Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Assen

Rechtspositie vrijwillige brandweer

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieAssen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRechtspositie vrijwillige brandweer
CiteertitelRechtspositie vrijwillige brandweer
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Algemene wet bestuursrecht

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-199810-03-2014Onbekend

01-01-1998

Berichten van de Brink,

BB-47122

Tekst van de regeling

Intitulé

Rechtspositie vrijwillige brandweer

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a

    vrijwilliger: degene die zich beschikbaar heeft gesteld voor de gemeentelijke brandweer en als zodanig door het college van burgemeester en wethouders is aangesteld om in de openbare dienst werkzaam te zijn;

  • b

    zich beschikbaar stellen: het oproepbaar zijn om in voorkomende gevallen werkzaamheden te verrichten welke vallen binnen het takenpakket van de gemeentelijke brandweer.

Artikel 2 Werkingssfeer

Voor de toepassing van deze verordening wordt niet als vrijwilliger beschouwd: degene met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

Artikel 3 Overleg met vakorganisaties

Het overleg aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de vrijwilliger, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt plaats in de op grond van artikel A5 van het Algemeen Ambtenarenreglement voor het gemeentepersoneel ingestelde commissie voor georganiseerd overleg.

Artikel 4 Kennisnemen van de regeling
  • 1.

    Op verzoek ontvangt de vrijwilliger kosteloos een exemplaar van deze verordening, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelen welke ter uitvoering van artikel 125 Ambtenarenwet 1929 voor de vrijwilligers zijn of worden getroffen en alle wijzigingen daarvan.

  • 2.

    Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

    • a.

      de centrales van overheidspersoneel welke deelnemen aan het in artikel 3 bedoelde georganiseerde overleg;

    • b.

      ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in aanmerking komen.

Artikel 5 Kennisnemen van overige regelen
  • 1.

    Op verzoek ontvangt de vrijwilliger kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regelen welke zijn vastgesteld ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van deze verordening of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven tenzij de bedoelde regelen op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

  • 2.

    Wanneer de vrijwilliger niet-schriftelijk vastgestelde regelen, zoals bedoeld in het eerste lid, heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1

Door voor de term "zich beschikbaar te stellen" te kiezen wordt het vrijwilligerselement nadrukkelijk aangegeven. Tot het takenpakket van de gemeentelijke brandweer horen ook regionale brandweertaken; ook dit zijn werkzaamheden waarvoor de vrijwilliger kan worden opgeroepen.

Artikel 3

De vraag zou kunnen rijzen of het gestelde in artikel 125, eerste lid, onder m, van de Ambtenarenwet 1929 bepalende het vaststellen van voorschriften omtrent de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren, ook van toepassing is op de vrijwilligers.

Deze vraag zou in ontkennende zin beantwoord moeten worden, indien men uitgaat van de gedachte dat met het begrip "vakorganisatie van overheidspersoneel" niet anders bedoeld kan zijn dan een vakorganisatie van overheidspersoneel waarin slechts de beroepsbevolking is georganiseerd, waartoe de vrijwilliger als zodanig niet behoort. Aangezien men voor een dergelijke opvatting geen aanknopingspunt kan vinden in de geschiedenis van de totstandkoming van de Ambtenarenwet 1929 dient een regeling van het georganiseerd overleg in de zin van evengenoemd artikel 125, eerste lid, onder m, voor de vrijwilliger vastgesteld te worden.

Artikel 6 Aanstellingstermijnen
  • 1.

    Aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.

  • 2.

    Tijdelijke aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en kan slechts plaatshebben bij wijze van proef.

  • 3.

    De tijdelijke aanstelling duurt ten hoogste twee jaar, welke termijn in bijzondere gevallen met ten hoogste één jaar kan worden verlengd tenzij deze met toepassing van deze verordening voor het aflopen van genoemde termijn beëindigd is.

  • 4.

    Zodra de termijn die overeenkomstig het vorige lid voor de tijdelijke aanstelling geldt, is verstreken, wordt een vaste aanstelling verleend, tenzij daartegen uit andere hoofde bezwaren bestaan.

Artikel 7 Algemene aanstellingsvoorwaarden

Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen degene die voldoet aan het gestelde in artikel 6, lid 1, van het besluit brandweerpersoneel en:

  • a

    geacht kan worden de voor de brandweerdienst vereiste karaktereigenschappen te bezitten;

  • b

    door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en de ligging van zijn woning geacht kan worden in staat te zijn, zijn taak bij de gemeentelijke brandweer naar behoren te vervullen;

  • c

    de leeftijd van tenminste 18 jaar heeft bereikt.

Artikel 8 Bericht van aanstelling
  • 1.

    Het bericht van aanstelling dat de vrijwilliger voor de indiensttreding kosteloos ontvangt, vermeldt:

    • a.

      de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de vrijwilliger;

    • b.

      of de vrijwilliger vast of tijdelijk wordt aangesteld;

    • c.

      de dag met ingang waarvan de vrijwilliger is aangesteld danwel een omschrijving of aanduiding van die dag;

    • d.

      de rang en de vergoeding welke de vrijwilliger worden toegekend;

    • e.

      indien de aanstelling tijdelijk is, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van die tijd.

Artikel 9 Vergoeding

Aan de vrijwilliger wordt binnen het kader van een afzonderlijk vastgestelde verordening een vergoeding toegekend.

Artikel 10 Beschikbaarheid en militaire dienst
  • 1.

    De vrijwilliger die ingevolge wettelijke verplichting in werkelijke militaire dienst is, wordt geacht niet beschikbaar te zijn.

  • 2.

    Indien en voorzover de periode van werkelijke militaire dienst van de vrijwilliger meer dan twee maanden is, heeft hij gedurende deze periode geen recht op de aan zijn rang verbonden vaste vergoeding.

  • 3.

    Indien de in het vorige lid bedoelde vrijwilliger uit dien hoofde ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, geniet hij gedurende de in dat lid bedoelde periode de aan zijn rang verbonden vaste vergoeding tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.

Artikel 11 Besluit tot bevordering

De bevordering conform het Besluit Brandweerpersoneel geschiedt door het college van burgemeester en wethouders. In het bevorderingsbesluit dienen in ieder geval de nieuwe rang en de daaraan verbonden vergoeding te worden vermeld.

Artikel 7

In artikel 6, lid 1, van het Besluit brandweerpersoneel is de (aanstelllings )keuring geregeld. Het besluit is rechtstreeks van toepassing.

Artikel 8

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht treedt een besluit pas in werking nadat het schriftelijk bekend is gemaakt. Het bericht van aanstelling zal dus voor de indiensttreding aan de vrijwilliger moeten worden toegezonden.

Artikel 9

De vergoeding plachten (uitzonderingen daargelaten) als volgt te worden berekend.De officieren, geen commandant zijnde, ontvingen een vaste vergoeding per jaar van 150x het tot uurloon herleide maximum-maandbedrag van de bij de desbetreffende rang behorende BBRA-salarisschaal. De commandanten ontvingen een vaste vergoeding van 200x het tot uurloon herleide maximum-maandbedrag. Daarenboven ontvingen alle officieren voor elk uur daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening een bedrag van 150% van bedoeld uurloon. Hierbij wordt aangetekend dat officieren niet in alle gevallen behoeven uit te rukken.

Voor de manschappen werd de vergoeding van uren besteed aan cursussen, oefeningen en dergelijke berekend naar 80% van het uurloon.Indien de officieren kunnen aantonen dat zij significant meer dan 150 uur aan hun brandweertaak besteden (waarbij de daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening buiten beschouwing blijven) kan worden besloten de meeruren (al dan niet gedeeltelijk) te vergoeden. Daartoe moet een artikel aan de vergoedingsregeling worden toegevoegd. Bij de Brandweer Assen worden meeruren niet uitbetaald. Het streven is erop gericht geen meeruren te maken. Bij eventuele dreiging van meeruren, wordt een oplossing gezocht in personele ondersteuning binnen de dienst. Een apart artikel over de meerurenvergoeding wordt dan ook niet in de vergoedingsregeling opgenomen.In het uurloon is geen rekening gehouden met vakantie- en andere toeslagen.De manschappen, de onderbrandweer en de brandmeester ontvangen een vergoeding. Daarnaast ontvangen de manschappen voor elk uur oefenen, bijwonen van cursussen en dergelijke een vergoeding die in het oude systeem werd berekend naar 80% van het tot uurloon herleide maximum-maandbedrag van de bij de desbetreffende rang behorende BBRA-salarisschaal. Alle vrijwilligers ontvangen een vergoeding voor elk uur daadwerkelijke brandbestrijding, vroeger berekend naar 150% van dit uurloon. Het systeem van herleiden is voor het laatst gebruikt om de vergoedingen per 1 januari 1993 te berekenen. Inmiddels is een nieuw artikel 4 in de model-vergoedingsregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer ingevoerd.Op grond daarvan kunnen de percentages waarmee de salarissen van de gemeente-ambtenaren volgens de uitkomst van het LOGA-overleg moeten worden verhoogd, rechtstreeks worden toegepast op de vergoedingen. Worden deze salarissen bijvoorbeeld met 2% verhoogd, dan worden de vergoedingen eveneens met 2% verhoogd. Daarbij hanteert men de ingangsdatum die in het LOGA is afgesproken. Er wordt rekenkundig afgerond. Deze methode is voor de gemeenten eenvoudig toe te passen en men is niet meer afhankelijk van circulaires van het College voor Arbeidszaken.Voor de goede orde zij hier vermeld dat deze vaste en uurvergoedingen in beginsel bestemd zijn voor die vrijwilligers die niet in hun hoofdberoep bij dezelfde gemeente in dienst zijn.Vrijwilligers die hun brandweertaak vervullen in dezelfde gemeente waarbij zij ook in hun hoofdberoep in dienst zijn, komen in aanmerking voor de vaste vergoeding. Een uurvergoeding wordt hun slechts toegekend voorzover deze betrekking heeft op uren die buiten de gewone (en doorbetaalde) diensttijd vallen.

Artikel 11

Volgens de Algemene wet bestuursrecht treedt een besluit pas in werking nadat het schriftelijk is medegedeeld.

Artikel 12 Ongevallenverzekering
  • 1.

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder ongeval en arbeidsongeschiktheid, hetgeen daaronder wordt verstaan in de door de gemeente terzake gesloten ongevallenverzekering.

  • 2.

    De vrijwilliger wordt bij indiensttreding in kennis gesteld van de bepalingen van de door de gemeente te zijnen behoeve gesloten ongevallenverzekering.

  • 3.

    Wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde bepalingen worden tijdig vóór de inwerkingtreding aan de vrijwilliger medegedeeld.

Artikel 13 Uitkering bij arbeidsongeschiktheid
  • 1.

    De vrijwilliger die arbeidsongeschikt is, welke ongeschiktheid blijkens een geneeskundig onderzoek het gevolg is van een ongeval ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, heeft aanspraak op een uitkering indien en voorzover de in artikel 12, lid 2, bedoelde verzekering dit regelt.

  • 2.

    De in artikel 12, lid 2, bedoelde verzekering bevat in ieder geval de volgende bepalingen:

    • a

      bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt de eventuele restcapaciteit gedurende de eerste twee jaar buiten beschouwing gelaten;

    • b

      bij blijvende arbeidsongeschiktheid bestaat aanspraak op een uitkering ineens.

  • 3.

    De vrijwilliger houdt behoudens artikel 15 geen aanspraak op enige vergoeding ten laste van de gemeente terzake van een ongeval.

Artikel 14 Uitkering bij overlijden
  • 1.

    Indien een vrijwilliger ten gevolge van een ongeval, ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, komt te overlijden, hebben diens nagelaten betrekkingen aanspraak op een uitkering volgens de bepalingen van de door de gemeente terzake gesloten ongevallenverzekering.

  • 2.

    Voor de toepassing van lid 1 wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan:

    • a

      de weduwe of weduwnaar van de vrijwilliger of bij ontstentenis van deze;

    • b

      de minderjarige kinderen en de studerende kinderen van de vrijwilliger die de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt, of indien er geen minderjarige c.q. studerende kinderen zijn;

    • c

      de deelnemer.

  • 3.

    Waar in lid 2 wordt gesproken over weduwe of weduwnaar van de vrijwilliger wordt daaronder mede verstaan degene met wie de vrijwilliger duurzaam in gezinsverband samenwoonde.

Artikel 15 Vergoeding geneeskundige kosten
  • 1.

    In geval van een ongeval, ontstaan in verband met de vervulling van zijn betrekking, worden de vrijwilliger de te zijnen laste blijvende naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging vergoed tot ten hoogste het bedrag waarvoor de gemeente zich terzake heeft verzekerd.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan in de gevallen, waarin de in het eerste lid bedoelde kosten het bedrag waarvoor de gemeente zich terzake heeft verzekerd te boven gaan, een tegemoetkoming in de hogere kosten verlenen.

Artikel 16 Uitkering in bijzondere gevallen

Indien geen sprake is van een ongeval doch wel van een ziekte welke is ontstaan of verergerd in verband met de vervulling van de betrekking, stelt de raad terzake een uitkering vast voorzover de verzekering daar niet in voorziet.

Artikel 17 Begripsomschrijving

Onder vrijwilliger, bedoeld in de artikelen 14 t/m 16 wordt mede begrepen de gewezen vrijwilliger, voorzover deze de leeftijd, zoals bedoeld in artikel 38, lid 2, sub b, nog niet heeft bereikt. Artikel 13 is eveneens van toepassing op de gewezen vrijwilliger tot het in artikel 38, lid 2, sub b, genoemde tijdstip indien hij blijvend arbeidsongeschikt is.

Artikel 12

De vrijwilliger heeft slechts aanspraken op een uitkering indien en voorzover de afgesloten verzekering dat regelt. Daarnaast kan eventueel nog een vergoeding worden verleend voor geneeskundige kosten. De oude regeling, die gedurende achttien maanden een bepaald inkomen garandeerde, is daarmee verlaten. De verzekering dient aan bepaalde minimumeisen te voldoen (zie de artikelen van dit hoofdstuk en de modelregeling aanspraken bij ongeval voor vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer).

Artikel 13

In artikel 13 is geregeld welke bepalingen de door de gemeente af te sluiten verzekering in elk geval dient te bevatten. Onder arbeidsongeschiktheid dient te worden verstaan: het geheel of gedeeltelijk buiten staat zijn van de verzekerde om voor zijn krachten en bekwaamheid berekende arbeid te verrichten, die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar bij arbeid verricht of laatstelijk heeft verricht, of op een naburige soortgelijke plaats, ongeacht of zodanige arbeid ook werkelijk beschikbaar is.Een anders geformuleerde definitie is natuurlijk toegestaan, maar mag in elk geval voor de belanghebbende niet nadeliger zijn dan de vorenstaande.

Nieuw is het tijdelijk geen rekening houden met de restcapaciteit bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt het volgende bedoeld.Als een vrijwilliger na een ongeval niet langer in staat is om zijn beroep uit te oefenen, heeft hij in principe recht op een uitkering op grond van de verzekering. Het kan echter gebeuren, dat hij weliswaar voor zijn oude vak ongeschikt is geworden, maar nog wel ander werk zou kunnen verrichten. Dat andere werk zal vaak op een lager niveau zijn; ook wordt er geen rekening gehouden met de vraag of zulk werk wel beschikbaar is en zo ja, of betrokkene in aanmerking zou komen. Om aan dit probleem enigszins tegemoet te komen blijft gedurende de eerste twee jaar de restcapaciteit buiten beschouwing.Een ander belangrijk punt is, dat bij blijvende arbeidsongeschiktheid altijd aanspraak moet bestaan op een bedrag ineens.Dit geldt ook bij blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.Tegen een geringe premieverhoging kunnen ook gerequideerden worden meeverzekerd.Wij wijzen u erop dat de rente-uitkering kan worden geïndexeerd. De uitkering wordt dan om de paar jaar met een percentage verhoogd en blijft daardoor min of meer waardevast.De verzekering wordt gesloten om financiële schade die door de arbeidsongeschiktheid wordt geleden op te vangen. Wij gaan er dan ook van uit dat, als er van inkomensderving sprake is, de bedragen zo snel mogelijk aan de vrijwilliger worden uitbetaald.Wijzigingen in de verzekeringsvoorwaarden dienen in het Georganiseerd Overleg aan de orde te worden gesteld.

Wellicht ten overvloede zij vermeld dat de vrijwilliger als zodanig op grond van artikel 6 van de Ziektewet en artikel 6 van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering niet onder de werking van die wetten valt. Indien dus een vrijwilliger als gevolg van een ongeval hem overkomen tijdens de brandweerdienst, arbeidsongeschikt is, mag de desbetreffende bedrijfsvereniging voor wat betreft de eventuele uitkeringen waarop betrokkene krachtens genoemde wetten uit hoofde van zijn hoofdbetrekking aanspraak kan maken, daaraan geen consequenties verbinden.

Het is nog niet duidelijk wat de consequenties zullen zijn van de stelselherziening waaraan thans (1993) gewerkt wordt. Binnen de beperkingen van de gewijzigde verzekeringen mag de vrijwilliger er in verhouding tot andere werknemers niet extra op achteruitgaan. Zo nodig dient een compensatie door de gemeente te worden betaald. Daartegen kan een verzekering worden afgesloten.

Er is geen speciale regeling getroffen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof. Dit houdt namelijk niet meer in dan dat er gedurende een bepaalde tijd geen beroep op de vrijwilliger wordt gedaan.De zwangere brandweervrouw zal in overleg met haar verloskundige moeten bepalen tot wanneer zij haar taak als vrijwilliger kan blijven uitoefenen. In geval van gefundeerde twijfel kan de bedrijfsarts worden ingeschakeld (zie artikel 8 van het besluit brandweerpersoneel).

Voor de termijnen, zowel met betrekking tot de aanvang als tot de duur van het "verlof", kan de regeling van het Algemeen Ambtenarenreglement, zoals opgenomen in artikel E27, worden aangehouden. In totaal wordt betrokkene dan in elk geval zestien weken niet meer opgeroepen.Gedurende de afwezigheid in verband met zwangerschap en bevalling wordt de vaste vergoeding doorbetaald.

Artikel 14

Bij de nagelaten betrekkingen zoals bedoeld in lid 2 ware bijvoorbeeld te denken aan de rechthebbenden op weduwen- en wezenpensioen, genoemd in de artikelen G1, G5, G6 en G7 van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet, alsmede aan de personen voor wie de ongehuwde vrijwilliger kostwinner was.Het zal duidelijk zijn dat de gemeente een uitkering van de verzekering zo snel mogelijk aan de nabestaanden dient uit te betalen.

Artikel 17

Het is de bedoeling dat ook de gewezen vrijwilliger in aanmerking kan komen voor een uitkering zoals in hoofdstuk III bedoeld.Immers, ook na beëindiging van het dienstverband kan een ziekte ontstaan of verergeren in verband met de vervulling van de betrekking.Het zal duidelijk zijn dat teneinde een causaal verband te kunnen aantonen, de tijdspanne tussen de ontslagdatum en het moment waarop de ziekte ontstaat of verergert, niet al te groot kan zijn.

Artikel 18 Gedrag

De vrijwilliger is gehouden zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten en zich ook overigens te gedragen zoals een goed vrijwilliger betaamt.

Artikel 19 Eed en belofte

De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college van burgemeester en wethouders is voorgeschreven.

Artikel 20 Overige diensten
  • 1.

    De vrijwilliger is verplicht:

    • a

      deel te nemen aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen;

    • b

      wacht-, consignatie- en bewakingsdiensten te verrichten.

  • 2.

    De kosten verbonden aan het volgen van cursussen, het deelnemen aan examens, het bijwonen van bijeenkomsten gericht op de beroepsuitoefening, alle voorzover betrekking hebbend op het vervullen van de brandweertaak, komen ten laste van de gemeente.

Artikel 21 Gebruik gemeente-eigendommen

Het is de vrijwilliger verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen, ten eigen bate aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken.

Artikel 22 Giften

Het is aan de vrijwilliger verboden:

  • a

    vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen anders dan met toestemming van het college van burgemeester en wethouders;

  • b

    steekpenningen aan te nemen.

Artikel 23 Beschikbaarheid

Indien de vrijwilliger niet beschikbaar kan zijn, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk mededeling te doen aan de commandant.

Artikel 24 Verplichting dragen dienstkleding en uitrustingsstukken
  • 1.

    De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door of namens het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.

  • 2.

    De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van gemeentewege kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij de commandant in te leveren.

  • 3.

    De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan de inspectie en controle door of namens de commandant.

  • 4.

    Reparatie aan de dienstkleding en uitrustingsstukken geschiedt van gemeentewege.

  • 5.

    Als uitgaansuniformkleding van de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer geldt de voor het rijksbrandweerpersoneel voorgeschreven uitgaansuniformkleding.

Artikel 25 Verbod dragen dienstkleding en uitrustingsstukken

Het is de vrijwilliger verboden:

  • 1

    de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen waarin het college van burgemeester en wethouders daarvoor toestemming heeft verleend;

  • 2

    de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden ten gebruike te geven;

  • 3

    dienstkleding te dragen voorzien van:

    • a

      andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang welke betrokkene bekleedt;

    • b

      insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen daarvan, hetzij van regeringswege, hetzij door het college van burgemeester en wethouders, toestemming is verleend.

Artikel 26 Gebruik motorvoertuig

Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorvoertuig in de zin van de Wet Aanspakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien en voorzover hem daartoe door of namens het college van burgemeester en wethouders toestemming is verleend.Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 27 Schadevergoeding aan gemeente
  • 1.

    De vrijwilliger kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voorzover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

  • 2.

    De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de wijze van inhouding van de schadevergoeding op zijn vergoeding zijn wensen kenbaar te maken.

Artikel 28 Schadevergoeding aan vrijwilliger

Aan de vrijwilliger wordt de schade van aan hem toebehorende kleding en uitrusting vergoed, welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichte werkzaamheden, voorzover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.

Artikel 29 Overige schadevergoeding

De raad kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 19

Artikel 20, lid 5, van de Brandweerwet regelt dat bij binnentreden tegen de wil van de bewoner procesverbaal op ambtseed moet worden opgemaakt.De ambtseed zou als volgt kunnen luiden.Ik zweer/beloof, dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij verstrekte opdrachten zal uitvoeren en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben, en dat ik mij als een nauwgezet en ijverig vrijwilliger zal gedragen.Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (dat beloof ik!).De eed of belofte kan worden afgelegd ten overstaan van de het college van burgemeester.

Artikel 20

Het aantal oefenavonden is niet overal gelijk. Omstandigheden die per korps kunnen verschillen en die tevens van invloed zijn op het aantal oefenavonden zijn ondermeer:

  • -

    de omvang van het korps in relatie tot de grootte van het verzorgingsgebied, alsmede de aanwezigheid van verhoogde risicofactoren;

  • -

    het gemiddeld aantal uitrukken op jaarbasis;

  • -

    het bij het korps aanwezige overige materieel;

  • -

    de samenstelling van het korps (vrijwillig/beroeps/mengvorm).

Onder kosten verbonden aan het volgen van cursussen worden verstaan:examen-, les-, college- en diplomagelden alsmede verplichte studiematerialen.Reis- en verblijfkosten worden vergoed op basis van tarieven openbaar vervoer.Ook kosten verbonden aan het bijwonen van congressen en bijeenkomsten gericht op de beroepsuitoefening worden vergoed, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor de vervulling van de brandweertaak. Dit laatste staat ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 23

De commandant moet op de hoogte zijn van de (toekomstige) afwezigheid van het brandweerpersoneel, zodat hiermee bij het opstellen van het dienstrooster rekening kan worden gehouden.

Artikel 24

Het is al geruime tijd gebruikelijk dat de vrijwilligers dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen dragen als de beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn te vinden in de Regeling onderscheidingstekenen rijksbrandweerpersoneel van 13 juni 1991.

Artikel 26

Ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik van de eigen auto voor dienstdoeleinden is dat gebruik gebonden aan toestemming door het college van burgemeester en wethouders. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Het al dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op het al dan niet aansprakelijk zijn van de werkgever ex artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek. Een gebruikelijke voorwaarde is dan ook dat de verplichte WA-verzekering, mede de werkgever(s) als verzekerde(n) aanwijst, hetgeen in de meeste WA-polissen trouwens al het geval is.

Artikel 27

Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de schuldige of nalatige vrijwilliger te verhalen. Bij elk concreet schadegeval zal daarover door het college van burgemeester en wethouders een beslissing moeten worden genomen.Hierbij gaat het met name over de vraag of de schade aan de vrijwilliger te wijten is en of zijn schuld of nalatigheid van dien aard is dat de schade geheel op hem kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden volstaan.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moet de vrijwilliger worden gehoord voor er een beslissing wordt genomen over het verhalen van de schade en mag hij zich door een raadsman laten bijstaan.

Overigens komen in elke organisatie "bedrijfsongevallen" voor, die inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel toe te rekenen aan iemand, maar de begrippen "schuld" en "nalatigheid" wijzen er toch wel op dat het hier moet gaan om zaken waarvan men de vrijwilliger echt een "verwijt" kan maken.Anderzijds is het artikel ook weer niet zo beperkt dat er alleen schadevergoeding zou kunnen worden geëist in gevallen van kwade trouw of opzet.

Artikel 28

De hierbedoelde schade moet zijn geleden "ten gevolge van de door hem verrichte werkzaamheden". Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het directe gevolg is van het werk dat de vrijwilliger verricht vergoed wordt. Er kan ook een zodanig verband met de werkzaamheden zijn, dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de vrijwilliger die werkzaamheden niet zou hebben verricht.

Voorkomen moet worden dat de vrijwilliger ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval kan zijn wanneer als schadevergoeding de nieuwprijs van een goed wordt betaald, terwijl dat goed de daarmee overeenkomende waarde op het moment  van de schade niet meer bezat. De Centrale Raad van Beroep stelt echter: "Wil evenwel tot beperking van de vergoeding worden overgegaan, dan dient wel een in redelijkheid aanvaardbaar en althans in zekere mate objectie criterium te worden gebruikt om tot een oordeel inzake de omvang van die beperking te kunnen geraken."Bepaalde zaken zijn echter zo persoonsgebonden dat een dergelijk criterium niet of nauwelijks te vinden zal zijn. Omdat schade aan brillen vrij veel voorkomt, is het interessant op dit punt de Centrale Raad te citeren: "..... waarbij de Raad opmerkt dat het hem niet onwaarschijnlijk voorkomt dat juist in gevallen van schade aan brillen geen mogelijkheid tot voldoen aan dit vereiste (objectief criterium) aanwezig zal zijn.Immers, een bril heeft uit zijn aard een zodanig op de persoon van de drager betrokken karakter, dat waarschijnlijk nog in algemene zin noch zelfs van geval tot geval met een redelijke mate van aanvaardbaarheid aan te geven is welk concreet voordeel door integrale vergoeding, als hier aan de orde, zou worden genoten." (CRvB 19 november 1981, AB 1982, 295).

Er is nogal eens verschil van mening of ook diefstal van een fiets uit de rijwielstalling of van een overjas uit de garderobe onder de werking van dit artikel valt. In het algemeen zal dat niet het geval zijn als deze goederen alleen voor privédoeleinden gebruikt worden en niet nodig zijn bij de uitoefening van de betrekking. Wel kan er sprake zijn van een aansprakelijkheid naar burgerlijk recht van de werkgever. De behandeling daarvan valt echter buiten het bestek van deze toelichting. Voor de begrippen "schuld" en "nalatigheid" wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 27.Vergoeding van schade aan een motorrijtuig wordt in dit artikel niet langer uitgesloten. Gebleken is namelijk dat gemeenten deze schade in het algemeen vergoeden en zich daarvoor verzekeren.Bij het rijden met de eigen auto naar de kazerne of de brand dienen echter ondanks de haast de verkeersregels in acht te worden genomen.

Artikel 30 Plichtsverzuim
  • 1.

    De vrijwilliger die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.

  • 2.

    Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 31 Strafmaat
  • 1.

    De disciplinaire straffen welke kunnen worden toegepast zijn:

    • a

      schriftelijke berisping;

    • b

      inhouding van een deel der vaste vergoeding als bedoeld in artikel 2 van de Vergoedingsregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer;

    • c

      schorsing al dan niet met inhouding van de vergoeding;

    • d

      ongevraagd ontslag.

  • 2.

    De straffen worden door het college van burgemeester en wethouders opgelegd.

Artikel 32 Verantwoording door vrijwilliger
  • 1.

    De verantwoording door de vrijwilliger geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college van burgemeester en wethouders of ten overstaan van een door hen aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de vrijwilliger kan van deze termijnen worden afgeweken.

  • 2.

    Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording heeft plaatsgehad en door de vrijwilliger. Weigert de vrijwilliger de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding der redenen melding gemaakt.Een afschrift van het proces-verbaal wordt de vrijwilliger uitgereikt.

  • 3.

    Indien de vrijwilliger zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 33 Besluit tot strafoplegging

rechtspositieDe vrijwilliger verstrekt het college van burgemeester en wethouders een ontvangstbewijs van het besluit tot strafoplegging.

Artikel 34 Tenuitvoerlegging straf

De straf bedoeld in artikel 31, lid 1, onder b t/m d, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

Artikel 32

De vrijwilliger moet (als hij dit wenst) tevoren mondeling of schriftelijk worden gehoord en mag zich door een raadsman doen bijstaan (Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 33

De Algemene wet bestuursrecht regelt dat een besluit deugdelijk moet zijn gemotiveerd. De hierbedoelde (beroeps-)termijn bedraagt dertig dagen  (zie artikel 60 Ambtenarenwet 1929) en het orgaan waarbij beroep openstaat is de arrondissementsrechtsbank. Tegen de uitspraak kan men hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, het hoogste rechtscollege in het ambtenarenprocesrecht.De Algemene wet bestuursrecht eist overigens dat eerst een bezwaarprocedure wordt afgewerkt (de wet treedt per 1 januari 1994 in werking). Zie hiervoor de algemene inleiding.

Artikel 35 Schorsing
  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 30 kan de vrijwilliger door het college van burgemeester en wethouders worden geschorst:

    • a

      wanneer hem het voornemen tot bestraffing met ongevraagd ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

    • b

      wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

    • c

      wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

    • d

      in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

  • 2.

    Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

    • a

      een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

    • b

      een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur der schorsing.

Artikel 36 Ontslagbesluit

Het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van ontslag vermeldt de datum van ingang van het ontslag danwel een omschrijving of aanduiding van die datum.

Artikel 37 Ontslag op eigen verzoek en aanhouden ontslag
  • 1.

    Indien de vrijwilliger ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

  • 2.

    Dit ontslag wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand danwel later dan drie maanden na datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

  • 3.

    Indien de vrijwilliger dit verzoekt, kan van het bepaalde in het tweede lid worden afgeweken.

  • 4.

    Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de vrijwilliger aanhangig is, of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor een disciplinaire straf, kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 38 Ongevraagd ontslag
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders verleent de vrijwilliger ongevraagd eervol ontslag op grond van het bereikt hebben van de 55-jarige leeftijd.Dit ontslag gaat in op 1 januari van het jaar volgende op die waarin de leeftijd van 55 jaar is bereikt.

  • 2.

    De ingangsdatum van het in het vorige lid bedoelde ontslag kan telkens met een periode van één jaar worden opgeschort, indien zulks door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de dienst wordt nodig geacht en:

    • a

      de vrijwilliger zulks heeft verzocht of daarmede instemt en

    • b

      de vrijwilliger blijkens het ingewonnen advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen geneeskundige, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn werkzaamheden te blijven verrichten.Bedoelde opschorting eindigt in ieder geval op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de leeftijd van 60 jaar is bereikt.

  • 3.

    Niettemin kan het college van burgemeester en wethouders aan de vrijwilliger die tussentijds blijkens het advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen geneeskundige ongeschikt is geworden voor het verder verrichten van werkzaamheden, eervol ontslag verlenen met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin bedoeld advies door het college van burgemeester en wethouders ter kennis van de vrijwilliger is gebracht.

Artikel 39 Gronden ongevraagd ontslag
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond van:

    • a

      het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of wegens verandering in de organisatie van de gemeentelijke brandweer;

    • b

      ondercuratelestelling;

    • c

      toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

    • d

      onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

    • e

      de omstandigheid dat hij wegens de aard of de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden danwel de ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn zijn taak bij de brandweer te vervullen;

    • f

      onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;

    • g

      onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken.

  • 2.

    In de in het eerste lid genoemde gevallen wordt, met uitzondering van het geval bedoeld onder d, het ontslag steeds eervol verleend.

Artikel 40 Expireren tijdelijke aanstelling
  • 1.

    De vrijwilliger die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de vrijwilliger geacht met ingang van bedoelde datum een vaste aanstelling te hebben ontvangen.

  • 2.

    Ontslag op één der gronden genoemd in dit hoofdstuk kan, aan de vrijwilliger als bedoeld in het vorige lid, worden verleend met ingang van een datum gelegen vóór de datum waarop hij van rechtswege zou zijn ontslagen.

Artikel 35

Het schorsingsbesluit dient deugdelijk te zijn gemotiveerd (Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 38

Op grond van het oude artikel G4 kon het college van burgemeester en wethouders in beginsel het ontslag van de vrijwilliger op diens verzoek en onder voorwaarden telkenmale met één jaar opschorten tot maximaal het bereiken van de 60-jarige leeftijd. Overigens verdient het, gelet op een gunstige doorstroming van het vrijwillig brandweerpersoneel, aanbeveling dat de vrijwilliger ongeacht zijn rang in beginsel op 55-jarige leeftijd eervol ontslag wordt verleend.

Artikel 41 Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening, welke kan worden aangehaald als "Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer", treedt in werking met ingang van de achtste dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering

 

De raad voornoemd,

, voorzitter

, griffier

Toelichting

Algemeen

De op 1 maart 1985 in werking getreden Brandweerwet 1985 (Stb. 87) bevat in artikel 1, tweede lid, het voorschrift dat de gemeenteraad de organisatie, het beheer en de taak van de gemeentelijke brandweer bij verordening regelt. De VNG geeft een model van deze Organisatieverordening uit.In artikel 2, derde lid, van de Organisatieverordening staat ondermeer aangegeven dat indienstneming van het brandweerpersoneel uitsluitend geschiedt krachtens een aanstelling als ambtenaar, zulks met inachtneming van de bepalingen van de voor dit personeel bij verordening vast te stellen rechtspositieregeling. Hoewel de Brandweerwet 1985 geen uitsluitsel geeft over de aard van de rechtsverhouding tussen de gemeente enerzijds en de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer anderzijds blijkt dat in de praktijk de voorkeur gegeven wordt aan het ambtenaarschap in de zin van de Ambtenarenwet 1929. Daarbij komt dat uit jurisprudentie blijkt dat de concrete omstandigheden van de arbeidsverhouding in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de vraag of iemand ambtenaar is, in casu is aangesteld

om in openbare dienst werkzaam te zijn.De werkzaamheden die het vrijwillig brandweerpersoneel moet verrichten ter uitvoering van de taken die voortvloeien uit de aan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Brandweerwet opgedragen zorg voor:

  • a

    het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;

  • b

    het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand"

zijn van dien aard dat stellig verwacht mag worden dat de hieruit voortvloeiende concrete omstandigheden van de arbeidsverhouding bepalen dat de vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet 1929. Dat de in 1985 in werking getreden Rampenwet de uitvoering van werkzaamheden terzake van het beperken en bestrijden van rampen, als bedoeld in artikel 1 van de Rampenwet, tevens tot de taak van de brandweer rekent, versterkt deze verwachting.

In artikel 7 van de (model-)Organisatieverordening staat aangegeven dat de commandant de algemene leiding en het bevel over de brandweer heeft, overeenkomstig de voor hem door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde instructies.Deze opdracht aan het college van burgemeester en wethouders staat om deze reden niet meer vermeld in de model-rechtspositieregeling.Gezien de grote verschillen in functie-inhoud is het niet mogelijk een model-instructie voor de commandant op te stellen die landelijk gebruikt kan worden. Dit zal dus per gemeente moeten gebeuren.

In de model-rechtspositieregeling is ook niet (meer) geregeld dat het college van burgemeester en wethouders tevens een instructie voor het overig personeel opstellen. In de praktijk bleek namelijk dat de

commandant met het opstellen en de controle op de naleving van de instructie(s) belast was. De opdracht instructie(s) voor het overig brandweerpersoneel op te stellen zal geregeld moeten worden in de instructie voor de commandant.

Het kiezen van de constructie van het ambtenaarschap in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet 1929 voor de vrijwilligers brengt met zich dat het gemeentebestuur ingevolge artikel 125, tweede lid, van genoemde wet de verplichting heeft hun rechtspositieregeling ex artikel 125, eerste lid, vast te stellen.

Bij de uitwerking van het gestelde in artikel 125, tweede lid, in deze model-rechtspositieregeling is het model-Algemeen Ambtenarenreglement van het voormalige Centraal Orgaan als richtlijn gebruikt, doch daarbij is uiteraard rekening gehouden met het geheel eigen karakter van de vrijwillige brandweer.Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat genoemd model-Algemeen Ambtenarenreglement niet op het vrijwillig brandweerpersoneel van toepassing is (zie artikel A2 van het model-AAR van het voormalige Centraal Orgaan). In 1992 is de rechtspositieregeling geheel herzien. Vaststelling van het Besluit brandweerpersoneel (Stb. 1991/276) maakte dit noodzakelijk. In het besluit zijn de opleidings- en gezondheidseisen die gelden voor het brandweerpersoneel (zowel beroepskrachten als vrijwilligers) geregeld; de desbetreffende bepalingen in de rechtspositieregeling waren daarmee overbodig geworden. Zij zijn dan ook geschrapt.Tevens is vast vooruitgelopen op de invoering van de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht per 1 januari 1994. Deze wet streeft ondermeer een codificatie van het bestuursrecht na. Vele van de daarvoor geldende regels zijn in de wet opgenomen en dat heeft tot gevolg dat gemeentelijke regels die op dezelfde materie betrekking hebben ophouden te gelden (zie artikel 194 gemeentewet).Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de beginselen van behoorlijk bestuur (zoals de verplichting een besluit te voorzien van een deugdelijke motivering) en het recht van de ambtenaar om zich door een raadsman te laten bijstaan. Ook is geregeld dat een besluit pas kan werken als het betrokkene schriftelijk bekend is gemaakt. De betrokkene moet van tevoren worden gehoord als het een beschikking betreft waartegen hij naar verwachting bezwaren zal hebben en waarom hij niet heeft gevraagd. Bij elke beslissing dient men zich dus af te vragen of er een hoorplicht geldt.Wanneer de wet van kracht wordt, verandert de regeling voor het instellen van bezwaar en beroep. Eerst dient de vrijwilliger zich dan opnieuw tot het college van burgemeester en wethouders te wenden met het verzoek hun besluit te herzien. De termijn daarvoor is zes weken. Binnen zes weken moet dan een nieuw besluit worden genomen, waarbij betrokkene eerst opnieuw moet worden gehoord. Pas daarna staat er beroep open op de arrondissementsrechtbank en de Centrale Raad van Beroep. Momenteel kan betrokkene zich nog meteen tot

de rechter wenden.In de artikelsgewijze toelichting wordt zonodig verwezen naar de desbetreffende bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht. Het moge echter duidelijk zijn dat kennis van deze wet noodzakelijk is voor het correct uitvoeren van de rechtspositieregeling.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in 1991 twee rapporten uitgegeven die betrekking hebben op de vrijwillige brandweer, namelijk "Focus op de vrijwillige brandweer" (een literatuurstudie) en "Vrijwillige brandweerofficieren". In beide publikaties wordt een groeiend tekort aan vrijwilligers gesignaleerd. Dit vindt zijn oorzaak ondermeer in de uitbreidingen die het takenpakket van de vrijwillige brandweer heeft ondergaan en in zwaarder wordende functie-eisen.Werkgevers zijn minder geneigd een vrijwilliger toestemming te geven om in werktijd aan een uitruk deel te nemen. Zware opleidingen die nodig zijn voor een hogere rang moeten worden gevolgd in de vrije tijd; deze extra belasting draagt bij aan het tekort aan officieren.

De gemeenten zullen meer aan werving van vrijwilligers moeten doen willen zij niet met een onverantwoord aantal vacatures geconfronteerd worden. Met name geldt dit voor de officieren. Het rapport "Vrijwillige brandweerofficieren" beveelt aan op lokaal niveau beleidsplannen en een actieplan op te stellen om de problematiek het hoofd te bieden.Steun van het gemeentebestuur in de vorm van interesse en het beschikbaar stellen van financiële middelen kan veel bijdragen aan de motivatie en de sfeer binnen het korps. Als de sfeer goed is, zal de animo om een functie te aanvaarden of te blijven vervullen toenemen.