Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Valkenburg aan de Geul

Financiële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieValkenburg aan de Geul
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingFinanciële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020.
CiteertitelFinanciële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 112 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020nieuwe regeling

05-11-2019

gmb-2019-283104

Tekst van de regeling

Intitulé

Financiële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020.

De raad van de gemeente Valkenburg aan de Geul;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2019;

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

 

Besluit vast te stellen de Financiële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

Administratie:

Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

Afdeling:

Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college.

Inkomsten:

Totaal van de baten voor onttrekkingen aan reserves.

Netto schuld:

Bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteuren, liquide middelen en overlopende activa.

Overheidsbedrijf:

Onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

 

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

 

 

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen, naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken, kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

 

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1.

    Het college biedt de raad elk jaar een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de daarop volgende drie planjaren.

  • 2.

    In de meerjarenbegroting wordt een post onvoorzien van € 100.000,- opgenomen. Op deze post kan alleen beslag worden gelegd wanneer is vastgesteld dat de extra, niet in de primitieve begroting voorziene, onuitstelbare en onvermijdbare kosten, niet door middel van herschikking van budgetten binnen het desbetreffende programma kunnen worden opgevangen.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    De nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de meerjarenbegroting geautoriseerd, tenzij de raad anders beslist. In dat geval geeft de raad concreet aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een separate kredietaanvrage wil ontvangen.

  • 3.

    Bij de behandeling van de kadernota en najaarsnota in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten, baten, investeringskredieten en beleidstoevoegingen.

  • 4.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen separaat een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert en adviseert de raad door middel van de kadernota en najaarsnota over de begroting van het lopende jaar en de vier daaropvolgende planjaren.

  • 2.

    In de kadernota en najaarsnota worden noemenswaardige afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van programma’s en investeringskredieten toegelicht en er worden voorstellen gedaan voor (eventuele) beleidstoevoegingen.

 

Artikel 7. Informatieplicht

Het college besluit niet over:

  • a.

    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties (behoudens achtervang woningcorporaties);

  • b.

    het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

 

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

 

 

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Materiële vaste activa met een maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd en worden lineair afgeschreven in maximaal de verwachte levensduur van het actief:

  • a.

    25 jaar: parken, sportvelden, groenvoorzieningen, wegen, pleinen, rotondes, tunnels, viaducten, bruggen, geluidswallen, waterkeringen, pompen en gemalen;

  • b.

    20 jaar: openbare verlichting;

  • c.

    10 jaar: straatmeubilair en renovatie gemalen.

  • 2.

    Materiële vaste activa met een economisch nut worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd (met uitzondering van kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde en activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000,- zijnde niet gronden en terreinen) en worden lineair afgeschreven in maximaal de verwachte levensduur van het actief:

  • a.

    40 jaar: rioleringen;

  • b.

    25 jaar: nieuwbouw schoolgebouwen, woonruimten, kantoren en bedrijfsgebouwen;

  • c.

    15 jaar: renovatie, restauratie en aankoop van schoolgebouwen, woonruimten, kantoren en bedrijfsgebouwen en technische installaties gebouwen;

  • d.

    10 jaar: veiligheidsvoorzieningen gebouwen, telefooninstallaties, kantoormeubilair, schoolmeubilair en tijdelijke woonruimten en bedrijfsgebouwen;

  • e.

    5 jaar: transportmiddelen, aanhangwagens, parkeerapparatuur en personenauto’s;

  • f.

    3 jaar: investeringen op het gebied van ICT.

  • 3.

    Op gronden en terreinen vindt geen afschrijving plaats.

  • 4.

    De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

  • a.

    5 jaar: kosten voor onderzoek en ontwikkeling;

  • b.

    30 jaar: bijdragen aan activa in eigendom van derden.

  • 5.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 6.

    Boetekosten voor het vervroegd aflossen van geldleningen worden lineair afgeschreven gedurende de looptijd van de voor herfinanciering aangetrokken nieuwe geldlening.

  • 7.

    Er wordt gestart met afschrijven van een materieel vast actief in het jaar waarin de investering gereed komt dan wel verworven wordt en vanaf het moment dat het in gebruik kan worden genomen.

  • 8.

    Er vindt geen activering plaats van de in dit artikel vermelde vaste activa indien het bedrag van de investering onder aftrek van bijdragen van derden lager is dan € 25.000,-.

 

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van historische percentages met uitzondering van vorderingen groter dan € 25.000,-. Voor deze vorderingen zal een individuele beoordeling plaatsvinden.

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Het college actualiseert jaarlijks in een aparte bijlage van de begroting de reserves en voorzieningen. Hierin wordt per reserve/voorziening ingegaan op het doel, de hoogte en de bestemming van de bespaarde rente.

 

Artikel 12. Kostprijsberekening

  • 1.

    Bij het bepalen van de kostprijs wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een vast bedrag per ingezette fte. De hoogte van dat bedrag wordt jaarlijks onderbouwd in de begroting.

  • 6.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en het rentepercentage van de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig het zevende lid.

  • 7.

    Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als bedoeld in het zesde lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. De hoogte van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt bepaald aan de hand van de bij de begroting geraamde rentekosten als percentage van de opgenomen langlopende leningen.

  • 8.

    In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 9.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de leningenportefeuille.

 

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen en diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

  • a.

    leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

  • b.

    een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

  • c.

    een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

  • d.

    een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

  • e.

    een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

  • f.

    een bevoordeling van publieke media-instellingen;

  • g.

    een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

 

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de onroerende-zaakbelasting, de hondenbelasting, de toeristenbelasting, de precariobelasting, de vermakelijkhedenretributie, de reclamebelasting, de parkeerbelasting, de gefiscaliseerde parkeerboetes, de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, de begrafenisrechten, de marktgelden en de tarieven zoals opgenomen in de legesverordening.

 

Artikel 15. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

  • a.

    voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

  • b.

    er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

 

Hoofdstuk 4. Paragrafen

 

 

Artikel 16. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen conform artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op een onderbouwing van de toegerekende kosten aan de lokale heffingen met gebonden besteding.

 

Artikel 17. Financiering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf financiering naast de verplichte onderdelen conform artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, zesde lid. De berekening van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, zevende lid, is opgenomen onder het taakveld Treasury (0.5).

 

Artikel 18. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing naast de verplichte onderdelen conform artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de ontwikkeling van de netto schuld als percentage van de baten exclusief reservemutaties;

  • b.

    het saldo van de baten en lasten exclusief reservemutaties als percentage van de baten exclusief reservemutaties;

  • c.

    de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting.

 

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op conform artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen en wegen. De raad stelt het plan vast.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

  • 4.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast.

  • 5.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan openbare verlichting aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten van de openbare verlichting. De raad stelt het plan vast.

  • 6.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan civieltechnische kunstwerken aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten van de civieltechnische kunstwerken. De raad stelt het plan vast.

 

Artikel 20. Bedrijfsvoering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf bedrijfsvoering de verplichte onderdelen op conform artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

 

Artikel 21. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen de verplichte onderdelen op conform artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

 

Artikel 22. Grondbeleid

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf grondbeleid de verplichte onderdelen op conform artikel 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

 

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

 

 

Artikel 23. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

Artikel 24. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de grenzen van de mogelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

 

Artikel 25. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

 

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

 

 

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Financiële verordening gemeente Valkenburg aan de Geul 2019, vastgesteld op 6 november 2018, wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2.

    Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de ‘Financiële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2015’ van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

 

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Gemeente Valkenburg aan de Geul 2020.

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 5 november 2019.

mr. J.W.L. Pluijmen, dr. J.J. Schrijen,

griffier voorzitter