Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Raalte

Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRaalte
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015
CiteertitelBeleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet, art. 18a
  2. IOAW, art. 20a
  3. IOAZ, art. 20a
  4. Boetebesluit sociale zekerheidswetten
  5. Participatiewet, art. 17
  6. IOAW, art. 13
  7. IOAZ, art. 13

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

20-01-2016nieuwe regeling

15-12-2015

Gemeenteblad 2016, 3849

1119-2015

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015

Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015

Het college van de gemeente Raalte,

Gelet op het bepaalde in:

Artikel 18a van de Participatiewet en artikel 20a van de IOAW/IOAZ en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten geven een aantal bepalingen over het opleggen van boetes bij het niet, niet tijdig, of onvolledig nakomen van de inlichtingenplicht ingevolge artikel 17 van de Participatiewet en artikel 13 IOAW/IOAZ. Deze bepalingen zijn dwingendrechtelijk.

Besluit:

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Raalte vast te stellen: ’Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015’.

 

Inleiding

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) een uitspraak gedaan waarbij het zonder meer volgen van deze wettelijke bepalingen onder meer in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel. Naar aanleiding van deze uitspraak en een eerder verschenen rapport met aanbevelingen, van de Nationale ombudsman over de uitvoering van de handhavingswetgeving in de sociale zekerheid heeft de minister in een schrijven van 16 december 2014 (ref nr. 2014-0000185932) aan de Tweede Kamer laten weten dat de regelgeving aangepast zal gaan worden.

Het ministerie van SZW heeft de verzamelbrief van 22 december 2014 (ref. nr. 0000187277) aan de gemeenten laten weten dat vooruitlopend op die gewijzigde regelgeving de uitvoering van de handhavingswetgeving in de lijn van de uitspraak van de CRvB zal moeten plaatsvinden.

In deze beleidsregel legt het college regels vast over de uitvoering van de handhavingswetgeving die in de lijn van de uitspraak zijn.

Hoofdstuk 1. Evenredigheidsbeginsel

De CRvB heeft bepaald dat bij het opleggen van boetes in het kader van het sociaal zekerheidsrecht een indringende toets aan het evenredigheidsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht ( artikel 5:46 tweede lid) zal moeten plaatsvinden. De gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het invullen van criteria voor verminderde verwijtbaarheid. Er is gekozen om geen onderscheid te maken in de hoogte van het benadelingsbedrag.

Artikel 1. De beoordeling op te leggen boete

Het college voldoet aan deze eis door in deze beleidsregel regels op te nemen over hoe bij de beoordeling van een op te leggen boete gekeken moet worden, hoe die (hoogte van) op te leggen boete zich verhoudt tot:

  • a)

    De aard van de boetewaardige gedraging;

  • b)

    Het al dan niet met opzet plegen van de boetewaardige gedraging;

  • c)

    De persoon van de belanghebbende en de omstandigheden waarin hij verkeert;

  • d)

    De mate van verwijtbaarheid van de boetewaardige gedraging.

Hoofdstuk 2. Opzet en grove schuld

Het verschil tussen opzet en grove schuld zit hem in de bedoeling van de overtreder. Bij opzet handelt iemand opzettelijk, bij schuld is dat niet het geval.

Artikel 2. Opzet

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, waardoor de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk wordt nagekomen. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan.

 

Bij opzet of voorwaardelijke opzet wordt een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd.

Artikel 3. Grove schuld

Grove schuld is een in laakbaarheid, aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid zoals het bijvoorbeeld niet meer reageren op oproepen van het college. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan bijstand zou kunnen worden toegekend.

 

Bij grove schuld wordt een boete van 75% van het benadelingsbedrag opgelegd.

Hoofdstuk 3. Het bepalen van de mate van verwijtbaarheid

De mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten wordt beoordeeld naar de situatie op het moment waarop de belanghebbende zijn verplichting had moeten nakomen. Hierbij hanteert het college de volgende regels.

 

Overzicht van mate van verwijtbaarheid en maximale boetes.

 

Mate van verwijtbaarheid

Kenmerken

Maximale % van het benadelingsbedrag

Maximale boete

Opzet

Willens en wetens

100%

€ 81.000,-

 

Grove schuld

 

Grove onachtzaamheid

 

75%

 

€ 8.100,-

 

Normale gemiddelde verwijtbaarheid

 

Geen opzet, wel verwijtbaar.

 

 

50%

 

€ 8.100,-

Verminderde verwijtbaarheid

Verminderde verwijtbaarheid

25%

€ 8.100,-

 

Artikel 4. Verwijtbaarheid

Op grond van artikel 18a lid 7 van de Participatiewet en artikel 20a lid 7 van de IOAW/IOAZ is het college bevoegd, de bestuurlijke boete te verlagen als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, of af te zien van de oplegging van een boete als daarvoor dringende redenen bestaan. Artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten geeft een aantal criteria van verminderde verwijtbaarheid welke criteria het college in deze beleidsregel heeft opgenomen.

Artikel 5. Uitgangspunten bij het vaststellen van volledige verwijtbaarheid

Voor het bepalen van de hoogte van de boete hanteert het college onderstaande uitgangspunten om te bepalen of er sprake is van volledige verwijtbaarheid:

  • -

    het college deelt bij de toekenning van een uitkering aan de belanghebbende mee welke feiten en omstandigheden van belang zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand die hij spontaan of desgevraagd aan het college moet melden. Het college gaat er dan ook, tenzij bijzondere omstandigheden op het tegendeel wijzen, steeds vanuit dat het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de uitkering;

  • -

    van een belanghebbende kan een redelijke inspanning worden gevergd om op de hoogte te raken van feiten en omstandigheden bij anderen die van invloed kunnen zijn op zijn uitkering (bijvoorbeeld omstandigheden van een inwonend kind). Het enkele feit dat die ander de belanghebbende niet spontaan van een relevante omstandigheid op de hoogte heeft gesteld, impliceert niet dat het niet melden daarvan niet of slechts in verminderde mate aan de belanghebbende kan worden verweten.

 

Het boetebedrag wordt bij het ontbreken van opzet of grove schuld gesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

Artikel 6. Verminderde verwijtbaarheid

Het college acht in ieder geval in de volgende gevallen verminderde verwijtbaarheid aanwezig:

de belanghebbende verkeerde op het moment dat hij aan zijn verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren, en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan zijn verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan het college is verstrekt. Te denken valt aan een onvoorziene korte periode van een crisissituatie in een gezin zoals een echtscheiding of plotselinge opname in een ziekenhuis van één van de gezinsleden.

er is sprake van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

 

Het boetebedrag wordt, bij verminderde verwijtbaarheid, gesteld op 25% van het benadelingsbedrag Dit geldt zowel voor het boetebedrag van de eerste boete als voor het bedrag van een eventuele recidiveboete.

Artikel 7. Geen verwijtbaarheid

Het college acht in ieder geval in de volgende situaties geen verwijtbaarheid aanwezig:

  • -

    als een belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie verstrekt of een wijziging van omstandigheden niet onverwijld meldt, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt voordat het college de overtreding constateert is er geen sprake van verwijtbaarheid. Meldt de belanghebbende de wijziging van omstandigheden in het kader van een controle van het college, dan is géén sprake van het ontbreken van verwijtbaarheid;

  • -

    als er bij een belanghebbende sprake is van een zodanige psychische stoornis dat hij niet(op tijd) aan de inlichtingenplicht kan voldoen, of hij door zijn geestelijke vermogens feitelijk handelingsonbekwaam is en er (nog) geen sprake is van een adequate begeleidingen/of hulpverlening. Wanneer bovenstaande het geval is kan er gekozen worden om een medisch onderzoek door een externe partij ingezet worden. De uitkomst van het medisch onderzoek moet bewijzen dat er sprake is van psychische beperking en belanghebbende handelingsonbekwaam is;

  • -

    als er zich bij een belanghebbende een onvoorziene omstandigheid heeft voorgedaan waardoor hij niet in staat was om te voldoen aan de inlichtingenplicht, zoals bijvoorbeeld bij een alleenstaande belanghebbende door een plotselinge ziekenhuisopname, of in een gezinssituatie als er gedurende een korte periode sprake is van huiselijk geweld.

 

Bij het ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen boete opgelegd.

Artikel 8. Geen sprake van verminderde of ontbreken van verwijtbaarheid

Er is in ieder geval geen sprake van verminderde of ontbreken van verwijtbaarheid in de volgende gevallen:

  • -

    een belanghebbende begrijpt de inhoud van de correspondentie van het college niet, bijvoorbeeld omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Van de belanghebbende mag worden verwacht dat hij zich laat informeren over de betekenis hiervan;

  • -

    een belanghebbende is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen. Van de belanghebbende mag worden gevergd dat hij ervoor zorgt dat een ander zijn zaken regelt. Laat hij dit na, dan is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

Hoofdstuk 4. Afzien bij dringende redenen en recidive

Artikel 9. Dringende redenen

Het college ziet af van het opleggen van een boete bij dringende redenen. Van een dringende reden kan sprake zijn, als het opleggen van een boete, in het individuele geval of zijn gezin, vanwege zeer uitzonderlijke, bijzondere omstandigheden onaanvaardbare consequenties zou hebben. Zowel financiële als niet-financiële omstandigheden worden hierin meegewogen. Voorbeelden hierbij kunnen zijn een huisuitzetting en medische noodsituaties als iemand geen uitkering krijgt.

Artikel 10. Waarschuwing

Op grond van artikel 18a lid 4 van de Participatiewet en artikel 20a lid 4 van de IOAW/IOAZ is het college bevoegd, af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing in gevallen zoals vastgelegd in artikel 18a lid 3 van de Participatiewet en artikel 20 a lid 3 van de IOAW/IOAZ (nulfraude). Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij de eerste keer nulfraude belanghebbenden een waarschuwing te geven.

Onder nulfraude wordt ook verstaan de belanghebbenden die niet voldoen aan de, in het kader van een toegekende uitkering ingevolge het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) opgelegde verplichting, om binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening en de kopie van de aangifte inkomstenbelasting in te sturen.

 

Artikel 11. Recidive

Artikel 18 a lid 5 van de Participatiewet en artikel 20a lid 5 van de IOAW/IOAZ bepalen dat bij recidive een boete van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag wordt opgelegd. Op dit bedrag wordt het boetepercentage toegepast dat voortkomt uit de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid (100% bij opzet tot 25% bij verminderde verwijtbaarheid).

Hoofdstuk 5. Overgangsrecht invoering Fraudewet

Artikel 12. Het overgangsrecht

Voor het berekenen van op te leggen boetes voor boetewaardige gedragingen die zich hebben voorgedaan voor 1 januari 2013 gelden de regels van de van toepassing zijnde afstemmingsverordening op het moment van het schenden van de inlichtingenplicht.

 

De op te leggen boete wordt berekend over de bijstandsnorm van de maand waarin het boetebesluit genomen wordt en wordt afgerond naar beneden op hele euro’s.

Hoofdstuk 6. Maximale boetes en minimale boetes

Artikel 13. Maximale boetes

De CRvB heeft ook uitgesproken dat voor wat betreft de maximale op te leggen boetes in het kader van het sociale zekerheidsrecht aansluiting moet worden gezocht bij de maximale boetes die op grond van artikel 23 vierde lid van het Wetboek van Strafrecht door een strafrechter kan worden opgelegd.

Dit betekent dat wanneer er sprake is van opzet de maximale boete € 81.000,- bedraagt en in alle overige gevallen is de maximale boete € 8.100,- Deze maximale bedragen gelden vanaf 1 januari 2014, voor zover deze bedragen in de toekomst worden geïndexeerd.

Wijzigingen beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015

 

 

Hoogte van boetes

 

Huidige regelgeving

De hoogte van de boete bedraagt:

- ingeval van fraude: 100% van het fraudebedrag;

- ingeval van herhaalde fraude (recidive): 150% van het fraudebedrag;

- ingeval van verminderde verwijtbaarheid (artikel 2a Boetebesluit): 50% van het fraudebedrag.

Nieuwe regelgeving

De hoogte van de boete bedraagt:

- als opzet aantoonbaar is: 100% van het fraudebedrag;

- als grove schuld (ernstige verwijtbaarheid) aantoonbaar is: 75% van het fraudebedrag;

- bij verwijtbaarheid (artikel 2a Boetebesluit): 50% van het fraudebedrag;

- bij verminderde verwijtbaarheid: 25% van het fraudebedrag.

Effect op uitvoering

Dit nieuwe beleidskader vraagt veel van het beoordelingsvermogen van de uitvoerend medewerkers. Zij moeten onderscheid kunnen maken tussen opzet en grove schuld en inzicht hebben in de mate van verwijtbaarheid. De werkinstructies zullen hierop worden aangepast.

Ingangsdatum

Per direct.

 

 

Minimumboete

 

Huidige regelgeving

De boete bedraagt minimaal €150,-, ook wanneer er sprake is van geen of een geringe benadelingsbedrag (artikel 2 Boetebesluit). Bij een eerste overtreding van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag (=nulfraude) wordt er een schriftelijke waarschuwing gegeven (mits er in de laatste twee jaar geen waarschuwing is geweest).

 

Nieuwe regelgeving

De minimale boete van 150,- verdwijnt. We gaan voortaan bij een eerste overtreding van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag (=nulfraude) over tot het geven van een schriftelijke waarschuwing (mits er in de laatste twee jaar geen waarschuwing is geweest).

Effect op uitvoering

Geen.

Ingangsdatum

Per direct.

 

 

Maximumboetes

 

Huidige regelgeving

Geen maximale boetes.

 

Nieuwe regelgeving

De CRvB heeft in haar uitspraak bepaald dat boetes niet hoger mogen zijn dan de boetes voor soortgelijke feiten in het strafrecht (artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht). Bij aangetoonde opzet kan de boete maximaal €81.000,- bedragen (geldboete 5e categorie). In alle overige gevallen bedraagt de maximale boete €8.100,- (geldboete 3e categorie). Deze bedragen gelden ook bij recidive.

Effect op uitvoering

Geen.

Ingangsdatum

De datum bekendmaking.

 

 

Gedragingen van vóór 1 januari 2013

 

Huidige regelgeving

Artikel XXV Fraudewet: - bij schending van de inlichtingenplicht vóór 1 januari 2013 geldt het oude sanctieregime (een maatregel van 10% van het benadelingsbedrag);

- bij schending van de inlichtingenplicht na 1 januari 2013 gelden de nieuwe boeteregels;

- bij schending van de inlichtingenplicht vóór 1 januari 2013 maar die doorgaan na 1 januari 2013, vallen allen onder de nieuwe boeteregels.

Nieuwe regelgeving

De uitspraak van de CRvB betekent voor de huidige praktijkuitvoering:

- bij schending van de inlichtingenplicht vóór 1 januari 2013 geldt het oude sanctieregime (een maatregel van 10% van het benadelingsbedrag);

- bij schending van de inlichtingenplicht na 1 januari 2013 gelden de nieuwe boeteregels;

- bij doorlopende overtredingen van voor en na 1 januari 2013 dient voor de hoogte van de boete een knip te worden gemaakt tussen de periode voor en na 1 januari 2013. Voor het deel van de overtreding dat heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 geldt het oude sanctieregime en voor het deel van de overtreding dat heeft plaatsgevonden na 1 januari 2013 gelden de nieuwe boeteregels. Hierdoor worden de reeds opgelegde boetes niet herzien.

Effect op uitvoering

Geen.

Ingangsdatum

Per direct.