Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Amstelveen

Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Amstelveen
Officiële naam regelingBeleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen
CiteertitelBeleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze beleidsregels vervangen de Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen, vastgesteld op 6 januari 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

08-03-2016nieuwe regeling

01-03-2016

Gemeenteblad 2016, 29045

Z-2016/001653

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende: de persoon die recht heeft op een inkomensvoorziening;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen;

    • c.

      inkomensvoorziening: een uitkering op grond van de Participatiewet of de IOAW of de IOAZ;

    • d.

      wet: de Participatiewet;

    • e.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in § 3.2 van de wet;

    • f.

      noodzakelijke kosten van het bestaan: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon

    • g.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • h.

      IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

  • 2. Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet, de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen inkomensvoorzieningen

Artikel 2. Opschorting, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van een inkomens- voorziening

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten, herzien of intrekken van het toekenningbesluit bedoeld in artikel 54, eerste, derde en vierde lid van de wet en artikel 17, eerste, derde en vierde lid van de IOAW en de IOAZ.

  • 2. Het college kan op grond van dringende redenen afzien van het nemen van een opschortings-, herzienings- of intrekkingsbesluit.

Artikel 3. Verblijf in het buitenland

Op belanghebbenden met een IOAW- of IOAZ-uitkering wordt artikel 13, eerste lid, onderdeel e van de wet overeenkomstig toegepast.

Hoofdstuk 2. Bepaling waarschuwing bij schenden inlichtingenplicht

Artikel 4. Schriftelijke waarschuwing

Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het schenden van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 13 van de IOAW of IOAZ indien het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

Hoofdstuk 2. Bepalingen vaststelling norm bij zakelijke relatie

Artikel 5. Zakelijke relatie verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger

  • 1. Belanghebbende toont een zakelijke relatie aan door middel van een schriftelijke overeenkomst, waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn, en waarbij een commerciële prijs is overeengekomen. Daarnaast toont de belanghebbende betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

  • 2. De overeenkomst als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste de volgende onderdelen:

    • a.

      naam, adres en woonplaats van beide partijen;

    • b.

      aanduiding van de ruimte;

    • c.

      de ingangsdatum;

    • d.

      het overeengekomen bedrag, uitgesplitst naar huur en overige woonlasten zoals gas, water en elektra;

    • e.

      de wijze van betaling;

    • f.

      het betaalmoment van het overeengekomen bedrag;

    • g.

      de looptijd van de overeenkomst;

    • h.

      de jaarlijkse indexering, huurverhoging.

  • 3. Indien het een kostgever betreft dient de overeenkomst als bedoeld in het tweede lid de volgende aanvullende bepalingen te bevatten:

    • a.

      welke diensten de kostganger ontvangt en

    • b.

      welke ruimten hij mag gebruiken.

Artikel 6. Commerciële prijs

  • 1. Een huurprijs wordt commercieel geacht indien de hoogte gelijk of hoger is dan de minimale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2. Indien het een kostganger betreft wordt bij de (basis)huur als bedoeld in het tweede lid een bedrag van € 290,00 per maand opgeteld voor de kosten van voeding.

Artikel 7. Korting inkomsten bij huur of kostgeld

  • 1. Op grond van artikel 33, vierde lid van de Participatiewet worden de inkomsten uit ver- huur in mindeling gebracht onder aftrek van € 60,00 per maand per kamer.

  • 2. Indien het een kostganger betreft wordt het bedrag in het eerste lid verhoogd met €290,00 per kostganger, zijnde de kosten van voeding.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 2. bepalingen vaststelling norm bij ontbreken woonlasten

Artikel 8. Verlaging van de bijstandsnorm

  • 1. Het college stelt de bijstandsnorm lager vast indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan:

    • a.

      geen kosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning.

    • b.

      de belanghebbende geen huurlasten hoeft te betalen voor het bewonen van een woning.

  • 2. De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:

    • a.

      20% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel a.

    • b.

      15% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel b.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 2. Slotbepalingen

Artikel 9. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van over- wegende aard zou leiden.

Artikel 10. Onvoorziene situaties

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 11. Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 8 maart 2016 en kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen”.

  • 2. Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt de “Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen”, zoals vastgesteld bij collegebesluit van 6 januari 2015, ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 maart 2016.

De secretaris,

A.S. Meijer

De voorzitter,

Drs. M.M. van ‘t Veld

Nota van toelichting

Algemene toelichting

De beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen zijn verzamel beleidsregels. Voor een aantal bevoegdheden uit de wet of de verordening stelt het college regels.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Opschorting, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening.

Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid van artikel 54 van de wet of artikel 17 van de IOAW of IOAZ het recht op bijstand op te schorten, te herzien of in te trekken. Binnen de Participatiewet kan het college het recht op uitkering opschorten voor een periode van maximaal 8 weken. Het college schort het recht op bijstand op indien belanghebbende de voor de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien belang- hebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

Belanghebbende wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de opschorting en wordt uit- genodigd binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Indien belanghebbende zijn verplichtingen uit artikel 17, eerste lid van de wet (zijn inlichtingen verplichting) of artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (inlichtingenverplichting of het leveren van bewijstukken ten tijde van de aanvraag) niet of niet behoorlijk nakomt en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand herziet het college het recht op bijstand of trekt het college het recht op bijstand in.

Indien belanghebbenden het verzuim niet herstelt binnen de door het college gestelde ter- mijn, trekt het college het recht op bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Artikel 4. Schriftelijke waarschuwing

Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 18a, vierde lid van de Participatiewet om een schriftelijke waarschuwing te geven, indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en er geen sprake is van recidive.

Artikel 5. Zakelijke relatie verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger

Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de woningdelersnorm van toepassing. Hierop is een uitzondering voor de persoon die als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. Hierbij gel- den twee uitgangspunten:

  • a.

    er dient een schriftelijke overeenkomst te zijn, en

  • b.

    er dient een commerciële prijs betaald te worden.

In dit artikel wordt geregeld waaraan een overeenkomst dient te voldoen.

Artikel 6. Commerciële prijs

Commerciële huurprijs

Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de basishuur, zoals om- schreven in de wet op de Huurtoeslag. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. In 2015 is de ondergrens voor het recht op huurtoeslag € 229,64 per maand. Uit het feit dat de basishuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een commerciële huur gaat.

Commerciële prijs voor kostgangers

Een kostganger is een soort huurder-plus. De prijs zou dus meer moeten bedragen dan de commerciële huurprijs. Er wordt namelijk ook nog een bedrag betaald voor gebruik van de maaltijden.

Bij het berekenen van de commerciële prijs voor kostgangers is aangesloten bij de Recofa- richtlijnen. Genoemde richtlijnen zijn ontwikkeld en worden onderhouden door de werk- groep rekenmethode ‘Vrij te laten bedrag’ van Recofa. Recofa is de werkgroep rechters- commissarissen in insolventies. Volgens genoemde richtlijnen kan € 9,60 per dag in rekening worden gebracht voor het gebruik van maaltijden. Dit is omgerekend een bedrag van € 292 per maand. De commerciële prijs voor kostgangers bedraagt dan ook tenminste het bedrag genoemd als in het tweede lid plus het maandelijkse bedrag voor gebruik maaltijden als genoemd in de Recofa richtlijnen. Dit betekent (met een afronding naar beneden) dat € 290 per maand kan worden gehanteerd.

De bedragen genoemd in deze toelichting die afgeleid zijn van de Recofa-richtlijnen kunnen jaarlijks bijgesteld worden (hoofdstuk 4.9 Recofa-richtlijn en de Berekening van het vrij te laten bedrag bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, hoofdstuk 6, bijlage).

Voor de Recofa richtlijn zie www.wsnp.rvr.org , > vrij te laten bedrag > lees meer > vrij te laten rapport.

Artikel 7. Korting inkomsten bij huur of kostgeld

Op grond van de Recofa richtlijn wordt een forfaitaire bedrag van € 1,93 per dag gehan- teerd voor energie en afschrijving van meubilair en dergelijke. Dit komt neer op een bedrag van € 58,70 per maand en vervolgens naar boven afgerond op € 60,00 per maand.

Kostgeld

Bij kostgeld wordt een bedrag van € 290,00 per maand voor voedsel gerekend. Zie artikel6, Commerciële prijs voor kostgangers.

Artikel 7 is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ. Op de uitkering op grond van de IOAW en IOAZ kunnen alleen inkomsten uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht.

Artikel 8. Verlaging van de bijstandsnorm

Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid van artikel 27 van de wet. Op grond van artikel 27 verlaagt het college de bijstandsnorm (van artikel 20 en 21 PW) met 20 % van het netto minimumloon (= de gehuwdennorm), indien er geen kosten aan het bewonen van de woning zijn verbonden of indien belanghebbende geen woonkosten heeft. Hierbij valt te denken bij het kraken van een woning. De verlaging bedraagt 15% van het netto

minimumloon (= de gehuwdennorm), indien er wel kosten zijn verbonden aan het bewonen van de woning maar belanghebbende geen huurkosten heeft. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een derde de huur van de woning betaalt.

De voor belanghebbende toepasselijke norm bevat een component voor woonkosten. Het is redelijk dat iemand zonder woonkosten een lagere uitkering ontvangt.

In dit artikel wordt niet de verlaging van de bijstandsnorm van artikel 22a PW (kostendelersnorm) geregeld. Ook voor deze categorie is het redelijk dat iemand zonder woonkosten een lagere uitkering ontvangt. Deze verlaging vindt op grond van artikel 18 lid 1 PW plaats en dient individueel beoordeeld te worden.