkingsgebieden. De digitale vormgeving biedt ook de mogelijkheid om de regels op een interactieve wijze te benaderen en om gegevens makkelijker uit te wisselen. Dit draagt bij aan een betere uitvoering in de praktijk en een betere kenbaarheid van de geldende regels. Het digitale systeem maakt het mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te wegen.

 

Doordat regels rechtstreeks worden gekoppeld aan werkingsgebieden is het niet langer nodig om gebieden apart aan te wijzen of op kaarten in de bijlage te begrenzen. De begrenzing volgt uit het opnemen van een werkingsgebied waaraan de van toepassing zijnde regels zijn gekoppeld.

 

De werkingsgebieden die in de Interim omgevingsverordening zijn opgenomen, zijn gebaseerd op de grenzen van gebieden zoals die nu ook in de verschillende verordeningen zijn opgenomen en recente wijzigingsbesluiten die daarover door gedeputeerde staten zijn genomen. Door de digitale vertaling kunnen er wel ondergeschikte wijzigingen zijn opgetreden.

 

1.6 Wijzigingen in de regels

De Interim omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Vanwege de samenvoeging van verschillende verordeningen, de aansluiting op uitgangspunten van de Omgevingswet en om de uitvoering van de Omgevingsvisie te ondersteunen zijn er diverse wijzigingen doorgevoerd.

 

  • Bij de opbouw van de verordening is gekozen om aan te sluiten bij de opbouw in de Omgevingswet vanuit de doelgroep. Een aantal aspecten wordt centraal geregeld zoals begrippen (hoofdstuk 1), de regels voor bevoegdheden van gedeputeerde staten (hoofdstuk 5), procedures (hoofdstuk 6) en overgangsrecht (hoofdstuk 9).

  • De regels voor het lozen van afvalwater zijn vervallen nu hierin wordt voorzien door nationale regelgeving (Besluit lozen buiten inrichtingen, Besluit lozing afvalwater huishoudens en wijzigingen Lozingenbesluiten).

  • De regels voor grondwaterbescherming vanwege de waterwinning voor menselijke consumptie zijn vereenvoudigd naar een beter bij de Omgevingswet passend systeem. Het huidige beschermingsniveau is gehandhaafd. Er is gekozen om zo veel mogelijk te werken met het opnemen van voorwaarden in de regels. Hierdoor kan vaker worden volstaan met een startmelding waardoor administratieve- en bestuurslasten afnemen. Hierbij is ook rekening gehouden met de evaluatie van de Provinciale milieuverordening, onderdeel grondwaterbescherming (juli 2018). Op verzoek van Rijkswaterstaat is een Beschermingszone rivierwaterwinning opgenomen. Dit was voorheen alleen beleidsmatig in het Provinciaal milieu- en beleidsplan opgenomen.

  • De regels voor stiltegebieden zijn ook vereenvoudigd. De instructieregels om rekening te houden met stiltegebieden bij de uitoefening van ruimtelijke bevoegdheden door de gemeente zijn naar H3 verplaatst.

  • Het werken met bijlagen is fors teruggebracht. Dat biedt meer duidelijkheid aan de gebruiker en maakt de voorschriften beter raadpleegbaar.

  • Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame stedelijke ontwikkeling. Om de weg vrij te maken voor nieuwe manieren van samenwerken zijn de regels voor het regionaal samenwerken gemoderniseerd. Het regionaal overleg wordt vanuit de nieuwe samenwerking uit de omgevingsvisie anders (en breder) ingestoken en bij de uitgangspunten voor een duurzame stedelijke ontwikkeling wordt een relatie gelegd met onder andere gezondheid, klimaat en energietransitie.

  • Vanwege jurisprudentie van de Raad van State is een aanpassing doorgevoerd in de procedures rond de plaatsing van windturbines in het Natuur Netwerk Brabant, direct aansluitend op hoofdinfrastructuur. Vanwege het tijdelijke karakter van de plaatsing en het feit dat de gronden hun natuurfunctie blijven behouden, is het onnodig om hiervoor allerlei procedures tot wijziging van de verordening en het bestemmingsplan te doorlopen. Daarom wordt de tijdelijke plaatsing van windturbines in het NNB direct aansluitend op hoofdinfrastructuur mogelijk gemaakt. De regels voor compensatie van natuurwaarden blijven onverkort gelden.

  • Ervaringen uit de praktijk zijn benut om regels beter uitvoerbaar te maken en waar nodig te verduidelijken.

1.7 Werkingsgebieden

De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden.

 

Op dit moment werkt alleen de Verordening ruimte volgens een dergelijk systeem. De overige verordeningen werken (waar nodig) met een verwijzing naar aangewezen gebieden op (kaart)bijlagen bij de regels. Dit nieuwe systeem betekent dat er voor een aantal onderwerpen werkingsgebieden gemaakt zijn, zoals voor Provinciale wegen en stortplaatsen.

 

Bij de ontwerp Interim omgevingsverordening zijn verder in beginsel de grenzen van bestaande werkingsgebieden gebruikt. Vanwege de samenvoeging van verschillende verordeningen heeft dit tot de volgende aanpassingen geleid:

 

  • door de digitalisering en afstemming tussen werkingsgebieden uit verschillende verordeningen zijn er ondergeschikte grenscorrecties van werkingsgebieden geweest.

  • er zijn bij het ontwerp geen inhoudelijke grenswijzigingen doorgevoerd. Het dossier met de actualisatie van grenzen die jaarlijks plaatsvindt, wordt (voor de duidelijkheid) via een apart dossier in procedure gebracht. Deze wijzigingen worden bij de vaststelling wel in de Interim omgevingsverordening verwerkt.

  • door een andere opbouw van regels vervallen enkele (overlappende) werkingsgebieden uit de Verordening ruimte (Zoekgebied windenergie en Integratie stad-land).

  • er zijn werkingsgebieden samengevoegd en qua grens op elkaar afgestemd. Het Beschermd gebied waterhuishouding (uit de Verordening water) en de Attentiezone natte natuur (uit de Verordening ruimte) zijn samengevoegd tot Attentiezone waterhuishouding.

  • er zijn nieuwe werkingsgebieden gemaakt voor bestaande regels die nog niet aan kaarten waren gekoppeld, zoals voor Provinciale wegen, Attentiezone stiltegebied en voor gesloten en voormalige stortplaatsen.

  • er is een werkingsgebied ‘Beschermingszone rivierwaterwinning’ opgenomen op verzoek van Rijkswaterstaat.

1.8 Mogelijkheden voor maatwerk

 

De Interim omgevingsverordening wil goede initiatieven ondersteunen. Daarvoor sluit de Interim omgevingsverordening aan bij de nieuwe manier van werken uit de Brabantse omgevingsvisie. Dit uit zich op verschillende manieren.

 

Een eerste stap is dat hiermee rekening gehouden bij het vormgeven van de regels door:

 

  • meer te werken met doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften;

  • ruimte te bieden met meer ‘open’ kwalitatieve voorschriften in plaats van ‘gesloten’ kwantitatieve kaders;

  • een ja, mits benadering.

Daarnaast zijn er flexibiliteitsbepalingen opgenomen:

 

  • een hardheidsclausule die toegepast kan worden in de gevallen dat direct werkende regels in een concreet geval tot onredelijke gevolgen leiden.

  • ontheffing van verplichtingen en regels op grond van hoofdstuk 2 in de gevallen waarin dat expliciet is bepaald.

  • ontheffing van de instructieregels in hoofdstuk 3 voor gevallen waarin ‘de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen’. De gehanteerde formulering is rechtstreeks overgenomen uit de Wet ruimtelijke ordening. De verordening kan deze wel verder inperken maar mag daar niet van afwijken.

  • een wijzigingsbevoegdheid voor gedeputeerde staten om specifiek benoemde voorschriften te wijzigen en kennelijke onjuistheden te wijzigen. Deze bevoegdheden zijn gebaseerd op de huidige bevoegdheden voor gedeputeerde staten tot wijziging van nadere uitwerkingen in de bijlagen.

  • een wijzigingsbevoegdheid voor gedeputeerde staten om de grenzen van de werkingsgebieden te wijzigen.

De toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor het aanpassen van grenzen van werkingsgebieden verloopt via de procedure van een wijzigingsverordening. Hierbij wordt de procedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht doorlopen. Afgezien dat een dergelijke procedure wettelijk verplicht is, biedt dit de mogelijkheid aan derden om in te spreken. In beginsel wordt er jaarlijks een procedure doorlopen waarbij ambtshalve wijzigingen worden doorgevoerd. Dit zijn bijvoorbeeld wijzigingen die nodig blijken om de realisering van het Natuur Netwerk Brabant te versnellen.

 

Daarnaast kunnen gemeenten op basis van een concreet bestemmingsplan om wijziging van de grens van een werkingsgebied vragen. In zo’n geval wordt de procedure voor de grenswijziging gekoppeld aan de procedure van het bestemmingsplan. Het koppelen van beide procedures biedt aan iedereen meer duidelijkheid en vermindert procedures en bestuurslasten.

 

Nadere regels

 

Binnen de Verordening ruimte bestond voorts de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om in specifiek benoemde situaties met nadere regels af te wijken van de instructieregels in de Verordening ruimte. Dit was onder andere mogelijk met de zogenaamde meerwaarde-benadering. Vanuit de omgevingsvisie is meerwaarde-creatie basisuitgangspunt bij de ontwikkeling van plannen en projecten. Die bevoegdheid is daarom vervallen.

 

De Interim omgevingsverordening bevat ter vervanging van de specifieke mogelijkheden één generieke bevoegdheid om met nadere regels af te wijken van de in hoofdstuk 3 opgenomen instructieregels. Aan deze bevoegdheid zijn voorwaarden gekoppeld gebaseerd op de omgevingsvisie, zoals het nieuwe samenspel met diep, rond en breed kijken en een koppeling aan de kernwaarden en opgaven uit de omgevingsvisie. Daarnaast gelden er vanuit specifieke onderwerpen, bijvoorbeeld natuurnetwerk of veehouderij, aanvullende voorwaarden bij het gebruik van deze bevoegdheid.

 

Met deze bevoegdheid is een gebiedsgerichte aanpak mogelijk waarbij de som van de delen een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van het onverkort toepassen van de regels uit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten. Deze bevoegdheid richt zich daarbij uitsluitend op de instructieregels voor het nemen van ruimtelijke besluiten en kan niet worden ingezet om af te wijken van de rechtstreeks werkende regels die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Bij het vaststellen van nadere regels moet afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht worden toegepast.

 

1.9 Opbouw

 

Voor de opbouw van de Interim omgevingsverordening zijn verschillende opties afgewogen. Er is gekeken naar een thematische indeling, een indeling waarbij de huidige verordeningen als apart hoofdstuk gehandhaafd zouden worden en een opbouw waarbij de doelgroep van de regel centraal staat.

 

Omdat de Interim verordening zoveel als mogelijk wil aansluiten bij de Omgevingswet is gekozen voor de doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Interim omgevingsverordening zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Binnen een hoofdstuk is een verdeling gemaakt naar relevante beleidsthema’s waarbij per hoofdstuk zoveel mogelijk eenzelfde volgorde is gekozen.

 

Een keuze voor een hoofdstukindeling op thema was ook mogelijk geweest. Daar is niet voor gekozen omdat dit voor de gebruikers van de verordening minder duidelijk is. Bijvoorbeeld zowel de ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening bevatten regels over wateronderwerpen. Maar de regels richten zich elke keer tot een andere doelgroep (burgers en bedrijven, gemeenten of waterschappen). Dat is zeker voor burgers niet altijd duidelijk. En voor gemeenten en waterschappen geldt dat zij de hele verordening moeten doorzoeken welke regels voor hen van toepassing zijn. Het risico is dan groot dat er iets over het hoofd wordt gezien.

 

De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op:

 

In hoofdstuk 1 staan enkele algemene bepalingen zoals de begripsbepalingen.

 

In hoofdstuk 2 staan rechtstreeks werkende regels voor activiteiten die zich (grotendeels) richten tot burgers en bedrijven. In sommige gevallen zijn de regels uiteraard ook van toepassing op overheden als die initiatiefnemer voor de betreffende activiteit zijn. De regels zijn daarbij zoveel mogelijk als direct werkend geformuleerd. Dit betekent dat deze naast een eventuele vergunningplicht gelden. Dit sluit aan bij de systematiek van de Omgevingswet.

 

Het hoofdstuk bevat de volgende thema’s: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming. Daarnaast staan in dit hoofdstuk ook de rechtstreeks werkende regels gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening. Deze regels gelden totdat gemeenten het bestemmingsplan hebben aangepast aan de instructieregels, die in hoofdstuk 3 staan.

 

In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte.

 

De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, omgevingsvergunningen waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken en overige uitvoeringsbesluiten.

 

In hoofdstuk 4 staan de instructieregels die zich richten tot het waterschap. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. In dit hoofdstuk zijn ook de verplichte omgevingswaarden opgenomen.

 

Hoofdstuk 5 bevat regels waarin de bevoegdheden en verplichtingen staan voor gedeputeerde staten. Het gaat dan onder andere om bevoegdheden voor het wijzigen van de regels en werkingsgebieden, het stellen van nadere regels, het verlenen van ontheffing en het toepassen van de hardheidsclausule. Maar bijvoorbeeld ook de opdracht om gezamenlijk met andere partijen het regionaal overleg te organiseren of om de depositie op natura 2000 gebied te monitoren.

 

Hoofdstuk 6 bevat regels voor procedures en indieningsvereisten van meldingen en ontheffingen. De Interim omgevingsverordening bevat geen algemene ontheffingsmogelijkheid. Er kan alleen ontheffing worden gevraagd in gevallen waarin dat expliciet is bepaald. Dit hoofdstuk bevat geen regels rondom rechtsbescherming. Dat is in nationale wetgeving geregeld.

 

Hoofdstuk 7 bevat regels voor het faunabeheer uit de Wet natuurbescherming (faunabeheereenheden, faunaplan en wildbeheereenheden) en vaarwegbeheer vanuit de Waterwet.

 

Hoofdstuk 8 bevat financiële bepalingen rondom het vergoeden van schade vanwege de rechtstreeks werkende regels, faunaschade en hogere kosten bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 9 bevat strafbaarstellingen en overgangsrecht. Hierin zijn in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht.

 

In hoofdstuk 10 is de intrekking geregeld van de verordeningen die in deze Interim verordening zijn opgenomen en wordt de inwerkingtreding geregeld.

 

Bij de Interim omgevingsverordening is geprobeerd om de regels zoveel mogelijk in de tekst van de verordening zelf op te nemen. Het aantal bijlagen is daardoor fors teruggebracht. Dit vergroot de kenbaarheid en vereenvoudigt het gebruik van de verordening. Er is nog slechts 1 bijlage die zich vanwege de omvang niet leent voor opname in de regels zelf.

 

1.10 Relevante wettelijke bepalingen

 

Omgevingswet

 

Het Rijk werkt aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht moet inzichtelijker en voorspelbaarder worden en het gebruiksgemak van iedereen vergroten. Ook moet er meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt, integreert 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur.

 

De Brabantse omgevingsvisie biedt in de geest van de Omgevingswet een integraal kader voor diverse aspecten van het fysieke domein. Omdat deze omgevingsvisie nog geen beleidsuitwerking bevat, hebben provinciale staten besloten de huidige strategische plannen voorlopig te handhaven. Dit zijn het Provinciaal Milieu- en waterplan, het Provinciaal verkeers- en vervoersplan, de Structuurvisie RO en de visie op natuur in Brabant uitnodigend Groen.

 

Omdat de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten nog niet in werking zijn, is deze Interim omgevingsverordening gebaseerd op de nu geldende wet- en regelgeving. Wanneer de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten in werking treden, wordt deze Interim omgevingsverordening daarop aangepast.

 

Wet milieubeheer

 

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het vaststellen van een milieuverordening verplicht.

 

Deze Interim omgevingsverordening omvat in ieder geval regels over de onderwerpen die de Wet milieubeheer verplicht stelt:

 

  • regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden, artikel 1.2. Wm)

  • regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden, artikel 1.2. Wm)

Daarnaast zijn er regels opgenomen voor hergebruik van gesloten en voormalige stortplaatsen, deze zijn een aanvulling op titel 8.3 Wm. Met als doel te waarborgen dat in geval van het verrichten van activiteiten op een voormalige of gesloten stortplaats de aanwezigheid van die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

 

Wet bodembescherming

 

In de Wet bodembescherming (Wbb) is opgenomen dat Provinciale Staten nadere regels kunnen stellen omtrent:

 

  • de gegevens die in het saneringsplan worden opgenomen (artikel 39, lid 1 Wbb);

  • de gegevens die in het saneringsverslag worden opgenomen (artikel 39c, lid 3 Wbb);

  • de gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen (artikel 39d, lid 5 Wbb).

Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 2. De procedurele bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 6.

 

Ontgrondingenwet

 

De Ontgrondingenwet ziet toe op het reguleren van het verlagen van het bodemoppervlak door graafwerkzaamheden en op het winnen van zand, klei en andere oppervlaktedelfstoffen uit de bodem. Een belangrijk doelstelling van de wet was om de voorziening aan bouwgrondstoffen veilig te stellen. Per 1 januari 2009 is de wet ingrijpend gewijzigd in lijn met de afbouw van de regierol van het Rijk met betrekking tot de bouwgrondstoffenvoorziening. De provincie heeft van de wetgever diverse bevoegdheden en verantwoordelijkheden gekregen inzake ontgrondingen. Voor de uitoefening van die bevoegdheden zijn in de verordening regels opgenomen.

 

Wegenwet en Wegenverkeerswet

 

Op grond van de Wegenwet moet de provincie haar openbare wegen, inclusief daarbij behorende bermen en sloten, onderhouden. In de Wegenverkeerswet 1994 staat dat de provincie ook zorg moet dragen voor onder andere de veiligheid op de weg en voor de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg. Om aan deze zorgplicht voor de provinciale weg te kunnen voldoen, bevat het hoofdstuk 2 onderdeel provinciale weg regels over het veranderen en het gebruik van provinciale wegen, anders dan voor verkeersdoeleinden.

 

Wet natuurbescherming

 

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is een samenvoeging van de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

 

Rijk en provincies hebben in het Bestuursakkoord Natuur (2011) en het Natuurpact (2013) afspraken gemaakt over de decentralisatie van het natuurbeleid. Het rijk heeft zich terug getrokken en provincies hebben vrijwel de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het natuurbeleid gekregen. Hiervoor heeft het rijk instrumenten beschikbaar gesteld, waaronder verordenende bevoegdheden, waarmee provincies de regie kunnen voeren over het natuurbeleid in de eigen provincie. Deze bevoegdheden staan in de Wet natuurbescherming.

 

Europese en internationale verplichtingen, zijn net als in de huidige natuurwetgeving, leidend voor de Wet natuurbescherming. Het betreft hier onder andere de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Biodiversiteitsverdrag, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. In het Natuurpact is afgesproken dat de verplichtingen van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de overige internationaal afgesproken biodiversiteitsdoelen leidend zijn bij de inspanningen van de provincies op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

 

De Wet natuurbescherming bevat regels voor de bescherming van de natuur en geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij nieuwe bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is voor de onderdelen gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming in hoofdstuk 2 opgenomen. Daarnaast zijn er regels opgenomen in hoofdstuk 7 (faunabeheereenheid, faunabeheerplan en wildbeheereenheden) en hoofdstuk 8 (tegemoetkoming faunaschade).

 

De beoogde doelen van de regels in deze verordening sluiten aan bij de bestaande natuurambities die zijn vastgesteld in de natuurvisie ‘Brabant Uitnodigend Groen’ (hierna: BrUG) en het Bestuursakkoord 2015-2019.

 

Wet ruimtelijke ordening

 

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid.

 

De Wro gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling. De hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid zijn vastgelegd in één of meerdere structuurvisies. De structuurvisie kent geen binding naar derden. Als het nodig is dat het provinciale beleid doorwerkt naar derden dan biedt de wet daarvoor andere (juridische) instrumenten. Als de provincie bijvoorbeeld zelf uitvoering wil geven aan de aanleg van een provinciale weg, kan ze een inpassingsplan vaststellen die dan een basis biedt voor de aanleg van de weg.

 

Omdat onder de Wro gemeenten bevoegd (en verplicht) zijn om vanuit een goede ruimtelijke ordening een bestemmingsplan vast te stellen, kan het vanuit provinciale belangen nodig zijn dat een gemeente rekening houdt met het provinciale beleid uit de structuurvisie. Hiervoor is in de Wro de mogelijkheid opgenomen dat provinciale staten een verordening vaststellen.

 

De ruimtelijke verordening bevat instructieregels die gemeenten moeten toepassen bij de uitoefening van ruimtelijke bevoegdheden, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, beheerverordening, wijzigings- en uitwerkingsplan of de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het werken met instructieregels borgt enerzijds de provinciale belangen en biedt anderzijds meer afwegingsruimte aan gemeenten om eigen beleid te voeren dan onder de systematiek van de oude WRO mogelijk was.

 

De provincie Noord-Brabant gaat terughoudend om met het stellen van regels in een verordening en doet dit alleen als dit vanwege gemeentegrens overstijgende problematiek en de verantwoordelijkheid van de provincie nodig is. In de structuurvisie is aangegeven voor welke onderwerpen provinciale staten de verordening inzetten.

 

Hierbij heeft de provincie geen algehele vrijheid. Evenals de provincie instructieregels kan geven aan gemeenten, kan het Rijk instructieregels geven aan de provincie en gemeenten. Dit heeft het Rijk gedaan in twee Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

 

Voor de provincie Noord-Brabant is met name de opdracht in het Barro om de kwaliteiten en kernmerken te beschermen van het Natuurnetwerk Nederland en de Nieuwe Hollandse waterlinie van belang.

 

Het Bro geeft een nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het Bro bevat naast proces- en procedureregels ook de Ladder voor Duurzame verstedelijking. De ladder bevat een motiveringseis voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen waarbij zorgvuldig ruimtegebruik en de onderbouwing van de behoefte zijn gekoppeld aan regionale afstemming. De Interim omgevingsverordening sluit hierbij aan.

 

Waterwet

 

Hoofdstuk 4 van de Interim omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen. In dit hoofdstuk zijn instructieregels opgenomen die waterschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten betrekken. Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de verordening verplicht:

 

  • Regionale waterkeringen (artikel 2.4 Waterwet)

  • Waterkwantiteit (artikel 2.8 Waterwet)

  • Toedeling vaarwegbeheer (artikel 3.2 Waterwet)

  • Regionale waterplannen (artikel 3.11, artikel 4.5 en artikel 4.7 Waterwet)

  • Beheerplannen betreffende regionale wateren (artikel 4.5 en artikel 4.7 Waterwet)

  • Peilbesluiten (artikel 5.2 Waterwet)

  • Grondwateronttrekkingen (artikel 8.1 in relatie te lezen tot artikel 6.4 Waterwet)

  • Handhaving, afstemming, toezicht algemeen (artikel 3.10 Waterwet)

Deze onderwerpen zijn in de Interim omgevingsverordening opgenomen. Daarnaast bevat hoofdstuk 7 bepalingen over het beheer en onderhoud van provinciale vaarwegen in beheer bij waterschap Brabantse Delta.

 

Een verandering ten opzichte van de huidige situatie is dat ook het grondgebied van waterschap Rivierenland binnen de werking van deze Interim omgevingsverordening is gebracht. Hiermee wordt vooruitgelopen op de Omgevingswet waarbij provincies slechts één omgevingsverordening mogen hebben. Hierdoor is het niet langer mogelijk om naast de omgevingsverordening nog een interprovinciale verordening te behouden. Ook de provincies Zuid-Holland en Utrecht werken aan een omgevingsverordening voor het hele grondgebied. De onderlinge inhoudelijke afstemming blijft uiteraard gehandhaafd.

 

1.11 Totstandkoming en rechtsbescherming

 

De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen met de openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat de ontwerp Interim omgevingsverordening ter inzage is gelegd en dat eenieder een zienswijze heeft kunnen indienen.

 

Omdat de Interim omgevingsverordening algemene regels bevat, staat er tegen het besluit tot vaststelling geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de regels inroepen.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

 

Artikel 1.1 Begripsbepaling

 

Alle begripsbepalingen zijn in hoofdstuk 1 opgenomen. Als een begrip niet is opgenomen, wordt aangesloten bij wat in het normale gebruik onder een begrip wordt verstaan of wordt aangesloten bij de begripsbepalingen die in het nationale omgevingsrecht zijn gedefinieerd. Het kan daarbij uiteraard alleen maar gaan om begripsbepalingen die door de nationale wetgever zijn vastgesteld.

Verder geldt dat sommige begrippen ruimte bieden voor interpretatie. Wanneer dat nodig is vanuit rechtszekerheid (bij de rechtstreeks werkende regels) of vanuit provinciaal belang (bij instructieregels) is die ruimte beperkt, bijvoorbeeld doordat er in deze verordening al invulling aan het begrip wordt gegeven. In het merendeel van de gevallen is er bewust gekozen om ruimte te geven aan het bevoegd gezag om hieraan een eigen invulling te geven.

 

Ten opzichte van de bestaande verordeningen zijn de werkingsgebieden niet gedefinieerd. Dat is niet nodig nu deze zijn vastgelegd als werkingsgebied. Deze worden wel in de artikelsgewijze toelichting nader toegelicht.

 

Een aantal begrippen die impliciet beleid bevatten, zijn niet als begripsbepaling opgenomen maar in de regels zelf. Een voorbeeld is de invulling wat onder de term 'schadelijke stoffen’ wordt begrepen. Deze invulling kan in de loop ter tijd wijzigen en heeft dus een beleidsmatig karakter. Een ander voorbeeld is een nadere invulling van een begrip als wat onder 'van voldoende kwaliteit' wordt begrepen. Indien nodig wordt bij de artikelsgewijze toelichting een begrip dat specifiek voor dat onderwerp van belang is nader toegelicht.

 

Artikel 1.2 Interim omgevingsverordening

 

Dit artikel definieert de Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is een digitaal vastgelegd bestand dat bestaat uit regels en werkingsgebieden. De regels zijn direct aan digitaal vastgelegde werkingsgebieden gekoppeld. De verordening kent daarom geen aparte kaartbijlagen en is het beste raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl.

 

Artikel 1.3 Opsommingen

 

De voorwaarden in de opsommingen zijn cumulatief tenzij uit de formulering duidelijk anders blijkt. Bijvoorbeeld doordat het woord 'of' is gebruikt of doordat in de formulering is aangegeven dat de regels gelden in één van de volgende gevallen of als aan één van de voorwaarden is voldaan.

 

Hoofdstuk 2 Rechtstreeks werkende regels voor activiteiten

 

Afdeling 2.1 Waterwinning voor menselijke consumptie

 

Algemeen

 

Het grondwater is een belangrijke bron voor de openbare drinkwatervoorziening. Veel Nederlandse huishoudens ontvangen hun drinkwater uit grondwater. Daarnaast zijn er Brabant enkele rivierwaterwinningen. Met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie al geruime tijd een beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico's op achteruitgang van de kwaliteit. Daarvoor is er waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone aangewezen. Naast de hiervoor genoemde grondwaterbeschermingsgebieden is een vierde zone opgenomen, de beschermingszone rivierwaterwinning. Deze zone is op verzoek van Rijkswaterstaat opgenomen.

 

Binnen voornoemde zones zijn bepaalde activiteiten en het gebruik van (potentieel) gevaarlijke stoffen verboden of aan voorschriften gebonden met als doel om de bodem en het grondwater te beschermen tegen verontreiniging. De consequentie hiervan kan zijn dat er beperkingen en extra kosten zijn voor inwoners en bedrijven binnen deze gebieden. Dit is gerechtvaardigd vanwege het grote maatschappelijk belang van de drinkwaterlevering.

 

Bescherming van ons drinkwater is niet alleen een taak vanuit nationale regelgeving (Wet milieubeheer en Drinkwaterwet) maar heeft ook een grondslag in de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG):

 

“De lidstaten dragen zorg voor de nodige bescherming van de aangewezen waterlichamen met de bedoeling de achteruitgang van de kwaliteit daarvan te voorkomen, teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist, te verlagen. De lidstaten kunnen voor die waterlichamen beschermingszones vaststellen.” (KRW, art 7, derde lid)

 

De KRW (art 7, eerste lid) verplicht er verder toe de Nederlandse grondwaterlichamen waaruit drinkwater gewonnen wordt, op te nemen in het Register voor beschermde gebieden. Deze gebieden hebben daarmee een status als 'Drinking water protected area'. Dit heeft geen rechtstreekse gevolgen voor het toelaten van activiteiten in de gebieden maar dit brengt wel een verplichting mee om te voldoen aan het vereiste van 'geen achteruitgang' met het oog op de binnen het grondwaterlichaam aanwezige drinkwaterwinning(en). De verplichting in de KRW om achteruitgang te voorkomen, dwingt er toe de kwaliteit van het grondwater te monitoren. De drinkwaterbedrijven verzorgen deze monitoring en leveren de resultaten aan de provincies. Ook verrichten provincies zelf onderzoek (provinciaal meetnet).

 

Als zich een achteruitgang in grondwaterkwaliteit voordoet, moeten maatregelen worden genomen om die trend te keren, teneinde het niveau van zuivering te verlagen. Wanneer hiervan sprake is, kan dat leiden tot aanpassingen in deze verordening.

 

Begrenzing van de werkingsgebieden

 

Rond de plaats(en) waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingszones gecreëerd. Binnen die zones gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is namelijk van uitgegaan dat met een geringer beschermingsniveau kan worden volstaan, naarmate:

 

  • 1.

    op het maaiveld de (horizontale) afstand tot de winningsmiddelen toeneemt,

  • 2.

    in de bodem slecht doorlatende lagen boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken (de verticale afstand), aanwezig zijn.

Dit heeft geleid tot een onderverdeling van de beschermingszones in waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone.

 

Waterwingebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winningsmiddelen te bereiken. Deze 60-dagen lijn is gekozen omdat wordt aangenomen dat een verblijfstijd van het grondwater in de bodem van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt.

 

De afstand van de grens van het waterwingebied tot de winningsmiddelen bedraagt in het algemeen minimaal 30 meter.

 

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden. De grens van deze gebieden is de lijn, van waaraf het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaars zone). In enkele zeer kwetsbare gebieden is de 100-jaars zone aangewezen, vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van de winning.

 

Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. De vaststelling van de zonegrens wordt bepaald door de horizontale reistijd van 25 jaar in het watervoerend pakket waaruit onttrokken wordt.

 

Het verschil tussen de grondwaterbeschermingsgebieden en de boringsvrije zones is dat zich in een borings- vrije zone tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken een aaneengesloten slecht doordringbare kleilaag bevindt. In de grondwaterbeschermingsgebieden ontbreekt zo'n laag, of deze is niet aaneengesloten of dun. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn daarmee kwetsbaarder voor verontreinigingen en aantastingen vanaf maaiveld dan boringsvrije zones.

 

Tot slot is er een Beschermingszone rivierwaterwinning opgenomen. Deze zone ligt op twee plekken in de provincie. De zone is gebaseerd op het gebied rondom de rivierwinning waarbinnen in geval van calamiteiten het risico op directe verontreiniging van de rivierwaterwinning optreedt.

 

Water voor menselijke consumptie

 

De Drinkwaterrichtlijn (98/83/EG) en de Algemene levensmiddelenverordening (2002/178/EG) bepalen wat verstaan wordt onder water voor menselijke consumptie:

 

  • 1.

    Al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen;

  • 2.

    Al het water dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, tenzij de bevoegde nationale autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de kwaliteit van het water de gezondheid van de levensmiddelen als eindproduct niet kan aantasten.

Opbouw van de regels

 

Binnen de werkingsgebieden bezien vanuit het gewenste beschermingsniveau regels opgenomen. Hierbij is onderscheid gemaakt in:

 

  • Verboden activiteiten

  • Activiteiten die onder voorwaarden zijn toegestaan

  • Activiteiten die zonder voorwaarden zijn toegestaan

Er is rekening gehouden met een recent verrichte evaluatie (2018) en de toekomstige Omgevingswet. Om aansluiting te vinden bij de Omgevingswet zijn de regels voor Waterwaterwinning voor menselijke consumptie opgebouwd vanuit generieke bepalingen rondom activiteiten. Het begrip inrichting is waar nodig vervangen door ‘locatiegebonden milieubelastende activiteit’.

 

Omdat de regels zo veel als mogelijk generiek zijn gesteld, is in veel gevallen geen onderscheid meer nodig in het verrichten van een activiteit binnen of buiten een inrichting. De bepalingen zijn als rechtstreeks werkende regels opgenomen. Dat betekent dat deze direct gelden. Het opnemen van een instructieregel voor het bevoegd gezag richting vergunningverlening is daardoor ook niet langer nodig. De activiteit is alleen toegestaan als degene die de activiteit verricht voldoet aan de regels.

 

Waar mogelijk zijn daarbij in de regels voorwaarden opgenomen wanneer de activiteit aanvaardbaar is. In die gevallen hoeft een initiatiefnemer alleen een zogenaamde startmelding te doen. Deze startmelding kan eenvoudig via een elektronisch formulier worden ingediend. Door het doen van de startmelding is toezicht en handhaving mogelijk.

 

In een beperkt aantal gevallen is het verrichten van een activiteit alleen mogelijk na reguliere melding. Daarvoor is gekozen in gevallen dat het vooraf stellen van voorwaarden niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat er eerst onderzoek nodig is of omdat afhankelijk van de activiteit voorwaarden gesteld worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het gebruik van potentieel gevaarlijke stoffen en de verplichting tot het treffen van bodembeschermende maatregelen met het hoogste beschermingsniveau.

 

Het kan zijn dat voor de activiteit waarvoor een melding moet worden gedaan, op grond van andere regelgeving ook melding moet worden gedaan, bijvoorbeeld op grond van artikel 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer of op grond van artikel 32 of artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit. Het ligt voor de hand dat in een dergelijk geval de meldingen zoveel mogelijk tegelijkertijd worden gedaan. Dat is niet altijd mogelijk bijvoorbeeld omdat er een verschillend bevoegd gezag is of omdat toestemmingsvereisten volgtijdelijk worden gevraagd. Wel moeten daarbij dan (ook) de termijnen en inhoudelijke eisen uit deze Interim omgevingsverordening in acht worden genomen.

 

Risicobenadering

 

De regels gaan uit van een risicobenadering. Dit betekent dat er per zone vanuit een risicobenadering is gekeken of er regels nodig zijn. Een voorbeeld is het verbieden van bepaalde type bedrijven versus het reguleren van (potentieel) schadelijke stoffen. Door bij gebruik van potentieel schadelijke stoffen het treffen van maatregelen te eisen met een hoogst mogelijk beschermingsregiem, is er een verwaarloosbaar risico op verontreiniging van het grondwater. Het is dan niet of veel minder nodig om (categorieën van) bedrijven te verbieden.

 

In het feitelijk wingebied is het de wens om ieder risico uit te sluiten. In die gebieden worden daarom de vestiging van nieuwe bedrijven en het gebruik van (potentieel) schadelijke stoffen verboden.

 

In de zone grondwaterbeschermingsgebied kan in de meeste gevallen volstaan worden met bodembeschermende maatregelen. Echter als er sprake is van zeer risicovolle bedrijven die werken met een veelheid van schadelijke stoffen en risicovolle procedures, neemt het risico op calamiteiten en daarmee verontreiniging toe. Dat is dan een reden om bepaalde bedrijven te verbieden. Eenzelfde redenering geldt voor het gebruik van schadelijke stoffen. Als er sprake is van zeer zorgwekkende stoffen die zelfs in geringe hoeveelheden ernstige schade geven voor de gezondheid is dat een reden om die stof te verbieden.

 

De lijst van verboden bedrijven is sterk ingeperkt en er geldt alleen nog een verbod voor zeer zorgwekkende stoffen zoals vastgesteld door het RIVM. Voor overige schadelijke stoffen is vanuit de risicobenadering geoordeeld dat door maatregelen te eisen met het zwaarst mogelijke beschermingsniveau uit de NRB (de zogenaamde NRB+ maatregelen) er een verwaarloosbaar risico aanwezig is. Hierdoor is er een betere verhouding tussen het beheersen van de risico’s en het doel waarvoor de regels worden gesteld.

 

De toepassing van technieken zoals bodemenergiesystemen en ondergrondse opslag van regenwater, nemen de laatste jaren toe. Ook andere initiatieven, zoals klimaatadaptatie, van gas los, zorgen ervoor dat de vraag van toepassing van deze technieken binnen grondwaterbeschermingsgebieden toeneemt. Wij zijn geen tegenstander van dit soort technieken echter kan bij toepassing de waterkwaliteit worden aangetast. Om dit te voorkomen bevat deze verordening daarom regels voor deze technieken.

 

Paragraaf 2.1.1 Zorgplicht

 

Het werkingsgebied Waterwinning voor menselijke consumptie omvat:

 

  • Waterwingebied

  • Grondwaterbeschermingsgebied

  • Boringsvrije zone

  • Beschermingszone rivierwaterwinning

Voor de aangeduide gebieden is een algemene zorgplicht opgenomen voor eenieder die weet of redelijkerwijs kan weten dat het verrichten van een activiteit schade toebrengt aan de kwaliteit van het grondwater of de kwaliteit van het rivierwater. De zorgplicht omvat ook de plicht om bij direct optredenede of dreigende verontreiniging Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, respectievelijk Rijkswaterstaat bij rivierwaterwinningen, op de hoogte te stellen. Zij stellen op hun beurt het desbetreffende drinkwaterbedrijf op de hoogte.

 

Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een beschermingszone, als die activiteit risico's voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken.

 

De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. De aan de regeling ten grondslag liggende risicobenadering brengt met zich mee dat degene die een activiteit wil uitvoeren op grond van de zorgplicht zelf beoordeelt of er geen minder risicovol alternatief is en, als dat er niet is, welke maatregelen ter beperking van de risico's moeten worden genomen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet voor de gevallen dat er geen specifieke regeling is opgenomen.

 

Voor de beschermingszones van het grondwater zijn in aanvulling op de zorgplicht nog aanvullende regels opgenomen. Voor de Beschermingszone rivierwaterwinning gelden geen aanvullende regels.

 

Paragraaf 2.1.2 Waterwingebied

 

Oogmerk

 

Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van de Waterwinning voor menselijke consumptie het gebied. Het waterwingebied is het gebied waar het drinkwater daadwerkelijk wordt gewonnen. Daarvoor is een zeer stringente bescherming nodig.

 

Doel van de regels is om te voorkomen dat de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt, door activiteiten en functies te verbieden die risico geven voor de kwaliteit van het grondwater.

 

De regeling voor waterwingebieden beoogt een optimale bescherming zowel van het voor drinkwater bestemde grondwater als van de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Daarom is elke activiteit die ertoe kan leiden dat schadelijke stoffen in de bodem en het grondwater komen, verboden. Een schadelijke stof is iedere stof die een bedreiging kan zijn voor drinkwaterwinning.

 

Artikel 2.3 Verboden activiteiten Waterwingebied

 

In dit artikel zijn verboden opgenomen voor een aantal activiteiten binnen het waterwingebied. De verboden zijn daarbij generiek geformuleerd. Zo zijn bijvoorbeeld alle werkzaamheden op of in de bodem verboden in plaats van het specifiek benoemen van werkzaamheden. Er is in de regels geen onderscheid gemaakt of activiteiten binnen of buiten een inrichting plaatsvinden.

 

Locatiegebonden milieubelastende activiteit

 

Daarnaast geldt in waterwingebied een verbod voor het oprichten van locatiegebonden milieubelastende activiteiten (inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer). Vanuit de risicobenadering, het zeer kwetsbare karakter van feitelijke wingebieden en de omstandigheid dat de waterwingebieden grotendeels in natuurgebied liggen, is hier voor een absoluut verbod gekozen.

 

Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor de bedrijfsmatige activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover noodzakelijk voor de bereiding van drinkwater. Deze uitzondering ligt voor de hand: het drinkwaterbedrijf kan anders zijn taak niet vervullen. Omdat het bedrijf er zelf belang bij heeft dat een goede grondwaterkwaliteit wordt gehandhaafd, mag ervan uit worden gegaan dat het bedrijf zich tenminste aan zijn zorgplicht en de normen die voor grondwaterbeschermingsgebieden gelden, zal houden en dat het bevoegd gezag bij vergunningverlening daarop zal letten.

 

Het verbod voor het oprichten van nieuwe inrichtingen kwam ook al in de vorige verordening voor. Het is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt, omdat de meeste waterwingebieden in eigendom van de waterleidingbedrijven zijn en in die gebieden nagenoeg geen 'gewone' bedrijven aanwezig zijn. Bovendien kunnen activiteiten en bedrijven die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden legaal aanwezig zijn overeenkomstig de daarvoor geldende regels, vanwege het overgangsrecht in werking blijven.

 

Schadelijke stoffen

 

In waterwingebieden is het gebruik of aanwezig hebben van potentieel schadelijke stoffen verboden, evenals het op of in de bodem brengen daarvan, waaronder ook het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as. Dit omvat ook het oprichten van constructies of werken als daardoor schadelijke stoffen in de bodem kunnen worden verspreid.

 

Er is hierbij geen limitatieve opsomming van (potentieel) schadelijke stoffen opgenomen, omdat daarbij het gevaar bestaat dat nieuwe stoffen, die schadelijk (kunnen) zijn, niet onder de verbodsbepalingen vallen. De verordening zou dan telkens gewijzigd moeten worden. Om te bepalen of er sprake is van een (potentieel) schadelijke stof is aansluiting gezocht bij landelijke regelgeving, te weten:

 

  • de zeer zorgwekkende stoffen, zoals vastgesteld door het RIVM;

  • de stoffenlijst en afwegingsmethodiek behorende bij de Nederlandse richtlijn Bodembescherming 2012.

Constructies en werken

 

Binnen het wingebied zijn generiek alle werkzaamheden in of op de bodem verboden. Daarmee is niet alleen het verrichten van boringen maar bijvoorbeeld ook het oprichten van bebouwing geregeld. Het verbod geldt ook voor het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, bijvoorbeeld door bodemenergiesystemen. Het risico van het inbrengen of verspreiden van verontreinigingen is vanuit de risicobenadering niet acceptabel. Bovendien is nog onvoldoende bekend wat het effect van temperatuurschommelingen is op de kwaliteit van het grondwater.

Toelaatbare activiteiten

 

Doordat een aantal activiteiten generiek zijn verboden is het nodig een aantal specifieke activiteiten uit te zonderen van het verbod. De redenen daarvoor zijn divers. Soms worden activiteiten rechtstreeks toegestaan (artikel 2.4 Afwijkende regels toegelaten activiteiten Waterwingebied), soms zijn ze alleen mogelijk onder aanvullende voorwaarden (artikel 2.5 Regels voor activiteiten in de bodem Waterwingebied en artikel 2.6 Meldingsplichtige activiteiten Waterwingebied). Activiteiten die niet onder de werking van deze artikelen vallen, zijn met in acht neming van de zorgplicht (artikel 2.1) toegestaan.

 

Artikel 2.4 Afwijkende regels toegelaten activiteiten Waterwingebied

 

Dit artikel benoemd de activiteiten die rechtstreeks zijn toegelaten. Het gaat hier bijvoorbeeld om handelingen die noodzakelijk zijn voor de waterwinning, gladheidbestrijding van wegen, regulier bodemwerkzaamheden vanwege groenonderhoud of het vervoeren en aanwezig hebben van brandstof voor motorvoertuigen.

 

Ook handelingen die toelaatbaar zijn als zij deugdelijk worden uitgevoerd (kleinschalig gebruik van schadelijke stoffen) of als het om een beperkt gebruik gaat zijn hier opgenomen. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij meststoffen als gevolg van extensieve beweiding. Onder extensieve beweiding wordt verstaan beweiding door maximaal twee grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar. De grootvee-eenheid is omschreven in de EG-verordening 1782/2003 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde commissieverordeningen. Ook “bemesting” als gevolg van paardrijden en dergelijke valt onder deze uitzondering.

 

Artikel 2.5 Regels voor activiteiten in de bodem Waterwingebied

 

Voor een aantal andere activiteiten geldt dat deze alleen zijn toegestaan nadat is voldaan aan aanvullende eisen. Voor het onderzoeken van de bodem in het kader van de wet bodembescherming en het aanbrengen van aardpennen volstaat het doen van een zogenaamde startmelding. Hierdoor kunnen wij adequaat toezicht (laten) uitoefenen wanneer de activiteit wordt uitgevoerd.

 

Artikel 2.6 Meldingsplichtige activiteiten Waterwingebied

 

Voor een aantal andere activiteiten geldt dat deze alleen zijn toegestaan nadat is voldaan aan aanvullende eisen.

 

Voor de aanleg van kabels en (pers)leidingen (uitgezonderd buisleidingen), civieltechnisch en bouwtechnische werken voor bestaande functies of het onder voorwaarden toepassen van grond- en baggerspecie moet een melding aan ons worden gedaan zodat wij voordat de activiteit begint kunnen bezien of de activiteit correct wordt uitgevoerd, zodat er geen schade optreedt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

 

Voor de aanleg van kabels en leidingen geldt bovendien dat er een alternatieven afweging gevraagd wordt zodat de aanleg niet in het waterwingebied plaatsvindt. Het beleid is nadrukkelijk gericht op het voorkomen van bodemverstoring in het waterwingebied.

 

Paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied

 

Oogmerk

 

Doel van de regels in grondwaterbeschermingsgebied is om te voorkomen dat:

 

  • de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt door het gebruik, het lozen en de uitspoeling van schadelijke stoffen;

  • werkzaamheden in de bodem verstorend werken voor de kwaliteit van het grondwater.

Binnen grondwaterbeschermingsgebied geldt dat activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater zijn verboden (artikel 2.7).

Activiteiten die risico kunnen geven voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn alleen onder voorwaarden toegestaan. Deze zijn bij elkaar opgenomen in artikel 2.8 waarbij de zogenaamde ‘ja, mits benadering’ toegepast. De voorwaarden worden later per activiteit uitgewerkt. Activiteiten die niet onder de werking van deze artikelen vallen, zijn met in acht neming van de zorgplicht (artikel 2.1) toegestaan.

 

Er is gekozen voor deze systematiek omdat hiermee direct in het begin van het artikel over grondwater duidelijkheid wordt geboden of een activiteit is toegestaan, onder voorwaarden is toegestaan of is verboden.

 

Afstromend hemelwater

 

Een belangrijk aandachtspunt bij de bescherming van het grondwater is afstromend hemelwater van gebouwen en wegen. In artikel 2.12 Meldingsplicht en uitzondering voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwen Grondwaterbeschermingsgebied, artikel 2.13 Meldingsplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbeschermingsgebied en artikel 2.14 Meldingsplicht permanent parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied zijn regels opgenomen.

 

Mede vanwege de klimaatontwikkeling en daardoor optredende droogte en wateroverlast willen we zo veel mogelijk water lokaal infiltreren. De Europese kaderrichtlijn water vereist dat we de waterlichamen (ons grondwater) beschermen om de achteruitgang in kwaliteit te voorkomen en te zorgen voor een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. We stellen daarom regels om op een verantwoorde wijze infiltratie van afstromend regenwater toe te staan, zodanig dat we verontreiniging van het grondwater tegengaan.

 

Hierbij onderscheiden we verschillende categorieën van emissies:

 

  • 1.

    Geringe of zeer geringe emissies:

    • wegen met een lage verkeersintensiteit zoals erftoegangswegen, inritten bij woningen, voetpaden en de meeste parkeerterreinen waar geen vrachtwagens geparkeerd worden;

    • daken waarbij geen schadelijke uitloogbare (bouw)materialen zijn toegepast of de toegepaste materialen hebben aantoonbaar lage emissies, bijvoorbeeld door coating.

    • daken met beperkt gebruik van schadelijke uitloogbare (bouw)materialen van verspreide bebouwing in het buitengebied en andere locaties waar regenwater niet doelmatig kan worden ingezameld

  • 2.

    Beperkte emissies:

    • gebiedsontsluitingswegen die gemiddeld zijn belast;

    • parkeerterreinen voor meer dan 100 auto’s;

    • daken met beperkt gebruik van schadelijke uitloogbare (bouw)materialen;

    • terreinen waar regelmatig markten en evenementen worden gehouden;

    • op bedrijfslocaties met een beperkte emissie (beoordeling is maatwerk)

  • 3.

    Significante emissies:

    • stroomwegen, snelwegen, autowegen, provinciale wegen, stadsautosnelwegen, industriewegen

    • daken met gebruik van schadelijke uitloogbare (bouw)materialen;

    • op bedrijfslocaties met een significante emissie (beoordeling is maatwerk)

Bij afstromend water van bedrijfsterreinen kan de emissie en verontreiniging sterk variëren, daarom geldt in die gevallen maatwerk.

In artikel 2.12 Meldingsplicht en uitzondering voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwen Grondwaterbeschermingsgebied is opgenomen welke uitloogbare bouwmaterialen in ieder geval als schadelijk worden gezien.

 

Het water moet bij alle emissies en technieken:

 

  • Gecontroleerd infiltreren: Het is zichtbaar of duidelijk afgekaderd waar het afstromend hemelwater naartoe stroomt. Bij incidenten of calamiteiten kan het water afgevangen worden en/of de vervuilingslokatie geïsoleerd en gesaneerd worden. Bij piekbuien is een overloop toegestaan.

  • Via een voldoende zuiverende voorziening gaan, zoals passend bij de categorie van emissie.

  • Na infiltratie gemonitord worden op de gevolgen voor het milieu, zoals passend bij de voorziening en de categorie van emissie.

  • Via een goed beheerde voorziening infiltreren: Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) (conform de wet milieubeheer 4.22) ofwel het omgevingsplan bevat de wijze worden opgenomen waarop de hemelwatervoorzieningen worden beheerd en de gevolgen voor het milieu worden gemonitord. De voorzieningen moeten eenmaal per jaar worden gecontroleerd op dichtslaan van oppervlak, ophoping van vuil en illegale activiteiten

Zuiverende voorzieningen en technieken voor de onderscheiden categorieën

 

Om te voorkomen dat er verontreiniging optreedt van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater zijn er verschillende technieken beschikbaar, die wij hebben uitgewerkt zodat initiatiefnemers hiermee rekening kunnen houden bij de uitvoering van de activiteit.

 

Categorie 1

 

Het afstromend regenwater van categorie 1 objecten hoeft niet te worden behandeld. Toch zijn er wel enkele randvoorwaarden voor deze categorie, die ook van toepassing zijn op categorie 2 en 3:

 

  • Voor het gecontroleerd infiltreren: Bij incidenten of calamiteiten kan het water afgevangen worden en/of de vervuilingslokatie geïsoleerd en gesaneerd worden. Bij piekbuien is een overloop toegestaan.

  • Voor het gecontroleerd infiltreren: Voor al het afstromende regenwater in grondwaterbeschermingsgebieden en daarmee ook van categorie 1 objecten geldt dat diepinfiltratie verboden is. Onder diepinfiltratie wordt verstaan ondergrondse infiltratie op een diepte van meer dan 3 m -maaiveld. Ondergrondse infiltratie, ook op minder grote diepte, mag alleen worden toegepast als bovengrondse infiltratie niet mogelijk is én het zichtbaar of duidelijk afgekaderd waar het afstromend hemelwater naartoe stroomt en infiltreert (put of kolk kan, infiltratieriolering kan niet).

  • Voor een voldoende zuiverende werking: De bodem moet een minimale adsorptie-capaciteit te bezitten, kaal zand is onvoldoende filterend en zuiverend. Ook directe infiltratie in het grondwater geeft onvoldoende filtering en zuivering.

Categorie 2

 

Het water van deze locaties bevat licht verhoogde concentraties van enkele metalen, mogelijk ook fosfaat en organische componenten, zoals PAK of minerale olie. De minimale standaard voor behandeling van dit water is:

 

  • bodem- / berminfiltratie

  • helofytenfilters (horizontaal doorstroomd) zijn ook een optie

  • olieabsorberend geotextiel als verhoogde risico’s op lekkage van olie aanwezig zijn. Deze risico’s ontstaan bijvoorbeeld bij het regelmatig parkeren van machines met hydrauliek voor evenementen, land- en wegenbouw, oude voertuigen (b.v. tractoren),

Voor categorie 2 mogen overigens ook de technieken uit categorie 3 worden toegepast.

 

Categorie 3

 

Het water van categorie 3 locaties bevat hogere gehalten van metalen en organische bestanddelen, zoals PAK.

 

Er moeten altijd technieken worden toegepast die voor zowel metalen als organische stoffen effectief zijn (tenzij voor een bepaalde locatie, bijvoorbeeld een specifiek bedrijfsterrein, is aangetoond dat slechts een van de stofgroepen relevant is). De volgende technieken zijn toepasbaar:

 

  • Wadi’s. Dit zijn een soort ondiepe greppels met een flauw talud.

  • Adsorberende materialen. In de regel zal een mengsel van materialen toegepast moeten worden, zoals in de reinigende wegberm. Bijvoorbeeld enkel lava of enkel een olie-absorberend doek is onvoldoende, tenzij voor een specifieke locatie is aangetoond dat slechts één stofgroep (metalen of minerale olie) relevant is.

  • Een helofytenfilter is alleen toegestaan als dit wordt gecombineerd met bodeminfiltratie en het filter een laag bevat met materialen die de verontreinigingen in voldoende mate kunnen afvangen

  • Reinigende wegberm. In de basis wordt een laag van zuiverend substraat toegepast in de berm, aansluitend aan de verharding. Dit kan gecombineerd worden met een doek en halfverharding van open betonstenen met schelpen die functioneert als redresseer strook.

  • Alleen bodempassage heeft niet de voorkeur maar is acceptabel mits wordt onderbouwd dat de bindingscapaciteit van de bodem voldoende is en er monitoring plaatsvindt.

Bodempassage in combinatie met ondergrondse infiltratie is op categorie 3 locaties niet toegestaan, tenzij via de maatwerkregeling wordt onderbouwd dat dit mogelijk is en er voldoende monitoring plaatsvindt. Opgemerkt wordt dat sommige zuiverende voorzieningen ook ondergronds aangelegd kunnen worden. Het water kan bijvoorbeeld door een laag adsorberend materiaal worden geleid of rondom infiltratieputten kan dergelijk materiaal worden aangebracht.

 

Productbladen technieken doelmatig zuiverende voorzieningen

 

Er zijn productbladen beschikbaar (op verzoek) om inzicht te geven in een aantal van de mogelijke technieken. Hierin staat uitleg over het werkingsprincipe, toepasbaarheid op verschillende verontreinigingen, capaciteit, ontwerp, kosten, onderhoud en aanwijzingen voor monitoring. Het gaat om de volgende technieken:

 

  • Bodem- / berminfiltratie

  • Olie-absorberende geotextielen

  • Adsorberende (funderings)lagen en dergelijke

  • Reinigende wegberm

  • Wadi’s en vergelijkbare voorzieningen

  • Helofytenfilters

  • Ondergrondse infiltratieputten, kratten et cetera

Aangezien de werking van infiltratieriolen praktisch gezien niet afdoende gemonitord kan worden en de risico’s op illegale lozingen aanzienlijk zijn, worden infiltratieriolen uitgesloten van toepassing.

 

Monitoring

 

Hieronder hebben wij een indicatief overzicht opgenomen van de minimale monitoring per techniek:

 

Nieuwe techniek

Afhankelijk type techniek

Na 0, 2, 4, 6, 8 en 10 jaar

Infiltratieput

Grond rond de put na 10 jaar

Na 0, 2, 4, 6, 8 en 10 jaar

Helofytenfilter

Werking rond einde levensduur controleren

Influent en effluent na de opstart enkele malen onderzoeken

Wadi

Toplaag na 20 jaar

Na 0, 5 jaar en 10 jaar

Reinigende wegberm

Werking rond einde levensduur controleren

Na 0, 5 jaar en 10 jaar

Adsorberende lagen

Werking rond einde levensduur controleren

Na 0, 5 jaar en 10 jaar

Bodem- en/of Berminfiltratie categorie 1/2

Bovengrond na 25 jaar

Alleen bij gehalten in grond >T-waarden

Techniek

Grond of substraat

Grondwater

 

Artikel 2.7 Verboden activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied

 

Een beperkt aantal activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het grondwater zijn verboden.

 

Schadelijke stoffen en locatiegebonden milieubelastende activiteit

 

Hoewel voor het gebruik en aanwezig hebben van (potentieel) schadelijke stoffen vanuit een doelbenadering in beginsel volstaan kan worden met het treffen van de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen, geldt hierop een uitzondering voor:

 

  • De zeer zorgwekkende stoffen zoals vastgesteld door het RIVM: deze stoffen geven zeer ernstige risico’s voor de gezondheid, zelfs bij zeer geringe hoeveelheden daarvan in het drinkwater. Vanuit het belang van een veilige drinkwatervoorziening is het gerechtvaardigd deze stoffen te verbieden.

  • Buisleidingen: er geldt een verbod voor buisleidingen omdat deze hierdoor schadelijke stoffen worden vervoerd. Het risico voor het grondwater is in geval van calamiteiten te groot. transport leidingen voor het vervoer van aardgas of persleidingen voor het vervoer van water vallen niet onder dit verbod. Doordat voor de aanleg werkzaamheden nodig zijn in de bodem geldt voor de aanleg in die gevallen wel een meldingsplicht.

  • Een beperkt aantal categorieën locatiegebonden milieubelastende activiteiten die vanwege hun specifieke bedrijfsvoering schadelijk (kunnen) zijn voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater en gelet daarop een te groot risico vormen. Deze bedrijven zijn opgenomen in artikel 2.9. Indien nodig zijn gedeputeerde staten bevoegd om categorieën toe te voegen of te verwijderen. Het verbod is absoluut, zonder ontheffingsmogelijkheid.

  • Het belang van de drinkwaterwinning laat niet toe dat de vestiging van een verboden-bedrijf wordt geaccepteerd vanwege andere belangen. Bedacht moet worden dat de lijst beperkt is tot die categorieën inrichtingen waarbij het bodemrisico zelfs met de best beschikbare technieken niet verwaarloosbaar te maken is. Bestaande (eerder legaal gevestigde) risicovolle inrichtingen, vallen onder het overgangsrecht.

IBC-bouwstoffen

 

In het Bbk wordt onderscheid gemaakt tussen vormgegeven bouwstoffen, niet-vormgegeven bouwstoffen en IBC-bouwstoffen. Vormgegeven bouwstoffen bestaan uit flinke brokken, bijv. bakstenen, betonklinkers, asfaltbeton en heipalen. Voorbeelden van niet-vormgegeven bouwstoffen zijn assen en granulaten. Wanneer niet-vormgegeven bouwstoffen niet aan de norm voor ongeïsoleerde toepassing voldoen, dan kan de bouwstof mogelijk nog als IBC-bouwstof worden toegepast. IBC-bouwstoffen zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers- en controle (IBC-)maatregelen, omdat het gebruik anders tot te veel emissies naar het milieu kan leiden. Binnen grondwaterbeschermingsgebied zijn IBC-bouwstoffen verboden.

 

Begraafplaatsen

 

De bestaande regels met betrekking tot begraafplaatsen en uitstrooivelden voor mens en dier zijn gehandhaafd.

 

Warmtetoevoeging en –onttrekking

 

Warmtetoevoeging en warmteonttrekking aan bodem en grondwater vindt vooral plaats om te besparen op het gebruik van niet vernieuwbare energiebronnen. Gebouwen en processen kunnen op een energiezuinige manier van koeling en verwarming worden voorzien door gebruik te maken van ondergrondse energieopslag. De techniek daarvoor is goed uitontwikkeld en wordt inmiddels op ruime schaal toegepast.

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen open systemen (grondwatersystemen, KWO), en gesloten systemen (bodemwarmtewisselaars).

 

In open systemen wordt grondwater uit een watervoerend pakket op de ene locatie opgepompt, waarna het via een warmtewisselaar energie opneemt of afstaat, om vervolgens op een tweede locatie te worden geïnfiltreerd. Door in het warme seizoen grondwater op de eerste locatie op te pompen en te gebruiken voor koeldoeleinden, en het daardoor opgewarmde grondwater op de tweede locatie te infiltreren ontstaat daar een “bel” van opgewarmd grondwater. Door omkering van de pomprichting in het koude seizoen kan de opgeslagen warmte worden gebruikt voor verwarmingsdoelen. Er ontstaat dus een warme en een koude bron in de ondergrond die wisselend worden gebruikt voor koeling en verwarming.

 

Een gesloten systeem werkt volgens hetzelfde principe, maar hier wordt via een in de ondergrond aangelegd gesloten systeem van (kunststof) slangen of buizen warmte aan de bodem toegevoegd in de zomer en onttrokken in de winter. Het gesloten systeem is gevuld met een vloeistof (bijv. glycol, water).

 

De toepassing van deze systemen brengt risico's met zich mee voor de drinkwaterwinning. Opwarming van het grondwater kan leiden tot verandering van de chemische kwaliteit, er kan negatieve beïnvloeding optreden van de stromingsrichting van grondwater voor drinkwaterbereiding en daardoor mogelijk verplaatsen van (bekende of onbekende) verontreinigingen, en er kunnen zich calamiteiten voordoen bij gebruik van vloeistoffen in gesloten systemen. Ook het boren in de bodem kan een bedreiging opleveren.

 

Deze systemen zijn daarom verboden in grondwaterbeschermingsgebied.

 

Artikel 2.8 Meldingsplichtige activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied

 

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied zijn de regels vanuit een doelbenadering opgebouwd. Een goed voorbeeld is dat er geen rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen voor bedrijven (inrichtingen) binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Voor het overgrote deel van bedrijven geldt dat het potentiele risico voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater het gevolg is van een specifieke activiteit binnen zo’n bedrijf. Door de regels specifiek te richten op die risicovolle activiteit is het niet (langer) nodig om regels op te nemen waarin de toelaatbaarheid van bedrijven is gereguleerd.

De activiteiten die in dit artikel zijn benoemd, zijn in aparte artikelen uitgewerkt.

 

Artikel 2.9 Verboden locatiegebonden milieubelastende activiteit Grondwaterbeschermingsgebied

 

In dit artikel is een beperkt aantal categorieën locatiegebonden milieubelastende activiteiten opgenomen die vanwege hun specifieke bedrijfsvoering schadelijk (kunnen) zijn voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater en gelet daarop een te groot risico vormen. Indien nodig zijn gedeputeerde staten bevoegd om categorieën toe te voegen of te verwijderen. Het verbod is absoluut, zonder ontheffingsmogelijkheid.

Het belang van de drinkwaterwinning laat niet toe dat de vestiging van een verboden-bedrijf wordt geaccepteerd vanwege andere belangen. Bedacht moet worden dat de lijst beperkt is tot die categorieën inrichtingen waarbij het bodemrisico zelfs met de best beschikbare technieken niet verwaarloosbaar te maken is. Bestaande (eerder legaal gevestigde) risicovolle inrichtingen, vallen onder het overgangsrecht.

 

Artikel 2.10 Meldingsplicht gebruik potentieel schadelijke stoffen Grondwaterbeschermingsgebied

 

Bij het aanwezig hebben of gebruiken van stoffen die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, kan met goede voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt worden. Hier kan worden volstaan met het stellen van extra eisen aan het bedrijfsproces, de opslag van stoffen en een geïntensiveerde monitorverplichting. Dit pakket aanvullende maatregelen wordt ook wel aangeduid als NRB+. Omdat de reguliere eisen bij een milieuvergunning tegenwoordig een hoog beschermingsniveau inhouden, zijn deze extra eisen en dus ook de extra kosten doorgaans beperkt.

 

Potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen mogen in grondwaterbeschermingsgebied alleen aanwezig zijn als de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen uit de NRB worden toegepast en er een melding is gedaan waarin aanvullende informatie wordt gegeven. Indien nodig kunnen wij besluiten dat er aanvullende eisen nodig zijn bij het gebruik of aanwezig hebben van deze stoffen.

 

Om te bepalen of er sprake is van een potentieel schadelijke stof is aansluiting gezocht bij de stoffenlijst en afwegingsmethodiek behorende bij de Nederlandse richtlijn Bodembescherming 2012. Voor alle potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen geldt dat er maatregelen nodig zijn waardoor de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat:

 

  • volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast;

  • proces en opslag vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren of lekbakken plaatsvindt; en

  • tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen (en tenminste eenmaal per vijf jaar).

Indien de noodzakelijke bodembeschermende voorzieningen zo kostbaar zijn dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat deze kunnen worden gerealiseerd, is het binnen grondwaterbeschermingsgebied niet toegestaan om de potentieel schadelijke stoffen te gebruiken of binnen het bedrijf aanwezig te hebben. In sommige gevallen kan dit kader er toe leiden dat de vestiging en exploitatie van een bedrijf binnen een grondwaterbeschermingsgebied niet doelmatig is. Nieuwe materialen of het beschikbaar komen van nieuwe bodembeschermende technieken kunnen hierin verandering brengen. Bestaand (legaal) gebruik van potentieel schadelijke stoffen, vallen onder het overgangsrecht.

 

Artikel 2.11 Regels voor activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied

 

Evenals bij waterwingebied is er binnen grondwaterbeschermingsgebied een generieke regeling opgenomen voor activiteiten in de bodem. De regeling omvat boorputten, grond- en funderingswerkzaamheden, sonderingen en saneringen in het kader van de Wet bodembescherming. Activiteiten in de bodem tot 3 meter diepte zijn rechtstreeks toegestaan omdat dit weinig invloed heeft op de kwaliteit van het grondwater en dus doorgaans geen gevaar oplevert. Verontreinigingen kunnen door middel van lekstromen in het diepere grondwater komen. Het blijft daarom van belang dat putten goed aan maaiveld worden afgesloten en dat boorgaten op goede wijze worden opgevuld. Doorboring van afsluitende lagen moet worden hersteld. Dit is via protocollen geregeld.

 

Belangrijke reden om activiteiten in de bodem te reguleren is dat voorkomen wordt dat de in de bodem aanwezige afsluitende lagen worden verstoord. Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte deze beschermende lagen liggen. Deze staan weergegeven op de kaart (werkingsgebied) dat bij de regels hoort. Het doen van een startmelding bij het verrichten van activiteiten in de bodem is daarom voldoende.

 

Boringsdiepten op de kaart

 

Binnen Brabant bestond er geen gebiedsspecifieke bescherming voor de grondwaterbeschermingsgebieden. Er was voor alle gebieden binnen de provincie die waren aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied één norm voor de maximaal gewenste diepte van van 30 meter (en in Boringsvrije zones van maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten.

In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht doet aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). De twee meest relevante geologische breuklijnen zijn als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze- Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.

 

Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Intussen gelden landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen.

 

Boringen

 

Omdat het uitvoeren van boringen risicovol is, zijn slechts een beperkt aantal boringen toegestaan:

 

  • 1.

    boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

  • 2.

    het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of

  • 3.

    boorputten bestemd voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van industriële toepassingen en de openbare drinkwatervoorziening als bedoeld in artikel 6.4 (waarvoor provincie bevoegd gezag is), en onttrekkingen als bedoeld in artikel 6.5, onder b (waarvoor waterschap bevoegd gezag is) van de Waterwet.

De ook in art. 6.4 van de Waterwet genoemde bodemenergiesystemen (”koude- en warmteopslag”) vallen niet onder de toegestane onttrekkingen; die zijn op grond van artikel 2.7 verboden in grondwaterbeschermingsgebieden.

 

In grondwaterbeschermingsgebieden zijn putten bestemd voor het onttrekken van grondwater (bronbemaling, beregening, industrie etc.) dus toegestaan als is voldaan aan de eisen uit de Waterwet en de daarop gebaseerde regels inzake grondwateronttrekking van de provincie en de waterschappen. Er geldt bij boringen en het afdichten van de put als aanvullende voorwaarde dat de beschrijving van het veldwerk dat na afronding conform het BRL SIKB protocol 2101, eis 18, aangeleverd moet worden aan het bestuur van het waterschap, tevens aan gedeputeerde staten wordt gestuurd.

 

Grond- en funderingswerken

Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, boringen, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden, folies en heipalen.

 

Na graafwerkzaamheden moet het bodemprofiel worden aangevuld tot tenminste 3 m onder het oude maaiveld. Aanvulling van grond moet gebeuren volgens het oorspronkelijke bodemprofiel. Uiteraard wordt daarbij aangesloten op eventuele kunstwerken die zijn aangebracht (riolering, kelder e.d.). Indien weerstand biedende lagen niet kunnen worden hersteld met het oorspronkelijke materiaal, moet dit plaatsvinden met soortgelijk materiaal o.a. zwelklei. De afdichting van het gat moet gebeuren volgens protocol 2101, eis 16 en 17.

 

Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater.

 

Er zijn echter omstandigheden bekend waarbij gladde heipalen niet voldoen en andere technieken nodig zijn. Ook de lokale omstandigheden kunnen het nodig maken om andere technieken te gebruiken. Een te rigoureus verbod kan betekenen dat bepaalde maatschappelijk gewenste activiteiten niet door kunnen gaan. Voor dit soort situaties is een alternatief beschikbaar: de schroefpaal. Hiermee wordt voorkomen dat deze activiteiten onnodig worden geblokkeerd.

 

Kabels en leidingen

 

De aanleg van kabels en (pers)leidingen (waaronder aardgasleidingen) zijn na startmelding toegestaan. Het aanleggen van buisleidingen voor het vervoer van (milieu)gevaarlijke stoffen is op grond van artikel 2.7 verboden. Buisleidingen zijn te risicovol vanwege potentiële lekkages.

 

Artikel 2.12 Meldingsplicht en uitzondering voor lozen van afstromend hemelwater van gebouwenGrondwaterbeschermingsgebied

 

Bij het afstromend hemelwater van gebouwen kan de keuze van bouwmaterialen risico's met zich meebrengen voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen. Daarom is het nodig hiervoor regels te stellen.

Het is toegestaan om afstromend hemelwater op of in de bodem te brengen zonder aanvullende maatregelen als er geen schadelijke uitloogbare (bouw)materialen zijn gebruikt die als stof in het afstromend water kunnen komen. Er wordt bij de aanleg van een dergelijke voorziening het doen van een startmelding gevraagd zodat het uitoefenen van toezicht mogelijk is.

 

Als er wel schadelijke uitloogbare (bouw)materialen bij de bouw zijn gebruikt, mag het water alleen infiltreren via een voldoende zuiverende voorziening. In de toelichting op deze paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied is onder het kopje Afstromend hemelwater algemeen een uitgebreide toelichting opgenomen.

 

Uitlogende schadelijke (bouw)materialen die schadelijk zijn betreffen in ieder geval: zink, lood, koper, gewolmaniseerd hout, teerbitumen.

 

Artikel 2.13 Meldingsplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegenGrondwaterbeschermingsgebied

 

Het is niet nodig regels te stellen aan de constructie of vloeistofdichtheid van wegverhardingen. Wegen zijn berekend op de verkeersbelasting als gevolg van de verkeerstechnische eisen die aan de weg gesteld worden. Deze brengen met zich mee dat de wegen vloeistofdicht of vloeistofkerend zijn.

 

Binnen grondwaterbeschermingsgebied levert het afstromende hemelwater wel een risico op. Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK's en minerale olie. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. Generieke regelgeving beperkt dit risico onvoldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening.

 

Het aanleggen van een snelweg of een intensief te gebruiken (auto)weg in een grondwaterbeschermingsgebied introduceert een relatief groot risico op calamiteiten met mogelijk grote gevolgen en is daarom in beginsel ongewenst. Een tracé buiten het grondwaterbeschermingsgebied heeft de voorkeur, gezien vanuit het belang van de drinkwatervoorziening. Bij het doen van een melding geldt dat de noodzaak van de activiteit onderbouwd moet worden; daaronder geldt voor de aanleg van de weg dat het aanwezig zijn van een alternatief buiten het grondwaterbeschermingsgebied ontbreekt. Als de aanleg buiten grondwaterbeschermingsgebied niet mogelijk is, kan met adequate voorzieningen het risico van de weg tot verwaarloosbaar teruggebracht worden. Een absoluut verbod op het aanleggen van wegen is daarom niet proportioneel. We sluiten met de regelgeving aan bij een risicobenadering voor de milieugevolgen op de lange termijn voor het grond- en drinkwater. In de toelichting op paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied is onder het kopje Afstromend hemelwater algemeen een uitgebreide toelichting opgenomen.

 

Het in of op de bodem lozen van afstromend hemelwater wegen moet vanwege de risico’s voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater gemeld worden.

 

Artikel 2.14 Meldingsplicht permanent parkeerterrein Grondwaterbeschermingsgebied

 

Het risico op lekkage en afspoelen van schadelijke stoffen van motorvoertuigen is bij de huidige stand der techniek beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Het bieden van permanente parkeergelegenheid is daarom alleen onder voorwaarden toegestaan na het doen van een melding.

 

Belangrijke aanpassing ten opzichte van de eerdere regels is dat niet langer wordt voorgeschreven dat er sprake moet zijn van een aaneengesloten verhard parkeerterrein. Vanuit modern waterbeleid en het langer vasthouden van water, is dit niet meer wenselijk. Ook zonder een aaneengesloten verharding is het mogelijk de kwaliteit van de bodem en het grondwater op goede wijze te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld ook door een onverharde of halfverharde bodem met voldoende zuiverende werking. Voor de verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1.3 Grondwaterbeschermingsgebied en artikel 2.13 Meldingsplicht lozen afstromend hemelwater van verharde wegen Grondwaterbeschermingsgebied.

 

Artikel 2.15 Regels voor tijdelijk onverhard parkeren Grondwaterbeschermingsgebied

 

We willen geen onnodige belemmeringen opleggen aan het tijdelijk gebruik van onverhard parkeerterrein. Vanuit de bescherming van de kwaliteit van de bodem en het grondwater is het wel nodig een aantal randvoorwaarden te stellen.

 

Daarom gelden de volgende voorwaarden:

 

Het tijdelijk gebruik van een terrein voor onverhard parkeren in grondwaterbeschermingsgebied is gelimiteerd tot incidenteel en tijdelijk parkeren voor ten hoogste 10 etmalen/kalenderjaar. In deze situatie is het niet verplicht om na te gaan of de bodem voldoende zuiverende capaciteit heeft. Een weiland of een andere begroeide bodem heeft een grotere zuiverende capaciteit dan een kale zandgrond dat geen absorptiecapaciteit bezit, en daardoor zeer schadelijke gevolgen kan hebben. Wij gaan er vanuit dat tijdelijk parkeren daarom altijd op een begroeid terrein plaatsvindt om milieurisico’s zo veel mogelijk te verkleinen.

 

Er geldt een aantal regels waaraan degene die de activiteit uitvoert zich moet houden. Overigens geldt daarnaast onverkort dat de eigenaar van het terrein verantwoordelijk is (en blijft) dat er geen verontreiniging optreedt van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater. Om de kans op verontreiniging zo veel mogelijk te verlagen gelden de volgende regels:

 

  • Zorg dat het voor gebruikers duidelijk is dat er sprake is van een grondwaterbeschermingsgebied en dat het in de bodem komen van bepaalde stoffen schadelijke gevolgen heeft.

  • Gebruik de best beschikbare technieken en bodembeschermende voorzieningen om de milieurisico’s zo veel mogelijk te verkleinen bij het plaatsen en gebruiken van afvalbakken,tanks met chemische middelen en brandstof, machines, aggregaten, koelwagens, toiletten en catering. Mogelijke maatregelen zijn lekbakken, filterdoeken, beveiligde koppelingen en/of plaatsing op verhard terrein met afvoer via riolering naar buiten het gebied.

  • Zorg ervoor dat spoel en ander vervuild water niet kan infiltreren in de bodem maar wordt afgevoerd naar buiten het gebied.

  • Zorg dat er voldoende kennis en middelen beschikbaar zijn om een eventuele verontreiniging zoals lekkage van olie op te ruimen. Middelen kunnen bijvoorbeeld absorptie korrels of doeken zijn. Ook een schep en een mogelijkheid voor opslag geringe hoeveelheid grond.

De meldingsplichtige zorgt voor een toezichthouder die aanwezig is op het terrein of in de directe omgeving en zorgt dat deze in geval van verontreiniging direct passende maatregelen kan treffen. Achteraf moet herleidbaar zijn of er calamiteiten zijn opgetreden, welke dit zijn geweest en welke passende maatregelen hiervoor zijn genomen. De toezichthouder houdt daarom een logboek bij waarin uitgevoerde controles en de bevindingen daarvan worden bijgehouden. Na afloop controleert en evalueert de provincie het logboek en bespreekt eventuele nog te nemen maatregelen met de meldingsplichtige.

 

Tijdens het bieden van tijdelijk onverhard parkeren is het mogelijk dat de toezichthouder controle uitvoert. Om dit te kunnen doen is een startmelding nodig.

 

Artikel 2.16 Regels voor tijdelijk gebruik gronden voor een evenement Grondwaterbeschermingsgebied

 

Binnen grondwaterbeschermingsgebied worden er regelmatig evenementen gehouden. Wij treden graag in een zo vroeg mogelijk stadium, dus al in de verkennende initiatief-fase, in overleg met gemeenten en initiatiefnemers over evenementen en alle keuzes die daarbij horen. Bijvoorbeeld gemotoriseerde sportevenementen zijn uit oogpunt van de daarmee samenhangende risico’s ongewenst in het grondwaterbeschermingsgebied.

 

Bij evenementen zijn parkeerplaatsen en andere voorzieningen nodig zoals aggregaten, machines, toiletten en catering, die het milieu kunnen belasten. We willen geen onnodige belemmeringen opleggen aan het houden van evenementen.

 

Vanuit de bescherming van de kwaliteit van de bodem en het grondwater is het wel nodig een aantal randvoorwaarden te stellen.

 

Om de milieurisico’s zo veel mogelijk te verkleinen gelden er een aantal regels waaraan degene die de activiteit uitvoert zich moet houden. Overigens geldt daarnaast onverkort dat de eigenaar van het terrein verantwoordelijk is (en blijft) dat er geen verontreiniging optreedt van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater. Om de kans op verontreiniging zo veel mogelijk te verlagen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

 

  • Zorg dat het voor gebruikers duidelijk is dat er sprake is van een grondwaterbeschermingsgebied en dat het in de bodem komen van bepaalde stoffen schadelijke gevolgen heeft.

  • Gebruik de best beschikbare technieken en bodembeschermende voorzieningen om de milieurisico’s zo veel mogelijk te verkleinen bij het plaatsen en gebruiken van afvalbakken, tanks met chemische middelen en brandstof, machines, aggregaten, koelwagens, toiletten en catering. Mogelijke maatregelen zijn lekbakken, filterdoeken, beveiligde koppelingen en/of plaatsing op verhard terrein met afvoer via riolering naar buiten het gebied.

  • Zorg ervoor dat spoel- en ander vervuild water niet kan infiltreren in de bodem maar wordt afgevoerd naar buiten het gebied.

  • Zorg dat er voldoende kennis en middelen beschikbaar zijn om een eventuele verontreiniging zoals lekkage van olie op te ruimen. Middelen kunnen bijvoorbeeld absorptie korrels of doeken zijn. Ook een schep en een mogelijkheid voor opslag van geringe hoeveelheid grond.

De meldingsplichtige zorgt voor een toezichthouder die aanwezig is op het terrein of in de directe omgeving en zorgt dat deze in geval van verontreiniging direct passende maatregelen kan treffen. Achteraf moet herleidbaar zijn of er calamiteiten zijn opgetreden, welke dit zijn geweest en welke passende maatregelen hiervoor zijn genomen. De toezichthouder houdt daarom een logboek bij waarin uitgevoerde controles en de bevindingen daarvan worden bijgehouden. Na afloop van het evenement controleert en evalueert de provincie het logboek en bespreekt eventuele nog te nemen maatregelen met de meldingsplichtige.

 

Tijdens het evenement is het mogelijk dat de toezichthouder controle uitvoert. Om dit te kunnen doen is een startmelding nodig.

Voor overige evenementen, bijvoorbeeld een gemotoriseerd sportevenement, zijn geen specifieke regels opgenomen. In dergelijke gevallen geldt de algemene zorgplicht.

 

Artikel 2.17 Meldingsplicht en uitzondering toepassen grond en baggerspecieGrondwaterbeschermingsgebied

 

In grondwaterbeschermingsgebieden worden schone (primaire) bouwstoffen toegestaan en bouwstoffen die voldoen aan de emissie- en samenstellingsnormen voor ongeïsoleerde toepassing. Toepassing van zwaarder verontreinigde bouwstoffen (IBC-bouwstoffen) is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan.

 

Vanuit de optiek van de bescherming van de grondwaterkwaliteit is het wellicht wenselijk om de aanvoer van verontreinigde bouwstoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied geheel te verbieden (standstill op gebiedsniveau). Omdat echter niet altijd voldoende schone bouwstoffen beschikbaar zijn - verhardingsmateriaal bijv. bevat vaak lichte verontreinigingen - is dat niet realistisch.

 

De toepassing van andere bouwstoffen dan IBC-bouwstoffen is derhalve onder de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in grondwaterbeschermingsgebied toegestaan. Door het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en bagger kan het grondwater dat wordt gebruikt voor de openbare drinkwaterwinning, worden verontreinigd. Landelijke gebruiksregels zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). In het Bbk worden voor diverse situaties “standaardnormen” vastgesteld. Hierbij is het risico van verspreiding van verontreinigingen naar het grondwater dat voor de drinkwaterwinning is bestemd, niet specifiek in aanmerking genomen. Dergelijke risico's zijn echter niet bij voorbaat uit te sluiten. Tussen verschillende locaties kunnen de risico's verschillen, afhankelijk van o.a. de kwetsbaarheid van een gebied, reeds aanwezige functies, bodemopbouw, bodemsamenstelling, kwaliteit van het te storten materiaal, mobiliteit van verontreinigingen, mate van doorlatendheid van de (water)bodem en van het toegepaste materiaal en wijzigingen in milieuomstandigheden (zuurgraad en zuurstof). Dit vraagt in bepaalde gevallen om een locatiespecifieke benadering.

 

In grondwaterbeschermingsgebieden is het beleid erop gericht om het bestaande beschermingsniveau minimaal in stand te laten (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau te bereiken. Met het oog daarop geldt dat aanvoer van verontreinigende stoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied moet worden tegen gegaan.

 

Daarom zijn er in aanvulling op het Bbk regels opgenomen voor toepassing van bouwstoffen, grond en bagger in de grondwaterbeschermingsgebieden.

 

Grond en baggerspecie (toepassing tot 5000 m³)

 

Op grond van het generieke beleid mag de toe te passen kwaliteit van grond of baggerspecie niet slechter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Hierbij worden verschillende klassen Achtergrondwaarden onderscheiden.

 

In grondwaterbeschermingsgebieden is de toepassing van grond en baggerspecie met de kwaliteit Achtergrondwaarden (schoon) toegestaan en onder voorwaarden klasse Wonen/klasse A. Voor de toepassing van verontreinigde grond of baggerspecie van de klasse Wonen/klasse A, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste voorwaarde is dat de grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied om een toename van verontreinigingen op gebiedsniveau te voorkomen (standstill op gebiedsniveau). De tweede voorwaarde is dat geen verontreinigde grond (klasse Wonen/klasse A) op een schone (water)bodem (Achtergrondwaarden) mag worden toegepast (standstill op lokaal niveau).

 

Grootschalige toepassing van grond en baggerspecie (meer dan 5000 m³)

 

Het toetsingskader voor grootschalige toepassingen conform artikel 63 van het Bbk (minimale omvang van 5000 m³ en een minimale laagdikte van 2 meter) kent naast de Achtergrondwaarden (schoon) ook Emissiewaarden en Emissietoetswaarden voor zware metalen. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden is het toetsingskader voor grootschalige toepassingen uit het Bbk niet geschikt. Juist bij toepassing van grote hoeveelheden grond en bagger, in soms diepe putten, is vanwege de risico's voor de kwaliteit van het grondwater een strikter toetsingskader noodzakelijk.

 

Met name bij grootschalige toepassingen (voor onder water) kan ernstige schade ontstaan als ernstig verontreinigd materiaal illegaal wordt gestort of zich calamiteiten voordoen. Tijdens de duur van een project moeten er dan ook grote handhavingsinspanning worden geleverd om te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond of baggerspecie wordt toegepast.

 

Voor de grootschalige toepassing van grond en baggerspecie gel met voorwaarde den dezelfde voorwaarden als voor kleinschalige toepassing. In aanvulling geldt echter dat er een meldingsplicht met voorwaarde is opgenomen. Grootschalige toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied wordt dus niet alleen op grond van het Bbk gemeld aan het meldpunt bodemkwaliteit, maar ook op grond van de regeling in deze verordening moet een melding worden gedaan. Die melding moet de resultaten bevatten van locatiespecifiek onderzoek waarmee wordt aangetoond dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen. Deze melding maakt preventief toezicht mogelijk.

 

Paragraaf 2.1.4 Boringsvrije zone

 

Oogmerk

 

Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord.

 

Binnen boringsvrije zone gelden geen absolute verboden. Vanuit het doel zijn wel voorwaarden gesteld aan activiteiten die een risico geven voor schade aan de beschermende kleilaag.

 

Artikel 2.18 Regels voor activiteiten in de bodem Boringsvrije zone

 

Er worden regels gesteld aan de maximale diepte voor het verrichten van handelingen in de bodem, zoals boringen, grond- of funderingswerken en regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). Deze regels zijn erop gericht dat de beschermende kleilaag niet wordt doorboord. Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte deze beschermende lagen liggen. Deze staan weergegeven op de kaart (werkingsgebied) dat bij de regels hoort.

 

De toelichting hierop is in artikel 2.11 Regels voor activiteiten in de bodem Grondwaterbeschermingsgebied opgenomen. Het doen van een startmelding bij het verrichten van activiteiten in de bodem is daarom voldoende.

 

Artikel 2.19 Regels voor warmtetoevoeging en -onttrekking Boringsvrije zone

 

Voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking) geldt dat naast het doorboren van de beschermende laag waarvoor de voorwaarden zijn opgenomen in artikel 2.18, er ook risico’s bestaan vanwege het gebruik van schadelijke middelen. Daarom is een aparte regeling opgenomen waaruit volgt dat het hebben van een bodemenergiesysteem in een boringsvrije zone alleen is toegestaan als er geen schadelijke middelen worden gebruikt en na het doen van een startmelding.

Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in artikel 2.7 van het grondwaterbeschermingsgebied.

 

Afdeling 2.2 Grondwater

 

Artikel 2.20 Verbod onconventionele koolwaterstofwinning Diep grondwaterlichaam

 

Algemeen

 

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben de verplichting vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn om grondwater dat nu en voor de toekomst geschikt is voor de winning van drinkwater te beschermen. De onconventionele winning van koolwaterstoffen brengt risico’s met zich mee, die de kwaliteit van het grondwater voor drinkwaterwinning bedreigen. Omdat de risico’s van deze onconventionele boringen naar koolwaterstoffen onbekend en wellicht onbeheersbaar zijn, is het nodig de grondwaterlichamen die geschikt zijn voor drinkwaterwinning voor menselijke consumptie te beschermen met een verbod.

 

Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG van 23 oktober 2000)

 

De Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG van 23 oktober 2000) onderkent de noodzaak van maatregelen die erop gericht zijn een achteruitgang op lange termijn van kwantiteit en kwaliteit van de zoetwatervoorraden te voorkomen.

 

Artikel 7.3 van de Kaderrichtlijn water stelt dat de lidstaten zorg dragen voor de nodige bescherming van de aangewezen grondwaterlichamen met de bedoeling de achteruitgang van de kwaliteit daarvan te voorkomen, teneinde het niveau van zuivering dat voor de productie van drinkwater is vereist, te verlagen. De lidstaten kunnen voor die waterlichamen beschermingszones vaststellen.

 

De provincie Noord-Brabant heeft in het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 vijf grondwaterlichamen benoemd, waarvoor waterkwaliteitsdoelstellingen zijn vastgesteld. Voor het grondwater is de belangrijkste doelstelling dat al het grondwater, zowel diep als ondiep, van goede kwaliteit blijft en geschikt is voor bereiding van water voor menselijke consumptie en de ontwikkeling van natuur. Onder kwaliteit wordt ook verstaan het beschermen van grondwater van hoge ouderdom dat op dit moment nog gevrijwaard is van menselijke invloeden.

 

Grondwaterrichtlijn (2006/118/EG van 12 december 2006)

 

De Grondwaterrichtlijn (2006/118/EG van 12 december 2006) is een nadere uitwerking van de Kaderrichtlijn water waarin wordt omschreven hoe de monitoring van de kwaliteit van het grondwater moet worden opgepakt en op welke manier de lidstaten maatregelen nemen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen.

 

Aanwijzinggrondwaterlichamen voor menselijke consumptie

 

In artikel 7.1 van de Kaderrichtlijn Water worden de lidstaten verplicht om alle waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt en dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen en de voor toekomstig gebruik bestemde (grond)waterlichamen, aan te wijzen. Het Rijk heeft een overzichtskaart gemaakt van alle grondwaterlichamen in Nederland. De provincie Noord-Brabant heeft in het Provinciaal milieu- en waterplan de vijf grondwaterlichamen op Brabants grondgebied als eenheid benoemd en daarvoor kwaliteitsdoelstellingen vastgesteld. De grondwaterlichamen Zand-Maas, Slenk-diep Maas, Zoet grondwater in dekzand (Schelde) en Deklaag Rijn-West zijn geschikt voor menselijke consumptie. De grenzen van de grondwaterlichamen overschrijden de grens van de provincie Noord-Brabant. Deze aanwijzing van grondwaterlichamen voor menselijke consumptie betreft alleen de gebieden gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant.

 

Het grondwaterlichaam Zout grondwater in ondiepe zandlagen Schelde in West-Brabant is ongeschikt voor menselijke consumptie.

 

Verbod onconventionele winning koolwaterstoffen

 

Bij de onconventionele winning van koolwaterstoffen, worden verschillende technieken toegepast. Bij de winning van schaliegas wordt er meestal eerst 1,5 tot 4 kilometer verticaal geboord en daarna 0,5 tot 1,5 kilometer in horizontale richting. Door horizontaal te boren wordt het contact met de schaliegashoudende laag vergroot zodat de gasproductie toeneemt.

 

Een techniek die vaak wordt toegepast is het hydraulisch kraken van het gesteente, het zogeheten ‘fracking’. Bij fracking wordt eerst een verticale put geboord tot aan de steenlaag. Daarna wordt onder hoge druk een mengsel van water, zand, chemicaliën, keramische korrels of schuim in de boorput gepompt. Het mengsel dat wordt gebruikt is afhankelijk van de omstandigheden in de boorput. Door de druk die bij dit proces ontstaat splijt de steen, waardoor het gas kan ontsnappen. Het zand of de keramische korrels zorgen ervoor dat de scheurtjes open blijven staan. De chemicaliën in de mengsels zijn onder andere bedoeld om corrosie tegen te gaan, om bacteriën te doden die het gebruikte water verontreinigen, om frictie te verlagen en om de vorming van ketelsteen tegen te gaan. Er zijn een aantal risico’s bekend met fracking:

 

  • het ontstaan van aardbevingen langs bestaande breuken;

  • het lekken van chemicaliën de ondergrond in vanaf het oppervlak;

  • het weglekken van chemicaliën naar ondiepe water dragende lagen bij slecht uitgevoerde boringen.

Vanwege bovenstaande risico’s is een verbod opgenomen op onconventionele winning van koolwaterstoffen.

 

Artikel 2.21 Vrijstelling vergunningplicht grondwaterontrekking

 

De Waterwet biedt in hoofdstuk 6 ruimte aan provincie en waterschap om waar nodig zelf in regelgeving te voorzien.

 

De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop een uitzondering voor een drie specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Voor deze categorieën van onttrekkingen is de provincie bevoegd om bij of krachtens verordening regels te stellen.

 

Onttrekkingen voor andere doeleinden vallen onder de bevoegdheid van de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie kan hiervoor overigens wel instructieregels voor waterschappen vaststellen gebaseerd op artikel 3.11 Waterwet.

 

Artikel 6.4, tweede lid, van de Waterwet biedt de mogelijkheid om onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen van ten hoogste 10 m3 per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. Om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen, zijn deze systemen tevens vrijgesteld van de verplichting tot melden, meten en registreren (artikel 2.22).

 

Artikel 2.22 Vrijstelling registratieplicht bodemenergiesystemen

 

Voor onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht (artikel 2.21), geldt dat deze systemen tevens zijn vrijgesteld van de verplichting tot melden, meten en registreren.

 

Hierbij is de vrijstelling gekoppeld aan de pompcapaciteit van de inrichting. Het voordeel van het gebruik “pompcapaciteit” is dat dit al voor de aanvang van de onttrekking kan worden vastgesteld. In het geval van niet-meldingsplichtige en derhalve ook niet-meetplichtige inrichtingen, geeft de pompcapaciteit de enige aanwijzing voor de omvang van de onttrekking.

 

De vrijstelling betreft een voortzetting van de huidige praktijk waarbij kleine grondwateronttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen ook zijn vrijgesteld van de registratieplicht.

 

In het provinciaal waterplan is bepaald dat de jaaropgave voor bodemenergiesystemen komt te vervallen, indien de werking van het systeem tijdens de exploitatiefase overeenkomt met de aanvraag. In navolging hierop is de verplichting tot het doen van jaaropgave niet van toepassing op bodemenergiesystemen.

 

Afdeling 2.3 Bodem

 

Paragraaf 2.3.1 Bodemsanering

 

Vanuit de saneringsdoelstelling van artikel 38 van de Wet bodembescherming is het niet langer noodzakelijk om multifunctioneel te saneren, maar mag worden volstaan met een sanering die is afgestemd op de functie van het te saneren gebied.

 

Functiegericht saneren heeft echter als consequentie dat na afloop van de sanering verontreiniging in de bodem achter kan blijven. Het beheer van deze restverontreiniging is daarom belangrijk geworden. Om dit te benadrukken heeft de wetgever het verslag van de sanering en het nazorgplan een wettelijke status gegeven. Beide behoeven bovendien de instemming van Gedeputeerde Staten, als die het bevoegd gezag zijn op grond van de Wet Bodembescherming. Provinciale Staten zijn bij of krachtens de Wet bodembescherming en deze verordening bevoegd aanvullende regels vast te stellen.

 

Artikel 2.23 Het saneringsplan bodemsanering

 

De functie van het saneringsplan is dat Gedeputeerde Staten zich een goed oordeel kunnen vormen over de aard en omvang van de verontreiniging en over de voorgenomen maatregelen en kunnen toetsen of op milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd. Doel is om te beoordelen of de saneringsdoelstelling met de voorgestelde aanpak kan worden gerealiseerd.

 

In aanvulling op de wettelijke bepalingen van artikel 39 en 40 van de Wet bodembescherming hebben Gedeputeerde Staten een checklist vastgesteld met nadere gegevens die zij hiervoor nodig achten.

 

Artikel 2.24 Eisen saneringsplan bodemsanering Waterwingebied of Grondwaterbeschermingsgebied

 

Vanwege het belang van het beschermen van de drinkwatervoorziening bevat dit artikel aanvullende eisen op artikel 2.23 als de verontreiniging binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied ligt.

 

Artikel 2.25 Wijziging saneringsplan bodemsanering

 

Uit artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming vloeit voort dat, indien de uitvoerder van de sanering constateert dat van het saneringsplan moet worden afgeweken, twee weken voorafgaande aan de uitvoering hiervan melding wordt gedaan aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens binnen twee weken of de afwijking binnen de gekozen saneringsdoelstelling past en acceptabel is. De wijziging moet passen binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. De mededeling dat zulks het geval is, valt derhalve eveneens binnen dit saneringsplan en betreft daarmee geen (nieuwe) beschikking. In het geval dat Gedeputeerde Staten constateren dat de wijziging niet past binnen het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd, is er sprake van een belangrijke wijziging van het saneringsplan (bijvoorbeeld een ander saneringsresultaat). In dat geval zal een nieuw saneringsplan moeten worden ingediend, waarop opnieuw besluitvorming plaatsvindt.

 

Voor het beoordelen van een melding tot wijziging van het saneringsplan is het noodzakelijk te vernemen om welke afwijkingen (opsomming hiervan) het gaat, wat de inhoud van deze afwijkingen is en welke gevolgen dit heeft ten opzichte van het eerdere saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden om van het saneringsplan af te wijken. Op grond van artikel 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming kunnen Gedeputeerde Staten aanwijzingen geven naar aanleiding van de melding wijziging saneringsplan. Dit betreft eveneens geen beschikking, aangezien het aanwijzingen betreft op aspecten die binnen het saneringsplan vallen waarmee al is ingestemd.

 

Artikel 2.26 Saneringsverslag

 

Het saneringsverslag geeft het bevoegd gezag inzicht in de manier waarop de sanering is uitgevoerd. Op basis van dit verslag kunnen Gedeputeerde Staten aan de hand van een beschikking, die is ingericht volgens een vast model tot de conclusie komen dat de sanering naar behoren is afgerond, dan wel dat de saneringsdoelstelling als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de Wet bodembescherming nog niet helemaal bereikt is.

 

Om te kunnen beoordelen of een saneringsresultaat voldoet aan artikel 38 van de Wet bodembescherming, wordt in artikel 39c van de Wet bodembescherming een aantal minimumeisen gesteld waaraan het saneringsverslag moet voldoen. Dit artikel stelt aanvullende voorwaarden aan de inhoud van het saneringsverslag. Deze eisen staan in een door Gedeputeerde Staten ter beschikking gestelde checklist en vormen een verdere uitwerking van artikel 39c van de Wet bodembescherming. De extra eisen zijn nodig voor een goede kwaliteit van het saneringsverslag. Alleen dan is een goede toetsing van de uitgevoerde sanering mogelijk.

 

De voorwaarden gelden als na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering een saneringsverslag bij Gedeputeerde Staten moet worden ingediend. Gedeputeerde Staten moeten instemmen met het verslag. Dit doen zij als er gesaneerd is overeenkomstig artikel 38 van de Wet bodembescherming. Indien niet afdoende volgens het saneringsplan is gesaneerd kunnen op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming aanvullende saneringsmaatregelen worden afgedwongen.

In de praktijk kan blijken dat de aanvullende eisen niet nodig zijn, waarbij na afloop duidelijk is dat het in het saneringsplan opgenomen saneringsdoel is bereikt en is voldaan aan het wettelijke saneringsdoel van artikel 38 van de Wet bodembescherming. In het tweede lid is daarom de mogelijkheid opgenomen om gemotiveerd af te wijken van de aanvullende eisen.

 

Artikel 2.27 Nazorgplan

 

Dit artikel bevat regels over de inhoud van het nazorgplan, gebaseerd op artikel 39d, vijfde lid van de Wet bodembescherming. Aan dit artikel moet worden voldaan indien na de uitvoering van de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft, die beperkingen in het gebruik van de bodem tot gevolg heeft of nazorgmaatregelen noodzakelijk maakt. In het nazorgplan moeten de gebruiksbeperkingen en de nazorgmaatregelen worden beschreven. De gebruiksbeperkingen moeten voorkomen dat er contact is met de restverontreiniging om eventuele risico’s of verspreiding van de restverontreiniging te voorkomen. De nazorgmaatregelen hebben tot doel om er voor te zorgen dat het bereikte saneringsresultaat blijvend is. Gedeputeerde Staten dienen met het nazorgplan in te stemmen.

 

Omdat artikel 39d van de Wet bodembescherming geen duidelijke opsomming kent van eisen waaraan het nazorgplan moet voldoen, worden in dit artikel eisen gesteld aan de inhoud van het nazorgplan. Hierbij is aansluiting gezocht bij de reeds bestaande praktijk. Het belang van een goed nazorgplan is gelegen in de handhaving van het bereikte eindresultaat van de sanering. De geleverde saneringsinspanning mag niet teniet worden gedaan door een slecht beheer van de restverontreiniging na afloop van de sanering. In het nazorgplan moet derhalve duidelijk zijn opgenomen waaruit de nazorg bestaat en wie daarvoor (financieel) verantwoordelijk is. Voorts is het ook voor derden, zoals toekomstige eigenaren en eigenaren van aan de restverontreiniging grenzende percelen, belangrijk dat zij erop kunnen vertrouwen dat het bereikte eindresultaat van de sanering blijvend is en zij in een later stadium niet (opnieuw) worden geconfronteerd met de verontreiniging.

 

Artikel 2.28 Melding bodemsanering

 

Op 2 juli 2002 is het Toezichtsplan Bodemsanering 'Toezicht tot in de Bodem' door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Hierin is de wijze waarop Gedeputeerde Staten toezicht houden op de bodemsaneringen in Brabant vastgelegd. Om dit plan goed te kunnen uitvoeren, is een goede informatiestroom van de saneerders naar het bevoegd gezag noodzakelijk.

 

Lid 1 en 2

 

De uitvoerder is degene, die op grond van de afgegeven beschikking verantwoordelijk is voor de sanering. In de regel zal dit de grondeigenaar zijn of anders een zakelijk gerechtigde op de grond. Deze is aanspreekpunt, indien de vereiste meldingen en rapportages niet plaatsvinden. Dit laat onverlet de mogelijkheid, dat het feitelijk opstellen en indienen van de vereiste documenten overgelaten wordt aan de aannemer, die belast is met de technische realisatie, dan wel een begeleidend adviseur. In het kader van strafrechtelijke handhaving wordt onder de uitvoerder dus ook verstaan: de indiener van het saneringsplan, de eigenaar van het te saneren terrein en de milieukundig begeleider.

 

Lid 3 en 4

 

Grondwatersaneringen behoeven vaak veel meer tijd dan de sanering van verontreinigde grond. Als de grondwatersanering op een later tijdstip wordt beëindigd dan de grondsanering is afzonderlijke rapportage over de grondsanering en de grondwatersanering mogelijk. Pas na afronding van zowel de grond- als de grondwatersanering vindt formele besluitvorming over het saneringsverslag van de totale sanering plaats. De aanvrager kan wel alvast een beoordeling van de uitvoering van deze grondsanering vragen. Indien er sprake is van een formele gefaseerde sanering zoals bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, kan er per fase een formele afronding plaatsvinden.

 

Lid 5 -10

 

Hierin staan diverse eisen inzake (de termijn voor) het indienen van verslagen en het bijhouden van een logboek. In lid 10 is opgenomen dat Gedeputeerde Staten aanwijzingen kunnen geven over de verdere sanering. Als daarvan gebruik is gemaakt, moet er uiteraard conform die aanwijzingen worden gehandeld.

 

Artikel 2.29 Verbijzondering van beleid

 

In geval van strijdigheid met (toekomstig) beleid van Gedeputeerde staten, Rijk of Europese Unie geldt dat de bepalingen uit paragraaf 2.3.1 Bodemsanering buiten toepassing blijven.

 

Paragraaf 2.3.2 Ontgronden

 

Algemeen

 

Het provinciale grondstoffenbeleid is vastgelegd in de nota “Actualisatie van het Brabantse Grondstoffenbeleid” (2006) en voor functionele ontgrondingen nader uitgewerkt in de nota’s “Handleiding Functioneel Ontgronden” en “De bodem in Zicht”. Naast functionele ontgrondingen kent de actualisatienota het begrip multifunctionele ontgrondingen. Multifunctionele ontgrondingen zijn ontgrondingen waarbij zandwinning en het realiseren van één of meerdere functies gekoppeld zijn. De functie zandwinning is nevengeschikt aan de andere functies.

 

Zandwinning vindt voortaan alleen nog maar plaats als de winning gekoppeld is aan de realisering van andere gewenste doelen én als met het project de ruimtelijke kwaliteit verhoogd wordt én als er voldoende maatschappelijk draagvlak is.

 

Voor het provinciale beleid is verder het Verdrag van Valletta van belang. In de praktijk werkt de provincie al geruime tijd in de geest van het verdrag dat de bescherming van het archeologisch erfgoed, en de daarmee verband houdende bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed regelt.

 

De Ontgrondingenwet kent een algeheel verbod om zonder vergunning te ontgronden. Dit betekent dat voor iedere verlaging van het maaiveld een vergunning nodig is. De wet geeft echter de mogelijkheid om bij provinciale verordening te bepalen voor welke ontgrondingcategorieën dit verbod niet geldt. In de onderhavige verordening is hiervoor een regeling opgenomen.

 

In de regeling is onderscheid gemaakt in een absolute vrijstelling van de vergunningplicht en een vrijstelling waarbij een meldingsplicht geldt.

 

Bij de absolute vrijstellingen is de maatschappelijke noodzaak van de ontgronding evident. En zijn de effecten van deze ontgrondingen veelal verwaarloosbaar of is voor de uitvoering hiervan in de regel een ander afwegingskader voorhanden (bestemmingsplan, Provinciale Milieuverordening, Monumentenwet, e.d). Te denken is aan ontgrondingsactiviteiten voor het doen van archeologisch onderzoek, ter sanering van ernstige gevallen van bodemverontreiniging, ter ontginning van voormalige of gesloten stortplaatsen en activiteiten die zijn opgenomen in een bestemmingsplan.

 

Naast deze specifieke categorieën van ontgrondingen geldt er ook een absolute vrijstelling voor functionele ontgrondingen indien zij niet groter zijn dan 2000 m2 en waarbij niet dieper dan 3.00 m. beneden maaiveld wordt ontgrond.

 

Soms geldt de vrijstelling van de vergunningplicht alleen nadat melding is gedaan. Dit zijn de meldingsplichtige ontgrondingen, die gelden afhankelijk van nadere regels met betrekking tot omvang en ligging van een ontgronding.

 

Voor functionele ontgrondingen groter dan 2000 m2 zijn aanvullende regels nodig om een aantal belangrijke belangen (bv. archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden) veilig te stellen. Daarboven is de invloed van de ontgronding op de omgeving van dusdanige betekenis dat hier een integrale belangenafweging moet plaatsvinden. Dit vindt plaats tijdens het vergunningverleningstraject.

 

De voorwaarden verwijzen o.a. naar waardevolle gebieden, zoals die zijn aangewezen op de Cultuurhistorische Waardenkaart en op de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart, en die derhalve extra beschermd moeten worden. Deze regels gelden voor álle ontgrondingen. Het gaat immers om de impact van de ontgronding ongeacht wie de ontgronding uitvoert of met welk doel. Er is daarom geen onderscheid gemaakt naar specifieke categorieën van ontgrondingen waarop de relatieve vrijstelling van toepassing zou zijn.

 

Een andere categorie ontgrondingen boven de 2000 m2 waarvoor met een melding volstaan kan worden, betreft ontgrondings- en herinrichtingsactiviteiten in het kader van natuurontwikkeling die al in een ander traject zijn afgewogen.

 

Ontgrondingsvergunning

 

Bij een ontgrondingsactiviteit waarvoor géén vrijstelling geldt, moet een aanvraag voor een ontgrondingsvergunning ingediend worden. Bij de voorbereiding van de beschikking tot vergunning wordt de aanvraag getoetst aan het beleid dat is vastgelegd in (provinciale) beleidsnota’s. De provincie toetst de aanvraag niet alleen aan het grondstoffenbeleid maar (conform de Ontgrondingenwet) aan alle belangen, die bij de ontgronding zijn betrokken. Dit betekent dat ook aan het beleid dat is ontwikkeld voor de verschillende deelbelangen, zoals natuur- en landschap en hydrologie, wordt getoetst.

 

Meldingen

 

De meldingsplicht houdt in dat voordat tot ontgronden wordt overgegaan Gedeputeerde Staten in kennis wordt gesteld van het voornemen tot ontgronden. Deze kennisgeving kan voor de provincie van belang zijn om inzicht te krijgen in de hoeveelheden grondstoffen die worden gewonnen. Deze informatie wordt o.a. gebruikt voor de planning en beleidscoördinatie. Het instrument van de melding beoogt daarnaast, in het kader van toezicht en handhaving van regelgeving, de registratie van relatief vrijgestelde ontgrondingen.

 

Bescherming aardkundige waarden, archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed

 

In deze verordening is bij de meldingsplichtige ontgrondingen een koppeling gelegd met de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart en de Cultuurhistorische Waardenkaart. In aardkundig waardevol gebied en voor archeologische monumenten geldt voor ontgrondingen met oppervlakte van meer dan 2000 m2, altijd de vergunningplicht op basis van de Ontgrondingenwet. Dit betekent niet dat ontgrondingen in dergelijke gebieden zijn uitgesloten. Met de vergunningplicht wordt beoogd een goede afweging te maken en eventuele schade aan aardkundige waarden, archeologische en cultuurhistorische waarden zo nodig te voorkomen dan wel te beperken via vergunningvoorschriften.

 

In gebieden met een indicatieve archeologische waarde of cultuurhistorische waarde geldt dat door de ontgronding geen afbreuk gedaan mag worden aan de genoemde waarden. Hiertoe moet bij de melding een archeologisch onderzoek overlegd te worden.

 

Voor de absolute vrijstelling geldt de koppeling met de Cultuurhistorische waardenkaart niet. Dit laat onverlet dat als er bij de uitvoering van deze activiteiten archeologische waarden worden aangetroffen, ingevolge de Monumentenwet gehandeld moet worden (o.a. geldt er een meldingsplicht).

 

Voor archeologische monumenten geldt dat op dit moment wordt verder gewerkt aan een planologische doorvertaling van deze monumenten in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Ontgrondingen binnen een gebied, dat is aangewezen als archeologisch monument, worden dan ongeacht de absolute vrijstelling op grond van deze verordening, beschermd zijn door de ruimtelijke ordening.

 

Artikel 2.30 Ontgrondingsactiviteit

 

Dit artikel heeft tot doel te voorkomen dat de vergunningplicht wordt ontdoken door op verschillende momenten met ontgrondingen te beginnen die op zichzelf vergunningvrij zijn, maar als ze tezamen waren aangemeld vergunningplichtig waren geweest. Zo is het maken van een kleinschalige natuurplas vrijgesteld van de vergunningplicht. Indien echter meerdere natuurplassen in onderlinge samenhang in een gebied worden gerealiseerd en er derhalve geen sprake meer is van kleinschaligheid, dan is deze realisatie in zijn totaliteit vergunningplichtig.

 

Hierbij is de feitelijke samenhang van de activiteiten van doorslaggevende betekenis. Bij ontgrondingen is echter één binding al voldoende om een samenhang tot stand te brengen, zoals bv. afzonderlijke ‘stepping stones’, die gezamenlijk één verbindingszone vormen.

 

Artikel 2.31 Eenvoudige ontgrondingsactiviteit

 

Op grond van artikel 10 lid 4 Ontgrondingenwet kunnen eenvoudige ontgrondingen worden vrijgesteld van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afd. 3.4 Awb).Het gaat om ontgrondingsaanvragen van eenvoudige aard waarbij belangen van anderen niet of nauwelijks zijn betrokken. Dit betekent dat er geen ontwerp-beschikking wordt opgesteld en ter inzage wordt gelegd maar meteen de definitieve beschikking wordt afgegeven; de zgn. ‘vereenvoudigde procedure’. Dit is in de verordening beperkt tot het wijzigingen of intrekken van een bestaande vergunning. Bij een wijziging kan het gaan om een wijziging van de naam van de vergunninghouder, een wijziging van de uitvoeringstermijn, een ondergeschikte wijziging van vergunningvoorschriften e.d.

 

Artikel 2.32 Vrijstelling vergunningplicht ontgronden zonder meldingsplicht

 

De vrijstelling van de vergunningplicht in dit artikel geldt altijd en overal. Het is een absolute vrijstelling, wat betekent dat er ook geen meldingsplicht is. Dit laat onverlet dat voordat de geplande activiteit uitgevoerd kan worden, uiteraard wel de vergunningen die op grond van andere wetgeving vereist zijn, verkregen moeten zijn. Starten met de in het kader van de Ontgrondingenwet toegestane ontgrondingswerkzaamheden, maar zonder bijvoorbeeld een aanlegvergunning, Wet milieubeheervergunning of in strijd met de Wet natuurbescherming, houdt in dat er handhavend kan worden opgetreden in het kader van de overtreden wetgeving. Bovendien wijzen wij er op dat er ook elders in deze verordening specifieke bepalingen kunnen staan ten aanzien van ontgrondingen. Binnen de waterwinning voor menselijke consumptie gelden bijvoorbeeld vanuit het belang van de bescherming van het drinkwater regels over het verrichten van activiteiten in of op de bodem.

 

De vrijstelling is gekoppeld aan specifieke categorieën. Bij bepaalde categorieën is het voldoen aan eventueel in andere wetgeving gestelde eisen nadrukkelijk benoemd (zie onder c, j en k) en als voorwaarde opgenomen. De toestemming die de provincie in het kader van deze andere wet heeft gegeven, is dusdanig zwaarwegend dat een afzonderlijke belangenafweging in het kader van de Ontgrondingenwet/verordening geen toegevoegde waarde meer heeft.

 

In de overige gevallen geldt een dergelijke relatie met andere wetgeving niet. Het kan natuurlijk altijd zo zijn dat er andere wetten zijn die voor dezelfde activiteit een vergunningstelsel kennen, maar met een heel ander doel. Die stelsels worden dus niet aan elkaar gekoppeld.

 

Categorie a: Het maken, wijzigen, verwijderen en onderhouden van bouwwerken en funderingen behoeft in de verordening geen eigen toetsingskader. Een integrale afweging heeft al plaatsgevonden in het kader van de ruimtelijke ordening en/of de bouw- of sloopregelgeving. Veelal is voor deze werken een bouwvergunning vereist, maar dit is echter geen vereiste om de vrijstelling van toepassing te laten zijn. Tot de in deze categorie bedoelde bouwwerken behoren overigens ook tunnelbakken en parkeergarages e.d.

 

Categorie b: Het delven dan wel ruimen van graven valt niet onder ontgrondingen. Het doel is nooit de grondstoffenvoorziening geweest en graven mogen krachtens de wet op de Lijkbezorging alleen op daartoe aangewezen plaatsen gegraven worden. De kerkhoven zijn daarnaast ook in het geldende bestemmingplan als dusdanig bestemd.

 

Categorie c: Archeologische opgravingen vinden plaats met het doel ons culturele erfgoed te beschermen. Door de koppeling van archeologische opgraving aan een vergunning krachtens de Monumentenwet, is gewaarborgd dat de ontgronding vakkundig en met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid gebeurt. Daarbij is mede van belang dat bij archeologische opgravingen overwegend sprake is van een tijdelijke ontgraving, waarbij geen grondstoffen van het terrein worden afgevoerd.

 

Categorie d: De in deze categorie bedoelde activiteiten vinden onder andere plaats in het kader van archeologisch vooronderzoek, onderzoek naar de bodemkwaliteit e.d. Deze activiteiten worden veelal uitgevoerd conform een geldend protocol, zoals vastgelegd in SKB-, BRL- of NEN-normen. De activiteiten maken slechts marginaal inbreuk op de bodem. Bij de activiteiten komen doorgaans geen grondstoffen vrij. Na boring, sondering of aanleggen van een proefsleuf wordt de grond in principe weer teruggebracht.

 

Categorie e: De voorwerpen die bedoeld worden in deze categorie van “het plaatsen, onderhouden, vervangen en opruimen van in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen” zijn onder meer kabels en (buis-)leidingen met toebehoren, palen, lantaarnpalen, verkeerslichten, e.d., bomen, planten en andere gewassen, brandstoftanks, septictanks en 2e WO-bommen. Hierbij gaat het om kleine ingrepen en worden de uitgegraven grondstoffen niet verwijderd, maar op de oorspronkelijke plaats teruggestort. Voor de aanleg van kabels en leidingen bestaat tevens vaak de plicht tot het accepteren van aanleg en onderhoud bijvoorbeeld op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht.

 

Categorie f: Onder normale uitoefening van land-, tuin- en bosbouw worden regelmatig terugkerende (seizoensgebonden) activiteiten verstaan, zoals:

 

  • 1.

    periodiek terugkerende cultuurmaatregelen met geringe invloed op de maaiveldligging zoals ploegen, scheuren van grasland, frezen, eggen, rollen, spitten, zaaibedbereiding, inzaaien en het rooien van producten;

  • 2.

    het inkuilen van producten (gras, maïs, aardappels) door afdekking met bodem uit de directe omgeving van de kuilhoop en het weghalen van boomstronken.

Van deze vrijstelling zijn egalisaties nadrukkelijk uitgesloten. Op egalisaties is de relatieve vrijstelling onder regels opgenomen in artikel 2.33 van toepassing. In bovengenoemde voorbeelden wordt het begrip ‘kilveren’ niet genoemd, aangezien het begrip kilveren geen onderscheidend vermogen heeft. De ene keer gaat het slechts om zaaibedbereiding, terwijl er de andere keer sprake is van egaliseren waarop artikel 2.33 van toepassing is.

 

Categorie g: Onderhoud behoort krachtens het normale spraakgebruik veelal niet onder een ontgronding. Dat is in het maatschappelijk verkeer volledig geaccepteerd. Onder normaal onderhoud wordt bijvoorbeeld verstaan onderhoudswerkzaamheden aan funderingen van bouwwerken ter voorkoming van verzakkingen en het afplaggen van natuurterreinen, waarbij uitsluitend organisch materiaal wordt verwijderd, om de natuurwaarden in stand te houden (natuurbeheerwerkzaamheden).

 

Ook het onderhoud aan waterlopen en zandvangers alsmede het uitbaggeren van een vaarweg om op vaardiepte te houden is uitgezonderd. Het baggeren met het oogmerk om (extra) grondstoffen te winnen valt daarentegen niet onder de vrijstellingsregeling. Er is daarbij geen sprake van normaal onderhoud.

 

Categorie h: Voor de realisering van infrastructurele werken (zoals wegen, spoor- en waterwegen, havens, kunstwerken, vliegvelden, waterkeringen en geleidingsdammen) moet veelal ontgrond worden. Bij de aanleg van (spoor)wegen kan gedacht worden aan de noodzaak van funderingen, het bouwrijp maken, zetting en stabiliteit. Ontgrondingen, die uitsluitend worden verricht voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van deze werken worden via onderhavige bepaling vrijgesteld van de vergunningplicht. Ook de aanleg of verbreding van een vaarweg valt onder deze vrijstelling.

 

Categorie i:Werkzaamheden, gericht op de verbetering van de bodemgesteldheid, moeten betrekking hebben op het verbeteren van de samenstelling en structuur van de grond, bv. het vervangen van slecht doorlatende zanden door grovere zand om zo de waterdoorlatendheid van de grond te verbeteren.

 

Het (ontgraven voor het) verbeteren van de bodemgesteldheid voor het realiseren van diverse werken, is vrijgesteld van de vergunningplicht, omdat hierbij veelal sprake is van een kortstondige ingreep in de bodem die niet van invloed is op de hoogteligging van het maaiveld. Het afgraven van grond waardoor open water ontstaat, is niet aan te merken als verbetering van de bodemgesteldheid en valt nadrukkelijk niet onder deze vrijstelling.

 

Categorie j: Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 22 juni 2004 de nota “Hergebruik van stortplaatsen” vastgesteld. In deze nota is het ontginnen en afgraven van voormalige en gesloten stortplaatsen betrokken. In paragraaf 2.3.3 Stortplaatsen zijn dienaangaande regels opgenomen.

 

Een initiatiefnemer voor het ontginnen van een stortplaats zal op basis van deze regeling een aanvraag om ontheffing moeten indienen. De aanvraag om ontheffing gaat onder meer vergezeld van een door de initiatiefnemer opgesteld hergebruikplan. In het kader van de aanvraag worden ook de milieu- en ruimtelijke aspecten van het hergebruiken van voormalige of gesloten stortplaatsen afgewogen. Daarbij worden ook de bij de ontginning betrokken belangen in ogenschouw genomen. Voor het ontginnen en afgraven van stortplaatsen is dus al een afwegingskader voorhanden. Het doel van de onderhavige uitzonderingsbepaling is om procedurele doublures te voorkomen. Overigens beperkt deze vrijstelling zich tot het afgraven binnen de contouren van de stortplaats. Indien de stort buiten de contouren wordt afgegraven is er in zijn totaliteit sprake van een ontgronding waarvoor een ontgrondingsvergunning is vereist.

 

Categorie k: In de Wet bodembescherming wordt reeds een volledige belangenafweging gemaakt waarbij aan het belang van het milieu tot sanering van de bodem een prominente rol is weggelegd. Een vergunningenprocedure in het kader van de Ontgrondingenwet voegt hier niet veel meer aan toe en kan ook vanwege het milieubelang geen ander gewicht aan zaken toe kennen. Voor het afgraven van licht verontreinigde grond, dat niet plaats vindt binnen de kaders van het ernstig geval van bodemverontreiniging, kan in voorkomende gevallen wel een ontgrondingsvergunning nodig zijn.

 

Categorie i: Tot slot is een algemene vrijstelling opgenomen voor functionele ontgrondingen, die niet in één van bovenstaande categorieën valt, en die niet groter zijn dan 2000m² en waarbij niet dieper dan 3.00 m beneden maaiveld wordt ontgrond.

 

Artikel 2.33 Vrijstelling vergunningplicht ontgronden met meldingsplicht

 

In dit artikel zijn de categorieën benoemd waarvoor een relatieve vrijstelling geldt. Voor deze ontgrondingen geldt dat er een meldingsplicht is ingesteld. Bij deze meldingsplichtige ontgrondingen geldt dat de vrijstelling alleen geldt als aan de voorwaarden is voldaan. In die gevallen beïnvloeden de activiteiten bodem, het landschap en de grondstoffenmarkt slechts marginaal. De meldingsplicht is opgenomen om zicht te houden op de grondstromen ten behoeve van de planning en beleidscoördinatie. Via de melding kan daarnaast, in het kader van toezicht en handhaving van regelgeving, registratie plaatsvinden.

 

De meldingsplicht geldt voor twee categorieën ontgrondingen:

 

1. functionele ontgrondingen groter dan 2000 m²

Een functionele ontgronding wordt ingegeven door andere motieven dan grondstoffenwinning. De ontgrondingsactiviteit staat volledig ten dienste van het ontwikkelen van de gewenste functie zoals bv. natuurontwikkeling. Het al dan niet vrijkomen van grondstoffen bij de activiteiten is een afgeleide.

 

De vrijstelling geldt alleen voor functionele ontgrondingen waarbij er ten hoogste 15.000 m³ grond wordt vergraven en waarbij niet dieper wordt ontgrond dan 3.00 meter onder maaiveld. Verder zijn er regels opgenomen, die betrekking hebben op de ligging van de ontgronding. De vrijstellingen geldt nadrukkelijk niet voor ontgrondingen, indien deze liggen in een archeologisch monument of aardkundig waardevol gebied. Deze gebieden zijn als werkingsgebied op de kaart van deze verordening aangegeven.

 

Een ontgronding mag geen afbreuk doen aan aa