Regeling vervallen per 12-09-2012

Algemene subsidieverordening Groesbeek 2002

Geldend van 01-01-2002 t/m 11-09-2012

Intitulé

Algemene Subsidieverordening Groesbeek 2002.

De raad der gemeente G R O E S B E E K;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 november 2001;

overwegende, dat het wenselijk is over te gaan tot vaststelling van een herziene algemene subsidieverordening, regelende de procedure en voorwaarden met betrekking tot de subsidiëring van instellingen werkzaam ten behoeve van de gemeente Groesbeek;

gelet op de bepalingen van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op artikel 139 van de Gemeentewet;

B E S L U I T :

I De "Algemene Subsidieverordening 1994" met ingang van 1 januari 2002 in te trekken.

II Vast te stellen de Algemene Subsidieverordening Groesbeek 2002.

HOOFDSTUK 1:ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begrippen

  • 1. Subsidie:De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten.

  • 2. Activiteit:De activiteit die door een aanvrager van subsidie zal worden uitgevoerd en die door het gemeentebestuur kan worden gesubsidieerd.

  • 3. Subsidieplafond:Het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens deze verordening.

  • 4. Raad:De raad van de gemeente Groesbeek.

  • 5. College:Het College van burgemeester en wethouders van Groesbeek.

  • 6. Gemeentebestuur:Het bestuursorgaan dat in de zin van deze verordening bevoegd is tot het nemen van een beslissing op een aanvraag.

Artikel 2 Reikwijdte

Deze verordening is van toepassing op alle subsidies op het beleidsterrein van:

  • -

    het peuterspeelzaalwerk;

  • -

    de kinderopvang (voor zover niet geprivatiseerd);

  • -

    het jeugd- en jongerenwerk;

  • -

    sociaal cultureel werk (waaronder het het club- en buurthuiswerk);

  • -

    de professionele en amateuristische kunst en cultuur;

  • -

    het mediawerk;

  • -

    de sport;

  • -

    de maatschappelijke dienstverlening;

  • -

    de gezondheidszorg;

  • -

    de belangenbehartiging van algemeen sociaal-maatschappelijke aard;

  • -

    het emancipatiewerk;

  • -

    het ouderenwerk;

  • -

    de educatie (niet zijnde het reguliere onderwijs);

  • -

    het opbouwwerk.

Artikel 3 Deelverordeningen

  • 1. De raad kan voor elke in artikel 2 genoemd beleidsterrein een deelverordening vaststellen.

  • 2. Een deelverordening behelst tenminste:

    • a.

      de aanwijzing van het beleidsterrein;

    • b.

      de grondslag voor de berekening van het subsidie;

    • c.

      de reikwijdte van het beleidsterrein.

  • 3. De deelverordening kan, in aanvulling op deze verordening, nadere voorwaarden bevatten.

Artikel 4 De aanvrager

  • 1. In het kader van deze verordening wordt als aanvrager aangemerkt elke organisatie of groepering van personen die rechtspersoonlijkheid bezit, niet zijnde een publiekrechtelijke instantie.

  • 2. Het College kan een aanvrager ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1.

  • 3. Indien na verkregen ontheffing aan natuurlijke personen subsidie wordt verleend, vinden de in deze verordening gestelde bepalingen, voor zover mogelijk, overeenkomstige toepassing.

Artikel 5 Subsidieplafond

  • 1. Voor het verstrekken van subsidies geldt een subsidieplafond.

  • 2. Het subsidieplafond als genoemd in lid 1 is gelijk aan het bedrag dat de raad jaarlijks in de gemeentebegroting opneemt.

  • 3. Bij de vaststelling van het subsidieplafond wordt tevens de wijze van verdeling vermeld.

  • 4. Het subsidieplafond wordt bekend gemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 5. Subsidie wordt geweigerd voor zover met de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

  • 6. Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekend gemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien ingediende aanvragen.

Artikel 6 Begrotingsvoorbehoud

De bepalingen volgens artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing:

  • 1.

    Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2.

    De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust.

  • 3.

    De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep heeft gedaan.

  • 4.

    Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.

  • 5.

    In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door een intrekking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid.

Artikel 7 Subsidiecriteria

De aanvrager komt niet in aanmerking voor subsidie indien:

  • 1.

    De activiteiten van de aanvrager niet behoren tot de gemeentelijke (mede-)verantwoordelijk- heid.

  • 2.

    Aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd onvoldoende plaatselijke behoefte bestaat, zodanig dat direct of op termijn geen verantwoord lokaal effect te verwachten is waardoor het belang van de gemeente Groesbeek en/of dat van haar inwoners onvoldoende wordt gediend.

  • 3.

    De aanvrager zijn activiteiten in hoofdzaak op zuiver politieke, commerciële of godsdienstige gronden ontplooit.

  • 4.

    Op plaatselijk niveau reeds in voldoende mate wordt voorzien in identieke activiteiten, zowel in directe als in indirecte zin.

  • 5.

    De activiteiten van de aanvrager niet voor iedere inwoner van de gemeente Groesbeek, behorende tot de doelgroep waarop de activiteiten zijn gericht, toegankelijk zijn.

  • 6.

    De activiteiten van de aanvrager buiten de gemeente Groesbeek plaatsvinden, tenzij zulks op grond van de aard van de activiteiten gerechtvaardigd is en van de instelling niet verwacht mag worden de activiteiten binnen de gemeente Groesbeek te verrichten.

  • 7.

    De activiteiten een zodanig breed (regionaal en/of landelijk) bereik hebben, dat de gevraagde gemeentelijke medewerking ook in financieel opzicht slechts een solidair karakter heeft, tenzij met deze gemeentelijke medewerking wordt beoogd een bepaald politiek gevoelen kenbaar te maken.

  • 8.

    Het in geval van een regionaal/landelijk werkzame instelling belangenbehartiging betreft van één of meer lokale door de gemeente gesubsidieerde organisaties.

  • 9.

    Door de aanvrager een zodanige werkwijze wordt toegepast dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat de beoogde doelstelling(en) niet kan c.q. kunnen worden bereikt en de medezeggenschap (voor zover van toepassing) van de betrokkenen niet is gewaarborgd.

  • 10.

    De aanvrager niet beschikt over bestuurlijke en/of andere leiding die voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de deskundigheid en bekwaamheid met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden c.q. te bereiken doeleinden.

  • 11.

    De aanvrager niet over de benodigde middelen beschikt, met inbegrip van het te verlenen subsidie, om de doelstelling te bereiken.

  • 12.

    De aanvrager op eigen kracht aan de benodigde financiële middelen kan komen, zonder daarbij een onredelijk beroep te doen op derden (deelnemers, bezoekers, gebruikers, leden e.d.).

  • 13.

    Door de aanvrager middelen worden gebruikt of toegestaan te gebruiken die in strijd zijn met de wet en/of het algemeen belang.

HOOFDSTUK 2:INCIDENTELE SUBSIDIES

EENMALIGE SUBSIDIES:

Artikel 8

  • 1. Aanvragen om een eenmalig subsidie kunnen gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend en worden op volgorde van ontvangst behandeld.

  • 2. Het College beslist op een verzoek om een eenmalig subsidie indien het verzoek het bedrag van € 2.300,- niet te boven gaat.

  • 3. Indien een verzoek om een eenmalig subsidie een hoger bedrag dan € 2.300,- behelst, beslist de Raad die ter zake de subsidie vaststelt.

  • 4. Van elke beslissing, als bedoeld in lid 2 van dit artikel, wordt mededeling gedaan de commissie Welzijn en Financiën.

  • 5. Het College besluit op aanvragen als bedoeld in lid 2 binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag, waarbij de bepalingen 4:14 en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn.

  • 6. De Raad besluit op aanvragen als bedoeld in lid 3 binnen 24 weken na ontvangst van de aanvraag, waarbij de bepalingen 4:14 en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn.

Artikel 9

Te overleggen bescheiden bij een eenmalig subsidie:

De aanvrager die om een eenmalig subsidie verzoekt, dient voor zover van toepassing de volgende bescheiden te overleggen:

1.

  • a.

    de statuten en/of reglementen van de instelling;

  • b.

    een beschrijving van de betreffende activiteiten en/of voorziening;

  • c.

    de op de activiteit en/of voorziening betrekking hebbende begroting van inkomsten en uitgaven, voorzien van een desbetreffende toelichting;

  • d.

    een overzicht van de financiële positie van de instelling (balans);

  • e.

    alle overige bescheiden die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn.

    • 2.

      Indien een subsidie als bedoeld in dit artikel is verleend, dient de aanvrager binnen 3 maanden nadat de activiteit heeft plaats gevonden een gespecificeerde opgave van de werkelijke inkomsten en uitgaven met bewijsstukken, alsmede een verslag van de verrichte activiteiten, aan het college te overleggen.

STARTSUBSIDIES:

Artikel 10

  • 1. Alvorens aan een aanvrager jaarlijks een subsidie toe te kennen, zal gedurende een periode van maximaal twee jaar moeten blijken of die levensvatbaarheid heeft.

  • 2. Teneinde een nieuwe aanvrager de mogelijkheid tot start en ontplooiing te geven, kan in de in het tweede lid genoemde periode per jaar een startsubsidie worden gegeven.

  • 3. Het College beslist op een verzoek om een startsubsidie, indien het verzoek het bedrag van € 2.300,- niet te boven gaat. Het College wint daarbij advies in van de commissie Welzijn en Financiën.

  • 4. Indien een verzoek om een startsubsidie een hoger bedrag dan € 2.300,- behelst, beslist de Raad die ter zake het subsidie vaststelt.

Artikel 11

Te overleggen bescheiden bij een startsubsidie

De aanvrager die om een startsubsidie verzoekt, dient voor zover van toepassing de volgende bescheiden te overleggen:

  • a.

    de oprichtings- of stichtingsakte;

  • b.

    een exemplaar van de statuten;

  • c.

    een exemplaar van het huishoudelijk reglement;

  • d.

    de ledenlijst;

  • e.

    de begroting, de jaarrekening en de balans;

  • f.

    alle overige bescheiden die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn.

INVESTERINGSSUBSIDIES

Artikel 12

  • 1. Onder investeringssubsidie wordt verstaan een subsidie ten behoeve van verbouw, nieuwbouw, onderhoud en/of renovatie van een accommodatie

  • 2. Op aanvragen om een investeringssubsidie is artikel 6 niet van toepassing.

  • 3. Een aanvraag om verlening van een investeringssubsidie dient vòòr 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar van investeren te worden ingediend.

  • 4. Het College besluit binnen 16 weken na indiening van de aanvraag of deze aanvraag wordt opgenomen in het concept-investeringsplan van het betreffende investeringsjaar.

  • 5. Bij vaststelling van de gemeentebegroting beslist de Raad of de betreffende investering definitief wordt opgenomen in het investeringsplan. Het daarbij opgenomen investeringsbedrag dient in eerste instantie als een indicatie te worden beschouwd.

  • 6. Indien de raad besloten heeft de investering op het investeringsplan te plaatsen, treedt het College met de aanvrager in overleg over de nadere uitwerking van de investering.

  • 7. Op basis van de nadere uitwerking als bedoeld in lid 6 stelt de Raad in het betreffende investeringsjaar door vaststelling van het investeringsplan ter zake de subsidie vast.

  • 8. De aanvrager die een investeringssubsidie aanvraagt dient te kunnen overleggen:

    • -

      de bescheiden genoemd in artikel 11;

    • -

      een financieringsplan voor de investering.

  • 9. De feitelijke hoogte van de investeringsbijdrage wordt per aanvraag afzonderlijk beoordeeld, in overleg met de aanvrager. De hoogte van de investeringsbijdrage zal mede afhangen van:

    • -

      het eigen vermogen van de aanvrager;

    • -

      reële mogelijkheden tot zelfwerkzaamheid;

    • -

      fondswerving door de aanvrager;

    • -

      leningen.

  • 10. Indien een investering gelet op de voortgang van de activiteiten van de aanvrager geen uitstel kan lijden, kan een tussentijdse aanvraag worden ingediend waarbij de bepalingen van lid 3 en 4 niet van toepassing zijn.

  • 11. Op een aanvraag als bedoeld in lid 10 beslist de Raad binnen 24 weken na ontvangst, waarbij de bepalingen 4:14 en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn.

  • 12. Indien een investeringssubsidie is verleend, dient de aanvrager binnen 12 weken nadat de investering is gepleegd een gespecificeerde opgave van de werkelijke inkomsten en uitgaven met bewijsstukken aan het college te overleggen.

HOOFDSTUK 3 STRUCTURELE SUBSIDIES

Artikel 13

  • 1. De Raad stelt jaarlijks het subsidieplafond vast met de daarbij behorende verdeling ten behoeve van de te subsidiëren organisaties.

  • 2. De bepaling van de subsidie geschiedt op basis van normen zoals die voor zover van toepassing in de desbetreffende deelverordeningen zijn vastgelegd.

  • 3. Indien en voor zover het in deelverordeningen is opgenomen, is het de aanvrager toegestaan een reserve op te bouwen ten behoeve van toekomstige doeleinden. De maximale hoogte van deze reserve wordt vastgelegd in de desbetreffende deelverordeningen.

  • 4. De subsidiebeschikking wordt vóór 1 juni van het subsidiejaar toegezonden aan de aanvrager, tenzij de te overleggen bescheiden als bedoeld in artikel 14 niet tijdig of onvolledig door de aanvrager zijn ingezonden.

  • 5. Op de jaarlijks gesubsidieerde organisaties is Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 14

Te overleggen bescheiden bij een structureel subsidie

De instelling dient jaarlijks vòòr 1 april jaarrekening van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd in bij het College van burgemeester en wethouders.

De jaarrekening dient voorzien te zijn van:

  • a.

    de balans op de laatste dag van het desbetreffende kalenderjaar;

  • b.

    eventuele overige bescheiden die voor de beoordeling van het subsidieverzoek noodzakelijk zijn.

Ten aanzien van de te overleggen bescheiden kan het College van burgemeester en wethouders modelformulieren verplicht stellen.

HOOFDSTUK 4 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 15

  • 1. Het College van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van een of meer bepalingen van deze verordening indien naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

  • 2. Naast de bepalingen in deze verordening kunnen burgemeester en wethouders nadere voorwaarden aan het verlenen van subsidie verbinden.

Artikel 16

  • 1. Het gemeentebestuur kan bij een met redenen omklede beschikking een subsidie opschorten, verminderen, intrekken, dan wel geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

  • 2. De Afdelingen 4.2.6 en 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17

  • 1. In alle gevallen, waarin deze verordening niet of onvoldoende voorziet, treffen Burgemeester en Wethouders de nodige voorzieningen en/of nemen zij de nodige beslissingen, zo mogelijk in overleg met de betrokken instelling(en).

  • 2. Deze verordening kan worden aangehaald als "Algemene Subsidieverordening Groesbeek 2002"

  • 3. Zij treedt in werking per 1 januari 2002.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Groesbeek op 20 december 2001.
De secretaris, De voorzitter,