Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Delfzijl

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Delfzijl houdende stimulering participatie Verordening Maatschappelijke bijdrage

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDelfzijl
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Delfzijl houdende stimulering participatie Verordening Maatschappelijke bijdrage
CiteertitelVerordening Maatschappelijke bijdrage
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

art. 8a lid 1 Participatiewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2017nieuwe regeling

22-12-2016

Gemeenteblad 2016, 188010

.

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Maatschappelijke Bijdrage

De raad van de gemeente Delfzijl;

 

gelezen het voorstel van de college van burgemeester en wethouders d.d. 28 november 2016;

 

gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;

 

overwegende dat het van belang is dat bijstandsgerechtigden inspanningen leveren om zo snel mogelijk aan het werk te gaan en anders maatschappelijke activiteiten verrichten die leiden tot activering en stijging op de participatieladder;

 

besluit vast te stellen:

 

Verordening Maatschappelijke Bijdrage

Hoofdstuk 1

Artikel 1. Begripsbepalingen

1.1.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

 

1.2.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Participatiewet, IOAW, IOAZ

  • b.

    grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar

  • c.

    korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar

  • d.

    mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

Artikel 2. Doelgroep en doel

2.1.

Tot de doelgroep behoren alle belanghebbenden van 18 jaar tot 27 jaar die een uitkering ontvangen op grond van de wet.

 

2.2.

Het verrichten van een onbeloonde maatschappelijke bijdrage is bedoeld als tegenprestatie van mensen die een beroep doen op de solidariteit van de samenleving, waardoor zij ook invulling geven aan hun maatschappelijke betrokkenheid.

Artikel 3. Bevoegdheid

Het College van burgemeester en wethouders kan een plicht tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage naar vermogen opleggen aan een belanghebbende die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 2 eerste lid en die niet is vrijgesteld of ontheven van het verrichten van een maatschappelijke bijdrage.

Hoofdstuk 2 Een maatschappelijke bijdrage naar vermogen

Artikel 4. Inhoud van een maatschappelijke bijdrage

4.1.

Het College van burgemeester en wethouders kan een maatschappelijke bijdrage, die additioneel van aard is, inzetten in zoverre dat:

  • a.

    Het maatschappelijke activiteiten zijn;

  • b.

    De gemeente geen vergoeding verstrekt voor deze werkzaamheden. De organisatie waarvoor de belanghebbende werkt mag wel een vergoeding geven

  • c.

    De werkzaamheden geen belemmering vormen voor het accepteren van regulier werk;

  • d.

    De werkzaamheden beperkt zijn in omvang en duur;

  • e.

    De werkzaamheden in de betreffende organisatie door belanghebbende worden verricht naast, of in aanvulling op reguliere arbeid;

  • f.

    De werkzaamheden niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;

  • g.

    De werkzaamheden naar hun aard niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument.

4.2.

Het College van burgemeester en wethouders kan ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het College van burgemeester en wethouders in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 5. Het opdragen van een maatschappelijke bijdrage

5.1.

Het College van burgemeester en wethouders kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een maatschappelijk bijdrage opdragen.

 

5.2.

Het College van burgemeester en wethouders kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een maatschappelijke bijdrage opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

 

5.3.

Bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage houdt het College van burgemeester en wethouders rekening met de volgende factoren:

  • a.

    De maatschappelijke bijdrage moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;

  • b.

    De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

  • c.

    De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

  • d.

    Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

Artikel 6. Duur, indicering en omvang van Maatschappelijke bijdrage

6.1.

De maatschappelijke bijdrage wordt opgedragen voor zestien uur per week gedurende vijftien weken per jaar.

 

6.2.

De maatschappelijke bijdrage wordt voor alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf jaar opgedragen voor acht uur per week gedurende vijftien weken per jaar.

 

6.3.

Uren naar vermogen wordt vastgesteld op grond van een UWV SMZ indicering.

 

6.4.

De maatschappelijke bijdrage moet elk jaar worden geleverd.

Artikel 7. Mantelzorg

Het College van burgemeester en wethouders draagt geen maatschappelijke bijdrage op als een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College van burgemeester en wethouders redelijkerwijs noodzakelijk is.

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

8.1.

Het College van burgemeester en wethouders draagt geen maatschappelijke bijdrage op als er geen werkzaamheden voorhanden zijn die hiervoor kunnen worden ingezet.

 

8.2.

Als het College van burgemeester en wethouders geen maatschappelijke bijdrage opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het College van burgemeester en wethouders binnen zes maanden, of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als maatschappelijke bijdrage.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 9. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als:

 

"Verordening Maatschappelijke bijdrage".

Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Delfzijl

d.d. 22 december 2016

voorzitter

(G. Beukema)

griffier

(O. Rijkens)

Algemene toelichting

 

Het College van burgemeester en wethouders is bevoegd een klant te verplichten een maatschappelijke bijdrage te laten verrichten naar vermogen. Ook als dit niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling.

Een klant is vanaf de dag van melding, gehouden naar vermogen een maatschappelijke bijdrage te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Het betreft hier de plicht om naar vermogen door het College van burgemeester en wethouders opgedragen onbeloonde maatschappelijke werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid. Het betreft maatschappelijke werkzaamheden die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

 

Individuele omstandigheden

Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen prestatie. Hierbij moet het College van burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als het College van burgemeester en wethouders een maatschappelijke bijdrage vraagt van een klant, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voorde klant immers duidelijk zijn welke prestatie van hem verwacht wordt.

 

Geen bijdrage maatschappelijke bijdrage

Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het College van burgemeester en wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).

De plicht tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage is niet van toepassing op een klant die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot een maatschappelijke bijdrage is ook niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

 

Afstemmen

Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting, geldt voor het niet nakomen van een maatschappelijke bijdrage, dat de bijstandsuitkering kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.

 

Bevoegdheid opdragen maatschappelijke bijdrage.

De bevoegdheid van het College van burgemeester en wethouders om een klant te verplichten naar vermogen maatschappelijk nuttige arbeid te verrichten, geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de bijdrage maatschappelijk nuttige arbeid voor uitkeringsgerechtigden, een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving. Het is volgens de regering ook een manier om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).

 

Verrichten van een maatschappelijke bijdrage is geen re-integratie instrument

De plicht om een bijdrage te leveren, heeft tot doel om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving, voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van het verrichten van een maatschappelijke bijdrage, heeft niet primair tot doel de re-integratie van een klant te bevorderen. Het moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). Het verrichten van een maatschappelijke bijdrage is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Verder mag het verrichten van een maatschappelijke bijdrage, het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen, niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt: Werk boven uitkering.

 

Verordeningsplicht

De Wet maatregelen Wwb legt de verplichting op om bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een maatschappelijke bijdrage (tegenprestatie) aan mensen met een bijstandsuitkering. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan het College van burgemeester en wethouders om de duur, omvang en inhoud van een maatschappelijke bijdrage (tegenprestatie) te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).

 

Ontwikkelen beleid door het College van burgemeester en wethouders

Het College van burgemeester en wethouders heeft de opdracht om beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van maatschappelijk nuttige arbeid en het uitvoeren er van, overeenkomstig de verordening. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begrippen

 

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet algemene bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet, worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

 

Korte afstand tot de arbeidsmarkt

In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip 'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang, in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een maatschappelijke bijdrage.

 

Grote afstand tot de arbeidsmarkt

In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip 'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang, in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een maatschappelijke bijdrage.

 

Mantelzorg

In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van 'mantelzorg'. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, die niet wordt geboden in het kader van een hulpverlenend beroep. Daarbij dient er sprake van te zijn dat de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. En de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar wordt overstegen. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 7 van deze verordening bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders geen bijdrage maatschappelijk nuttige bijdrage opdraagt, als een klant mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het College van burgemeester en wethouders redelijkerwijs noodzakelijk is.

Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg', zoals neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning, volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn:

  • a.

    Er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de zorgverlener;

  • b.

    Mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;

  • c.

    Het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;

  • d.

    Het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.

 

Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C.

 

Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; het gaat hierbij om de term Gebruikelijke Zorg, zoals die ook gehanteerd wordt door het Centrum Indicatiestelling Zorg.

Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg verstaan wordt, kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: De normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning

 

Artikel 2. Doelgroep en doel

 

Onder de Participatiewet zijn de gemeenten verplicht een doelgroep te benoemen aan wie de verplichte maatschappelijke bijdrage naar vermogen wordt opgelegd. Klanten die niet vanuit eigen motivatie een bijdrage willen leveren, worden verplicht deel te nemen aan een door de gemeente georganiseerde maatschappelijke bijdrage.

Voor het ontwikkelen en de uitvoering van verplichte maatschappelijke activiteiten, komen geen extra middelen beschikbaar. Toch is het een extra wettelijke taak die kosten met zich meebrengt. Om de uitvoering- en ontwikkelkosten in toom te houden, is er voor gekozen om een afgebakende groep, namelijk personen van 18 tot 27 jaar, te verplichten tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage. Het primaire doel van de maatschappelijke bijdrage is dan het verbeteren van de participatiepositie van de jongere.

 

Artikel 3 Bevoegdheid

 

Dit artikel hoeft geen toelichting

 

Artikel 4. Inhoud van een maatschappelijke bijdrage

 

Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, duur en omvang van de aan een persoon op te leggen bijdrage. Hierbij moet het College van burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van maatschappelijk nuttige arbeid. Het College van burgemeester en wethouders dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een bijdrage. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van de klant, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat de klant ook in staat is de werkzaamheden te verrichten.

Als het College van burgemeester en wethouders een bijdrage vraagt van een klant, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor de klant immers duidelijk zijn welke prestatie van hem wordt verwacht.

 

Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden.

In artikel 4, eerste lid, van deze verordening is bepaald, dat de maatschappelijke bijdrage werkzaamheden zijn die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes, die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

 

Samenwerking met maatschappelijke organisaties:

Het College van burgemeester en wethouders kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden, samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen.

Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale, kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. Ook kan er voor worden gekozen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als maatschappelijk nuttige arbeid in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te zetten.

 

Maatschappelijk nuttige arbeid mag niet leiden tot verdringing

De maatschappelijke bijdrage mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De maatschappelijke bijdrage mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt. Het is dan ook niet bedoeld als re-integratie-instrument. Het betreft werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid. Ze mogen ook niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als maatschappelijke bijdrage worden ingezet.

De maatschappelijke bijdrage mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt 'werk boven uitkering', staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

 

Artikel 5. Het opdragen van een maatschappelijke bijdrage

 

Het College van burgemeester en wethouders heeft beleidsvrijheid om een maatschappelijke bijdrage op te leggen. Het College van burgemeester en wethouders bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke werkzaamheden worden opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van maatschappelijk nuttige arbeid kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).

In deze verordening is er voor gekozen dat het College van burgemeester en wethouders een maatschappelijke bijdrage in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een klant die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit veronderstelt dat aan klanten die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben, geen tegenprestatie wordt opgedragen. Tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen zich volledig richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, geen bijdrage maatschappelijk nuttige arbeid opgedragen. De bijdrage mag immers het accepteren van passende arbeid of de re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, werk boven uitkering is het uitgangspunt. Aan personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, kan het College van burgemeester en wethouders wel een maatschappelijke bijdrage opdragen.

 

Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt

Artikel 5, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders een klant met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, een maatschappelijke bijdrage kan opdragen, als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Bijvoorbeeld als geen re-integratieactiviteiten worden verricht door de klant en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte om een maatschappelijke bijdrage op te leggen.

 

Geen maatschappelijke bijdrage

Als daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het College van burgemeester en wethouders in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).

De verplichting tot het verrichten van een maatschappelijke bijdrage is niet van toepassing op een klant die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot een maatschappelijke bijdrage is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

 

Weigering maatschappelijke bijdrage

Het College van burgemeester en wethouders dient bij weigering van de klant om een maatschappelijke bijdrage te verrichten, op basis van het individuele, geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).

 

Factoren opdragen maatschappelijke bijdrage

In artikel 5, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren het College van burgemeester en wethouders rekening moet houden bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage. Deze factoren worden hierna toegelicht:

 

Maatschappelijke bijdrage 'naar vermogen'

De werkzaamheden die als maatschappelijke bijdrage worden ingezet, moeten naar vermogen door een klant verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een klant beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijke werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

 

Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden

Bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage, houdt het College van burgemeester en wethouders rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een klant. Daaronder vallen bijvoorbeeld leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij wordt rekening gehouden met diens fysieke en psychische vermogen. Bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage dient het College van burgemeester en wethouders maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een maatschappelijke bijdrage, rekening gehouden met praktische omstandigheden. Dan gaat het om reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of de klant al maatschappelijke activiteiten verricht.

 

Persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende.

Bij het opdragen van de verplichting tot een maatschappelijke bijdrage, houdt het College van burgemeester en wethouders rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een klant. De regering vindt het immers belangrijk dat een klant invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). De klant kan zelf ideeën aandragen voor de als maatschappelijke bijdrage te verrichten werkzaamheden. Het College van burgemeester en wethouders beoordeelt deze zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van de klant over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als maatschappelijke bijdrage. Uiteraard moeten die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 4 van deze verordening en moeten die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het College van burgemeester en wethouders is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een klant, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt de klant geen ideeën aan, dan maakt het College van burgemeester en wethouders zelf een keuze uit de maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als de klant geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het College van burgemeester en wethouders in samenspraak met de klant, een geschikte werkzaamheid op. Het is immers aan het College van burgemeester en wethouders, en niet aan een klant, een maatschappelijke bijdrage op te dragen aan de klant.

 

Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende

Het College van burgemeester en wethouders houdt er bij het opdragen van de plicht tot een maatschappelijke bijdrage rekening met het eventuele gegeven dat een klant al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Als een klant al met toestemming van het College van burgemeester en wethouders een maatschappelijke activiteit verricht, kan het College van burgemeester en wethouders deze maatschappelijke activiteit ook aanmerken als maatschappelijke bijdrage. Ook kan de omstandigheid dat een klant maatschappelijke activiteiten verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de maatschappelijke bijdrage. Met name bij de duur en de omvang van de bijdrage. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: De zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het College van burgemeester en wethouders beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.

Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het College van burgemeester en wethouders zal ook vrijwilligerswerk van een aantal uren per week aanmerken als een maatschappelijke bijdrage. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de minimale en maximale duur van de maatschappelijke bijdrage, zoals neergelegd in artikel 6 van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen.

 

Artikel 6. Duur en omvang van een tegenprestatie

 

Het College van burgemeester en wethouders bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde maatschappelijke werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen maatschappelijke bijdrage. Hierbij moet het College van burgemeester en wethouders de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 6 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie.

 

Individuele omstandigheden

Het College van burgemeester en wethouders beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een klant, de omvang en de duur van de maatschappelijke bijdrage. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het College van burgemeester en wethouders steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een maatschappelijke bijdrage verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30).

 

Duur en omvang maatschappelijke bijdrage

Artikel 6, eerste lid, regelt dat de maatschappelijke bijdrage wordt ingezet voor een maximale duur.

Artikel 6, tweede lid, regelt maatschappelijke bijdrage die wordt ingezet voor alleenstaande ouders met kinderen onder de 5 jaar.

 

Uvw-smz

De bepaling van het aantal uren naar vermogen, wordt vastgesteld op grond van een indicering van Uwv-smz

 

Artikel 7. Mantelzorg

 

Artikel 7 van de verordening bepaalt dat geen maatschappelijke bijdrage wordt opgedragen als een klant mantelzorg verricht en het College van burgemeester en wethouders het verrichten hiervan redelijkerwijs noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).

Of sprake is van mantelzorg, wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg, zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een klant mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het College van burgemeester en wethouders redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het College van burgemeester en wethouders een klant geen maatschappelijke bijdrage op (artikel 7 van deze verordening).

 

Artikel 8. Geen werkzaamheden voorhanden

 

Artikel 8, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen maatschappelijke bijdrage wordt opgedragen als er geen maatschappelijke werkzaamheden voorhanden zijn binnen de eigen gemeentegrenzen. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een maatschappelijke bijdrage te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). Besluit het College van burgemeester en wethouders geen maatschappelijke bijdrage op te leggen, omdat binnen de eigen gemeentegrenzen geen maatschappelijke werkzaamheden voorhanden zijn, dan wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd. Dan wordt beoordeeld of op dat moment wel maatschappelijke werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 8, tweede lid, van deze verordening.

 

Artikel 9. Inwerkingtreding 

 

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

 

Artikel 10. Citeertitel

 

In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.