Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Raalte

Richtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRaalte
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRichtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte
CiteertitelRichtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerpRichtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-07-2019nieuwe regeling

27-06-2019

gmb-2019-168315

15359-2019

Tekst van de regeling

Intitulé

Richtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte

De raad van de gemeente Raalte,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 3 juni 2019

gelet op het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en op het bepaalde in artikel 2.27, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 6.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht;

Besluit:

  • 1.

    De ‘Richtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte’ vast te stellen;

  • 2.

    Aan de op 29 januari 2015 vastgestelde ‘lijst van categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 6.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is’ onder I Duurzame energie toe te voegen:

    • Projecten voor opwekking van duurzame energie door middel van zonne-energie (zonneparken) voor zover de omvang niet groter is dan 2 hectare;

  • 3.

    Te bepalen dat deze besluiten in werking treden op de dag na publicatie

Aldus besloten in de vergadering van 27 juni 2019.

de griffier

Jan Bouke Zijlstra

de voorzitter

Martijn Dadema

Richtlijnen zonneparken buitengebied gemeente Raalte

 

 

 

1 Algemene toelichting

1.1 Inleiding en leeswijzer

Er komen steeds meer vragen en initiatiefnemers bij de gemeente voor de aanleg van zonneparken in het buitengebied. Op korte termijn is er geen zicht op dat de gemeente, zonder zonneparken in het buitengebied, aan de energiedoelstellingen gaat voldoen. Het bestaande beleid biedt openingen maar onvoldoende kader voor een evenwichtige afweging bij de beoordeling van initiatieven voor de aanleg van zonneparken. Met deze richtlijnen wordt het voor initiatiefnemer en omwonenden vooraf duidelijk wat de gemeente belangrijk vindt en wat er gevraagd wordt om een zonnepark te kunnen realiseren.

 

In hoofdstuk 1 wordt de aanleiding van deze richtlijnen en de eerste uitgangspunten en het proces van totstandkoming van deze richtlijnen weergegeven. De hoofdlijnen van de richtlijnen zijn schematisch in een infographic weergegeven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 is per basisuitgangspunt een nadere toelichting opgenomen. In het vierde hoofdstuk worden de stappen om uiteindelijk tot besluitvorming te komen aangegeven en toegelicht. Hoofdstuk 5 geeft het vervolg en de rol van de gemeente bij projecten aan.

1.2 Waarom zonneparken in het buitengebied?

Het meest recente duurzaamheidsbeleid is de Versnellingsaanpak 2018-2022 Raalte Duurzaam 2050 die in oktober 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad. In de Versnellingsaanpak wordt wat betreft het grootschalig opwekken van energie de in 2013/2014 vastgestelde lijn doorgezet. Dat betekent dat wordt ingezet op energieproductie via zon en biomassa. Met het doel de CO2 uitstoot in 2030 met 49% te reduceren en energieneutraal te zijn in 2050.

 

Zonne-energie is een belangrijke vorm van hernieuwbare energie voor de gemeente Raalte. Omdat de gemeente Raalte zuinig en zorgvuldig om wil gaan met de ruimte, wordt de toepassing van ‘zon op dak’ gestimuleerd. Maar niet alle benodigde duurzame energieproductie is met zon op dak te realiseren.

 

In de energiemix (zie Bijlage 1a energiemix (update november 2018) en de toelichting in Bijlage 1b Toelichting energiemix1 ) is rekening gehouden met circa 213 hectare zon op dak (potentie volgens zonatlas). Daarnaast moet nog minimaal 2,45 Peta Joule (PJ) opgewekt worden met andere duurzame energiebronnen zoals zonneparken en biomassa, om in 2050 het energieverbruik in de gemeente geheel duurzaam op te wekken. Als er vanuit wordt gegaan dat ook ingezet wordt op andere duurzame energiebronnen is, volgens de energiemix, nog zo’n 230 tot 345 hectare zonnepark nodig om de doelstelling te halen. De 230 tot 345 hectare is 1,3 tot 2% van de 17.254 hectare grondgebied van de gemeente en 1,6 tot 2,5 % van de circa 14.000 hectare agrarische gronden in de gemeente.

 

De gemeentelijke doelstelling om energieneutraal te zijn in 2050 sluit aan op de doelstelling van het klimaatakkoord van Parijs en in het verlengde daarvan het nationale Klimaatakkoord. In december 2018 is het ontwerp-Klimaatakkoord gepubliceerd. De verwachting is dat het definitieve Klimaatakkoord na deze zomer wordt vastgesteld. Het doel is de CO2 uitstoot in 2030 te reduceren met 49%, om uiteindelijk in 2050 nagenoeg energieneutraal te zijn. Eén van de onderdelen om dat doel te bereiken is de landelijke doelstelling om in 2030 op land 35 TWh (126 PJ) hernieuwbare energie via wind- en zonne-energie te realiseren. Via regionale energiestrategieën werken regio’s uit welk deel hiervan door de regio kan worden ingevuld. Gemeente Raalte neemt deel aan de Regionale Energiestrategie West-Overijssel. Een jaar na ondertekening van het Klimaatakkoord stellen de regio’s een RES vast. Voorliggende richtlijnen gaan specifiek over het beleid van de gemeente Raalte over zonneparken in het buitengebied.

 

Gezien de omvang van de opgave zet de gemeente Raalte voor zonne-energie in op:

  • Het zoveel mogelijk stimuleren van zon op dak;

  • Het gebruiken van restgronden voor zonnepanelen: ‘zon op restgrond’ (bijv. braakliggende gronden, reststroken bij infrastructuur e.d.);

  • Kleinschalige toepassing van zonnepanelen op bestaande erven;

  • ‘zon op erf’ of ‘rood voor zon’2;

  • Opstellingen van zonnepanelen in het buitengebied

Deze richtlijnen gaan over deze laatste categorie ‘zonneparken in het buitengebied’.

 

De verschillende procedures en voorwaarden van de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelenzijn opgenomen in Bijlage 3 Zonnepanelen locaties en procedures (inclusief richtlijnen)

 

1.3 Waarom wijst de gemeente geen locaties aan?

In de Versnellingsaanpak Duurzaamheid is de volgende keuze gemaakt:

De gemeente kiest ervoor om niet zelf allerlei studies te doen waar grootschalige energie opgewekt kan worden door bijvoorbeeld het vaststellen van zoeklocaties grootschalige zonne-energie en/of wind. Daarmee ontlopen we het risico om zonder directe aanleiding al op weerstand in de samenleving te stuiten. Het uitgangspunt nu is om door bewustwording en enthousiasmering de samenleving zo ver te krijgen dat zij zelf komen met initiatieven met draagvlak. Als deze niet passen in het beleid, vanaf het begin als gemeente het initiatief te ondersteunen en deze tijdig met afwegingen voor te leggen aan de raad. Zo voorkom je onnodig inzet van middelen voor het maken van studies en haak je aan bij de kracht van de samenleving.

 

Voorliggende richtlijnen volgen dit uitgangspunt, waarbij we de initiatieven vanuit de samenleving willen laten ontstaan.

 

1.4 Eerste projecten

Op dit moment3 zijn 11 mogelijke projectlocaties voor zonneparken in het buitengebied bij de gemeente bekend. De totale bruto omvang van de locaties is ongeveer 185 hectare. De netto oppervlakte aan zonnepanelen ligt zeker lager. Ook is het niet duidelijk of ook al deze locaties daadwerkelijk als project doorgezet gaan worden en aan deze richtlijnen kunnen voldoen.

 

Op voorhand wordt er geen maximum aantal projecten of een maximaal aantal hectares meegegeven. Projecten moeten voldoen aan deze richtlijnen. Wel is de transportcapaciteit voor teruglevering aan het elektriciteitsnetwerk op dit moment beperkt rondom Raalte zie: https://www.enexis.nl/zakelijk/duurzaam/beperkte-capaciteit/gebieden-met-schaarste. Enexis en Tennet doen op dit moment een verkenning naar de mogelijkheden om deze capaciteit te verhogen en of uit te breiden.

 

Na enkele projecten en uiterlijk eind 2020 evalueren we de ingediende projecten op basis van deze richtlijnen en daarmee ook deze richtlijnen. Ook kan er op basis van het proces van de gemeentelijke Omgevingsvisie, de Regionale Energiestrategie of andere ontwikkelingen aanleiding zijn om deze richtlijnen aan te passen.

 

1.5 Proces

Deze richtlijnen zijn met de volgende ingrediënten tot stand gekomen:

  • 1.

    inbreng gemeenteraad naar aanleiding van bespreking memo “Verkenning beleid zonneparken buitengebied” op thema-avond duurzaamheid op 5 juni 2018

  • 2.

    voorbeelden van andere gemeenten;

  • 3.

    de Handreiking kwaliteitsimpuls zonnevelden van de provincie Overijssel;

  • 4.

    bijeenkomst met ambtelijke werkgroep en inhoudelijke deskundigen op 5 september 2018;

  • 5.

    opbrengst uit internet raadpleging van 4 oktober tot en met 22 oktober 2018;

  • 6.

    bijeenkomst in zaal Zwakenberg in Raalte op 9 oktober 2018 waarbij 62 personen hebben meegedacht over de inhoud van de richtlijnen: (zie bijlage 2)

  • 7.

    Informatiesessie over energiemix en concept richtlijnen zonneparken in de gemeenteraad op 6 december 2018;

  • 8.

    Rond de tafel gesprek van de gemeenteraad over klimaatakkoord en verdieping van de energiemix op 31 januari 2019;

  • 9.

    De opiniërende discussie over klimaat en duurzaamheid door de gemeenteraad op 11 april 2019.

Ook geluiden die we in de tussentijd van met inwoners, initiatiefnemers en netwerkbeheerder zijn ontvangen betrokken bij het opstellen van deze richtlijnen.

 

1.6 Status van deze richtlijnen

Deze beleidsnota heeft de status van beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat individuele verzoeken aan dit beleid kunnen worden getoetst.

 

2 De richtlijnen

 

 

 

3 Toelichting Basisuitgangspunten

3.1 In dialoog met de omgeving

De gemeente hecht veel waarde aan een zorgvuldig proces voor totstandkoming van een zonnepark waarbij alle belangen, vooral van omwonenden en de omgeving worden meegenomen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor participatie en communicatie met omgeving en andere belanghebbenden. Het moment van het in beeld brengen en betrekken van alle belangen is al bij de start van het proces, ver voordat het formele besluitvormingstraject met inspraak wordt gestart, en nog voordat het plan voor het zonnepark helemaal is uitgewerkt. Ook vroegtijdig overleg met de gemeente is hierbij van belang. Communicatie en het betrekken van de omgeving blijven van belang in alle fasen van het project.

Figuur: Fasen van een zonnepark project

 

3.1.1 Vooraf een participatie/communicatieplan opstellen

Om alle belangen goed te betrekken en helder te kunnen communiceren is het nodig om dit vooraf vast te leggen. Dit kan in een participatie- en communicatieplan.

 

In een participatie- communicatieplan wordt beschreven hoe de (proces)participatie vorm krijg, wie er worden betrokken en wat de status wordt van de inbreng die gegeven wordt.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • Consulterende gesprekken met omwonenden, buurtverenigingen, plaatselijke belangen, jongeren, natuur en landschapsorganisaties, gebruikers van het gebied (bijvoorbeeld fietsers/wandelaars, hardlopers);

  • Het opzetten van een klankbord- of adviesgroep (bewoners vertegenwoordiging);

  • Het organiseren en faciliteren van dialoog en informatieavonden/dagen voor de omgeving;

  • Het organiseren en inrichten van ontwerpateliers.

 

Er wordt in ieder geval aangegeven hoe er samen met omwonenden wordt nagedacht over:

  • Hoe de omgeving mee kan doen en kan profiteren van het zonnepark;

  • Hoe (een deel) van het zonnepark in lokaal eigendom komt;

  • Hoe het zonnepark maatschappelijke meerwaarde geeft;

  • Hoe het zonnepark zo goed mogelijk in het landschap past en de inpassing samen met omwonenden wordt vormgegeven.

 

Er is geen standaard afstand of richtlijn voor wie er precies betrokken moet worden, dit is zeer afhankelijk van de omgeving en de invulling van maatschappelijke meerwaarde en goede inpassing. Daarom is het goed om vooraf goed na te denken waarom wie wel en wie niet wordt betrokken.

 

Er wordt op basis van het participatie/communicatieplan door de initiatiefnemer duidelijk gecommuniceerd op welke momenten de omgeving betrokken wordt en in welke frequentie. Hierbij wordt ook helder gecommuniceerd welke mogelijkheden er zijn voor aanpassingen in de planvorming (bijv. over locatie/hoogte/richting/ beplanting e.d.).

 

Het gebruik maken van 3D-impressies in de communicatie wordt aanbevolen. Daarmee kan in beeld de situatie voor omwonenden helder worden weergegeven. Ook kan zo bijvoorbeeld de situatie in zomer en winter of verschillen in opstelling of hoogte goed en vergelijkbaar weer worden gegeven.

 

Verder moet er een transparante organisatie neergezet worden voor het behandelen van vragen en klachten en wie/waar deze ingediend kunnen worden. Zowel voor de planvormingsfase maar ook voor de realisatie (bouwperiode) en exploitatie en beheerfase.

 

Het participatieplan is de leidraad voor het proces, maar niet statisch. Juist door de omgeving te betrekken kunnen stappen en planningen anders lopen. Het participatie- en communicatieplan geeft daarom ook aan hoe er met wijzigingen om wordt gegaan, hoe hierover gecommuniceerd wordt en ook hoe de omgeving daarbij wordt betrokken.

 

3.1.2 Toetsing dialoog met de omgeving

De gemeente maakt een belangenafweging bij een besluit om een zonnepark in afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Daarom is het nodig om het dialoog proces bij de definitieve vergunningaanvraag goed in beeld te hebben. De initiatiefnemer draagt er zorg voor dat bij de uiteindelijke vergunningaanvraag inzichtelijk en goed is weergegeven hoe het participatie- en communicatieplan is uitgevoerd en wat de opbrengsten zijn van dit proces.

 

3.2 Omvang en inpassing passend bij de omgeving

 

3.2.1 Niet in natuurgebieden

Het realiseren van zonneparken in natuurgebieden staan we niet toe. In bestemde natuurgebieden moeten de natuurdoelen nagestreefd worden en deze kunnen en mogen niet zomaar gecompenseerd worden.

 

3.2.2 Minder geschikte gebieden

Op als waardevol aangemerkte essen en enken, in open weidevogelgebied of in dicht bebost gebied ligt het niet voor de hand om een zonnepark te realiseren. De waarden zoals aangegeven in het bestemmingsplan Buitengebied (Dubbel bestemming: Waarde Landschap 1) zijn hierbij uitgangspunt. Alleen als sprake is van een zeer goede onderbouwing en meerwaarde kan in deze gebieden in een uitzonderlijke situatie meegewerkt worden aan een zonnepark.

 

3.2.3 Omvang van het zonnepark sluit aan bij de landschapskenmerken van het gebied

Verschillende landschappen hebben een verschillende maat en schaal. Een grootschalig ontginningslandschap heeft bijvoorbeeld een grotere schaal dan een kleinschalig coulisselandschap. Een zonnepark sluit ook in omvang bij (de maat van) het landschap aan.

Het landschapsontwikkelingsplan Salland, het bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Raalte en de gebiedskenmerken catalogus van de provincie Overijssel geven daarbij handvaten over de waarden en karakteristieken van een gebied.

Wat betreft besluitvorming wordt ook onderscheid gemaakt in omvang van een zonnepark. Voor zonneparken boven de 2 hectare is altijd een besluit van de gemeenteraad nodig. (zie paragraaf 4.2 Omvang bepaalt de besluitvorming)

 

3.2.4 Landschappelijke inpassing

Voor de goede (landschappelijke) inpassing sluiten wij aan bij ‘Handreiking Kwaliteitsimpuls Zonneparken’ van de provincie Overijssel.

 

De hoofd ontwerpprincipes voor inpassing zijn:

  • Aansluiten bij landschapskarakteristieken en gebiedskenmerken. Bijvoorbeeld kavelrichting, structuren en patronen in het landschap behouden (en versterken). Het landschapsontwikkelingsplan, bestemmingsplan buitengebied en de gebiedskenmerken catalogus van de provincie Overijssel zijn hierbij leidraad over de te behouden en te versterken waarden en karakteristieken van een gebied. De lat ligt qua inpassing en compensatie hoger in landschappelijk en/of ecologisch waardevollere gebieden.

  • Kies een eenvoudige hoofdvorm voor het zonnepark die aansluit bij het landschap;

  • Logische opstelling van de panelen;

  • Randen met kwaliteit;

  • Eenvoudige hekwerken poorten, transformator- en bijgebouwen.

 

Het landschapsontwikkelingsplan Salland, het bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Raalte en de gebiedskenmerken catalogus van de provincie Overijssel geven daarbij handvaten over de te behouden en te versterken waarden en karakteristieken van het betreffende gebied.

 

Bij de landschappelijke inpassing wordt ook een doorkijk gegeven naar wat er met de toe te voegen landschapselementen gebeurt als het tijdelijke zonnepark verwijderd wordt.

 

3.2.5 Toetsing landschappelijke inrichting

Over locatie en omvang van het zonnepark is in een vroeg stadium overleg met de gemeente en met omwonenden. Maatwerk is hierbij aan de orde.

Er moet een landschappelijk inrichtingsplan bij de vergunningaanvraag worden gevoegd. Hierin wordt aangegeven hoe het zonnepark vormgegeven wordt en op welke wijze het zonnepark past en bijdraagt aan het landschap. Dit is landschapsplan bevat ook een beplantingsplan.

 

De expertise van Het Oversticht wordt ingezet om de gemeente over de omvang en inpassing in het landschap in een vroeg stadium te adviseren.

 

3.3 Een aanzienlijk deel van de productie komt in eigendom van de lokale omgeving

Draagvlak en volhoudbaarheid van de transitie van de omgeving die zonneparken met zich meebrengen is een belangrijke waarde die we willen behouden. We vinden het belangrijk dat bewoners goed betrokken zijn, invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. De ambitie is dat minimaal 50 procent van de hernieuwbare energie productie op land in eigendom komt van de lokale omgeving. Dit is de ambitie die is aangegeven het ontwerp-klimaatakkoord (december 2018). Uitgangspunt is dan ook dat minimaal de helft van de opbrengst van het park weer in de omgeving een plek vindt. Door eigenaarschap komt ook (een deel) van de zeggenschap direct of indirect bij de omgeving te liggen en komt er meer balans in de lasten en de lusten. De vorm kan verschillen per project en zal maatwerk zijn.

 

Dit kan bijvoorbeeld door:

  • Mede-eigenaarschap: individuele burgers en/of omwonenden kunnen met eigendom en zeggenschap financieel deelnemen in het project. Bijvoorbeeld op basis van een vereniging of coöperatie.

  • Financiële deelneming, bijvoorbeeld door aandelen of obligaties of ander financieel voordeel. De vorm kan verschillen per project en zal maatwerk zijn;

  • Ook andere manieren van het direct terugvloeien naar de lokale gemeenschap of omgeving zijn mogelijk bijvoorbeeld:

    • Lokaal leefbaarheidsfonds

    • Buurtstroomproject;

    • Postcoderoos project;

    • Meedelen in opbrengst door direct omwonenden;

    • Grondvergoeding, niet alleen voor eigenaar maar ook % voor omwonenden

    • Omwonendenregeling zoals groene stroom met korting, korting op de energierekening;

    • Duurzaamheidfonds.

  • Bij kleine parken kan door een goed de dialoog en open proces met de omgeving de exploitatie bijvoorbeeld geheel ten goede komen aan deze lokale eigenaar (bijv. een agrariër). Bijvoorbeeld omdat door de exploitatie van het kleine zonnepark het lokale agrarische landschap blijvend kan worden onderhouden. Dit is altijd maatwerk.

 

3.3.1 Toetsing Aanzienlijk aandeel productie naar omgeving

Bij de vergunningaanvraag moet aangegeven worden hoe hieraan concreet invulling wordt gegeven en met welke partijen hierover afspraken gemaakt zijn.

 

3.4 Maatschappelijke meerwaarde

Een zonnepark in het buitengebied heeft een impact op de omgeving. Om mee te werken aan een zonnepark in het buitengebied is daarom vereist dat er ook sprake is van maatschappelijke meerwaarde.

 

Elk gebied heeft zijn eigen kenmerken maar ook eigen opgaven of wensen. De uitdaging is om met de ontwikkeling van een zonnepark juist deze kenmerken te versterken, opgaven te realiseren en wensen mogelijk te maken. Hierdoor wordt meerwaarde gecreëerd. Hiermee wordt de omgeving ‘gecompenseerd’ voor de mogelijke ‘lasten’ die het zonnepark met zich meebrengt.

 

In de paragrafen 3.4.1 en 3.4.2 staan een aantal voorbeelden waar aan gedacht kan worden:

 

3.4.1 Aansluiten bij gebiedsopgaven

  • a.

    Herverkaveling gebied voor behoud en verbetering landbouwstructuur;

  • b.

    Herverkaveling/ ruimte voor versterking landschap;

  • c.

    Wateropgaven, zoals waterberging, natuurvriendelijke oevers, vernatting, klimaatopgave;

  • d.

    Extra versterken landschappelijke en cultuurhistorische structuren in het gebied (volgens het Landschapsontwikkelingsplan (LOP);

  • e.

    Ecologische kwaliteiten verbeteren (doelsoorten e.d.) en verbeteren biodiversiteit;

  • f.

    Versterken recreatieve routes. Waar liggen kansen ook voor (recreatie)ondernemers, nieuwe verbindingen;

  • g.

    Natuurontwikkeling: verbindingszones, natuurontwikkeling, bijenbehoud (bijvoorbeeld bloemen stroken en bijenkasten van de lokale imkervereniging).

 

3.4.2 Extra inzet duurzaamheidsdoelen

  • a.

    Inzet op ontwikkeling innovatieve technieken (bijvoorbeeld opslag mogelijkheden van energie);

  • b.

    Educatie mogelijkheden, samenwerking kennisinstellingen/scholen;

  • c.

    Asbestsaneringsopgave;

  • d.

    Sloop en/of hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en/of erven;

  • e.

    Zonnestroominstallaties voor daken in omgeving (particulieren en (agrarische) ondernemers en/of delen van aansluitkosten);

  • f.

    Aanbieden zonne-energie installaties (met korting) aan particulieren /bedrijven in de gemeente;

  • g.

    Realiseren zonne-energie installatie op dak(ken) maatschappelijk gebouw(en);

  • h.

    Creëren lokale werkgelegenheid (invulling geven Social Return On Investment);

  • i.

    Inzet op sociale opgaven (bereikbaarheid openbaar vervoer, langer zelfstandig wonen e.d.).

 

3.4.3 Toetsing maatschappelijke meerwaarde

Bij de toetsing of er voldoende sprake is van maatschappelijke meerwaarde is van belang dat er gekeken wordt naar de impact en schaal van het zonnepark en of er sprake is van eigen belang of maatschappelijk belang. Dit bepaalt bij welke inspanning er sprake is van voldoende balans tussen de aanleg van het zonnepark en de maatschappelijke meerwaarde.

 

Bij de uiteindelijke vergunningaanvraag moet in ieder geval aangegeven worden welke punten zijn onderzocht en waar bij het betreffende zonnepark de maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd en waarom dit in balans is met de impact en schaal van het zonnepark.

 

3.5 Randvoorwaarden

 

3.5.1 Tijdelijk voor maximaal 25 jaar

De zonneparken zijn nodig om op korte termijn de transitie naar meer duurzame energie in te zetten, maar het is mogelijk dat op de lange termijn zonneparken in het buitengebied niet meer nodig zijn. Dit omdat innovatie en prijsdaling er toe zullen leiden dat zonnepanelen bijvoorbeeld kunnen worden verwerkt in gevelbekleding, beglazing en andere producten. Ook innovaties op andere gebieden van energiebesparing en duurzame (hernieuwbare) energieopwekking zijn daarbij natuurlijk van belang.

 

In deze richtlijnen wordt ingezet op tijdelijkheid van zonneparken in het buitengebied voor maximaal 25 jaar, zoals ook in de Omgevingsverordening Overijssel is opgenomen.

De tijdelijkheid wordt geborgd door de omgevingsvergunning voor maximaal 25 jaar te verlenen, en in de anterieure overeenkomst afspraken vast te leggen over het verwijderen van de zonnepanelen na deze termijn.

 

3.5.2 Haalbaar en voldoen aan wet- en regelgeving

Iedere initiatiefnemer van een zonnepark ontwikkeling zal kijken naar de financieel technische haalbaarheid van het project. Daarbij komen zaken aan de orde zoals:

  • aansluitmogelijkheden (capaciteit, kosten en termijn waarop aangesloten kan worden) op het energienetwerk (Enexis/Tennet);

  • mogelijkheden meervoudig ruimtegebruik/tijdelijk ruimtegebruik;

  • het verkrijgen van (SDE+) subsidie en de eisen die daaraan gesteld worden;

  • bereikbaarheid van het park voor aanleg en onderhoud

  • beheer van het zonnepark;

  • kosten voor verwijdering van het zonnepark.

 

Wij gaan er vanuit dat de initiatiefnemer deze zaken goed in beeld heeft en hierover vroegtijdig met betrokkenen overleg heeft. Dit zodat er sprake is van een sluitende businesscase en een realiseerbaar zonnepark.

 

Naast de financiële haalbaarheid moet het zonnepark ook aan (sectorale) wet en regelgeving kunnen voldoen. Het gaat onder andere om de volgende wetten en regels:

  • Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro);

  • Wet natuurbescherming (soorten bescherming en gebiedsbescherming);

  • Milieu (geluid, lucht, bodem, geur, veiligheid, lichtreflectie, elektromagnetische straling);

  • Wet Milieubeheer (Milieueffectrapportage/vormvrije m.e.r. beoordeling);

  • Verkeer (o.a. verkeersveiligheid)

  • Archeologie en Monumenten (Monumentenwet);

  • Waterhuishouding en waterveiligheid (Waterwet);

  • Externe veiligheid (Bevi);

  • Provinciale Omgevingsverordening Overijssel, o.a. regels met betrekking tot Natuur Netwerk Nederland, overige bos en natuurgebieden, grondwaterbescherming, ontgrondingen e.d.;

  • Kabels en leidingen.

 

In de goede ruimtelijke onderbouwing, die onderdeel is van de vergunningaanvraag van het project, moet aangetoond worden dat het project ook op basis wet- en regelgeving haalbaar is.

 

4 Proces om te komen tot besluitvorming

4.1 Inleiding

Een zonnepark in het buitengebied is in de meeste gevallen in strijd met het geldende bestemmingplan en er is een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig. De stappen om te komen tot het verlenen van deze vergunning en de daarvoor benodigde afwijking van het bestemmingsplan zijn hierna beschreven.

 

4.2 Omvang bepaalt de besluitvorming

Voor het realiseren van een zonnepark is een omgevingsvergunning en een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan nodig. Bij zonneparken groter dan twee hectare loopt de besluitvorming over de omgevingsvergunning via de gemeenteraad. Voor zonneparken kleiner dan 2 hectare wordt voorgesteld aan de raad, dat deze categorie door het college mag worden afgehandeld. Dit omdat de impact op omwonenden, landschap, natuur, landbouw en andere belangen groter is bij een grotere omvang.

 

Hoe het besluitvormingsproces er uit ziet wordt in dit hoofdstuk op hoofdlijnen aangegeven.

 

4.3 Voortraject

Het grootste deel van de planvormingsfase is in dialoog samen met de omgeving komen tot een plan dat aan de richtlijnen kan voldoen. De gemeente kijkt in dit traject mee en kan adviseren.

Als voortoets van het uitgewerkte plan kan een principe verzoek getoetst worden bij het college.

Op basis van de principe uitspraak kan de definitieve vergunningaanvraag voor het tijdelijke zonnepark daarna verder uitgewerkt worden.

 

4.4 Aanvraag Omgevingsvergunning

Om het zonnepark voor maximaal 25 jaar te vergunnen is een zogenaamd projectafwijkingsbesluit volgens artikel 2.12 lid 1 sub a3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nodig. Een (volledige) aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van de gronden voor het zonnepark, met een goede ruimtelijke onderbouwing moet worden ingediend. Daarin moeten de in de richtlijnen aangegeven aspecten aan de orde komen.

 

4.4.1 Toetsing volledigheid

De eerste stap zal zijn om te toetsen of de aanvraag volledig is. Ook wordt afgewogen of een onderzoek in het kader van de BIBOB nodig is4. Als een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling verzocht. Wordt de aanvraag niet, of niet voldoende aangevuld dan kan deze buiten behandeling worden gelaten.

 

4.4.2 Toetsing aan richtlijnen

Als er een volledige aanvraag is wordt deze getoetst aan de richtlijnen. Het college besluit op basis daarvan of zij een ontwerp vergunning (besluit) opstellen. Indien zij vinden dat het initiatief niet aan de richtlijnen voldoet dan wordt deze worden geweigerd. Initiatiefnemer doet er dus goed aan vooraf goed in overleg met de gemeente te blijven voordat de vergunningaanvraag wordt ingediend.

 

4.4.3 Anterieure overeenkomst

Parallel aan de vergunning wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken tussen initiatiefnemer/aanvrager en de gemeente vastgelegd worden.

Bijvoorbeeld dat eventuele planschade die voortkomt uit het project voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer komt. Ook worden hierin afspraken vastgelegd over het verwijderen van het zonnepark en het herstellen van de situatie na afloop van de termijn van maximaal 25 jaar. Bijvoorbeeld door financiële middelen hiervoor te reserveren.

 

4.5 Ontwerpbesluit

Als het plan voldoet aan de richtlijnen wordt de ontwerpvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan opgesteld. De ontwerpvergunning wordt voor vooroverleg ook nog voorgelegd aan de provincie en andere voor het specifieke project belangrijke instanties.

 

4.5.1 Verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad nodig?

In principe moet bij ieder projectafwijkingsbesluit de gemeenteraad een “verklaring van geen bedenkingen” (vvgb) afgegeven tenzij het project past binnen “categorieën van gevallen” waarvan de gemeenteraad heeft aangegeven dat deze verklaring niet nodig is.

 

Omdat de impact van een zonnepark toeneemt naar mate deze groter is wordt de besluitvorming hierop aangepast. Voor zonneparken groter dan 2 hectare blijft een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist. Voor zonneparken die kleiner zijn wordt in de lijst met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is toegevoegd:

 

  • Projecten voor opwekking van duurzame energie door middel van zonne-energie (zonneparken) voor zover de omvang niet groter is dan 2 hectare

 

Bij projecten die groter zijn dan 2 hectare wordt eerst een ontwerp verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad gevraagd. Als er geen zienswijzen komen wordt deze ontwerp verklaring definitief. Als er zienswijzen worden ingediend gaat de raad deze zienswijzen afwegen en neemt daarna een besluit over het al dan niet afgegeven van de verklaring van geen bedenkingen.

 

4.5.2 Zienswijzen

De ontwerp vergunning wordt gepubliceerd en ligt gedurende 6 weken ter inzage. Binnen deze termijn kan iedereen zienswijzen over de ontwerpvergunning en eventueel de ontwerp verklaring van geen bedenkingen indienen.

 

4.6 Belangenafweging en besluit

Na de termijn neemt het college een beslissing over de verlening van de vergunning. Eventueel dus met tussenkomst van de besluitvorming over de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad. Hierbij worden de eventueel ingediende zienswijzen betrokken.

Als de verklaring van geen bedenkingen niet door de gemeenteraad wordt afgegeven moet het college de vergunning weigeren. Ook kunnen zienswijzen aanleiding geven om het ontwerp besluit te wijzigen of zelfs te weigeren. Het besluit om de vergunning te verlenen wordt bekendgemaakt en gepubliceerd.

 

4.7 Beroepsmogelijkheid

Na verlening en bekendmaking van de vergunning is de mogelijkheid (voor indieners van zienswijzen) om beroep in te stellen bij de rechtbank. Op het besluit zijn de procedureregels als opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. (een zonnepark is een project volgens artikel 1.1. lid 1 Chw, Bijlage I onder 1.1)

Dat betekent dat bijzondere procedurele bepalingen, gericht op een versnelde afhandeling van de beroepsschriften, van toepassing zijn op de eventuele beroepsprocedure. Dat brengt onder meer met zich mee dat alle beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

 

Het besluit treedt in werking nadat de beroepstermijn is afgelopen, tenzij er in deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de rechtbank.

 

Figuur: stappenplan plan- en besluitvormingsfase zonnepark

 

5 Vervolg

5.1 Inleiding

Na vaststelling van de richtlijnen kunnen de initiatiefnemers met de eerste projecten aan de slag. In de volgende paragrafen gaan we in op de rol van de gemeente hierbij en wat we met de ervaringen uit de eerste projecten gaan doen.

 

5.2 Monitoring en ondersteunen projecten

De initiatiefnemer van het project is degene die verantwoordelijk is voor uitvoering van het project voor het zonnepark. De gemeente kijkt wel actief mee met de projecten, dit houd onder andere in dat:

  • De gemeente bereid is om te adviseren over de wijze van participatie en communicatie;

  • De gemeente mogelijkheden kan aangeven van gebiedsopgaven en partijen die in het gebied betrokken (moeten/kunnen) worden;

  • De gemeente eventuele inloop en/of informatieavonden/ ontwerpateliers e.d. bijwoont;

  • De gemeente vooraf meekijkt en adviseert over de landschappelijke inpassing en hierbij een advies van Het Oversticht wordt gevraagd;

  • Aanvragers en gemeente periodiek de voortgang (proces en inhoud) van het project doornemen en vastleggen.

 

5.3 Evaluatie: leren en verbeteren en bijstellen

 

5.3.1 Evaluatie

Als de planfase van enkele projecten is afgerond of uiterlijk eind 2020 volgt een evaluatie van die projecten en deze richtlijnen zonneparken buitengebied. Ook als er op basis van ervaringen eerder aanleiding is de richtlijnen te evalueren wordt dit gedaan. Hierbij worden de ervaringen vanuit verschillende perspectieven bekeken. Vanuit het perspectief van de omwonende, vanuit de initiatiefnemer en vanuit de gemeente. Leer en verbeterpunten, zowel op inhoud en proces worden daarmee opgehaald. De voortgang en ervaringen die tijdens het proces al zijn vastgelegd worden hierbij betrokken.

 

Uit de evaluatie zal blijken of bijstelling van de richtlijnen nodig is. Ook kunnen de richtlijnen in de praktijk op belemmeringen stuiten of er aanvullende richtlijnen noodzakelijk blijken. Als het op basis van nieuwe ontwikkelingen nodig is om de richtlijnen voor 2020 aan te passen dan is dat niet uitgesloten. De gemeenteraad besluit over eventuele aanpassingen van de richtlijnen.

 

5.3.2 Dynamisch proces van bijstellen

Binnen de kaders van de omgevingswet en de omgevingsvisie zal bijstelling, verdieping en actualisatie van beleid gezien de voortdurende veranderingen in de maatschappij aan de orde blijven. Dit houdt in dat ook naar aanleiding van het traject voor opstelling van de Omgevingsvisie, de Regionale Energie Strategie, het Omgevingsplan of vanuit andere beleids- of maatschappelijke ontwikkelingen er nieuwe inzichten kunnen komen die bijstelling van deze richtlijnen vragen. Dit blijft een dynamisch proces.

 

Bijlage 1a energiemix (update november 2018)

 

 

Bijlage 1b Toelichting energiemix

 

De energiemix geeft op hoofdlijnen een indicatie van de benodigde hoeveelheid zonneparken, windmolens en bio-centrales om in 2050 energieneutraal te zijn. De uitgangspunten zijn:

  • Huidige energievraag, inclusief een toename van het energiegebruik met 15% richting 2050.

    • De stijging is het gevolg van de toename van bevolking en woningen, economische groei en transport.

    • Aan de besparingskant is bij de verwachte toekomstige vraag de autonome energiebesparing meegenomen (energiezuinige apparaten, normen nieuwbouw).

    • De potentie aan aanvullende besparingen door gedrag (bijv. isolatie, thermostaat een graadje lager etc.) is niet meegenomen.

  • De cijfers zijn niet in beton gegoten:

    • De toekomst is onzeker, technieken ontwikkelen zich snel en gedrag van inwoners is moeilijk te voorspellen.

    • Landelijke en regionale uitgangspunten voor vergelijkbaarheid zijn in ontwikkeling.

  • Zonatlas heeft de potentie van zon op dak bepaald. Hierbij zijn alle daken in de gemeente meegenomen. Er is rekening gehouden met de ligging ten opzichte van de zon. Er is geen rekening gehouden met aansluitmogelijkheden op het energienetwerk en de bouwconstructie van de daken.

  • Vanwege de beperkte beschikbaarheid van biomassa geldt voor de bio-centrales dat slechts een aantal bio-centrales reëel is.

 

Bijlage 2 Samenvatting opbrengst online enquête en meedenkbijeenkomst 9 oktober 2018

 

Op 9 oktober 2018 is een meedenkavond zonneparken gehouden. Het was een goed bezochte avond met een rijke opbrengst. Naast deze avond hadden we ook een online enquête uitgezet waarop we 36 reacties hebben gekregen.

Hieronder de belangrijkste punten uit de gesprekken op de avond en de enquête op de drie gestelde vragen.

 

  • 1.

    Hoe kan een zonnepark een kans/meerwaarde zijn voor de omgeving?

  • Een goede verdeling van de lusten en de lasten, zowel voor de direct omwonende alsook voor het collectief, bijvoorbeeld de vitaliteit van een dorp of een extra investering in natuur en landschap in de omgeving.

  • De opbrengsten zoveel mogelijk lokaal benutten.

  • Initiatief vanuit de samenleving laten komen.

  • Investeren in het mogelijk maken van zonnepanelen op daken in de omgeving.

  • Ook een kanttekeningen dat de meerwaarde van een zonnepark niet werd gezien werd door een aantal groepjes geplaatst.

 

  • 2.

    Hoe kan een zonnepark goed in het landschap passen?

  • Kleinschaligheid was de hoofdlijn. Hoe groter het park hoe lastiger in te passen in het landschap werd daarbij aangegeven.

  • Maatwerk; Hoe de inpassing plaatsvindt is maatwerk en afhankelijk van het gebied en het draagvlak van de inwoners.

  • Rekening houden met de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk.

  • Het zonnepark mag best gezien worden als het maar aansluit bij het landschap.

 

  • 3.

    Hoe wil je als omgeving betrokken worden als er een initiatief voor een zonnepark is?

  • Als er een initiatief voor een zonnepark komt zou dit, coöperatief en samenspraak met de omgeving tot stand moeten komen.

  • Het ontwikkelde park in Heeten is daarbij vaak als voorbeeld genoemd.

  • Er moet sprake zijn van een transparant en helder proces waarin de omgeving vroegtijdig actief mee kan doen en verschillende alternatieven samen worden afgewogen.

  • Het is maatwerk hoe de omgeving bij een eventueel zonnepark betrokken wordt. Van informatie aan de keukentafel tot een algemene informatiebijeenkomst is genoemd.

 

Tijdens de avond kwam nadrukkelijk ook de vraag aan bod wat nu de energieopgave is waar we voor staan in onze gemeente. Dit om de opgave en noodzaak voor zonneparken in het buitengebied scherp te krijgen.

 

Bijlage 3 Zonnepanelen locaties en procedures (inclusief richtlijnen)

 

Waar

Benodigde procedure en vergunning

Doorlooptijd5

Dak

Zonder omgevingsvergunning

(meestal)

-

Op eigen erf, bij woning binnen bestemming, voor eigen behoefte

Met reguliere omgevingsvergunning onderdeel bouw

Maximaal

8 weken

Op eigen bij woning erf buiten bestemmingsvlak, max 50 m2, voor eigen behoefte

Met reguliere omgevingsvergunning onderdeel bouw en afwijking bestemmingsplan op basis van kruimelgevallen) Voorwaarde, aansluitend aan woonvlak en landschappelijke inpassing

Maximaal

8 weken

Op eigen erf bij agrarisch bedrijf binnen bouwblok, voor behoefte eigen bedrijf

Met reguliere omgevingsvergunning onderdeel bouw

Maximaal

8 weken

Op eigen erf bij agrarisch bedrijf aansluitend aan bouwblok

(max 25 meter uit de rand van het bouwblok met een maximum van 1000 m2) voor behoefte eigen bedrijf

Met reguliere omgevingsvergunning onderdeel bouw en afwijking bestemmingsplan (op basis van binnenplanse mogelijkheden)

Voorwaarde, landschappelijke inpassing

Maximaal

8 weken

Zon op erf/rood voor zon (na sloop op voormalig agrarisch bouwblok)

Uitgebreide omgevingsvergunning zonder verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad (tenzij > 2 ha)

26 weken

Zon op ‘restgrond’

Uitgebreide omgevingsvergunning met verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad (tenzij < 2 ha)

26 weken

zonneparken tot 2 hectare of andere toepassing van zonnepanelen anders dan hiervoor genoemd tot 2 hectare

Uitgebreide omgevingsvergunning zonder verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad

26 weken

zonneparken boven 2 hectare

Uitgebreide omgevingsvergunning met verklaring van geen bedenkingen gemeenteraad

26 weken

 


1

De cijfers zijn niet in beton gegoten:De toekomst is onzeker, technieken ontwikkelen zich snel en gedrag van inwoners is moeilijk te voorspellen;Landelijke en regionale uitgangspunten voor vergelijkbaarheid zijn in ontwikkeling.

2

Het bij de afbraak van oude schuren de oppervlakte van het bouwblok (plus eventueel wat extra om e.e.a. rendabel te maken) in te richten met zonnepanelen) zoals ook in de beleidsnota Erven in Beweging (vastgesteld op 21 december 2017) in paragraaf 3.7 Zon op erf is aangegeven.

3

15 mei 2019

4

Bibob staat voor Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. De Wet Bibob is onderdeel van de inzet tegen ondermijnende, georganiseerde criminaliteit dichtbij en maakt het voor gemeenten mogelijk een integriteitstoets uit te voeren gericht op uw bedrijf en/ of personen betrokken bij uw bedrijf. De gemeente kan besluiten om een Bibob onderzoek uit te voeren wanneer een (omgevings)vergunning of subsidie wordt aanvraagt, een vastgoedtransactie of overheidsopdracht aan wordt gegaan, of wanneer een medewerker van de gemeente Raalte vermoedt dat een vergunning voor verkeerde doeleinden wordt gebruikt. Zo wordt voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten faciliteert en wordt bovendien de concurrentiepositie van bonafide ondernemers beschermd. Voor de exacte regels wordt verwezen naar het Bibob-beleid van de gemeente Raalte.

5

Wettelijke termijnen