Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Belastingsamenwerking Rivierenland

Beleidsregels fiscale bestuurlijke boeten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBelastingsamenwerking Rivierenland
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBeleidsregels fiscale bestuurlijke boeten
CiteertitelBeleidsregels fiscale bestuurlijke boeten
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Algemene wet inzake rijksbelastingen
  2. Waterschapswet
  3. Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2008Hernieuwde regeling

20-12-2007

website BSR

geen

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels fiscale bestuurlijke boeten

 

Het Dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna de BSR);

 

gelet op hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 123 van de Waterschapswet en artikel 231 van de Gemeentewet;

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de volgende Beleidsregels voor het opleggen van fiscale bestuurlijke boeten in de belastingen, zoals genoemd in artikel 1, onder m, n en o van genoemde gemeenschappelijke regeling.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Reikwijdte beleidsregels

 

Deze beleidsregels gelden bij de heffing van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder m, n en o van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Rivierenland.

Artikel 2 Begrip belanghebbende

 

Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.

Artikel 3 Toerekening

 

Een handelen of nalaten van een derde, die voor of namens belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend.

Artikel 4 Verzuimboete/vergrijpboete

 

De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de ambtenaar belast met de heffing geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van avas, vernietigt de ambtenaar belast met de heffing de boete. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.

De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De ambtenaar belast met de heffing dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.

Artikel 5 Verplichte keuze verzuimboete of vergrijpboete

 

Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven maakt de ambtenaar belast met de heffing een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.

Artikel 6 Gelijktijdigheid

 

De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats.

Artikel 7 Ambtshalve vermindering

 

Indien belanghebbende niet meer in rechte tegen een hem opgelegde boete op kan komen, gaat de ambtenaar belast met de heffing na ontvangst van een verzoek om ambtshalve vermindering na of de boete tot een juiste hoogte is vastgesteld. Indien het de ambtenaar belast met de heffing blijkt dat de boete tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij de boete.

De termijn waarbinnen belanghebbende om vermindering van de boete kan verzoeken bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf de dag na het onherroepelijk worden van de boetebeschikking.

De ambtenaar belast met de heffing vermindert ambtshalve een opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de grondslag voor de berekening van de boete voor verlaging in aanmerking komt.

Hoofdstuk 2 Waarborgen

Artikel 8 Karakter van de boete

 

Het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM).

De aan belanghebbende in verband met het opleggen van boeten toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het inzagerecht, vanaf het tijdstip waarop de ambtenaar belast met de heffing jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete is of zal worden opgelegd.

Artikel 9 Straftoemeting

 

Bij het opleggen van een boete gaat de ambtenaar belast met de heffing uit van de percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken III en IV van dit besluit. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de ambtenaar belast met de heffing vervolgens in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze hoofdstukken kan worden opgelegd (zie hoofdstuk V van dit besluit).

Artikel 10 Redelijke termijn

 

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM kan aanleiding zijn tot matiging van de boete, dan wel in uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van belanghebbende en de wijze waarop de zaak door de BSR is behandeld.

Artikel 11 Beperking van de informatieverplichtingen (art 67j van de Awr)

 

Indien de ambtenaar belast met de heffing jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging een verklaring af te leggen voor zover het de boeteoplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met het oog op de boete– oplegging gevraagde inlichtingen en gegevens leidt niet tot omkering van de bewijslast.

Artikel 12 Verhoor (artikel 671 van de Awr)

 

Er is sprake van een verhoor in de zin van artikel 671 van de Awr indien de ambtenaar belast met de heffing belanghebbende in een directe confrontatie ondervraagt in het kader van zijn voornemen een boete op te leggen.

Een verhoor vindt niet eerder plaats dan na schriftelijke oproep door de ambtenaar belast met de heffing. De ambtenaar belast met de heffing vermeldt in de oproep dat belanghebbende tijdens het verhoor niet tot antwoorden is verplicht.

Belanghebbende dient zelf te verschijnen. Met instemming van de ambtenaar belast met de heffing kan belanghebbende zich laten vertegenwoordigen.

Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht. Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie).

Belanghebbende kan zich tijdens het verhoor doen bijstaan.

 

Wanneer een belanghebbende die de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, voor het verhoor verzoekt om bijstand van een tolk, draagt de ambtenaar belast met de heffing er zorg voor dat deze wordt benoemd. Indien de ambtenaar belast met de heffing weet dat belanghebbende de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, draagt hij zorg voor de aanwezigheid van een tolk. Indien tijdens het verhoor blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst, wordt het verhoor afgebroken. Het verhoor vindt dan plaats op een later moment waarbij de ambtenaar belast met de heffing zorg draagt voor de aanwezigheid van een tolk. Voor dat nieuwe verhoor wordt een aparte oproep verzonden of uitgereikt.

De ambtenaar belast met de heffing maakt na afloop van het verhoor een verslag waarin hij vermeldt dat de cautie is gegeven. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.

Artikel 13 Recht op inzage (artikel 167m van de Awr)

 

Het aan belanghebbende in artikel 67m van de Awr toegekende recht op inzage geldt vanaf het moment waarop de ambtenaar belast met de heffing belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een verzuimboete is opgelegd of hem ervan in kennis heeft gesteld dat hem een vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk, geanonimiseerd.

Artikel 14 Mededelingsplicht (artikel 67g van de Awr)

 

De in artikel 67g, tweede lid, van de Awr bedoelde mededeling geschiedt schriftelijk. Bij het opleggen van een verzuimboete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde uitgangspunten.

Bij het opleggen van een vergrijpboete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden van hoofdstuk V van dit besluit die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid.

Indien de ambtenaar belast met de heffing weet dat belanghebbende noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor de belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke taal.

Artikel 15 Termijnoverschrijding

 

Indien belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de ambtenaar belast met de heffing hem ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aantoont dat deze stelling van belanghebbende niet juist is.

Artikel 16 Overlijden van de belanghebbende (artikel 67i van de Awr)

 

Indien de ambtenaar belast met de heffing binnen vijf jaren na het tijdstip van overlijden van belanghebbende hem een verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de Awr toe.

Artikel 17 Kennisgeving/hoorplicht (artikel 67k van de Awr)

 

De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk.

De ambtenaar belast met de heffing geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten.

Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de ambtenaar belast met de heffing gehoord.

Artikel 18 Una via (artikelen 67o en 69a van de Awr)

 

Het ‘una via’–beginsel sluit het opleggen van een vergrijpboete op grond van de artikelen 67d of 67e van de Awr uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen omdat belanghebbende aan de hem daartoe gestelde voorwaarden heeft voldaan (transactie). Omgekeerd sluit het opleggen van een vergrijpboete aan belanghebbende strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit.

Het voorgaande lid houdt in dat de ambtenaar belast met de heffing het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, treedt de ambtenaar belast met de heffing tijdig in overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

Hoofdstuk 3 Verzuimboeten

Artikel 19 Aanslagbelastingen (artikel 67a van de Awr)

 

Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

De ambtenaar belast met de heffing legt in geval van een eerste verzuim een boete

op van 5 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 10,--. In geval van een tweede verzuim legt de ambtenaar belast met de heffing een boete op van 10 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is dan niet lager dan € 25,--. De ambtenaar belast met de heffing legt een boete van 15 procent op van het bedrag van de aanslag, indien sprake is van een derde/volgend verzuim. De verzuimboete is dan niet lager dan € 75,--. De verzuimboete is niet hoger dan € 1.134,--.

Indien sprake is van het niet doen van aangifte legt de ambtenaar belast met de heffing een verzuimboete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 75,-- en niet hoger dan € 1.134,--.

Onder het bedrag van de aanslag als bedoeld in het derde en vierde lid wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen. Een ingevolge artikel 67a van de Awr opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op de in de vorige leden genoemde minimum bedragen.

Hoofdstuk 4 Vergrijpboeten

Artikel 20 Algemeen

 

Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.

In geval van grove schuld legt de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete op van 25 procent van de aanslag.

In geval van opzet legt de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete op van 50 procent van de aanslag.

Onder het bedrag van de aanslag als bedoeld in het derde lid wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen.

De vergrijpboete is niet lager dan € 75,––.

 

Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven, berekent de ambtenaar belast met de heffing de boete over dat – naar evenredigheid bepaalde – gedeelte.

Het in het vierde lid neergelegde beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.

De boete wordt berekend over het bedrag van de (navorderings)aanslag, een en ander voorzover dat bedrag als gevolg van de opzet (of grove schuld) van de heffingsplichtige niet zou zijn geheven.

Artikel 21 Vergrijpboete (artikel 67d van de Awr)

 

Gelijktijdig met de aanslag legt de ambtenaar belast met de heffing een vergrijpboete op indien een aangifte, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.

Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie 'opzet' kan worden verbonden.

Artikel 22 Vergrijpboete (artikel 67e van de Awr, navordering)

 

De ambtenaar belast met de heffing legt gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op, indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de ambtenaar belast met de heffing binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de ambtenaar belast met de heffing de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee, dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

Hoofdstuk 5 Bijzondere omstandigheden

Artikel 23 Algemeen

 

Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de met toepassing van de hoofdstukken III, IV en V bepaalde hoogte van de boete te verhogen of te matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen.

Artikel 24 Strafverzwarende omstandigheden

 

In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met het aantal malen dat vergrijpen in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden (recidive). Van recidive is sprake indien aan belanghebbende reeds eerder een vergrijpboete of een straf is opgelegd. In geval van recidive wordt de vergrijpboete bij grove schuld verhoogd tot maximaal 50 procent en de vergrijpboete bij opzet tot maximaal 100 procent. Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de ambtenaar belast met de heffing opgelegde vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd.

Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd.

De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van hoofdstuk IV van dit besluit, op te leggen boete te verhogen tot maximaal 100 procent. Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk is, verhoogt de ambtenaar belast met de heffing de vergrijpboete eveneens tot maximaal 100 procent.

 

Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen zoals een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van de hoofdstukken I II en IV op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen.

Hoofdstuk 6 Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 25 Inwerkingtreding

 

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2008 en zijn van toepassing op aangiften die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na 1 januari 2008, alsmede, indien daartoe door de deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling is besloten, op aanslagen die zijn opgelegd ter zake van belastbare feiten vóór 2008.

Artikel 26 Citeertitel

 

Deze beleidsregels worden aangehaald als „Beleidsregels fiscale bestuurlijke boeten 2008”.

 

Tiel, 20 december 2007

 

Het dagelijks bestuur voornoemd,

de directeur,                                                       de voorzitter,