Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Breda

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent bijstand (Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBreda
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent bijstand (Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015)
CiteertitelBeleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-10-2019artikel 1, 14

01-10-2019

gmb-2019-243606

2019 – 2822
01-02-201501-01-201509-10-2019nieuwe regeling

27-01-2015

Gemeenteblad, 2015, 8687

43119

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent bijstand (Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015)

Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Breda,

gelet op de Participatiewet, overwegende dat in het kader van artikel 35 van de- ze wet het wenselijk is de beleidsregels met betrekking tot bijzondere bijstand in een afzonderlijke richtlijn bijeen te brengen en gelet op de zorg van het college van burgemeester en wethouders voor een doeltreffende voorlichting aangaan- de de verlening van bijstand,

stellen vast de volgende

Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015

De begripsbepalingen van de Participatiewet zijn onverkort op deze beleids- regels van toepassing.

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Breda;

    • b.

      de wet: de Participatiewet;

    • c.

      bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

    • d.

      algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

    • e.

      bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 van de wet, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet, en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet;

    • f.

      de voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet waar- op de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter be- kostiging van specifieke uitgaven;

    • g.

      de eigen verantwoordelijkheid: de mate waarin de belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de bekostiging van zijn kosten, via zijn eigen netwerk, sociale omgeving of andere voorliggende voorzie- ningen;

    • h.

      maatwerk: bijzondere bijstand wordt primair op grond van de wet- telijke bepalingen en deze beleidsregels vastgesteld, maar bij (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die de persoon, zijn sociale omgeving of zijn gezin of kinderen kan raken kan de bij- stand worden afgestemd op de individuele situatie.

    • i.

      Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

    • j.

      Wlz: Wet Langdurige zorg

Artikel 2 Bijzondere bijstand is een individuele verstrekking

  • 1.

    Bijzondere bijstand is in principe mogelijk als:

    • a.

      geen beroep kan worden gedaan op ondersteuning vanuit een eigen netwerk, eigen sociale omgeving of voorliggende voorzieningen en de belanghebbende daarin voldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond;

    • b.

      geen sprake is van financiële draagkracht in inkomen en bescheiden vermogen;

    • c.

      sprake is van noodzakelijke kosten door bijzondere individuele om- standigheden;

    • d.

      een (wettelijke) voorliggende voorziening ontbreekt;

    • e.

      maatwerk geboden is in het individuele geval.

  • 2.

    In geval van tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid kan de gevraagde bijstand gedeeltelijk of volledig worden geweigerd.

  • 3.

    Voordat maatwerk geboden is, is het genoemde in het eerste lid, sub a tot en met d, in beschouwing genomen.

  • 4.

    Bij het vaststellen van het bedrag van de bijzondere noodzakelijke kosten wordt aangesloten bij normbedragen zoals opgenomen in de gemeentelij- ke Financiële Uitvoeringsrichtlijnen.

  • 5.

    Indien het bedrag niet is opgenomen in de gemeentelijke Financiële Uitvoe- ringsrichtlijnen gelden de bedragen van de Prijzengids van Nibud tot 70% als maximale bedragen.

  • 6.

    Op de verstrekking van de bijzondere noodzakelijke kosten, worden altijd de kosten die voor een ieder algemeen gebruikelijk zijn, in mindering ge- bracht.

  • 7.

    De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de wet, de individuele studietoeslag van artikel 36b van de wet en de seniorentoeslag van artikel 13 van deze beleidsregels, worden bij de beoordeling van de bijzondere noodzaak en de hoogte van de bijzondere bijstand buiten beschouwing ge- laten.

Artikel 3 Draagkracht, draagkrachtperiode, kostendelersnorm en Reserveren

  • 1.

    Geen draagkracht in inkomen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b van deze beleidsregels, hebben gehuwden/samenwonenden/huishoudens met kinderen die een netto maandinkomen hebben tot 110% van het wet- telijk minimumloon (afgeleid van de bijstandsnorm gehuwden) en geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens.

  • 2.

    Geen draagkracht in inkomen , als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b van deze beleidsregels, hebben alleenstaanden die een netto maandin- komen hebben tot 80% van het wettelijk minimumloon (afgeleid van de bijstandsnorm voor alleenstaanden) geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens.

  • 3.

    Geen draagkracht in inkomen , als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b van deze beleidsregels, hebben pensioengerechtigden die een netto maandinkomen hebben tot 110% van de geldende AOW-norm en geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens.

  • 4.

    Voor de toepassing van artikel 3, eerste, tweede en derde lid, wordt de vakantietoeslag buiten beschouwing gelaten.

  • 5.

    De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de bijstand wordt aangevraagd en heeft de duur van een jaar.

  • 6.

    Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    Voor bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 van deze beleidsregels wordt rekening gehouden met reserveringscapaciteit.

  • 8.

    Onder reserveringscapaciteit wordt verstaan: 5% van het inkomen tot 110% van het wettelijk minimum loon voor gehuw- den/samenwonenden/huishoudens met kinderen en 5% van het inkomen tot 80% van het wettelijk minimumloon voor alleenstaanden per maand, gedurende de periode als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel.

  • 9.

    In aanvulling op het achtste lid wordt onder reserveringscapaciteit ver- staan: 5% van het inkomen tot 110% van de geldende AOW-norm voor pensioengerechtigden gedurende de periode als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel.

Artikel 4 Bijstand om niet of geldlening

  • 1.

    Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering om niet (zonder terugbetaalverplichting).

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die worden genoemd in artikel 48, tweede lid van de wet en indien het bijstand voor de kosten van noodzakelijk duurzame gebruiksgoederen betreft als bedoeld in artikel 51 van de wet, tenzij maat- werk wordt toegepast.

  • 3.

    Aan de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf verleent het college, rekening hou- dend met artikel 50 van de wet, de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, als de bijzondere bijstand over de periode van één jaar naar verwachting meer bedraagt dan het netto wettelijk minimumloon over één maand, als bedoeld in artikel 37 van de wet.

Artikel 5 Moment van aanvraag

  • 1.

    In deze beleidsregels genoemde regelingen en bijzondere bijstand worden slechts op aanvraag verstrekt. Kosten die zijn gemaakt voordat de aan- vraag is ingediend, komen in principe niet voor bijstandsverlening in aanmerking.

  • 2.

    Van het eerste lid van dit artikel kan worden afgeweken indien:

    • a.

      de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen in- dienen; of

    • b.

      indien er andere bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verstrekken.

  • 3.

    Wanneer het genoemde in het tweede lid van dit artikel zich voordoet kan bijstand worden verleend met terugwerkende kracht tot maximaal 6 maan- den.

  • 4.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt slechts in behandeling geno- men als de gevraagde gegevens compleet zijn en/of de gevraagde bewijsstukken zijn overgelegd. Het (na een geboden hersteltermijn) niet (tijdig) aanleveren van de gevraagde gegevens en/of bewijsstukken leidt tot buiten behandelingstelling van de aanvraag.

Artikel 6 Uitbetaling

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt betaald nadat de betalingsbewijzen of offertes (proforma nota’s) zijn ingediend.

  • 2.

    Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor de duur van maximaal één jaar.

Hoofdstuk II Toeslagen

Artikel 7 Jongerentoeslag

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend als en voor zover:

    • a.

      de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de geldende bijstandsnorm en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van deze kosten met (een) ander(en);

    • b.

      voor de kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, om- dat:

      • -

        de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

      • -

        de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

  • 2.

    De jongere bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gel- de te kunnen maken als:

    • a.

      de ouder(s) is / zijn overleden of in het buitenland woont / wonen;

    • b.

      de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is ge- plaatst;

    • c.

      de jongere op de ingangsdatum van de bijstandverlening 12 maan- den of langer zelfstandig woont;

    • d.

      er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjari- ge zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.

  • 3.

    De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende of dak en thuisloze jongere van 18 tot 21 jaar, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, die niet de zorg hebben voor een of meer kinderen die tot het huishouden behoren, worden gesteld op de basisnorm van de wet, verhoogd met aanvullende bijzondere bijstand wordt als volgt

    • a.

      De alleenstaande, een maximaal bedrag van € 450,00 per maan- dag

    • b.

      De alleenstaande (pseudo) dak en thuisloze een maximaal bedrag van € 350,00 per maand

    • c.

      Het echtpaar waarvan beide partners jonger zijn dan 21 een maxi- maal bedrag van € € 350,00 per maand.

    • d.

      Het echtpaar waarvan één persoon jonger is dan 21, en 1 persoon ouder dan 21 jaar, een maximum bedrag ad € 350,00 per maand

  • 4.

    De noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere zelfstandig wonende alleenstaande ouders jonger dan 21 jaar, alsmede het echt- paar waarvan één of beide personen jonger zijn dan 21 jaar, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, die de zorg hebben voor één of meerdere kinderen, worden gelijk gesteld aan het inkomen van alleen- staande (ouders) of echtpaar van 21 jaar en ouder in de bijstand. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen de hier van toepassing zijnde bedragen.

Artikel 8 Woonkostentoeslag

  • 1.

    Onder woonkosten in dit artikel wordt verstaan:

    • a.

      Indien een woning in huur wordt bewoond: de per maand gelden- de rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag;

    • b.

      Indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud conform de gemeentelijke Financiële Uitvoerings- richtlijnen.

  • 2.

    Woonkostentoeslag voor een huurwoning of gehuurde woonwagen:

    • a.

      Indien belanghebbende een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoe- slag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aan- spraak kan maken op deze toeslag, wordt een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop de betrokkene wel in aanmerking komt voor huurtoeslag.

    • b.

      De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor de woonkosten per maand zou ontvan- gen.

  • 3.

    Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom:

    • a.

      Indien belanghebbende een eigen woning bezit, waar hij tevens woont, kan tijdelijk woonkostentoeslag worden verstrekt.

    • b.

      De woonkostentoeslag is gelijk aan de omgerekende som van de hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud conform de gemeentelijke Financiële Uitvoeringsrichtlijnen, onder aftrek van de voorlopige te- ruggave belastingen.

    • c.

      Aan de belanghebbende wordt de woonkostentoeslag verstrekt on- der de voorwaarde dat vooraf vermindering van de voorlopige teruggave van belastingen wordt verzocht, zodat dit bedrag kan worden verrekend met de woonkostentoeslag, als bedoeld in het derde lid, onder b van dit artikel.

  • 4.

    Woonkostentoeslag voor woonkosten tot én boven de maximale huur- prijs kan worden verstrekt, indien belanghebbende een woning in huur bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten op grond van artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag een belemmering vormt voor toekenning van huurtoeslag, voor zover het bedrag van de toeslag maatschappelijk aanvaardbaar is. Onder maatschappelijk aanvaardbaar wordt verstaan een bedrag tot maximaal € 1000,-, tenzij de bijzondere situatie van het huishouden er toe dwingt een hoger bedrag te hanteren.

  • 5.

    De woonkostentoeslag wordt om niet verstrekt tot de datum waarop de betrokkene wel in aanmerking komt voor huurtoeslag en, als huurtoeslag niet aan de orde is, voor een periode van maximaal één jaar.

  • 6.

    Aan de woonkostentoeslag is de voorwaarde verbonden dat de belang- hebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht). Dit wordt halfjaarlijks gecontroleerd.

  • 7.

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college naar vermogen heeft getracht goedkopere woonruimte te vinden, maar dit niet is gelukt, dan kan de woonkostentoeslag worden verlengd met maximaal één jaar. Tijdens deze verlenging, zoals bedoeld in het zesde lid van dit artikel, wordt de woonkostentoeslag in de vorm van een lening uitgekeerd, tenzij bijzondere individuele omstandigheden aanleiding geven anders te be- sluiten.

  • 8.

    De verhuisplicht wordt niet opgelegd aan personen met een beperking, als de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de beperking.

  • 9.

    Jongeren onder de 27 jaar zonder kinderen, die een beroep doen op woonkostentoeslag, omdat zij een woning bewonen met een rekenhuur boven de voor hen geldende huurgrens waardoor geen beroep op de huurtoeslag mogelijk is, komen niet in aanmerking voor een woonkos- tentoeslag.

Hoofdstuk III Individuele verstrekkingen

Artikel 9 (Para)medische kosten voor chronisch zieken en gehandicap- ten conform deze beleidsregels

  • 1.

    Voor bijzondere bijstandsverlening komen in principe de volgende (pa- ra)medische noodzakelijke kosten in aanmerking, indien de zorgverzekering geen voorliggende voorziening is:

    • a.

      de meerkosten van een medisch noodzakelijk dieet;

    • b.

      de bijkomende kosten ten behoeve van dialyse bij nierpatiënten tot een maximum bedrag per maand;

    • c.

      de ten gevolge van langdurige ziekte of beperking ontstane meer- kosten van slijtage van kleding en/of beddengoed en bewassing;

    • d.

      de meerkosten van verwarming ten gevolge van een beperking of langdurige ziekte;

    • e.

      de meerkosten van medisch noodzakelijk aangepast schoeisel.

Artikel 10 Zelfstandig functioneren ouderen en mensen met een beperking

Voor bijzondere bijstandsverlening komen in principe de volgende kosten in aanmerking, als zij noodzakelijk zijn om het zelfstandig functioneren van oude- ren en mensen met een beperking te bevorderen :

  • a.

    de eigen bijdrage van dagopvang van ouderen;

  • b.

    de extra kosten verbonden aan een maaltijdvoorziening voor ouderen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd;

  • c.

    de eigen bijdrage in de kosten van een tijdelijke opname in een AWBZ- instelling;

  • d.

    de eigen bijdrage in de kosten van professionele alarmering;

  • e.

    de eigen bijdrage in de kosten van extramurale begeleiding in het kader van GGZ-problematiek.

Artikel 11 Kosten van bijzondere sociale en financiële omstandigheden

  • 1.

    Voor bijzondere bijstandsverlening komen in principe de volgende kos- ten in aanmerking, als zij noodzakelijk zijn op grond van bijzondere sociale of financiële omstandigheden:

    • a.

      de kosten van een begrafenis of crematie in Nederland, gerekend naar de kosten van de goedkoopste adequate mogelijkheid, indien een uitvaartpolis ontbreekt;

    • b.

      de kosten van het noodzakelijk verhuizen;

    • c.

      de dubbele woonkosten als gevolg van het noodzakelijk verhuizen;

    • d.

      de kosten voor de eenmalige vervanging of aanschaf van een gar- derobe na ongeval, ziekte of revalidatie of andere bijzondere omstandigheden;

    • e.

      reiskosten in Nederland in bijvoorbeeld de volgende gevallen:

      • -

        ziekenbezoek aan gezinsleden of naaste familieleden die thuis of in instelling worden verpleegd;

      • -

        bezoeken van uit huis geplaatste kinderen;

      • -

        bezoeken van een naast familielid die in de gevangenis zit.

        De bijzondere bijstand voor reiskosten wordt in het algemeen voor maximaal 2 maal per week en voor maximaal 2 personen verstrekt op basis van het reizen per openbaar vervoer, 2e klas.

    • f.

      voor zover de belanghebbende een BredaPashouder is, de eigen bijdrage in energiebesparende maatregelen, voor zover bedoelde voorzieningen zijn aangebracht door het Energieteam. Dit eenmalig tot een maximum bedrag per woning per jaar.

    • g.

      voor zover de belanghebbende een BredaPashouder is, de eigen bijdrage in inbraakpreventieve maatregelen, voor zover bedoelde voorzieningen zijn aangebracht door het Energieteam. Dit eenmalig tot een maximum bedrag per woning per jaar.

    • h.

      de te betalen eigen bijdrage in de kosten van rechtshulp en/of rechtsbijstand, onder aftrek van voorliggende voorziening, in een noodzakelijk bevonden rechtsgang;

    • i.

      eenmalig de kosten van een legitimatiebewijs aan personen zonder vaste woon- of verblijfplaats die niet over een geldig legitimatiebe- wijs beschikken.

    • j.

      in bijzondere gevallen eenmalig de vaste lasten tijdens een kortdu- rende detentie van maximaal 6 maanden.

    • k.

      de kosten van kinderopvang in geval van sociale/medische indica- tie, zolang de Wet Kinderopvang of kinderopvangtoeslag of kindgebonden budget geen voorliggende voorzieningen zijn.

    • l.

      de eigen bijdrage van bewindvoering na rechtelijke uitspraak voor de opstartkosten van bewindvoering en de periodieke kosten van bewindvoering vanaf de datum van aanvraag van de bijzondere bij- stand, indien er geen bewindvoering kan worden geboden vanuit het eigen netwerk, sociale omgeving of andere voorliggende voor- zieningen.

    • m.

      in aansluiting op het vorige lid wordt het verschil in de kosten eigen bijdrage van bewindvoering ook vergoed aan belanghebbenden met inkomen dat hoger is dan gesteld in artikel 3, eerste, tweede en derde lid van deze beleidsregels, voor zover het inkomen daalt on- der de gestelde draagkracht door de periodieke kosten van bewindvoering.

Artikel 12 Algemene (duurzame) gebruiksgoederen

  • 1.

    De kosten van de aanschaf van algemene (duurzame) gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan, waarvoor geen bijzondere bijstand mogelijk is.

  • 2.

    Indien de belanghebbende niet zelf in de kosten kan voorzien door geen beroep te kunnen doen op eigen netwerk, de sociale omgeving en voorlig- gende voorzieningen is een geldlening van de Kredietbank West-Brabant een voorliggende voorziening.

  • 3.

    .Indien een geldlening niet mogelijk is, kan bijzondere bijstand indien spra- ke is van een bijzondere noodzaak in de vorm van een geldlening verstrekt worden.

  • 4.

    In aansluiting op het derde lid van dit artikel wordt de belanghebbende voor de aanschaf van de goederen altijd eerst verwezen naar tweede- handswinkels of weggeefinitiatieven.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de hoogte van het toe te kennen bedrag wordt reke- ning gehouden met de reserveringscapaciteit als bedoeld in artikel 3, achtste lid van deze beleidsregels, in het inkomen dat wordt afgetrokken van het toe te kennen bedrag.

  • 6.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor algemene (duurzame) ge- bruiksgoederen zijn opgenomen in de gemeentelijke Financiële Uitvoeringsrichtlijnen. Indien het kosten betreft die niet in deze richtlijnen zijn genoemd, kan op grond van bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend op basis van de daadwerkelijke kos- ten.

Hoofdstuk IV Bredase minimaregelingen

Artikel 13 Seniorentoeslag

  • 1.

    Belanghebbenden in de pensioengerechtigde leeftijd, die langer dan drie jaar een inkomen op 110% van de geldende AOW-norm ontvangen, kun- nen op aanvraag in aanmerking komen voor de seniorentoeslag om duurzame gebruiksgoederen te vervangen.

  • 2.

    De daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed tot een maximaal be- drag, genoemd in de gemeentelijke Financiële Uitvoeringsrichtlijnen.

  • 3.

    Belanghebbenden, als bedoeld in het eerste lid, die beschikken over een meer dan bescheiden vermogen, gebonden in de eigen woning, kunnen in aanmerking komen voor een in dit artikel bedoelde toeslag, als de totale bijstandsverlening op jaarbasis, te rekenen vanaf de ingangsdatum van de bijstandsverlening, naar verwachting niet meer zal bedragen dan 110% van de geldende AOW-norm over één maand.

Artikel 14 Collectieve ziektekostenverzekering voor minima met en zonder indicatie Wmo en Wlz

  • 1.

    Voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering voor minima, genaamd de Gemeentepolis Extra, kunnen in aanmerking komen belanghebbenden als bedoeld in artikel 3, eerste tot en met derde lid.

  • 2.

    Voor deelname aan de collectieve ziektekostenregeling voor minima, genaamd de Gemeentepolis Extra Uitgebreid, kunnen in aanmerking komen belanghebbenden als bedoeld in artikel 3, eerste tot en met derde lid, met een indicatie Wmo of Wlz.

  • 3.

    In aanvulling op het derde lid van artikel 3 wordt voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering Extra Uitgebreid de norm op geen financiële draagkracht gesteld op een netto gezamenlijk maandinkomen van 130% van het wettelijk minimumloon.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid van artikel 3 wordt voor deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering Gemeentepolis Extra Uitgebreid geen norm op vermogen gesteld.

  • 5.

    Voor de premie van het aanvullende gedeelte van deze verzekering wordt gedeeltelijk bijzondere bijstand verstrekt. De hoogte van dit bedrag wordt vastgesteld door het college.

  • 6.

    De Gemeentepolis Extra Uitgebreid wordt aangeboden als een verzekering voor (chronisch) zieken en gehandicapten met een laag inkomen en hoge zorgbehoefte, met als doel om voor de deelnemers de zorg betaalbaar te houden.

  • 7.

    De Gemeentepolis Extra zoals bedoeld in het eerste lid vergoedt bijna alle medische kosten op basis van de zorgbehoefte. Dit pakket is voor alle medische kosten een voorliggende voorziening.

  • 8.

    De wettelijke eigen bijdrage van de gemeentezorgpolis Extra Uitgebreid wordt door de gemeente vooruitbetaald aan de verzekeraar. Indien deze niet volledig gebruikt is, vloeit het resterende bedrag terug naar gemeente en niet naar de belanghebbende.

  • 9.

    Artikel 9 van deze beleidsregels blijft onverminderd van toepassing.

Artikel 15 School startpakket

  • 1.

    Belanghebbenden, als bedoeld in artikel 3, lid 1 tot en met 3 van deze be- leidsregels, met ten laste komende schoolgaande kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar komen op aanvraag in aanmerking voor een schoolstart- pakket per kind per kalenderjaar.

  • 2.

    De daadwerkelijk gemaakte schoolstart kosten worden vergoed tot een maximum bedrag, genoemd in de gemeentelijke Financiële Uitvoerings- richtlijnen.

Artikel 16 BredaPas

  • 1.

    Belanghebbenden, als bedoeld in artikel 3, lid 1 tot en met 3 van deze beleidsregels, kunnen op aanvraag deelnemen aan de BredaPas.

  • 2.

    Het recht op bijzondere bijstandsverlening voor uitgaven die in het kader van de BredaPas ten behoeve van BredaPashouders worden gemaakt, bestaat slechts voor het kalenderjaar waarvoor de BredaPas is afgege- ven.

  • 3.

    Als ten gevolge van beëindiging van de bijstandsuitkering of verkrijging van een inkomen hoger dan gesteld in artikel 3, eerste, tweede en derde lid, niet langer aan de voorwaarden tot verkrijging van een BredaPas wordt voldaan, blijft het recht op verstrekking van een BredaPas bestaan tot het einde van het kalenderjaar. Uitzondering hierop zijn de verstrek- kingen voor sport en participatie. Deze declaraties worden vanaf het moment dat er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden BredaPas niet meer betaalbaar gesteld.

  • 4.

    Kinderen tot en met 17 jaar in gezinsvervangende tehuizen of pleegge- zinnen hebben recht op een BredaPas.

  • 5.

    Studenten of scholieren met een inkomen uit de Wet Studiefinanciering zijn van de BredaPas uitgesloten. Uitzondering hierop zijn studenten en scholieren met inkomsten uit de Wet Studiefinanciering met ten laste komende kinderen. In dat geval ontvangen studenten of scholieren wel een BredaPas.

  • 6.

    Kinderen tot en met 17 jaar met ouders in de WSNP kunnen gebruik maken van de BredaPas. Ouders en kinderen in overige schuldensitua- ties kunnen gebruik maken van de BredaPas indien ze binnen de gestelde inkomensgrens van artikel 3, eerste, tweede en derde lid blij- ven.

  • 7.

    BredaPashouders van 18 jaar en ouder ontvangen op aanvraag 50% korting op de contributie van deelname aan sportactiviteiten bij een sportvereniging of sportschool tot een maximum van € 75,- per persoon per kalenderjaar.

  • 8.

    BredaPashouders van 18 jaar en ouder ontvangen op aanvraag 50% korting op het lidmaatschap, les- of cursusgeld bij deelname aan activi- teiten bij aan de BredaPas gelieerde organisaties, die leiden tot maatschappelijke participatie, tot een maximum van € 75,- per persoon per kalenderjaar.

  • 9.

    BredaPashouders van 18 jaar en ouder ontvangen op aanvraag € 45,- kleedgeld per persoon per kalenderjaar ten behoeve van sportbeoefe- ning of andere activiteiten waar materiaal voor nodig is.

  • 10.

    BredaPashouders tot en met 17 jaar ontvangen op aanvraag 90% kor- ting op het lidmaatschap, les- of cursusgeld bij deelname aan activiteiten bij aan de BredaPas gelieerde organisaties, die leiden tot maatschappe- lijke participatie, tot een maximum van € 150,- per persoon per kalenderjaar, mits deze activiteiten niet onder het Jeugdsportfonds Breda en Jeugdcultuurfonds Breda vallen.

  • 11.

    BredaPashouders tot en met 17 jaar ontvangen per persoon per kalen- derjaar op aanvraag eenmalig 90% korting op deelname aan een (zomer)kamp.

  • 12.

    Leerlingen met een BredaPas die deelnemen aan sportklassen van het Prisma College, De Rotonde of Graaf Engelbrecht ontvangen op aan- vraag 90% korting op het lesgeld tot een maximum van € 150,- per persoon per kalenderjaar.

  • 13.

    Leerlingen met een BredaPas die deelnemen aan sportklassen van het Prisma College, De Rotonde of Graaf Engelbrecht ontvangen op aan- vraag € 45,- kleedgeld per persoon per kalenderjaar naast de vergoeding waarop in lid 12 van dit artikel aanspraak gemaakt kan worden.

Hoofdstuk V Schuldhulpverlening

Artikel 17 Borgstelling

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor schulden is op grond van artikel 13, eerste lid sub g van de wet, in combinatie met artikel 49 van de wet mogelijk in de vorm van een borgstelling.

  • 2.

    Deze borgstelling wordt slechts verleend als deze gericht is op krediet- verstrekking door de Kredietbank West -Brabant ter sanering van de gehele schuldsituatie.

Hoofdstuk VI Slotbepalingen

Artikel 18

De bevoegdheid tot (periodieke) aanpassing van de in deze beleidsregels be- doelde bedragen berust bij de directeur van de Directie Ontwikkeling.

Artikel 19

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daar-

van niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels beslist de directeur van de Directie Ontwikkeling namens het college.

Artikel 20

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2015'.

Artikel 21
  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking per 1 februari 2015 en wer- ken terug tot 1 januari 2015.

  • 2.

    Besluiten die op grond van deze beleidsregels zijn genomen in de periode 1 januari tot 1 februari 2015 blijven van kracht, tenzij de- ze worden ingetrokken.

  • 3.

    Met de inwerkingtreding worden de Beleidsregels Bijzondere Bij- stand 2013 ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Burgemeester en Wethouders van Breda, gehouden op 27 januari 2015.

, burgemeester ,secretaris

Bijlage gemeentelijke Financiële Uitvoeringsrichtlijnen 2015

De bevoegdheid tot (periodieke) aanpassing van de in deze beleidsregels genoemde bedragen berust bij de directeur van de Directie Ontwikkeling.

De bedragen die zijn gebaseerd op de Nibud Prijzengids worden per september van ieder jaar aangepast. De Nibud Prijzengids verschijnt jaarlijks in augustus en heeft een gelding van één jaar.

 

Bedragen artikelgewijs

 

Artikel 3, derde lid Woonkostentoeslag groot onderhoud

De eigenaar moet kosten maken voor groot onderhoud. Deze kosten kunnen bij de woonkosten wor- den opgeteld. Onderstaande bedragen gelden tot 1 juli 2015.

 

 

Voor 1945 gebouwd

€ 628

Na 1945 gebouwd

€ 536

Indien van toepassing te verhogen met de volgende bedragen:

 

Installatie voor centrale verwarming

€ 85

Liftinstallatie

€ 79

Algemeen beheer en administratie

€ 153

 

Artikel 9 (Para)medische kosten

 

Kosten

Kosten dialyse nierpatiënten per mnd

125,-

Kosten aanvullende premie CZM per mnd

10,-

 

Artikel 10 Kostenvanbijzondere sociale en financiële omstandigheden

Kosten

Kosten begrafenis

4000,-

Kosten crematie

3000,-

Kosten energiebesparende maatregelen per jaar

100,-

Kosten inbraakpreventiemaatregelen per jaar

100,-

 

Artikel 12 Duurzame gebruiksgoederen

Maximale bedragen voor een complete woninginrichting

Kosten

Alleenstaande

3000,-

Alleenstaande kamerbewoner

1500,-

Echtpaar

4000,-

Per kind in het huishouden

500.-

 

Bovenstaande bedragen zijn maximale bedragen voor het inrichten van een complete woning. In dit bedrag is niet alleen inventaris (meubels voor alle kamers, keukeninventaris, huishoudelijke apparatuur) opgenomen, maar ook de stoffering van de woning (verf, vloerbedekking, behang).

 

Individuele bedragen woninginrichting

Als een belanghebbende nog wel (een deel van de) inventaris heeft, dan wordt beoordeeld welke noodzaak er is om bijstand te verlenen in de benodigde inventaris. Voor de kosten worden de vergoedingen zoals genoemd in de Prijzengids van Nibud gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal personen in het huishouden.

 

Huishoudelijke apparatuur

De volgende richtprijzen voor huishoudelijke apparaten worden gehanteerd. Genoemde prijzen zijn maximale vergoedingen (tot 70% Nibud). Afwijken van deze prijzen is mogelijk indien dit in het individuele geval noodzake- lijk is.

 

Kosten

Nibud

70%

Wasmachine

€ 380,-

€ 266,-

Koelkast met vriesvak

€ 240,-

€ 168,-

Gasfornuis (4 pits) + oven

€ 300,-

€ 210,-

Kookplaat gas (4 pits)

€ 190,-

€ 133,-

Kookplaat electrisch/keramisch + oven

€ 370,-

€ 259,-

Kookplaat electrisch/keramisch

€ 340,-

€ 238,-

Stofzuiger

€ 190,-

€ 133,-

 

Artikel 13 Seniorentoeslag

€ 250,-

 

Artikel 15 Schoolstartpakket

Schoolgaande kinderen 4 tot 12 jaar € 150,- per kind per jaar Schoolgaande kinderen 12 tot 18 jaar € 250,- per kind per jaar