Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Nadere regels uitvoering WSW Deurne 2011

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNadere regels uitvoering WSW Deurne 2011
CiteertitelNadere regels uitvoering WSW Deurne 2011
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Verordening volgorde plaatsing wachtlijst Deurne 2008, art. 5, lid 1

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

03-06-2011nieuwe regeling

24-05-2011

Weekblad voor Deurne, 02-06-2011

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Nadere regels uitvoering WSW Deurne 2011

Het college van burgemeester en wethouders van Deurne,

 

gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Verordening volgorde plaatsing wachtlijst Deurne 2008,

 

BESLUIT

 

vast te stellen de 'Nadere regels uitvoering WSW Deurne 2011'

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: Wet sociale werkvoorziening (WSW);

  • b.

    verordening: Verordening volgorde plaatsing wachtlijst Deurne 2008;

  • c.

    geïndiceerde: de natuurlijke persoon die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1, onder vijf van de verordening;

  • d.

    jongere: de natuurlijke persoon die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 3, lid 2, sub b, van de verordening;

  • e.

    uitvoerder: de instantie die in opdracht van de gemeenteraad de WSW namens de gemeente Deurne uitvoert;

  • f.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werkloze werknemers;

  • g.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • h.

    WWB: Wet werk en bijstand;

  • i.

    WIJ: Wet investeren in jongeren.

Artikel 1:2 Doelstelling regeling

Met deze regeling wordt beoogd:

  • a.

    In Hoofdstuk 2 aanvullende normen en nadere regels te stellen die dienen om bij bijzondere omstandigheden van een individuele geïndiceerde op de wachtlijst, bij wijze van uitzondering, in positieve zin af te wijken van de plaatsingsvolgorde, zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de verordening (met voorrang plaatsen in de WSW) en

  • b.

    In Hoofdstuk 3 aanvullende normen en nadere regels te stellen die dienen om bij bijzondere omstandigheden van een individuele geïndiceerde op de wachtlijst, bij wijze van uitzondering, in negatieve zin af te wijken van de plaatsingsvolgorde, zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de verordening (het tijdelijk niet plaatsen op de wachtlijst).

Hoofdstuk 2 Met voorrang plaatsen in de WSW

Artikel 2:1 Eisen

Voor toepassing van artikel 1:2, onder a, komen in aanmerking:

  • a.

    De geïndiceerde die een uitkering ontvangt op grond van de WWB, IOAW of IOAZ en waarvan het college van oordeel is dat plaatsing gewenst is als vervolg op deelname aan een door van gemeentewege aangeboden re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b, van de WWB.

  • b.

    De geïndiceerde schoolverlater die geen WWB-uitkering ontvangt en waarvan het college van oordeel is dat deze is aangewezen op plaatsing in een (beschutte) werkomgeving als bedoeld in de wet.

  • c.

    De geïndiceerde jongere waarvan het college van oordeel is dat deze een aanbod moet worden gedaan in het kader van de WIJ.

Artikel 2:2 Verzoek plaatsen met voorrang

  • 1.

    Alvorens het college een in artikel 3, zesde lid van de verordening bedoeld besluit neemt, dient:

    • a.

      voorzover het verzoek door de uitvoerder wordt ingediend, laatstgenoemde een schriftelijk verzoek bij het college in te dienen. Een verzoekschrift dient in ieder geval vergezeld te gaan van een rapportage waarin gemotiveerd is aangegeven waarom geïndiceerde met voorrang zou moeten worden geplaatst;

    • b.

      voorzover het verzoek rechtstreeks bij het college wordt ingediend, de geïndiceerde een met redenen omkleed verzoekschrift in te dienen.

  • 2.

    Een ingekomen verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid onder b wordt door of namens het college voorgelegd aan de uitvoerder. De uitvoerder beoordeelt het verzoekschrift en adviseert aansluitend het college aan de hand van een rapportage.

  • 3.

    Het college stelt de geïndiceerde schriftelijk in kennis van het feit dat zijn verzoekschrift ter advisering is doorgestuurd naar de uitvoerder.

Artikel 2:3 Besluit omtrent met voorrang plaatsen in WSW

  • 1.

    Het college beslist binnen 6 weken na datum van ontvangst van het advies van de uitvoerder op het verzoek.

  • 2.

    Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 6 weken verdagen.

  • 3.

    Het college maakt het besluit bekend aan zowel de geïndiceerde als aan de uitvoerder.

Artikel 2:4 Weigeringsgronden voorrang plaatsen in WSW

Het college kan een verzoek weigeren voorzover:

  • a.

    niet wordt voldaan aan de eisen (voorzover van toepassing) als bedoeld in artikel 2:1;

  • b.

    de uitvoerder een negatief advies heeft uitgebracht en dat advies - ter beoordeling van het college - deugdelijk voorkomt of

  • c.

    geen dringende reden aanwezig wordt geacht.

Artikel 2:5 Ingangsdatum afwijking plaatsingsvolgorde

  • 1.

    Het in afwijking van de plaatsingsvolgorde plaatsen vanaf de wachtlijst vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie kalendermaanden, plaats na de schriftelijke bekendmaking als bedoeld in artikel 2:3, derde lid of per genoemde datum als vermeld in de beschikking.

  • 2.

    Indien de uitvoerder een andere uitvoerder is dan de uitvoerder die het wachtlijstbeheer uitvoert, wordt ook die uitvoerder schriftelijk in kennis gesteld van het besluit.

Artikel 2:6 Het bepalen van te plaatsen cliënten

  • 1.

    De wachtlijst als bedoeld in artikel 2 van de verordening wordt twee maal per enig jaar ‘bevroren’, te weten per 31 januari en per 31 juli. Op dat moment wordt bepaald welke geïndiceerde in welke categorie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening valt en in de daarop volgende zes kalendermaanden voor plaatsing in aanmerking komt, gelet op de plaatsingsmogelijkheden in relatie met de opgelegde taakstelling.

  • 2.

    De in het eerste lid bepaalde groepen geïndiceerden kunnen door de uitvoerder willekeurig door elkaar geplaatst worden met dien verstande dat zij binnen zes kalendermaanden, zoals bedoeld in het eerste lid, daadwerkelijk een aanbod tot arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van de wet krijgen.

  • 3.

    In afwijking van artikel 3, tweede lid, van de verordening, genieten geïndiceerden die door beëindiging van een dienstverband als bedoeld in artikel 7 van de wet weer op de wachtlijst geplaatst worden, voorrang voor nieuwe plaatsing op volgorde van datum terugkeer op die wachtlijst.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is de geïndiceerde als bedoeld in het derde lid niet gebonden aan de twee data waarop de wachtlijst bevroren wordt en komt de geïndiceerde direct in aanmerking voor plaatsing, gelet op de plaatsingsmogelijkheden in relatie met de opgelegde taakstelling.

Hoofdstuk 3 Tijdelijk niet plaatsen op wachtlijst

Artikel 3:1 Aanleiding tijdelijk niet plaatsen

  • 1.

    In afwijking van het gestelde i artikel 2.6 kan het college tot het tijdelijk niet plaatsen op de wachtlijst besluiten voor zover de geïndiceerde naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Wsw, niet of onvoldoende nakomt en als gevolg daarvan ontslagen is of bij beëindiging van rechtswege, dan wel zich tegenover het college of haar vertegenwoordigers of tegenover de uitvoerder of haar medewerkers ernstig heeft misdragen.

  • 2.

    De periode voor het tijdelijk niet plaatsen wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de geïndiceerde.

  • 3.

    Het tijdelijk niet plaatsen heeft geen effect voor de plaats van de geïndiceerde op de wachtlijst.

Artikel 3:2 Verzoek tot tijdelijk niet plaatsen

  • 1.

    Alvorens een besluit tot tijdelijk niet plaatsen op de wachtlijst wordt genomen, wordt door de uitvoerder een met redenen omkleed schriftelijk verzoek bij het college ingediend.

  • 2.

    Bij het verzoekschrift als bedoeld in het vorige lid dient de uitvoerder de volgende stukken bij te voegen:

    • a.

      een dossierverslag waarin in tijdsvolgorde, gedurende 18 maanden, is aangegeven welke voorvallen er zijn geweest die hebben geleid tot het verzoek om tijdelijk niet te plaatsen;

    • b.

      een dossierverslag waarin in tijdsvolgorde, gedurende 18 maanden, is aangegeven welke maatregelen door de uitvoerder zijn getroffen om ontslag te voorkomen;

    • c.

      een door de geïndiceerde meeondertekent gespreksverslag waarin de geïndiceerde in de gelegenheid gesteld is zijn zienswijze naar voren te brengen. In het gespreksverslag komt in ieder geval tot uitdrukking of geïndiceerde nog wenst te worden gehoord door het college.

Artikel 3:3 Besluit tot tijdelijk niet plaatsen

  • 1.

    Het college beslist binnen 6 weken nadat het verzoek als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, is ingediend.

  • 2.

    Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 6 weken verdagen.

  • 3.

    In het besluit tot het tijdelijk niet plaatsen worden in ieder geval vermeld; de reden van het tijdelijk niet plaatsen, de duur van het tijdelijk niet plaatsen en, voorzover van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardperiode.

  • 4.

    Het college maakt het besluit per beschikking bekend aan zowel de geïndiceerde die tijdelijk niet geplaatst wordt als aan de uitvoerder.

Artikel 3:4 Afzien van een periode tot niet plaatsen op wachtlijst

Het college ziet af van een periode tot niet plaatsen op de wachtlijst voorzover:

  • a.

    daartoe geen aanleiding bestaat als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid.;

  • b.

    het verzoekschrift als bedoeld in artikel 3:2, naar het oordeel van het college, onvoldoende is gemotiveerd of een voor geïndiceerde negatief besluit onvoldoende rechtvaardigen of

  • c.

    zij tot de conclusie komt dat er geen dringende reden aanwezig wordt geacht.

Artikel 3:5 Ingangsdatum

  • 1.

    De periode van niet plaatsen op de wachtlijst vangt aan met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het tijdelijk niet plaatsen aan de geïndiceerde is bekend gemaakt of per genoemde datum als vermeld in de beschikking.

  • 2.

    Gedurende de periode gelegen tussen het verzoek en de bekendmaking van het besluit als bedoeld in artikel 3:3, vierde lid, wordt de geïndiceerde niet geplaatst.

Artikel 3:6 Duur van het tijdelijk niet plaatsen

  • 1.

    De duur van het tijdelijk niet plaatsen op de wachtlijst als bedoeld in artikel 3:1 omvat een aaneengesloten periode van 6 maanden.

  • 2.

    De periode als bedoeld in het eerste lid kan worden verdubbeld, indien de geïndiceerde zich binnen 12 maanden na bekendmaking van het besluit als bedoeld in artikel 3:3, opnieuw in de omstandigheid komt te verkeren als geschetst in artikel 3:1.

Hoofdstuk 4 Slotbepaling

Artikel 4:1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 24 mei 2011,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

Bekend gemaakt op:

01 juni 2011

Toelichting

De wet wijst het beheer van de wachtlijst expliciet toe aan het college. Dit betekent overigens niet dat de gemeente dat zelf moet uitvoeren. Zij kan deze taak mandateren aan derde partijen. In de visienota Werk aan de (Wsw)winkel is er voor gekozen het wachtlijstbeheer te laten uitvoeren door de Gemeenschappelijke Regeling Atlant Groep.

 

Door de Raad is de Verordening volgorde plaatsing wachtlijst Deurne 2008 vastgesteld. De verordening kent een zogenaamde hardheidsclausule, art. 3 lid 6 van de verordening, dat de mogelijkheid biedt om Wsw-geïndiceerden bij bijzondere omstandigheden in afwijking van de wachtlijst te plaatsen. Het met voorrang plaatsen is geen bevoegdheid van de Atlant Groep, maar is in de verordening voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders. Atlant Groep adviseert (met onderbouwing), in haar rol als uitvoerder van de Wsw, om personen met voorrang te plaatsen.

 

In de uitvoeringspraktijk blijkt dat het gewenst is nadere regels te stellen om precedentwerking te voorkomen en om een meer evenwichtige en een zorgvuldige afweging te laten plaatsvinden wanneer met voorrang Wsw-geïndiceerden geplaatst worden in de Wsw.

 

De wetgever reikt geen formeel instrumentarium aan voor de situatie waarbij Wsw-geïndiceerden die werkzaam zijn via een (reguliere) arbeidsovereenkomst, zich verwijtbaar gedragen en deze verwijtbare gedraging leidt tot ontslag.

Voordat tot ontslag wordt overgegaan zijn in de praktijk echter al tal van activiteiten geprobeerd, waaronder eventuele persoonlijke begeleiding, scholing omgangsvormen e.d. maar die niet hebben geleid tot het gewenste resultaat om als werknemer met omgangsvormen die van de geïndiceerde verwacht mogen worden, te functioneren.

 

De regelgeving met betrekking tot de wet sociale werkvoorziening gaat er van uit dat iemand die ontslagen wordt, weer terugkeert op zijn oude plaats op de wachtlijst voordat hij geplaatst werd. Dit leidt in de uitvoeringspraktijk tot de situatie dat deze geïndiceerde onmiddellijk opnieuw geplaatst moet worden.

 

Dit wordt als onredelijk ervaren c.q. een beloning voor verwijtbaar gedrag.

 

Reden dat middels uitvoeringsregels nadere regels getroffen worden om geïndiceerden tijdelijk niet te plaatsen op grond van de Wsw. Dat betekent dat geïndiceerden gedurende de periode van niet plaatsen in het kader van de Wsw een (WW) uitkering dienen aan te vragen.

Het is vervolgens aan de uitvoerder die de betreffende regeling voor levensonderhoud uitvoert, in hoeverre dit consequenties moet hebben voor de uitkering die de geïndiceerde aanvraagt.

 

Er wordt ten aanzien van plaatsing en begeleiding van de Wsw-geïndiceerde een grote mate van maatwerk voorgestaan. Per individuele aanvraag wordt bezien wat passende, reële arbeidsmarktperspectieven en –mogelijkheden zijn en op welke arbeidsplek de geïndiceerde geplaatst kan worden.

 

Van de geïndiceerde mag gevraagd worden dat hij al het mogelijke doet om de hem opgedragen werkzaamheden, zoals een goed werknemer betaamt, naar behoren te verrichten. Verder mag van de geïndiceerde verwacht worden dat daarbij de algemeen geaccepteerde omgangsvormen gehanteerd worden.

 

De Wsw is een vrijwillige regeling op vrijwillige basis. De vraag kan opgeworpen worden wat het resultaat is van deze uitvoeringsregels en hoe deze ervaren worden in de uitvoering. Is het een beloning of een straf? Voor een categorie van mensen kan dit betekenen dat niet gewenst gedrag voor hun gevoel wordt beloond, omdat zij gedurende een periode niet hoeven te werken. Daarop kan echter worden tegengeworpen dat bij aanvraag van een uitkering dit tot uitdrukking komt in de toekenning met toepassing van de maatregelenverordening (verwijtbaar gedrag). Verder is het zo dat de Wsw wel vrijwillig is, maar als men daar gebruik van maakt niet vrijblijvend.

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

 

Artikel 1:1

Dit artikel bevat de verschillende definities.

Artikel 1:2

Dit artikel bepaald de doelstelling van de nadere regels.

Hoofdstuk 2 Met voorrang plaatsen in de Wsw

Artikel 2:1

Dit artikel geeft de categorieën weer wanneer sprake is van het met voorrang plaatsen van Wsw-geïndiceerden in de Wsw. Uiteraard moet er wel sprake zijn van plaatsingsmogelijkheden met financiering vanuit de bestaande, door het Rijk aan de gemeente, ter beschikking gestelde middelen voor uitvoering van de Wsw. Als daar onvoldoende middelen voor beschikbaar zijn, kan eerst weer plaatsing plaats vinden, indien voldoende middelen beschikbaar zijn.

In artikel 6 lid 1 sub Wwb wordt arbeidsinschakeling geregeld en er wordt onder verstaan: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a Wwb.

In artikel 7 eerste lid, onderdeel a Wwb wordt geregeld dat het college verantwoordelijk is voor:

  • a.

    het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening, en;

  • b.

    het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

     

Artikel 2:2

Door de gemeenten is de uitvoering van de Wsw opgedragen aan een uitvoerder. De uitvoerder van de Wsw is, op grond van haar expertise, de instantie die de beoordeling van de cliëntsituatie, achtergrond en plaatsingsmogelijkheden op zich neemt.

 

Het college (in de uitvoering zal dat de beleidsmedewerker belast met Wsw in die gemeente zijn) stelt de geïndiceerde schriftelijk in kennis dat het verzoek ter advisering is doorgestuurd naar de uitvoerder van de Wsw.

 

Artikel 2:3

Dit artikel geeft de termijnen weer waarin de besluitvorming moet plaats vinden en de wijze waarop. Uitdrukkelijk is bedoeld dat het college binnen 6 weken na ontvangst van het advies van de uitvoerder moet beslissen. De adviesperiode voor de uitvoerder valt buiten de periode van 6 weken. Hier is vooralsnog geen termijn aan gesteld omdat onduidelijk is of er door de uitvoerder een advies bij een derde ingewonnen moet worden, wat van invloed is op de adviesperiode van de uitvoerder.

 

Artikel 2:4

Het college kan besluiten een Wsw-geïndiceerde niet te plaatsen. Het college deelt het besluit, dat het afziet van plaatsen met voorrang, schriftelijk mee aan de uitvoerder.

Artikel 2:5

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

Artikel 2:6

Doel van dit artikel is dat er veel minder verschuivingen op de wachtlijst plaatsvinden, waardoor de geïndiceerden op wachtlijst niet het gevoel hebben alleen maar naar achteren te schuiven. Daarmee wordt tevens veel extra administratieve handelingen voorkomen.

 

De in een groep geplaatste Wsw-geïndiceerden die voor plaatsing in aanmerking komen hoeven niet volgens het fifo systeem geplaatst te worden, maar volgens het uitgangspunt dat als binnen de doelgroep bijvoorbeeld 10 mensen geplaatst kunnen worden eerst nummer 10 geplaatst kan worden en dan pas nummer 1. De uitvoerder heeft echter wel de plicht dat alle potentiële te plaatsen Wsw-geïndiceerden binnen die gemarkeerde groep voor dat jaar uiterlijk per 31 december van dat jaar geplaatst worden.

 

Wanneer van een cliënt Wsw het Wsw-dienstverband of de plaatsing begeleid werken eindigt, waarbij de cliënt Wsw terugkeert naar de wachtlijst is de doelstelling om deze cliënt zo snel mogelijk weer geplaatst te krijgen in de Wsw. De wachtlijstverordening mag hier geen belemmering in zijn, zodat plaatsing direct na terugkeer op de wachtlijst niet alleen mogelijk is, maar ook nagestreefd dient te worden.

 

Hoofdstuk 3 Tijdelijk niet plaatsen op wachtlijst

Artikel 3:1

Dit artikel geeft de aanleiding en de wijze van benaderen van het niet plaatsen in het kader van de Wsw van de geïndiceerde.

 

Artikel 3:2

Het tijdelijk niet plaatsen in de Wsw vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel staat wat in ieder geval in het besluit moet worden vermeld.

Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb).

Artikel 3:3

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting

 

Artikel 3:4

Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een periode van niet plaatsen wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.

Artikel 3:5

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting

Artikel 3:6

Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een eerdere periode van niet plaatsen is opgelegd, sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel.

 

Hoofdstuk 4 Slotbepaling

 

Artikel 4:1

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.