Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Peel en Maas

Uitvoeringsregeling subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatiePeel en Maas
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingUitvoeringsregeling subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties
CiteertitelUitvoeringsregeling subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene subsidieverordening Peel en Maas

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2017nieuwe regeling

19-12-2016

GVOP

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN PEEL EN MAAS;

Gelet op de Algemene Subsidieverordening Peel en Maas;

 

Gelet op het bepaalde in het, door de Raad van de gemeente Peel en Maas d.d. 19 januari 2016 vastgestelde, algemene subsidieverordening ;

 

Overwegende dat het wenselijk is uitvoeringsregels vast te stellen voor het uitvoeren van de subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties.

 

BESLUITEN:

 

Vast te stellen de volgende uitvoeringsregeling:

 

Uitvoeringsregeling subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Subsidieverordening: de Algemene Subsidieverordening Peel en Maas;

  • b.

    Actieve leden/deelnemers zijn diegenen die daadwerkelijk en structureel (dus vaker dan maar af en toe) deelnemen aan de activiteiten (de sporters, muzikanten, schutters enz.), alsook degenen die structureel als vrijwilliger actief zijn bij de uitvoering van de activiteiten of het runnen van de vereniging/organisatie. Als niet actief worden bv. aangemerkt de zgn. steunende leden, donateurs, ereleden of anderen die geen (of een slechts minimale) actieve deelname hebben aan de activiteiten.

  • c.

    vaststaande subsidieperiode: het tijdvak van vier jaar waarvoor subsidie wordt verleend

Overige begrippen worden in de regeling nader uitgewerkt dan wel in de toelichting benoemd.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Het bepaalde in de deze uitvoeringsregeling is enkel van toepassing op de verstrekkingen van subsidies door burgemeester en wethouders voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten en aan de in artikel 5 genoemde doelgroepen.

Artikel 3 Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van het gemeentelijk beleidsthema 3: Burgerschap en Samenleving en die een wezenlijk gemeenschapsbelang dienen.

  • 2.

    De activiteiten dienen plaats te vinden op het vlak van:

    • a.

      gemeenschapsontwikkeling en leefbaarheid,

    • b.

      jeugd en gezin,

    • c.

      wonen-welzijn-zorg,

    • d.

      sport en bewegen,

    • e.

      kunst en cultuur.

Artikel 4 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 9 2e lid van de subsidieverordening kunnen burgemeester en wethouders subsidie weigeren voor

  • a.

    activiteiten met een (para)commercieel doel c.q. karakter;

  • b.

    activiteiten in de hobbysfeer of met een recreatief karakter;

  • c.

    activiteiten die een slechts geringe (of helemaal geen) actieve deelname hebben van inwoners van Peel en Maas en die daarom voor de eigen inwoners vooral van recreatief belang zijn;

  • d.

    activiteiten die koepelorganisaties aanbieden aan de (leden van) de aangesloten organisaties;

  • e.

    activiteiten van politieke aard;

  • f.

    activiteiten met een religieus of levensbeschouwelijk karakter;

  • g.

    activiteiten die niet algemeen toegankelijk zijn vanwege bv. de hoge kosten van deelname of het hanteren van een selectie- of invitatiestelsel (behalve als daarvoor een functionele aanleiding bestaat);

  • h.

    activiteiten die schadelijk zijn voor natuur en milieu of die anderszins strijdig zijn met de duurzaamheid;

  • i.

    activiteiten waarbij er sprake is van een ongerechtvaardigd eigen belang van de aanvrager;

  • j.

    activiteiten waarvoor op grond van een andere regeling al subsidie is verleend.

Artikel 5 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie op grond van deze regeling wordt uitsluitend verstrekt aan verenigingen en vrijwilligersorganisaties.

  • 2.

    Tot de doelgroep hoort in ieder geval niet:

    • a.

      Verenigingen met vooral ontmoetings- en gezelligheidsactiviteiten waaronder buurtverenigingen.

    • b.

      Hobbyclubs, recreatieve groepen, vriendenclubs.

    • c.

      Cafésporten, alle denksporten en kaartspelen en behendigheidssporten als biljarten, bowling, kegelen, dart, (midget-)golf.

    • d.

      Overlegplatforms die verenigingen zelf instellen en/of in stand houden voor het behartigen van hun gemeenschappelijke belangen en ten behoeve van de onderlinge samenwerking.

    • e.

      Ten behoeve van een vereniging functionerende nevenorganisaties of verzelfstandigde afdelingen/onderdelen waarvan de activiteiten primair ten dienste staan van of zijn toe te rekenen aan de vereniging waaraan ze gelieerd zijn. De activiteiten van dit soort organisaties worden betrokken bij de subsidievaststelling voor de ‘moedervereniging’.

    • f.

      Organisaties die activiteiten uitvoeren die onlosmakelijk deel uitmaken van een groter geheel hetgeen ook algemeen als zodanig wordt ervaren. De activiteiten van dit soort organisaties worden betrokken bij de subsidievaststelling voor de vereniging die leidend is voor het geheel.

    • g.

      Politieke en levensbeschouwelijke organisaties.

    • h.

      Verenigingen die niet algemeen toegankelijk zijn vanwege bv. ideologie of levensbeschouwing, hoge kosten van deelname, ballotage, beperkingen die liggen in de aard van de activiteiten (bv. een popband of een zangtrio).

    • i.

      Verenigingen/activiteiten die strijdig zijn met de duurzaamheid.

Artikel 6 Procedurebepalingen

  • 1.

    De subsidie wordt verleend voor een vaststaande subsidieperiode van 4 jaar.

  • 2.

    Verenigingen die niet bij de aanvang van een subsidieperiode zijn meegenomen in de algemene vierjaarlijkse verlening van de subsidies kunnen alsnog later een subsidieaanvraag indienen.

  • 3.

    Op de in lid 2 bedoelde aanvraag wordt een subsidiebesluit genomen voor de nog resterende jaren van de subsidieperiode. Het te nemen besluit ligt in de lijn van de regels zoals die algemeen zijn toegepast aan het begin van de vierjaarlijkse subsidieperiode.

  • 4.

    Op grond van artikel 17 lid 3 van de Algemene subsidieverordening Peel en Maas worden waarderingssubsidies één maal per vier jaar verleend op basis van een algehele inventarisatie van voor de subsidieverlening relevante verenigingsgegevens.

Artikel 7 Berekening van de subsidie

  • 1.

    De aan een vereniging of vrijwilligersorganisatie te verlenen waarderingssubsidie (jaarsubsidie) c.q. haar aandeel in het totaalbudget wordt gebaseerd op:

    • a.

      De verenigingsactiviteiten en de omvang van de daarvoor noodzakelijke vrijwilligersinzet.

    • b.

      De extra waarde/prestaties voor de gemeenschap.

    • c.

      Bijzondere kosten die de draagkracht te boven gaan. Hieronder worden uitsluitend verstaan de kosten voor actieve muzikanten van Hafabra-verenigingen en daarmee vergelijkbare muziekkorpsen.

  • 2.

    De berekeningssystematiek voor het vaststellen van de verschillende delen van de subsidie zijn vastgelegd in bijlage 1 bij deze uitvoeringsregeling.

Artikel 8 Tussentijdse wijziging van de het subsidiebedrag

  • 1.

    Een vereniging aan wie subsidie is toegekend kan in de loop van de vierjarige subsidieperiode vragen de subsidie tussentijds bij te stellen. Zo’n verzoek wordt slechts gehonoreerd:

    • a.

      indien de vereniging expliciet aantoont dat er ten opzichte van de oorspronkelijke opgave sprake is van een substantiële toename van haar inzet voor kwetsbare groepen; alsdan vindt een bijstelling plaats van de score (en het subsidie) voor uitsluitend dat aspect, óf

    • b.

      indien ten opzichte van de oorspronkelijke opgave het subsidiabele ledenaantal met tenminste 10% óf met tenminste 10 leden is toegenomen. Hierbij dient deze toename plaats te vinden binnen de categorie kinderen t/m 10 jaar, de categorie jeugdigen/jongeren van 11 t/m 20 jaar, of de categorie ouderen (65 plus). Een bijstelling vindt dan plaats voor het subsidiedeel dat is geënt op het ledenaantal (dus niet voor de andere factoren). Peildatum voor het ledenaantal is 1 januari van het subsidiejaar.

  • 2.

    Een in sub b genoemde tussentijdse herziening kan slechts één keer per vaststaande subsidieperiode plaatsvinden en geldt vervolgens voor de rest van de vierjarige subsidieperiode.

  • 3.

    Op de ingediende aanvraag wordt een subsidiebesluit genomen voor de nog resterende jaren van de subsidieperiode. Het te nemen besluit ligt in de lijn van de regels zoals die algemeen zijn toegepast aan het begin van de vierjaarlijkse subsidieperiode.

Artikel 9 Vaststelling en uitbetaling van het waarderingssubsidie

  • 1.

    Voor het eerste subsidiejaar van de vierjarige subsidieperiode wordt de subsidie bij het besluit tot subsidieverlening tegelijk ook vastgesteld. Het subsidie voor het eerste jaar wordt dan uitbetaald zonder dat de aanvrager actie hoeft te ondernemen. Voor de volgende jaren vindt de vaststelling en uitbetaling van het subsidie plaats aan de hand van een voor dat jaar in te dienen aanvraag. Volstaan kan worden met een verklaring dat de vereniging nog steeds actief is.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling en uitbetaling van het subsidie dient te zijn ondertekend. Gevraagd wordt om in de aanvraag ook steeds de actuele contactgegevens te vermelden, alsmede het bankrekeningnummer waarop het subsidie kan worden overgemaakt.

  • 3.

    De aanvraag tot vaststelling en uitbetaling van het subsidie kan worden ingediend op elk gewenst moment van het subsidiejaar maar uiterlijk tot 1 oktober. Na ontvangst zal de aanvraag meteen worden afgehandeld. Indien de aanvraag niet vóór de uiterste datum van 1 oktober is ingediend dan wordt aangenomen dat de vereniging/organisatie niet meer actief is en daarmee niet langer prijs stelt op subsidie.

Artikel 10 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze uitvoeringsregeling, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als uitvoeringsregeling subsidiëring van verenigingen en vrijwilligersorganisaties.

  • 2.

    De uitvoeringsregeling treedt in werking per 1 januari 2017.

  • 3.

    De uitvoeringsregels voor het subsidiëren van verenigingen en vrijwilligersorganisaties d.d. 13 februari 2012 worden met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken.

Aldus besloten in de vergadering van burgemeester en wethouders van 19 december 2016

gemeentesecretaris/directeur, burgemeester

L.P.H. Breukers, W.J.G. Delissen-van Tongerlo

Bijlage 1 Berekeningssystematiek

Hoofdstuk verenigingsactiviteiten 

 

Vrijwilligersinzet

De vrijwilligersinzet wordt gemeten aan de omvang en samenstelling van het leden-/deelnemers-bestand, de omvang/frequentie (intensiteit) van de uitgevoerde activiteiten en de werkbelasting die eigen is aan de aard van de vereniging c.q. activiteiten.

 

Gewogen ledenaantal

  • 1.

    Voor het bepalen van de vrijwilligersinzet wordt allereerst gekeken naar de omvang en samenstelling van het leden-/deelnemersbestand. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in vier leeftijdscategorieën. Het verschil in de voor de diverse categorieën benodigde vrijwilligersinzet wordt in de subsidieberekening meegenomen door het aantal (actieve) leden/deelnemers in de betreffende categorie te vermenigvuldigen met een wegingsfactor. Die factor is:

• 3 voor jeugdigen/jongeren van 11 t/m 20 jaar,

• 2 voor kinderen t/m 10 jaar,

• 1 voor ouderen (65 plus).

  • 2.

    De vrijwilligersinzet ten behoeve van volwassenen (21 t/m 64 jaar) wordt voor de subsidievaststelling niet meegenomen. Voor die leeftijdsgroep is dus de wegingsfactor 0.

  • 3.

    Voor de subsidieberekening wordt het aantal (actieve) leden/deelnemers in elke leeftijdsgroep vermenigvuldigd met de voor die groep geldende wegingsfactor. De uitkomsten hiervan worden bij elkaar opgeteld. Dit resulteert in het ‘Gewogen aantal deelnemers’ (G).

 

Intensiteit van verenigingsactiviteiten

  • 1.

    De vrijwilligersinzet wordt niet alleen bepaald door het aantal deelnemers in de verschillende leeftijdsgroepen maar ook door de mate waarin die deelnemers actief zijn (de intensiteit van de activiteiten). Voor het bepalen hiervan wordt het wekelijks (of meermalen per week) deelnemen aan een verenigingsactiviteit gesteld op 100% (dit normpercentage komt overeen met 40 activiteiten per deelnemer per jaar). Het percentage wordt verminderd naar gelang het aantal activiteiten en/of het gemiddelde aantal deelnemers minder is dan de norm.

  • 2.

    De intensiteit van de activiteiten (I) wordt als volgt in de subsidieberekening meegenomen:

• Een gemiddeld deelname aan 40 of meer bijeenkomsten per deelnemer per jaar wordt gesteld op 100%.

• Bij minder bijeenkomsten en/of een lagere deelname geldt een percentage naar rato, met dien verstande dat het door de vereniging opgegeven lagere percentage wordt vermenigvuldigd met 8/7 (en afgerond op 2,5%).

• Als minder dan 75% van de leden/deelnemers afkomstig is uit de gemeente dan wordt ook dat in het percentage verdisconteerd (uitwonende studenten worden geteld als inwoner). Het percentage Intensiteit (I) wordt in dat geval vermenigvuldigd met de factor n/75%, waarbij n staat voor het percentage in de gemeente woonachtige deelnemers.

• Bij iedere KBO 50% van het totaal aantal 65+ers in woonachtig in de betreffende kern ingevuld. Vervolgens is er van uitgegaan dat van al deze mensen 50% wekelijks iets bij KBO doet. Dus dan is de som: 100% (wekelijkse activiteiten) x 50% (actieve leden) x 100% (afkomstig uit Peel en Maas) x 8/7 (correctiefactor die overal wordt gehanteerd).Dat leidt dan tot intensiteit van 57,5%.

 

Aard van de verenigingsactiviteiten

  • 1.

    Een derde aspect wat meeweegt voor het bepalen van de vrijwilligersinzet is de aard van de vereniging c.q. van de activiteiten. Aan verenigingen van eenzelfde type wordt dezelfde zwaarte/wegingsfactor toegekend.

  • 2.

    De voor de verschillende soorten verenigingen/activiteiten toe te passen factoren wegens de Verenigingseigen vrijwilligersinzet (V) zijn:

• 4,00 voor de specifieke jeugdverenigingen,

• 2,00 voor de - m.n. op kinderen gerichte - volksfeesten (Sinterklaas enz.) en voor het kindervakantiewerk,

• 1,50 voor alle zaalsporten en voor voetbal, tennis, hockey, atletiek, ruitersport en zwemmen,

• 1,25 voor beugelen, jeu de boules, handboogschieten, wielerclubs, visclubs, ,

• 1,50 voor muziekverenigingen, toneelclubs, dansgroepen, carnavalsverenigingen waaraan een dansgroep verbonden is, heemkundeverenigingen, alsook voor disco De Springer en voor Funpop,

• 1,25 voor de schutterijen, zangkoren, carnavalsverenigingen, de fotoclub en het literair café,

• 1,25 voor de KBO’s, de vrouwenorganisaties en de Zonnebloemafdelingen,

• 3,50 voor ontmoetingsactiviteiten voor zieken (het ziekentriduüm e.d.),

• 1,50 voor het Rode Kruis en de EHBO,

• 1,50 voor natuurbeschermingsorganisaties.

  • 3.

    De voor een vereniging geldende factor wordt met 0,25 verlaagd wanneer er sprake is van substantiële inkomsten uit kantine-exploitatie.

 

Formule vrijwilligersinzet

  • 1.

    Het subsidiedeel op basis vrijwilligersinzet wordt berekend volgens de formule: Subsidie = G x I x V x E

  • 2.

    Hierin is G het Gewogen aantal deelnemers (zie artikel 5), I is de Intensiteit van de activiteiten (zie artikel 6), V is de Verenigingseigen inzet (artikel 7) en E het subsidiebedrag dat per eenheid beschikbaar is. Voor de subsidieperiode 2017-2020 bedraagt die rekeneenheid € 5,02.

  • 3.

    De subsidieberekening per vereniging of activiteit voor de periode 2017-2020 is weergegeven in de “Lijst van te verlenen waarderingssubsidies2017-2020”.

 

Hoofdstuk waarde gemeenschap 

Aspecten waardering waarde gemeenschap

  • 1.

    De aspecten die extra worden gewaardeerd zijn:

• bevordert de verbondenheid in de gemeenschap,

• heeft een extra inzet voor/binnen de gemeenschap,

• is vernieuwend of draagt bij aan het culturele leven en/of aan de diversiteit van het plaatselijk verenigingsleven,

• zet zich in voor de integratie/emancipatie van kwetsbare groepen –ongeacht of het al dan niet gaat om inwoners van de gemeente

  • 2.

    Een vereniging kan hoger, lager of niet scoren op elk van de genoemde aspecten. De behaalde totaalscore wordt vermenigvuldigd met het hiervoor vast te stellen normbedrag.

  • 3.

    De voor de subsidieperiode 2017-2020 per vereniging/activiteit toegekende punten (maximaal 3 per aspect) zijn vermeld in de “Lijst van waarderingssubsidies 2017-2020”.

  • 4.

    Die rekeneenheid voor de subsidieperiode 2017-2020 bedraagt € 400.

  

Hoofdstuk bijzondere kosten 

 

Bijzondere verenigingskosten

  • 1.

    Voor de subsidieperiode 2017-2020 zijn de door de verenigingen opgegeven aantallen muzikanten vermeld in de “Lijst van te verlenen waarderingssubsidies 2017-2020”. Het betreft uitsluitend de muzikanten die een verenigingsinstrument bespelen.

  • 2.

    Dit aantal actieve muzikanten is vermenigvuldigd met het de rekeneenheid. Voor de subsidieperiode 2017-2020 bedraagt de eenheid € 57,47 per actieve muzikant. Deze eenheid is van toepassing voor Hafabra-verenigingen en voor de actieve muzikanten van de muziek- en trommelkorpsen die zijn verbonden aan de schutterijen.

  • 3.

    Hafabra-verenigingen ontvangen aanvullend per actieve muzikant een bedrag € 26,95 ter compensatie van hogere uitvoeringskosten.

 

Overgangsregeling

De invoering per 1 januari 2017 van de in het vorenstaande beschreven nieuwe systematiek voor het toekennen van jaarsubsidies leidt ertoe dat verenigingen te maken kunnen krijgen met een substantiële verandering (verhoging of verlaging) van het jaarlijks ontvangen subsidie. Om verenigingen tijd te geven zich hierop in stellen en passende maatregelen te nemen wordt een overgangsregeling toegepast volgens welke de verhoging/verlaging plaatsvindt in drie stappen (van telkens 1/3 deel) -met per stap een minimum van € 500. Dit uiteraard tot het nieuwe subsidieniveau bereikt is.