Regeling vervallen per 01-01-2016

Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2015

Geldend van 01-01-2015 t/m 31-12-2015

Intitulé

Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2015

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl;

Besluit,

gelet op artikel 20 2e lid van de Verordening Wmo gemeente Delfzijl vast te stellen:

'Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2015'

Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling.

Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Verordening Wmo 2015.

Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Onderzoek

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2. Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3. Bij het onderzoek is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende.

  • 4. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in lid 1 en 2 van dit artikel.

  • 5. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

Artikel 5. Gesprek

  • 1. Het college onderzoekt, conform hetgeen is gesteld in artikel 2.3.2. van de Wet, in een gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

  • 4. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 5. Het getekende verslag kan als bijlage van en door ondertekening van een aanvraagformulier direct als aanvraag worden ingediend.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 8. Advisering, informatieplicht en medewerking aan de beoordeling

  • 1. Het college kan een door hem daartoe aangewezen deskundige om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2. De persoon met beperking die een melding heeft gedaan of voor wie dat is gedaan dan wel een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet en de verordening en deze nadere regels. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het voldoen aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen, dan wel iemand op een van te voren aangegeven moment toegang tot zijn woning te verlenen;

    • b.

      het meewerken aan een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen, daaronder zo nodig begrepen een lichamelijk of andersoortig onderzoek om de belemmeringen te kunnen vaststellen.

  • 3. De persoon met beperking die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan.

Artikel 9. De beschikking

  • 1. Voor algemene voorzieningen verleent het college geen beschikking, een algemene voorziening kan wel deel uit maken van het maatwerkplan waarop een beschikking wordt afgegeven.

  • 2. Voor een maatwerkvoorziening verstrekt het college een beschikking, mede gebaseerd op het maatwerkplan.

  • 3. In de beschikking wordt de informatie- en medewerkingsplicht opgenomen als bedoeld in artikel 2.3.8 van de wet.

  • 4. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat het beoogde resultaat van de voorziening is welke de te verstrekken voorziening is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      de beoogde resultaten welke andere (algemene) voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • d.

      gedurende welke periode een eigen bijdrage verschuldigd is;

    • e.

      hoe hoog het bedrag van de maximale eigen bijdrage voor de voorziening is.

  • 6. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking een programma van eisen vastgelegd waaraan de voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn waarin ieder geval is opgenomen:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • f.

      op welke wijze de persoon met beperking de voorziening moet terugbetalen of teruggeven als deze voor afloop van de afschrijvingstermijn niet meer wordt gebruikt.

  • 7. Voor maatwerkvoorzieningen als Huishoudelijke ondersteuning (+) en begeleiding/dagbesteding is geen sprake van een programma van eisen, maar een ondersteuningsovereenkomst-of budgetplan.

  • 8. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

PGB

Algemeen.

Artikel 10 Persoonsgebonden budget (PGB)

  • 1. Een persoon met een beperking heeft niet de mogelijkheid te kiezen voor een persoonsgebonden budget als daartegen onderbouwde bezwaren zijn. Daarvan is in ieder geval sprake als:

    • a.

      de voorziening een collectieve vervoerspas betreft;

    • b.

      er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon met beperking zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget en deze hulp niet beschikbaar is.

    • c.

      de voorziening wordt aangevraagd voor gecontracteerde ZIN-voorzieningen in het kader van Huishoudelijke Ondersteuning (+), Begeleiding en Dagbesteding.

Nadere verplichtingen budgethouder.

Artikel 11. Nadere verplichtingen budgethouder

  • 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en, voor zover van toepassing, toereikend te verzekeren.

  • 2. In geval van een scootmobiel, aangepaste fiets met hulpmotor of elektrische rolstoel is de persoon verplicht een all-risk verzekering af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel.

  • 3. Ingeval het gebruik van de voorziening welke met een persoonsgebonden budget is aangeschaft, is beëindigd en de gebruiksduur van de voorziening niet geheel is verstreken, is de budgethouder verplicht de voorziening te retourneren dan wel de restwaarde, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, aan de gemeente te vergoeden.

  • 4. Bij de vaststelling van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met afschrijvingstermijnen die naar geldende maatschappelijke normen voor de verstrekte voorziening gebruikelijk zijn. Mocht na die tijd blijken dat de voorziening nog in goede staat verkeert, dan wordt de gebruiksduur verlengd.

  • 5. Voor de vaststelling van afschrijvingstermijnen van hulpmiddelen, wordt gebruik gemaakt van de afschrijvingstermijnen zoals deze van toepassing zijn binnen geldende overeenkomst met de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier.

Artikel 12. Hoogte van het Pgb.

  • 1. De hoogte van een pgb voor een verstrekking wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als deze voorziening in natura zou zijn verstrekt.

    • a.

      Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering.

    • b.

      Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • c.

      De kostprijs voor onderhoud en verzekering wordt gelijkgesteld aan de tarieven die worden gehanteerd door de hulpmiddelenleverancier.

  • 2. Cliënten moeten zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door de gewenste aanbieder of voorziening duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

  • 3. Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij een zzp-er of bij een instelling (niet zijnde door de gemeente gecontracteerd) is een percentage van 70% tot 100% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in ZIN. Als uit het gesprek en het persoonlijk plan blijkt dat dit tarief niet toereikend is, kan hier van worden afgeweken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 4. Het tarief voor een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en

    • c.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 5. Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk is een vast bedrag per uur. Het vaste uurbedrag is gelijk aan het geldende wettelijk minimumloon gebaseerd op een werkweek van 40 uur voor deze persoon inclusief de reservering vakantiegeld.

  • 6. Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk is eventueel te vermeerderen met de reiskosten. De reiskosten worden gebaseerd op het OV-tarief van € 0,155 per kilometer tot een maximale afstand voor de enkele reis van 25,5 kilometer.

  • 7. Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociaal netwerk is eventueel te vermeerderen met een compensatie voor het verlies van pensioenrechten, wanneer:

    • a.

      er daadwerkelijk sprake is van het niet opbouwen van pensioenrechten als gevolg van het (tijdelijk) opzeggen van arbeidsuren in verband met het bieden van ondersteuning;

    • b.

      de compensatie alleen betrekking heeft op de periode waarover de ondersteuning daadwerkelijk wordt geleverd.

  • 8. Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de SVB.

Eigen Bijdrage.

Artikel 13. Bijdrage voor algemene voorzieningen

  • 1. Er wordt door de gemeente geen eigen bijdrage voor een algemene voorziening gevraagd.

  • 2. Voor de volgende algemene voorzieningen is de cliënt aan de aanbieder een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      collectief vervoer;

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning;

    • c.

      maaltijdvoorziening;

    • d.

      kortdurend verblijf- of respijtzorg met laag intensieve ondersteuning;

    • e.

      was- en strijkservice;

    • f.

      klussendienst.

  • 3. De bijdrage in de kosten van de algemene voorziening in de vorm van:

    • a.

      Het collectief vervoer bedraagt de opstapprijs van € 0,88 te vermeerderen met een bedrag van € 0,155 per kilometer;

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning bedraagt ten hoogste de kostprijs te vermeerderen met de kosten van eventuele consumpties in de vorm van (brood)maaltijden en dranken.

    • c.

      een maaltijdvoorziening bedraagt ten hoogste de feitelijke kosten kortdurend verblijf- of respijtzorg: niet van toepassing;

    • d.

      was- en strijkservice: niet van toepassing;

    • e.

      de klussendienst: zie tarieven klussendienst Fivelingo.

Artikel 14. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, en pgb’s.

  • 1. Voor een maatwerkvoorziening is een eigen bijdrage verschuldigd.

  • 2. De eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen verloopt via de centrumgemeente Groningen.

  • 3. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening bedraagt niet meer dan de kostprijs van de voorziening. Onder de kostprijs wordt tevens verstaan de huursom, te vermeerderen met de kosten van onderhoud en verzekering.

  • 4. In afwijking van lid 1 is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelvoorzieningen

    • b.

      kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing.

  • 5. De te betalen eigen bijdragen worden in het gemeentelijke Besluit Wmo door het college vastgesteld.

  • 6. Voor de kostprijzen van de vastgestelde maatwerkvoorzieningen wordt aansluiting gezocht bij de kostprijzen zoals deze worden gehanteerd door de gecontracteerde aanbieders.

Nadere regels Eigen Bijdrage per maatwerkvoorziening.

Artikel 15: Vervoer

  • 1. Voor collectief vervoer is een bijdrage verschuldigd die gelijk is aan het tarief van het openbaar vervoer.

  • 2. De bijdrage in de kilometervergoeding voor het Wmo-vervoer (collectief vervoer) als maatwerkvoorziening wordt geïnd door de vervoerder.

Artikel 16: Huishoudelijke Ondersteuning (plus)

  • 1. De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning plus in natura is het tarief per periode dat de gemeente aan de zorgaanbieders betaalt voor deze vormen van huishoudelijke ondersteuning.

  • 2. De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning als pgb is een afgeleide van het tarief per periode dat de gemeente aan de gecontracteerde ZIN zorgaanbieders betaalt voor deze vormen van huishoudelijke ondersteuning.

  • 3. De te betalen eigen bijdragen voor zowel ZIN als pgb worden door het CAK geïnd op basis van het aantal feitelijk gewerkte en gedeclareerde uren en het per uur geldende budget of tarief.

  • 4. Voor Huishoudelijke ondersteuning uitgevoerd in het eigen netwerk geldt wettelijk minimumloon gebaseerd op een werkweek van 40 uur.

  • 5. De te betalen eigen bijdragen worden in een separaat besluit door het college vastgelegd.

Eigen Bijdrage en Pgb.

Artikel 17. Nadere regels eigen bijdrage bij een pgb

Voor voorzieningen die verstrekt worden in de vorm van een pgb wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang het pgb verstrekt wordt. De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld: hoogte van het periodieke pgb omgerekend naar het bedrag per periode van 4 weken.

Eigendom en bruikleen

Artikel 18. Voorzieningen in eigendom en bruikleen

  • 1. Voor voorzieningen die verstrekt worden in eigendom wordt een eigen bijdrage opgelegd, tot maximaal de kostprijs van de voorziening.

  • 2. Voor voorzieningen in bruikleen wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de voorziening gebruikt wordt.

  • 3. Indien gekozen wordt voor een eenmalig persoonsgebonden budget in plaats van een voorziening in bruikleen, wordt een eigen bijdrage opgelegd gedurende een periode die overeenkomt met de gemiddelde levensduur van de voorzieningensoort waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 4. De eigen bijdrage mag nooit hoger zijn, dan de kostprijs van de voorziening.

Nadere regels per maatwerkvoorziening.

Artikel 19 Algemene bepaling

De omvang van maatwerkvoorzieningen voor diensten wordt zoveel mogelijk vastgesteld in resultaten.

Huishoudelijke ondersteuning (plus).

Artikel 20. Huishoudelijke ondersteuning

  • 1. Een persoon met beperkingen heeft recht op huishoudelijke ondersteuning als hij door zijn belemmeringen, rekening houdend met de beschikbaarheid van de verplichte gebruikelijke hulp en onverplichte mantelzorg, niet of onvoldoende in staat is tot het verzorgen van het huishouden van zichzelf of van de leefeenheid waartoe hij behoort.

  • 2. Er kan ook een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt worden als deze kortdurend, al dan niet in verband met het tijdelijk ontbreken van mantelzorg, noodzakelijk is.

Artikel 21. Soort, omvang en vorm van de huishoudelijke hulp

  • 1. Huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening wordt verstrekt als huishoudelijke ondersteuning of huishoudelijke ondersteuning plus. Daarbij geldt dat:

    • a.

      Huishoudelijke ondersteuning een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen;

    • b.

      Huishoudelijke ondersteuning plus een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen met inbegrip van hulp bij de organisatie van het huishouden.

Begeleiding Individueel, Begeleiding Groep en Kortdurende Opvang.

Artikel 22. Criteria individuele begeleiding

Een cliënt in kan aanmerking komen voor individuele begeleiding als

  • a.

    bij cliënt sprake is van een complexe ondersteuningsvraag, blijkend uit de noodzaak tot inzet van individuele begeleiding, of

  • b.

    er bij het functioneren van de cliënt sprake is van risico voor hemzelf of diens omgeving, of

  • c.

    toezicht op de cliënt nodig is.

Artikel 23. Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

Een cliënt kan gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als:

  • a.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht, en

  • b.

    de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht overbelast dreigt te worden.

Artikel 24. Algemene voorziening dagbesteding met beperkte ondersteuning

Het college draagt met het oog op het bieden van structuur, sociale contacten alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers zorg voor de aanwezigheid van algemene voorzieningen dagbesteding met beperkte ondersteuning.

Artikel 25. Maatwerkvoorziening dagbesteding met intensieve ondersteuning of arbeidsmatige dagbesteding

  • 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor dagbesteding met intensieve ondersteuning als:

    • a.

      de aanvrager als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam is om een dagbesteding, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren; en

    • b.

      er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagbesteding directe nabijheid van gespecialiseerde zorg, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of

    • c.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 2. Een cliënt kan, indien hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding met zo mogelijk als doel de cliënt voor te bereiden op (begeleid) werk of vrijwilligerswerk als de aanvrager onvoldoende vaardigheden heeft inzake het aanbrengen van structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, en

    • a.

      de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende arbeidsprestatie kan leveren door het ontbreken van werkvaardigheden als gevolg van beperkingen en daaruit voortvloeiend een ondersteunings- en/of toezichtsvraag heeft, of

    • b.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

Beschermd Wonen.

Artikel 26. Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen

Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Groningen, de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015, het besluit maatschappelijke ondersteuning 2015, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Dit artikel is van toepassing op alle instellingen voor maatschappelijke opvang en voor opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en waar voltijdopvang noodzakelijk is.

Vervoersvoorzieningen.

Artikel 27. Vervoersvoorziening

  • 1. Een persoon met beperking kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening als hij belemmeringen ondervindt in de zelfredzaamheid, het lokaal participeren en gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is.

  • 2. De maatwerkvoorziening voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Artikel 28. Soorten vervoersvoorzieningen

De door het college te verstrekken vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit:

  • a.

    collectief vervoer;

  • b.

    een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel;

  • c.

    een scootmobiel;

  • d.

    een pgb voor aantoonbare meerkosten voor het gebruik van een eigen auto, indien voor de belanghebbende het collectief vervoer geen adequate oplossing vormt.

Artikel 29. Collectief vervoer

  • 1. Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie.

  • 2. Met het collectief vervoer kan een persoon met beperkingen zich lokaal verplaatsen van deur tot deur, waarbij geldt dat, indien dit door het college beschikt is, medisch noodzakelijke persoonlijke begeleiding bij het gebruik van het collectieve vervoer gratis is,

  • 3. Het college kan, indien daar in specifieke gevallen noodzaak toe bestaat, het aantal verplaatsingen maximeren.

  • 4. Met het collectief vervoer kunnen pashouders kunnen vanaf 1 januari 2015 reizen in een gebied van 25,5 kilometer rondom het woonadres. Boven dit geldende maximaal te reizen aantal zones of kilometers geldt het tarief van de vervoerder.

  • 5. Op jaarbasis kan in beginsel maximaal 2500 kilometer worden verreden.

  • 6. Het tarief bedraagt een opstaptarief van € 0,88 en € 0,155 per kilometer.

  • 7. De stad Groningen en specialistische instellingen als bijvoorbeeld Beatrixoord en Visio te Haren en het ziekenhuis in Winschoten vallen als puntbestemming binnen het bereik van het collectief vervoer.

Artikel 30. Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel

  • 1. Een vervoersvoorziening bij een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan bestaan uit:

    • a.

      de aanpassing van een fiets;

    • b.

      een niet algemeen gebruikelijke fiets;

    • c.

      een rolstoelfiets of handbike;

  • 2. Een persoon met beperking kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in het vorige lid indien:

    • a.

      zijn beperking het gebruik van een gewone fiets of een aankoppelfiets onmogelijk maakt en

    • b.

      hij zijn vervoersbehoefte merendeels met een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan invullen.

  • 3. Voor een kind kan een vervoersvoorziening tevens bestaan uit een individueel aangepast fietszitje of fietsaanhanger als een standaard voorziening niet mogelijk is.

Artikel 31. Eigen vervoer

Voor zover de belanghebbende aangewezen is op eigen vervoer en als gevolg van ondervonden beperkingen meer kilometers reist als gevolg van deze beperking, dan wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op een bedrag van € 0,155 per kilometer, tot maximaal 2500 kilometer op jaarbasis.

Rolstoel.

Artikel 32. Rolstoel voorziening

  • 1. Een persoon met beperkingen kan voor een rolstoel in aanmerking komen als een rolstoel noodzakelijk is voor dagelijks zittend verplaatsen.

  • 2. De door het college te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

    • a.

      een handbewogen rolstoel of een transportrolstoel;

    • b.

      een elektrische rolstoel;

    • c.

      individuele aanpassingen aan de rolstoel;

    • d.

      rolstoelaccessoires;

    • e.

      een rolstoel of vastframe handbike voor sportdoeleinden.

  • 3. Een persoon met beperkingen kan in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een sportrolstoel of een vastframe handbike indien het sporten zonder deze voorziening onmogelijk is.

Woonvoorzieningen.

Artikel 33. Woonvoorziening

  • 1. Een persoon met beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. Bij de aanvraag om een woonvoorziening dient de mogelijkheid tot verhuizing als oplossing te worden beoordeeld (primaat van verhuizen).

  • 2. Een woonvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget ten behoeve van de woonruimte waar de persoon met beperking woonachtig is of zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.

  • 3. Woonvoorzieningen worden onder andere onderscheiden in:

    • a.

      verhuiskosten;

    • b.

      een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing;

    • c.

      roerende woonvoorzieningen;

    • d.

      overige woonvoorzieningen.

  • 4. Een traplift wordt beschouwd als een roerende woonvoorziening.

  • 5. Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt vastgesteld als de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, dan wel bij roerende woonvoorzieningen op basis van de geldende prijsafspraken op basis van de aanbesteding hulpmiddelen. De uitkering wordt, indien noodzakelijk, verhoogd met de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie voor zover de voorziening geen vast onderdeel vormt van de woning.

Artikel 34. Terugbetaling bij verkoop

De eigenaar die een woningaanpassing heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen de periode waarop het pgb van toepassing is verklaard deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. Het restbedrag van de kostprijs van de voorziening dient te worden terugbetaald. Het college kan in bepaalde gevallen gemotiveerd van dit besluit afzien.

Verhuiskosten.

Artikel 35. Verhuiskosten

  • 1. Wanneer de persoon met beperkingen daarvoor kiest verstrekt het college een tegemoetkoming aannemelijke meerkosten in de verhuiskosten als:

    • a.

      de woonruimte voldoet aan het programma van eisen, zoals die zijn gesteld in de voorwaardelijke beschikking en

    • b.

      een persoon met beperking de gevonden woonruimte heeft gemeld en is verhuisd binnen 2 jaar na de datum van de voorwaardelijke beschikking tot toekenning van een tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor verhuiskosten.

  • 2. Geen tegemoetkoming aannemelijke meerkosten voor in de verhuiskosten wordt verstrekt als:

    • a.

      een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      een persoon met beperking verhuist naar een instelling voor langdurige zorg en de gemeente op grond van de wet voor deze persoon niet langer voor de ondersteuning verantwoordelijk is.

    • c.

      In afwijking van artikel 34, derde lid onder a, geldt dat de persoon niet in eigen beheer de verhuizing kan uitvoeren de kosten vergoed krijgt in de vorm van ZIN of pgb De belanghebbende dient aan de gemeente 3 offertes aan te bieden met een gelijkluidende aanvraag. Op basis van de laagste prijs wordt het pgb-verstrekt.

Intrekking beschikking en terugvordering

Artikel 36. Intrekking en wijziging van een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening

  • 1. Het college kan een besluit geheel of gedeeltelijk intrekken of ten nadele van de persoon met beperking wijzigen als:

    • a.

      niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen zoals opgenomen bij of krachtens de wet;

    • b.

      de persoon met beperking, zijn echtgenoot, ouder, pleegouder of wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • c.

      de voorziening onjuist was of ten onrechte is verstrekt en de belanghebbende dit wist of behoorde te weten;

    • d.

      uit onderzoek blijkt dat de persoon met beperking geen gebruik maakt van een aan hem verstrekte voorziening en naar alle waarschijnlijkheid de komende twee maanden ook geen gebruik zal maken van deze voorziening;

    • e.

      de persoon met beperking zijn verplichtingen op grond van de wet, de verordening en dit besluit onvoldoende nakomt en daardoor het recht op of de noodzaak van de gevraagde voorziening niet of niet langer kan worden vastgesteld;

    • f.

      het Persoonsgebonden Budget niet of niet volledig of voor een ander doel is aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt;

    • g.

      het persoonsgebonden budget 3 maanden na toekenning nog niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening.

  • 2. De intrekking of wijziging van het besluit tot verlening van een voorziening werkt terug tot en met het tijdstip waarop deze voorziening is verleend of de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan, tenzij anders is bepaald.

Artikel 37. Terugvordering

  • 1. In geval een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of ten nadele van de persoon met beperking is gewijzigd, kan het college het ten onrechte betaalde persoonsgebonden budget dan wel de in natura verstrekte voorziening terugvorderen.

  • 2. Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen kunnen worden verhoogd met de wettelijke rente.

Kwaliteitseisen

Artikel 38. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is.

  • 2. Een voorziening wordt in elk geval:

    • a.

      veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt,

    • b.

      afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,

    • c.

      verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;

    • d.

      verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

  • 3. De kwaliteit van voorzieningen die met een pgb worden ingekocht, moeten zoveel mogelijk aan de dezelfde kwaliteitseisen voldoen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Voor het onderwerp "Begeleiding" staan de kwaliteitseisen in het "inkoopdocument ten behoeve van continuïteit AWBZ-Wmo 2015 22 Groninger gemeenten".

  • 5. Voor de kwaliteitseisen voor zorgboerderijen (Pgb) wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het document "Met klein groei je groot. Inhoud en kwaliteit" kleinere' aanbieders Groningen".

  • 6. De Kwaliteitseisen voor Huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen zijn opgenomen de betreffende aanbestedingsdocumenten.

Overige Bepalingen

Artikel 39. Waardering mantelzorgers

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een kadobon ter waarde van € 50,- op voorwaarde dat de mantelzorger geregistreerd staat als mantelzorger (langer dan drie maanden en acht uur of meer per week) bij SW&D. De peildatum is 1 juli van het kalenderjaar waarover de uitkering plaatsvindt.

Artikel 40. Meldcode (huiselijk) geweld en kindermishandeling

  • 1. De aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

  • 2. De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

  • 3. Het college kan aangeven uit welke elementen een meldcode in ieder geval dient te bestaan.

Artikel 41. Calamiteiten en geweld

  • 1. De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar onverwijld melding van:

    • a.

      iedere calamiteit die bij het verlenen van een voorziening heeft plaatsgevonden;

    • b.

      geweld bij de verstrekking van de voorziening.

  • 2. Onder calamiteit wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt van de instelling heeft geleid.

  • 3. Onder hulpverlener wordt verstaan iedere medewerker van een aanbieder.

Artikel 42. Verklaring omtrent gedrag van medewerkers

Het college kan van een aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, eisen dat deze in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken.

Artikel 43. Klachtregeling.

  • 1. Indien er over de uitvoering van dienstverlening van gecontracteerde aanbieders klachten bestaan, dan is in eerste aanleg de klachtenprocedure van de betreffende aanbieder van toepassing;

  • 2. De gemeente wordt door de aanbieder schriftelijk in kennis gesteld van de aard van de klacht en de wijze van klachtafhandeling;

    Indien afhandeling van de klacht via de klachtprocedure niet tot resultaat leidt, dan kan de klager zich wenden tot de gemeente voor verdere afhandeling.

Artikel 44. Betrekken ingezetenen bij beleid.

De gemeente betrekt in het beleidsproces het advies van de Wmo-adviesraad. De Wmo Adviesraad kan aan het college gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen.

Inwerkingtreding en citeertitel.

Artikel 45. Inwerkingtreding en citeertitel.

  • 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2. Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3. De beleidsregels gemeente Delfzijl 2012 wordt ingetrokken per 1 januari 2015.

Ondertekening

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouder van Delfzijl d.d. 16 december 2014.
burgemeester.
(E.A. Groot)
secretaris.
(P. Leeuw)