Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Den Helder

Subsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDen Helder
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingSubsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019
CiteertitelSubsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpVaststelling subidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019
Externe bijlageToelichting Subsidieregeling

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2019

15-10-2018

gmb-2018-279474

RB18.0077

Tekst van de regeling

Intitulé

Subsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019

 

De raad van de gemeente Den Helder;

 

Gelezen het raadsvoorstel nummer RVO18.0090 van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 31 juli 2018;

 

Gelet op de Algemene subsidieverordening 2013 van Den Helder;

 

Kennis genomen hebbende van de voorbereidende commissievergadering Maatschappelijke Ontwikkeling op 1 oktober 2018;

 

Besluit:

  • 1.

    In te trekken met ingang van de datum van in werking treden van het besluit onder 2, de Deelsubsidieverordening Voorschoolse Voorzieningen, vastgesteld op 1 juli 2013;

  • 2.

    Vast te stellen de navolgende Subsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Aanbieder: degene die een geregistreerd kindercentrum met of zonder voorschoolse educatie exploiteert;

  • Algemene subsidieverordening: Algemene subsidieverordening 2013 van Den Helder;

  • Boekjaar: kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder;

  • Doelgroepkind: kind met een indicatie van (risico op) een taalachterstand afgegeven door de jeugdgezondheidszorg, dat daardoor in aanmerking komt om met voorrang toegelaten te worden tot een voorschoolse voorziening met een aanbod van voorschoolse educatie;

  • Geregistreerd kindercentrum: een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven kindercentrum;

  • Houder: degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum exploiteert;

  • Kinderopvangtoeslag: inkomensafhankelijke bijdrage van de rijksoverheid in de kosten van kinderopvang die onder de Wet kinderopvang valt en wordt uitbetaald door de belastingdienst;

  • Ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft;

  • Ouderbijdrage: het bedrag dat de ouder als vaste eigen bijdrage verschuldigd is voor peuter- of kinderopvang;

  • Peildatum: 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar;

  • Peuter- en kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;

  • Toesingsinkomen: bruto jaarinkomen van ouders tezamen;

  • Uurtarief: het tarief dat door aanbieders in rekening wordt gebracht voor een uur peuter- pf kinderopvang;

  • Voorschoolse educatie: uitvoering van een programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut en dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen vanaf de leeftijd van 2,5 jaar die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en dat wordt aangeboden tijdens de peuter- of kinderopvang;

  • Voorschoolse voorziening: het geheel van menskracht, middelen en gebouwen om peuter- en kinderopvang te kunnen realiseren.

Artikel 2. De reikwijdte

Deze regeling is van toepassing op de verlening van subsidies in de kosten van activiteiten die voortvloeien uit de gemeentelijke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden op het terrein van voorschoolse educatie en peuteropvang.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

Subsidie in de vorm van een gemeentelijke toeslag wordt uitsluitend verleend voor opvang in een geregistreerd kindercentrum met of zonder voorschoolse educatie, voor zover de opvang per kind een omvang heeft van ten minste zes uur per week verdeeld over twee dagdelen gedurende ten minste 20 aaneen gesloten weken of van ten minste 120 uren.

Artikel 4. Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verleend ten behoeve van ouders van in Den Helder wonende of verblijvende kinderen die een kindplaats bezetten in een geregistreerd kindercentrum dat gevestigd is in Den Helder en die geen of, als gevolg van deeltijdarbeid, een beperkt aanspraak hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 5. Omvang en looptijd subsidie

  • 1.

    De omvang van de gemeente toeslag is afhankelijk van de hoogte van het toetsingsinkomen, van het aantal uren dat een kindplaats wordt bezet en, indien van toepassing, van de omvang van de beperkte kinderopvangtoeslag.

  • 2.

    In de berekening van de gemeentelijke toeslag wordt niet meer dan 16 uur feitelijke bezetting per week betrokken.

  • 3.

    In de berekening van de gemeentelijke toeslag wordt het uurtarief tot het conform artikel 7 vastgestelde maximum betrokken.

  • 4.

    Het met inachtneming van lid 3 te betrekken uurtarief voor de betreffende opvang minus de ouderbijdrage, zoals die wordt vastgesteld door toepassing van de VNG-adviestabel voor het betreffende boekjaar, is de grondslag voor de berekening van de onder lid 1 bedoelde gemeentelijke toeslag.

  • 5.

    De onder lid 4 berekende grondslag wordt vermenigvuldigd met het aantal uren feitelijke bezetting. De uitkomst is gelijk aan de gemeentelijke toeslag voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag.

  • 6.

    De gemeentelijke toeslag voor ouders met een beperkte aanspraak op kinderopvangtoeslag wordt berekend door deze beperkte aanspraak in mindering te brengen op de volgens lid 5 berekende gemeentelijke toeslag die deze ouders zouden ontvangen indien er geen aanspraak zou bestaan op kinderopvangtoeslag.

  • 7.

    In de fictieve berekening van de gemeentelijke toeslag zoals bedoeld in lid 6 wordt de verschuldigde eigen bijdrage berekend op basis van het toetsingsinkomen van de ouder met de meeste arbeidscontracturen.

  • 8.

    De gemeentelijke toeslag wordt in de vorm van subsidie verleend voor de duur van het verblijf van het kind in het kindercentrum in het betreffende boekjaar.

  • 9.

    De verleende subsidie wordt zo nodig gemaximeerd op het bedrag van de feitelijke kosten van de opvang in een geregistreerd kindercentrum.

  • 10.

    Het college kan de juiste werking van de bepalingen van dit artikel in samenhang met de bepalingen van artikel 7 borgen door in afwijking ervan nadere regels te stellen. De werking en de vast te stellen nadere regels worden door het college besproken met de houder. De gemeenteraad wordt over de vaststelling van de nadere regels en het hierover gevoerde overleg met de houder geïnformeerd.

Artikel 6. Aanvraag tot subsidieverlening

  • 1.

    De subsidie wordt vóór 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar aangevraagd door de houder.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend op basis van de bezetting van de kindplaatsen op de peildatum, onderverdeeld naar soort uurtarief, en de in het boekjaar te verwachten inkomsten uit ouderbijdrage.

  • 3.

    Voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het daartoe door het college vastgestelde formulier.

Artikel 7. Uurtarief

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks het uurtarief vast dat ten hoogste wordt betrokken in de berekening van de omvang van de gemeentelijke toeslag.

  • 2.

    Bij deze vaststelling maakt het college onderscheid tussen peuter- en kinderopvang met en zonder voorschoolse educatie.

  • 3.

    Het college houdt rekening met de uurtarieven van de aanbieders en hanteert de uurtarieven zoals die worden vastgesteld door de landelijke overheid als ondergrens.

  • 4.

    Het uurtarief voor kinderopvang zonder voorschoolse educatie is gelijk aan het door de landelijke overheid vastgestelde maximum uurtarief dat gehanteerd wordt bij de berekening van de kinderopvangtoeslag.

  • 5.

    Het uurtarief voor peuteropvang is 52/40e deel van het uurtarief voor kinderopvang.

Artikel 8. Beslistermijn, beschikking en betaling

  • 1.

    Het college beslist op de aanvraag tot subsidieverlening vóór 1 december van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar.

  • 2.

    Op aanvraag van de houder kan het college de beschikking vanaf de 8e maand na de afgiftedatum aanpassen als gevolg van een wijziging in de bezetting van de kindplaatsen.

  • 3.

    De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de relevante gegevens waarop de berekening van de subsidiehoogte berust en vermeldt de wijze waarop de verleende subsidie tot uitbetaling komt.

  • 4.

    Uitbetaling van de subsidie geschiedt aan de aanvrager.

Artikel 9. Aanvullende verplichtingen

De houder verleent de doelgroepkinderen voorrang bij de plaatsing in de peuter- of kinderopvanglocatie boven niet-doelgroepkinderen.

Artikel 10. Verantwoording en vaststelling

  • 1.

    Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt door de houder ingediend voor 1 april van het jaar dat volgt op het boekjaar. De houder draagt er zorg voor dat over dat boekjaar de volgende informatie beschikbaar, bereikbaar en voor het college toegankelijk is:

    • a.

      Het contract tussen aanbieder en ouder(s) waarin ten minste is opgenomen:

      • i.

        Actuele toetsingsinkomen;

      • ii.

        De duur van de plaatsing van het kind in weken;

      • iii.

        De omvang van de plaatsing in uren per week;

      • iv.

        Het voor de plaatsing geldende uurtarief van het kindercentrum.

    • b.

      Een verklaring van de ouder omtrent de woon- of verblijfplaats van het geplaatste kind;

    • c.

      Een onderbouwde verklaring van de ouder dat geen of een beperkte aanspraak gemaakt kan worden op de kinderopvangtoeslag;

    • d.

      Indien beschikbaar het indicatiedocument waaruit blijkt dat het kind een doelgroepkind is;

    • e.

      Gerealiseerde bezetting van de kindplaatsen per soort uurtarief.

  • 2.

    Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt die nodig zijn om tot subsidievaststelling te kunnen komen, waaronder een overzicht van de gerealiseerde bezetting van de kindplaatsen per soort uurtarief en de ontvangen ouderbijdragen gedurende het boekjaar.

  • 3.

    De vastgestelde subsidieaanspraak over het boekjaar is niet lager dan 90% van de naar verhouding van de gerealiseerde bezetting en het voor die bezetting geldende uurtarief vergelijkbare aanspraak in het voorafgaande boekjaar.

Artikel 11. Discretionaire bevoegdheid en hardheidsclausule

  • 1.

    Het college beslist in gevallen waarin de bepalingen van deze regeling niet voorzien.

  • 2.

    Het college kan afwijken van de bepalingen in deze regeling indien de strikte naleving daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 12. Overgangsrecht

De Deelsubsidieverordening Voorschoolse Voorzieningen zoals die werd vastgesteld op 1 juli 2013 blijft van kracht voor subsidies die op basis van die verordening zijn aangevraagd en verleend.

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling voorschoolse voorzieningen 2019.

 

Aldus besloten in de raadsvergadering van 15 oktober 2018.

Voorzitter

Koen Schuiling

Griffier

Mr.drs. M. Huisman