Regeling vervallen per 01-01-2013

Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012

Geldend van 01-01-2012 t/m 31-12-2012

Intitulé

Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012

De raad van de gemeente Bergen op Zoom;

overwegende dat de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 aanpassing behoeft;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 november 2011, nummer RVB11-0102;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1, sub b, juncto artikel 18, lid 2, van de Wet werk en bijstand;

BESLUIT:

de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving

  • 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom.

    • b.

      de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);

    • c.

      bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

    • d.

      algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5, sub b van de wet;

    • e.

      bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5, sub d van de wet;

    • f.

      bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c van de wet;

    • g.

      maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, lid 2 van de wet;

    • h.

      benadelingsbedrag: de netto bijstand die door de schending van de inlichtingenplicht van belanghebbende

      wordt teruggevorderd verhoogd met de afgedragen en niet meer te verrekenen loonbelasting en de premies volksverzekeringen alsmede de vergoeding in het kader van de Zorgverzekeringswet;

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

  • 1. Indien belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c, lid 2 en lid 3, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

  • 3. Indien belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm en de bijzondere bijstand.

Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

  • 1. In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en/of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de bijstandsnorm / bijzondere bijstand en voor zover van toepassing de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

  • 2. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt telkens tegen het einde van een tijdvak van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd, heroverwogen.

Artikel 5. Horen van belanghebbende

  • 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en sindsdien zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;

    • d.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,

      tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht.

  • 3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

  • 4. Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen.

Artikel 7. Waarschuwing

  • 1. Het college kan bij een eerste verwijtbare gedraging in die gevallen waarin de verordening de mogelijkheid biedt, volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

  • 2. Het geven van een schriftelijke waarschuwing wordt gelijkgesteld met een besluit waarbij een maatregel is

    opgelegd.

  • 3. Met het geven van een schriftelijke waarschuwing kan niet worden volstaan, indien in een periode van 2 jaar voorafgaand aan de gedraging reeds een dergelijke waarschuwing is uitgegaan. Dit hoeft niet vanwege hetzelfde feit te zijn.

Artikel 8. Ingangsdatum en tijdvak

  • 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Indien over deze periode reeds een maatregel is toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode opgelegd. Bij de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

  • 2. Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van de ingangsdatum van de uitkering opgelegd.

  • 3. In afwijking van lid 1 wordt de maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, voor zover de betaling van

    de bijstand is opgeschort in de zin van artikel 54, lid 1, van de wet.

  • 4. In afwijking van lid 1 wordt de maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand en wegens beëindiging van de bijstand het opleggen van een maatregel

    als bedoeld in lid 1 niet (geheel) mogelijk is. De maatregel kan niet eerder ingaan dan de datum waarop de maatregelwaardige gedraging zich heeft voorgedaan.

  • 5. Bij de herziening van het recht op bijstand op grond van artikel 54, lid 3, van de wet wordt in deze situatie rekening gehouden met de op te leggen maatregel met terugwerkende kracht, alsmede met de terugvordering van de daardoor teveel of ten onrechte verstrekte bijstand.

  • 6. De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Indien een opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet wegens voortijdige beëindiging van de bijstand en (volledige) herziening van de bijstand naar het verleden toe,

    niet of niet volledig kan worden geëffectueerd, wordt deze alsnog in de toekomst bij het recht op bijstand betrokken wanneer belanghebbende binnen één jaar na de herzienings- en terugvorderingsdatum van de bijstand opnieuw bijstand gaat ontvangen.

Artikel 9. Samenloop van gedragingen

Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen, die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, lid 1, van de verordening inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.

Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan re-integratieverplichtingen

Artikel 10. Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbende in het kader van re-integratie, waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 44a, 55 en/of 57 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    Eerste categorie:

    het zich niet of niet tijdig als werkzoekende laten registreren bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van die registratie.

  • b.

    Tweede categorie:

    1º het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot (arbeids)participatie anders dan het niet daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering;

    2º het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

    3º het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van de door het college aangeboden onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a van de wet alsmede andere vormen van sociaal activering;

    4º het niet naar vermogen verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van artikel 9, lid1, sub c, van de wet;

    5º het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 57 van de wet; 

    6º het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

  • c.

    Derde categorie:

    1º het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet;

    2º het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b, en artikel 10, lid 1, van de wet waaronder het niet tijdig verschijnen op een aangegeven plaats en tijd, voor zover het geen participatiebaan in de zin van artikel

    10a van de wet betreft alsmede andere vormen van sociaal activering;

    3º het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen hiervan belemmeren;

    4º andere gedragingen die de (arbeids)participatie belemmeren;

    5º intrekking van de ontheffing van de sollicitatieplicht bij een alleenstaande ouder aan wie toepassing van artikel 9a, lid 1, van de wet is gegeven en waarbij uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt, dat de opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b, van de wet niet worden nagekomen;

    6º het niet of in onvoldoende mate nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet, zoals het zich niet onderwerpen aan een door een arts geadviseerde noodzakelijke medische behandeling.

  • d.

    Vierde categorie:

    het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid.

Artikel 11. De hoogte en duur van de maatregel

  • 1. Onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening wordt de hoogte en duur van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven in voorgaand artikel, vastgesteld op:

    • a.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      dertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de vierde categorie

      met dien verstande dat bij het niet aanvaarden of behouden van arbeid van geringe omvang de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld naar de mate waarin belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven.

  • 2. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld onder lid 1, onder a, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet nakomen van deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar na een vorige gedraging waarvoor al een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

    Dit hoeft niet vanwege hetzelfde feit te zijn.

  • 3. De duur van de maatregel als bedoeld in lid 1 wordt verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.

  • 4. Bij volharding in een verwijtbare gedraging en voorts nadat twee eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging, wordt tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht

Artikel 12. Te laat verstrekken van gegevens

  • 1. Indien belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet tijdig is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening een maatregel van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand opgelegd.

  • 2. Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet tijdig nakomen van deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar na een vorige gedraging waarvoor al een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Dit hoeft niet vanwege hetzelfde feit te zijn.

  • 3. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in lid 1 opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.

  • 4. Bij volharding in deze verwijtbare gedraging en voorts nadat twee eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging, wordt tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.

Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met benadeling

  • 1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt een maatregel opgelegd welke is afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2. Onverminderd artikel 2, lid 2 van de verordening wordt bij een benadelingsbedrag tot € 10.000,00 het percentage van de maatregel vastgesteld op éénhonderdste van het benadelingsbedrag met een minimum van vijf procent.

    De berekeningsgrondslag is de bijstandsnorm. De duur van de maatregel bedraagt drie maanden.

  • 3. Bij een benadelingsbedrag van € 10.000,00 of meer wordt aangifte gedaan bij het Ministerie van Justitie. Indien de officier van justitie besluit niet tot vervolging over te gaan, wordt alsnog een maatregel van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden opgelegd.

  • 4. De duur van de maatregel als bedoeld in lid 2 en lid 3 wordt verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na de vorige schending van de inlichtingenplicht opnieuw schuldig maakt aan hetzelfde feit als bedoeld in lid 1.

Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder benadeling

  • 1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening een maatregel van vijfprocent van de bijstandsnorm gedurende een maand opgelegd.

  • 2. Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar na een vorige gedraging waarvoor al een schriftelijke waarschuwing is gegeven. Dit hoeft niet vanwege

    hetzelfde feit te zijn.

  • 3. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in lid 1 opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1. Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2, van de wet, wordt de maatregel afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer een beroep op bijstand moet doen.

  • 2. Onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening bedraagt de maatregel:

    • a.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een periode van 3 maanden of korter;

    • b.

      twintig procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een periode van 4 t/m 6 maanden;

    • c.

      dertig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een periode van langer dan 6 maanden.

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid met dien verstande dat bij het niet behouden van arbeid van geringe omvang de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld naar de mate waarin

      belanghebbende inkomen heeft verloren.

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen

Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en medewerkers in samenhang met het niet dan wel onvoldoende nakomen van de uit de wet of artikel 30c, lid 2 en lid 3, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, wordt onverminderd artikel 2, lid 2, van de verordening als verzwarende omstandigheid de duur van de maatregel als bedoeld in de artikelen 11 t/m 15 verdubbeld.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 17. Hardheidsclausule

Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van belang-hebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 18. Overgangsrecht

Deze verordening is van toepassing op maatregelwaardige gedragingen als bedoeld in de artikelen 11 en 12 alsmede de artikelen 14 t/m 16, die hebben plaatsgevonden na 31 december 2011 en op maatregelwaardige gedragingen als bedoeld in artikel 13, die zijn geconstateerd na 31 december 2011.

Artikel 19. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ”Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012”.

Artikel 20. Ingangsdatum

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 21.

De ”Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009”, vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2008, alsmede de “Verordening tot 1e wijziging van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009”, vastgesteld in de openbare vergadering van 25 november 2010, vervallen op 1 januari 2012.