Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oost Gelre

Verordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOost Gelre
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre
CiteertitelVerordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpMaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Jeugdwet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020wijziging artikel 8, toevoeging artikel 8a en 8b.

17-12-2019

gmb-2019-311332

17-12-2019/21
01-01-201501-01-2020Nieuwe regeling

14-10-2014

www.officiëlebekendmakingen.nl

14-10-2014/12

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre

De raad van de gemeente Oost Gelre;

gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 26 augustus 2014;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

gelet op artikel 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet;

overwegende dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen, de wijze waarop een persoonsgebonden budget (pgb) wordt vastgesteld en de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

 

BESLUIT:

 

Vast te stellen de

VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE OOST GELRE

 

Hoofdstuk 1 Begrippen en vormen van jeugdhulp

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • 2.

    college: college van burgemeester en wethouders of een door het college gemandateerd orgaan;

  • 3.

    gezinsplan: het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • 4.

    individuele voorziening: de op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening, zoals genoemd in artikel 2, lid 2 van deze verordening, die door het college in natura of bij pgb via een verleningsbeschikking is verstrekt;

  • 5.

    jeugdhulp: de jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • 6.

    melding: melding van een ondersteuningsvraag als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;

  • 7.

    ondersteuningsvraag: de behoefte van een jeugdige of een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet;

  • 8.

    overige voorzieningen: de voorzieningen als bedoeld in artikel 2.9, onder a van de wet en genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening die voor jeugdigen en ouders vrij toegankelijk zijn;

  • 9.

    pgb: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp, die in de vorm van een individuele voorziening is toegekend, van derden te betrekken;

  • 10.

    wet: Jeugdwet;

  • 11.

    woonplaats: de woonplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    Devolgende overige voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      Informatie en advies

    • b.

      Opvoed- en opgroeiondersteuning

    • c.

      Lichte ambulante hulpverlening

  • 2.

    De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      Intensieve ambulante hulpverlening

    • b.

      Dag- en deeltijd behandeling

    • c.

      Verblijf deeltijd

    • d.

      Verblijf 24-uurs zorg

    • e.

      Pleegzorg

    • f.

      Crisishulp, crisisopvang

    • g.

      Jeugdzorg Plus

  • 3.

    Het college is bevoegd om bij nadere regeling vast te stellen welke overige en individuele voorzieningen verder beschikbaar zijn.

  • 4.

    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening genoemd in lid 1. De huisarts, medisch specialist, jeugdarts of andere betrokken instanties kunnen jeugdigen en ouders rechtstreeks verwijzen naar een overige voorziening genoemd in lid 1.

Hoofdstuk 2 Individuele voorziening

Artikel 3 Melding

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een ondersteuningsvraag melden bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding al dan niet schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 3.

    De huisarts, medisch specialist en de jeugdarts kunnen een jeugdige of zijn ouders doorverwijzen naar een individuele voorziening. Het college registreert deze verwijzing.

  • 4.

    Voor spoedeisende gevallen draagt het college zorg voor een passende tijdelijke voorziening, of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp bij de rechter als bedoeld in artikel 6 van de Jeugdwet.

Artikel 4 Onderzoek

  • 1.

    Een gesprek maakt onderdeel uit van het onderzoek. Het gesprek vindt plaats met de jeugdige en zijn ouders of zijn wettelijk vertegenwoordiger.

  • 2.

    De jeugdige of zijn ouders verstrekken alle toegankelijke gegevens die volgens het college nodig zijn voor het onderzoek. In ieder geval wordt het identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht door de jeugdige of zijn ouders verstrekt.

  • 3.

    Als de gegevens van de jeugdige en zijn situatie al voldoende bekend zijn, kan het college afzien van de in lid 2 bedoelde gegevensverzameling.

  • 4.

    Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders:

    • a.

      het probleem of de ondersteuningsvraag, de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;

    • b.

      Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      Het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden;

    • d.

      De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • e.

      De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • f.

      De mogelijkheden om een individuele voorziening te treffen;

    • g.

      De wijze waarop de individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • h.

      De mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget.

  • 5.

    In gevallen bedoeld in artikel 8.2.1. van de wet informeert het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd.

  • 6.

    Het college vraagt de jeugdige of zijn ouders toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.

  • 7.

    Het college zorgt voor schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek waaronder een verslag van het gesprek.

  • 8.

    Het college verstrekt het verslag zo spoedig mogelijk na het gesprek aan de jeugdige of zijn ouders.

Artikel 5 Aanvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag, zoals bedoelt in artikel 4, lid 7, of een gezinsplan aanmerken als aanvraag indien de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag dan wel gezinsplan hebben aangegeven.

Artikel 6 Voorwaarden individuele voorziening

Het college kent een individuele voorziening toe als door het college is vastgesteld dat:

  • 1.

    de gemeente Oost Gelre op grond van het beginsel “woonplaats” zoals genoemd in artikel 1.1 van de wet verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wet;

  • 2.

    de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;

  • 3.

    de jeugdige of zijn ouders geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te kunnen maken van een overige voorziening of;

  • 4.

    de jeugdige of zijn ouders geen oplossing kan vinden voor zijn ondersteuningsvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening.

Artikel 7 Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij de verstrekking van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is;

    • c.

      welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt;

    • d.

      welke eventuele andere voorzieningen relevant zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de beschikking vastgelegd:

    • a.

      voor welke individuele voorziening het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke voorwaarden gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte is van het pgb en hoe deze is berekend;

    • d.

      hoe de feitelijke betaling ten laste van het verstrekte pgb plaatsvindt;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4.

    Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.

Artikel 8 Regels voor een pgb
  • 1.

    Als een jeugdige of ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen:

    a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;

    b. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    c. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;

    d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 2.

    De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

    a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    d. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • 3.

    Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 4.

    De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk voor zover het niet gaat om ggz-behandeling.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

 

Artikel 8A. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp

  • 2.

    Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:

    a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; RAADSBESLUIT 56732-2019 2

    b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.

  • 4.

    Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

 

Artikel 8B. Hoogte pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura (berekend met behulp van het tariefmodel sociaal domein Achterhoek), waarbij de overheadkosten naar beneden zijn bijgesteld naar 15%, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 2.

    Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, vakantie-uren en sociale lasten, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.

    • .

Artikel 9 Controle

Het college onderzoekt of de verstrekte voorziening wordt gebruikt of besteed voor het doel waarvoor de voorziening is verstrekt.

Artikel 10 Herziening, intrekking en terugvordering individuele voorziening

  • 1.

    Onverminderd artikel 8.1.2. van de wet doet een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4. van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken als er sprake is van wijziging van nadere regels en/of beleidsregels. Het college neemt bij hierdoor te nemen beschikkingen een redelijke overgangstermijn in acht.

  • 4.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, d of e heeft ingetrokken of heeft herzien en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 5.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 3 Overige bepalingen

Artikel 11 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 12 Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college stimuleert vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep jeugd.

Artikel 13 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders van één of meer bepalingen in deze verordening afwijken, indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 14 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen voor de uitvoering van deze verordening.

Artikel 15 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 14 oktober 2014.

De raad van de gemeente Oost Gelre,

raadsgriffier,

J. Vinke

voorzitter,

A. Bronsvoort

Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Oost Gelre

Algemeen

De Jeugdwet ( hierna: wet) treedt op 1 januari 2015 in werking. De verordening geeft uitvoering aan deze wet. De wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisaties naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor de verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen.

Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel waarbij een wettelijk recht op jeugdzorg (aanspraak) bestond naar een stelsel waarbij de gemeente de plicht heeft om voorzieningen te leveren en maatwerk levert. De eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin is hierbij het uitgangspunt.

De verordening bevat een uitwerking van artikel 2.9, 2.10, 2.12 en artikel 8.1.1 lid 4 van de wet.

De verordening moet in samenhang worden gezien met het beleidsplan Jeugdhulp.

Deze verordening regelt de procedure voor een individuele voorziening voor jeugdhulp. De wet is hierbij het uitgangspunt.

Bepalingen die in de wet zijn opgenomen worden in de verordening alleen genoemd als dit nodig is om een compleet beeld van de procedure te geven.

In de verordening gebruiken we de begrippen “jeugdige en/of ouder” overeenkomstig de wet.

Met de aanduiding “jeugdige of zijn ouders” bedoelen we: de jeugdige zelfstandig (vanaf 16 jaar of ouder), de jeugdige met een of beide ouders (zoals genoemd onder “ouder” in de definitie van artikel 1.1 van de wet).

De wet gaat ervan uit dat de gemeente via de verordening helder maakt wat concreet het aanbod is aan voorzieningen dat wordt ingezet om te voldoen aan de hulpvragen van jeugdigen en ouders. In de verordening is een opsomming gegeven van overige voorzieningen en individuele voorzieningen.

Een overige voorziening is vrij-toegankelijk. Een individuele voorziening is niet vrij-toegankelijk en wordt verstrekt nadat de gemeente heeft onderzocht en heeft bepaald dat deze individuele voorziening noodzakelijk is. De gemeente legt het toekennen van een individuele voorziening vast in een beschikking.

Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten kunnen jeugdigen doorverwijzen naar een individuele voorziening. De gemeente legt het toekennen van deze individuele voorziening vast in een beschikking.

Voor jeugdhulp die wordt ingezet bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering geeft de gemeente geen beschikking af. De procedure hiervoor is in de wet geregeld. De gemeente is wel verantwoordelijk voor deze vorm van jeugdhulp.

Uitgangspunt bij de decentralisatie van alle jeugdhulp is dat gemeenten vanaf de inwerkingtreding van de wet verantwoordelijk zijn voor alle jeugdigen en ouders die een beroep doen op jeugdhulp. Wel is ervoor gekozen om een overgangsjaar in te bouwen met betrekking tot die jeugdigen en hun ouders die op het moment van inwerkingtreding al een verwijzing in de zin van de Zorgverzekeringswet of een indicatiebesluit in de zin van de Algemene wet bijzondere ziektekosten of de Wet op de jeugdzorg hebben. Deze verwijzingen en indicatiebesluiten blijven nog een jaar na inwerkingtreding van de onderhavige wet gelden, met dien verstande dat de gemeente vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet de financieel verantwoordelijke partij wordt. Het overgangsrecht is geregeld in hoofdstuk 10 van de wet. In de verordening is geen overgangsrecht opgenomen.

Alleen het toekennen van de individuele voorziening via een verleningsbeschikking is in de verordening opgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt. De in artikel 1.1 van de wet genoemde definities zijn bindend voor deze verordening.

De definitie “andere voorziening” betreft een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. De term “andere voorziening” moet niet verward worden met de term “overige voorziening”.

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

In dit artikel zijn de vormen van overige voorzieningen en individuele voorzieningen weergegeven die de gemeente beschikbaar stelt. Een overige voorziening is vrij toegankelijk. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt door dit artikel zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.

De term “in ieder geval” geeft aan dat het college deze voorzieningen beschikbaar stelt en dat het aanbod van de overige voorzieningen en individuele voorzieningen mogelijkerwijs worden uitgebreid indien ervaringen uit de praktijk erop wijzen dat dit noodzakelijk is. Op grond van lid 3 is het college bevoegd om het aanbod uit te breiden.

Artikel 3 Melding

De cliënt doet een melding van een behoefte aan jeugdhulp, de ondersteuningsvraag. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.

Het college, zoals genoemd in het eerste en tweede lid, kan onder meer het door het college ingezette Wmo loket, het ondersteuningsteam of de jeugdhulpaanbieder zijn. In het derde lid wordt de jeugdhulpaanbieder bedoeld. In het vierde lid wordt gesproken over een passende tijdelijke voorziening. Hiermee wordt onder andere crisisopvang bedoeld. Het college is in dit geval geen gemandateerd orgaan.

Artikel 4 Onderzoek

Nadat er melding is gedaan, start het college het onderzoek. Het onderzoek wordt in onze gemeente verricht door het Wmo loket, het ondersteuningsteam Jeugd en Gezin Oost Achterhoek of de jeugdhulpaanbieder. Deze specialisten doen dit in opdracht van het college.

Artikel 5 Aanvraag

Voor het verkrijgen van een individuele voorziening moet een aanvraag worden ingediend bij het college.

Aan de hand van deze aanvraag neemt het college een besluit om een individuele voorziening wel of niet toe te kennen.

Artikel 6 Voorwaarden individuele voorziening

In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen. Het college moet beoordelen in welke mate de jeugdige op eigen kracht, al dan niet met behulp van zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, een oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden. Hierbij is het uitgangspunt dat wanneer een jeugdige dit niet op eigen kracht kan en een overige voorziening of algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, een individuele voorziening wordt toegewezen.

Artikel 7 Beschikking

Het college legt het toekennen van een individuele voorziening vast in een beschikking. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige een voorziening in “natura” krijgt. In de gevallen dat gemotiveerd wordt aangegeven dat de voorziening in natura niet geschikt is, kan een pgb worden toegekend. In artikel 8 zijn de regels voor het pgb opgenomen.

In artikel 7 zijn de elementen voor een individuele voorziening in natura verwoord. Als de individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt worden in de beschikking criteria opgenomen voor de besteding van het pgb.

De ouderbijdrage wordt op grond van artikel 8.2.1 van de wet geheven als jeugdhulp wordt geboden en deze jeugdhulp verblijf buiten het gezin inhoudt. Inning van de ouderbijdrage gebeurt niet door de gemeente maar door een bestuursorgaan dat door het ministerie is aangewezen. Er moet wel melding worden gemaakt van de ouderbijdrage in de beschikking.

Artikel 8 Persoonsgebonden budget (pgb)

In artikel 8.1.1. van de wet zijn de criteria opgenomen waaraan de jeugdige of zijn ouders moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb. Deze criteria zijn in deze verordening niet opnieuw opgenomen.

Het college kan een pgb weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. De intrekking of herziening van een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget is geregeld in artikel 8.1.4. van de wet.

In artikel 8 lid 3 is opgenomen dat het college nadere regels kan stellen over de voorwaarden waaronder een pgb wordt verstrekt. Dit betreft o.a. toetsingscriteria waaraan een jeugdige of zijn ouders moeten voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb en voorwaarden waaraan de individuele voorziening die wordt ingekocht moet voldoen.

Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en de ouders uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen. Er wordt een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld. De Sociale verzekeringsbank voert namens het college de betalingen uit. Betalingen worden verricht indien de door de jeugdige en zijn ouders zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Artikel 9 Controle

Het in dit artikel genoemde onderzoek kan steekproefsgewijs gebeuren.

Artikel 10 Herziening, intrekking en terugvordering individuele voorziening

In artikel 2.9, onder d van de wet is bepaald dat bij verordening regels gesteld kunnen worden voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 8.1.4. van de wet regelt in welke gevallen het college een beslissing inzake een pgb kan herzien of kan intrekken. In artikel 10, lid 4 is opgenomen dat het college ook in gevallen waarin misbruik is gemaakt van een individuele voorziening in natura de geldswaarde kan vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening.

Lid 3 bepaalt dat het college een besluit geheel of gedeeltelijk kan intrekken als er sprake is van wijziging van nadere regels en/of beleidsregels. Hierbij moet een redelijke termijn in acht worden genomen.

Artikel 11

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.12 van de wet. Deze bepaling is bij amendement in de wet ingevoegd.

Artikel 12. Inspraak en medezeggenschap

Met dit artikel wordt voldaan aan de wettelijke verplichting in artikel 2.10 van de wet. Daarbij wordt ook in overwegende mate aangesloten op de betreffende regelgeving in de Verordening maatschappelijke ondersteuning op basis van de Wmo 2015. Met de formulering in het derde lid wordt de nadruk meer gelegd op de gelegenheid tot inspraak en medezeggenschap en minder op de wijze waarop dit kan worden vorm gegeven.

Artikel 13 Hardheidsclausule

Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.

Artikel 14 Nadere regels

Het kan noodzakelijk zijn om nadere regels te stellen op het gebied van onderwerpen die niet expliciet als onderwerp van nadere regelgeving zijn aangemerkt. In nadere regels kunnen onderwerpen uit de verordening nader worden uitgewerkt.