Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Richtlijnen Bijstand

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRichtlijnen Bijstand
CiteertitelRichtlijnen Bijstand
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt alle eerder vastgestelde richtlijnen met betrekking tot dit onderwerp.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet werk en bijstand, art. 41, lid 4
  2. Wet werk en bijstand, art. 41, lid 5
  3. Wet werk en bijstand, art. 41, lid 6
  4. Wet werk en bijstand, art. 17, lid 1
  5. Wet werk en bijstand, art. 31. lid 2
  6. Wet werk en bijstand, art. 25
  7. Wet werk en bijstand, art. 26
  8. Wet werk en bijstand, art. 33, lid 4
  9. Wet werk en bijstand, art. 19, lid 1
  10. Wet werk en bijstand, art. 34
  11. Wet werk en bijstand, art. 34, lid 1
  12. Wet werk en bijstand, 31, lid 1
  13. Wet werk en bijstand, art. 32, lid 1
  14. Wet werk en bijstand, art. 33, lid 1
  15. Wet werk en bijstand, art. 27
  16. Wet werk en bijstand, art. 34, lid 2
  17. Wet werk en bijstand, art. 9
  18. Wet werk en bijstand, art. 9a
  19. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 37
  20. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 37a
  21. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 38
  22. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 37a
  23. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 38
  24. Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, art. 30c, lid 3
  25. Wet werk en bijstand, art. 53a, lid 1
  26. Wet werk en bijstand, art. 17, lid 3
  27. Wet werk en bijstand, art, 8, lid 1
  28. Wet werk en bijstand, art. 18, lid 2
  29. Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude
  30. Wet werk en bijstand, art. 28
  31. Wet werk en bijstand, art. 25, lid 1
  32. Wet werk en bijstand, art. 30
  33. Wet werk en bijstand, art. 29
  34. Wet werk en bijstand, art. 4
  35. Wet werk en bijstand, artikel 53a, lid 9

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-11-201201-07-2012nieuwe regeling

06-11-2012

Digitaal Gemeenteblad nr. 03, 08-11-2012

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Richtlijnen Bijstand

 

 

Richtlijnen Bijstand
Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 2 – Aanvraag

B164 - Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar

Hoofdstuk 3 – Recht op bijstand

B016 - Meldingsplicht studie

B017 - Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland

Hoofdstuk 4 – Middelentoets

B147 - Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating

B018 - Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers

B149 – Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

B019 - Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

B022 - Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

B023 - Beleid inzake korten voorlopige teruggave

B026 - Ex-partner betaalt woonkosten

B027 - Waarde auto bij vermogensvaststelling

Hoofdstuk 5 – Verplichtingen en afstemming

B030 - Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht

B031 - Betekenis “onverwijld uit eigen beweging” in artikel 17 lid 1 WWB

B032 - Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken

B033 - Periode over te leggen bankafschriften

B136 - ROF of Mutatieformulier

B035 - Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF / inkomstenverklaring

B041 - Personen zonder geldig identiteitsbewijs

B043 - Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging

B150 - Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag

B044 - Overzicht hoogte verlagingen

B046 - Recidive

B047 - Waarschuwing i.p.v. verlaging

B048 - Ingangsdatum verlaging

B157 - Afspraken met OM bij fraudebedrag onder € 10.000,00

Hoofdstuk 6 – Algemene bijstand

B144 - Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar

B050 - Toeslagen algemene bijstand voor personen van 27 tot 65 jaar

B051 - Verlaging algemene bijstand gezin

B052 - Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten

B053 - Verlaging algemene bijstand schoolverlaters

B054 - Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar

B055 - Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand

B056 - Ingangsdatum normwijziging bij kind dat 18 jaar wordt

Hoofdstuk 12 - Onderzoeken

B127 - Frequentie heronderzoeken

B128 - Procedure heronderzoeken

Inhoud

 

Hoofdstuk 2 Aanvraag

Richtlijn B164 Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 41, vierde, vijfde en zesde lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de invulling van richtlijn B0164 Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar

 

Artikel I

 

Richtlijn B0164 wordt als volgt ingevuld:

 

Alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar en gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger dan 27 jaar zijn, kunnen pas vier weken na de melding een aanvraag voor algemene bijstand indienen. De aanvraag wordt ook niet eerder dan vier weken na de melding door het college in behandeling genomen (artikel 41 lid 4 WWB). De reden hiervan is dat jongeren eerst zelf vier weken naar werk moeten zoeken alvorens aanspraak op een uitkering en/of ondersteuning kan bestaan. Tijdens deze vier weken moeten zij ook onderzoeken of zij nog mogelijkheden hebben binnen het uit ’s Rijks kas bekostigde onderwijs (artikel 41 lid 5 WWB).

Na de melding wordt aan deze jongeren een brief overhandigd, waarin vermeld staat dat er met de jongere gesproken is over zijn persoonlijke situatie, zijn kansen op de arbeidsmarkt en de verplichtingen die voor deze jongeren gelden op grond van de WWB. In de brief wordt aangegeven wat er van de jongere verwacht wordt tijdens de zoekperiode van vier weken.

 

Na afloop van de zoekperiode van vier weken, is vier weken na de datum van melding, kan de jongere een aanvraag indienen voor algemene bijstand. Wanneer deze aanvraag door de jongere binnen vijf werkdagen na de datum van afloop van de zoekperiode van vier weken wordt ingediend, kan de bijstand, wanneer door de jongere ook voldaan wordt aan alle toekenningsvoorwaarden, ingaan per de datum van melding. Wanneer de aanvraag door de jongere wordt ingediend na vijf werkdagen na de datum van afloop van de zoekperiode van vier weken, wordt de bijstand, wanneer door de jongere ook voldaan wordt aan alle toekenningsvoorwaarden, toegekend per die datum van de aanvraag (artikel 44 lid 3 WWB), tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen om de bijstand te verlenen met ingang van de datum van melding.

 

Gehuwden waarvan een echtgenoot jonger is dan 27 jaar en de ander ouder dan 27 jaar kunnen wel direct na de melding een aanvraag indienen. Ook voor de echtgenoot jonger dan 27 jaar geldt echter dat deze in de eerste vier weken na de melding actief moet zoeken naar werk of scholing.

 

Wanneer personen jonger dan 27 jaar recht hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), is expliciet in artikel 41 lid 6 WWB bepaald dat zij zich al kunnen melden om bijstand aan te vragen vanaf de dag gelegen vier weken voordat het recht op die uitkering eindigt (artikel 41 lid 6 WWB). Hiermee valt de verplichting om te zoeken naar werk samen met de verplichting die al geldt vanuit de Werkloosheidswet (zie TK 2011-2012, 32 815, nr. 38, p. 3-4).

 

Artikel II

De richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Hoofdstuk 3 Recht op bijstand

Richtlijn B016 Meldingsplicht studie

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B016 Meldingsplicht studie

 

Artikel I

 

Richtlijn B016 wordt als volgt ingevuld:

 

De belanghebbende is verplicht vooraf schriftelijk, middels het wijzigingsformulier, te melden dat hij een studie wil gaan volgen. Naar aanleiding van de melding beoordeelt het college of de scholing als noodzakelijk kan worden aangemerkt en dientengevolge toestemming kan worden verleend voor het volgen van die studie met behoud van uitkering. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing.

 

Indien het college toestemming verleent, wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden. De belanghebbende dient binnen een maand na aanvang van de studie een bewijs van inschrijving van het opleidingsinstituut te overleggen.

 

Bij de beoordeling van de noodzaak van scholing wordt uitgegaan van de voor belanghebbende kortste weg naar duurzame arbeid. Hierbij wordt rekening gehouden met het arbeids- en opleidingsverleden van belanghebbende alsmede met de duur van de werkloosheid.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B017 Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B017 Meldingsplicht vakantie / verblijf in het buitenland

 

Artikel I

 

Richtlijn B017 wordt als volgt ingevuld:

 

Personen die langer dan de wettelijk toegestane periode verblijf houden buiten Nederland hebben geen recht op (algemene en bijzondere) bijstand (artikel 13 lid 1 onderdeel e WWB jo. artikel 13 lid 4 WWB). De wettelijk toegestane "vakantieduur" is afhankelijk van de leeftijd van een belanghebbende.

 

De periode die personen van 65 jaar of ouder met behoud van bijstand in het buitenland mogen verblijven bedraagt maximaal 13 weken per kalenderjaar.

 

De periode die personen jonger dan 65 jaar met behoud van bijstand in het buitenland mogen verblijven bedraagt maximaal vier weken per kalenderjaar. De vakantieperiode hoeft niet aaneengesloten opgenomen te worden. Het is derhalve mogelijk dat een belanghebbende in één kalenderjaar meerdere malen met behoud van uitkering in het buitenland verblijft, zolang de gezamenlijke duur maar niet meer bedraagt dan vier weken. Verder geldt dat de belanghebbende een deel van de periode waarin hij in een kalenderjaar in het buitenland mag verblijven kan combineren met een deel van de periode van het daarop volgende kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten verblijfsperiode in het buitenland niet langer mag zijn dan vier weken. Een en ander volgt uit artikel 13 lid 1 onderdeel e WWB.

 

De wettelijke vakantieduur geldt per individu en is niet overdraagbaar of verhandelbaar. Het feit dat gehuwden bijstand ontvangen naar de norm gehuwden heeft geen invloed op het individuele recht op 4 of 13 weken vakantie in het buitenland voor ieder van de gehuwden afzonderlijk. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de mogelijkheid van 4 of 13 weken vakantie in het buitenland bepalen de gehuwden zelf. Of de gehuwden samen of apart met vakantie naar het buitenland gaan is hun eigen keuze.

 

Vakantieverlof in zowel het buitenland als in Nederland moet vooraf worden aangevraagd. (Voor vakantie in Nederland zie ook het handboek WWB hoofdstuk B3.11 paragraaf 3.)

 

Aanvraag

De belanghebbende dient vakantie in het buitenland of een verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente tussen 1 en 5 dagen voor vertrek te melden (ingevolge artikel 17 lid 1 WWB) via het vakantieformulier. Dit formulier dient persoonlijk door de belanghebbende te worden ingeleverd bij de receptie W&I. Op het formulier moet de vakantieperiode worden aangegeven.

 

De belanghebbende dient op de eerste werkdag na terugkeer van de vakantie in het

buitenland of het verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente, zich persoonlijk

terug te melden bij de receptie W&I met een legitimatiebewijs.

 

Op de dag dat een belanghebbende uit Nederland vertrekt en op de dag dat hij terugkeert is hij zowel in Nederland als in het buitenland. Uit artikel 13 WWB volgt niet zonder meer of deze dagen moeten worden meegeteld bij de vraag of een belanghebbende langer dan toegestaan in het buitenland heeft verbleven. Een redelijke wetsuitleg maakt dat, ongeacht het aantal uren op die dagen dat daadwerkelijk in Nederland is verbleven, één van beide dagen wel moet meetellen als verblijf in het buitenland en de andere als verblijf in Nederland. Uit praktisch oogpunt moet de dag van vertrek uit Nederland gelden als dag waarop nog in Nederland is verbleven en dat de dag van terugkeer moet gelden als een dag waarop in het buitenland is verbleven (zie CRvB 22-03-2011, nrs. 09/1768 WWB e.a.).

 

Meldt de belanghebbende zich niet terug, dan voldoet hij niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB en wordt zijn bijstand opgeschort op grond van artikel 54 lid 1 WWB. Deze opschorting wordt hem schriftelijk meegedeeld, waarbij hij de gelegenheid krijgt om zich alsnog binnen een week persoonlijk te melden. Voldoet hij niet aan deze oproep, dan wordt de bijstand ingetrokken met ingang van de dag waarop deze was opgeschort (artikel 54 lid 4 WWB). Meldt hij zich wel dan wordt de opschorting opgeheven en moet er een verlaging volgen op grond van de Maatregelenverordening.

 

Het niet melden van verblijf in het buitenland of een (langdurig) verblijf buiten de gemeente is een schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB. Bij constatering daarvan moet de bijstand verlaagd worden met toepassing van de Maatregelenverordening. Eventueel ten onrechte verleende bijstand zal moeten worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB. Daartoe is een intrekkingsbesluit vereist op grond van artikel 54 lid 3 onderdeel a WWB.

Er is geen recht op een vakantieperiode indien de belanghebbende naar het buitenland vertrekt en geen inlichtingen meer verstrekt.

 

De belanghebbende van buitenlandse afkomst mag aansluitend aan de 4 weken nog 2 weken zonder behoud van uitkering in het buitenland blijven als:

* hij gaat naar het land van herkomst,

* om zijn familie te bezoeken, én

* hij hiervan vooraf mededeling heeft gedaan.

 

Voor anderen geldt dezelfde regeling als sprake is van een vergelijkbare situatie, zoals iemand met Nederlandse nationaliteit van Surinaamse afkomst, of een Nederlander die geëmigreerde familie wil bezoeken.

 

Onder genoemde voorwaarden kan de beëindigde uitkering per datum terugkeer worden voortgezet en hoeft er geen nieuw aanvraagtraject te worden gestart. Er wordt, om administratieve redenen, gehandeld als ware de uitkering opgeschort.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Hoofdstuk 4 Middelentoets

Richtlijn B147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 31, tweede lid, onderdeel n en r Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating

 

Artikel I

 

Richtlijn B147 wordt als volgt ingevuld:

 

In beginsel komt elke vorm van betaald werk in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel n en r WWB. Dit geldt zowel voor de belanghebbende die reeds algemene bijstand ontvangt als voor de belanghebbende die voor het eerst aanvullende algemene bijstand gaat ontvangen. De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating wordt door de klantbegeleider in overleg met de belanghebbende vastgesteld. Deze ingangsdatum kan niet in het verleden liggen. De belanghebbende tekent voor de periode van inkomstenvrijlating een verklaring welke aan het dossier wordt toegevoegd.

 

Inkomsten uit illegale activiteiten zijn niet vrijgelaten, omdat van illegale activiteiten niet gezegd kan worden dat ze de re-integratie bevorderen.

 

Verzwegen inkomsten kunnen (als zij achteraf geconstateerd worden) niet in aanmerking komen voor de vrijlating, daar het achteraf vrijlaten niet meer bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

 

Ongeacht de duur van de arbeid geldt de vrijlating op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB voor maximaal zes aaneengesloten maanden. Daarna worden de inkomsten volledig op de uitkering in mindering gebracht. De maximale periode van zes aaneengesloten maanden heeft betrekking op de inkomstenvrijlating en niet op de arbeidsinkomsten of op de arbeid. De omstandigheid dat arbeid in deze periode onderbroken is, verandert op zichzelf niets aan de maximale duur van de inkomstenvrijlating: als het college eenmaal een begindatum van de inkomstenvrijlating heeft vastgesteld, dan eindigt deze inkomstenvrijlating uiterlijk zes maanden later en blijft de inkomstenvrijlating gedurende de gehele aldus vastgestelde periode van kracht. Oftewel: de omstandigheid dat in deze vastgestelde periode van ten hoogste zes maanden arbeid is beëindigd en, na een tijdelijke onderbreking, weer is hervat, doet niet ter zake voor de maximale duur van de inkomstenvrijlating.

 

Alhoewel de WWB daar geen uitsluitsel over geeft, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat de vrijlating meerdere periodes wordt toegepast. Uitgangspunt voor de vrijlatingsbepaling was, om het college in individuele situaties de mogelijkheid te geven voor een beperkte periode de inkomsten uit arbeid vrij te laten, als het college van oordeel is dat dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling én als deze vrijlating iemand "over de drempel helpt". De regeling is dus éénmalig. Als de uitkering is beëindigd en de belanghebbende ontvangt daarna, niet aansluitend, een bijstanduitkering dan ontstaat nieuw recht en dus ook de mogelijkheid van de vrijlatingsregeling.

 

Alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een of meer ten laste komende kinderen tot 12 jaar, kunnen na de reguliere inkomstenvrijlating (op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel n WWB) voor de periode van maximaal 6 maanden, nog voor maximaal 30 maanden in aanmerking komen voor een aanvullende inkomstenvrijlating (op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel r WWB). Deze vrijlating is geregeld in artikel 31 lid 2 onderdeel r WWB. De wetgever vindt het belangrijk dat ook alleenstaande ouders gestimuleerd worden te gaan werken. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat zij vanwege de combinatie van werk en zorgtaken vaak langer de tijd nodig hebben om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit te stromen.

Voor toepassing van de aanvullende inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders is vereist dat:

  • *

    de alleenstaande ouder de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar;

  • *

    de periode van zes aaneengesloten maanden waarvoor hij in aanmerking komt voor de reguliere inkomstenvrijlating is verstreken en;

  • *

    dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

 

Net als bij de reguliere inkomstenvrijlating van maximaal 6 maanden, zoals bovenstaand aangegeven, geldt ook bij deze inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders dat wanneer de begindatum eenmaal is vastgesteld, de inkomstenvrijlating uiterlijk 30 maanden eindigt.

 

Zowel de reguliere inkomstenvrijlating als de aanvullende inkomstenvrijlating voor een alleenstaande ouder met de volledige zorg voor een tot zijn last komend kind jonger dan 12 jaar, is niet van toepassing voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 WWB). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen en daar is naar het oordeel van de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 december 2010 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B018 Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 25, 26 en 33, vierde lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B018 Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders / kostgangers

 

Artikel I

 

Richtlijn B018 wordt als volgt ingevuld:

 

Op grond van de Toeslagenverordening bedoeld in artikel 30 WWB leidt het delen van een woning met anderen tot een lagere toeslag voor een alleenstaande (ouder) of tot een verlaging voor gehuwden (artikel 3 lid 2 en artikel 4 lid 1 en lid 2 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012). De werkelijke inkomsten mogen dan niet worden gekort.

 

Zijn er echter in totaal 3 of meer kostgangers en/of kamerhuurders dan kan waarschijnlijk worden aangenomen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten en dat er geen recht op reguliere bijstand bestaat. Mogelijk komt de belanghebbende dan wel in aanmerking voor een uitkering op grond van het Bbz 2004. Dit kan echter alleen als het een levensvatbare onderneming betreft.

 

Let op: ondanks het feit dat er bij drie of meer kamerhuurders of kostgangers al snel vanuit moet worden gegaan dat er geen recht op bijstand bestaat wegens bedrijfsmatige activiteiten, is het toch verstandig om een en ander (kort) te onderzoeken. Volgt hieruit dat er toch recht op bijstand bestaat dan kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden om de belanghebbende bij wijze van individualisering (artikel 18 lid 1 WWB) de maximale toeslag toe te kennen en vervolgens (een deel van) de inkomsten uit het verhuren van kamers en/of het hebben van kostgangers te korten op de bijstand.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

De secretaris,

 

Richtlijn B149 Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder b, en 34 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B149 Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

 

Artikel I

 

Richtlijn B149 wordt als volgt ingevuld:

 

De navolgende begrippen worden gehanteerd:

  • *

    Feitelijk vermogen: de werkelijke bezittingen minus de werkelijke schulden;

  • *

    Vrij te laten vermogen: de bedragen zoals genoemd in artikel 34 lid 3 WWB;

  • *

    Resterend vrij te laten vermogen (rvtv): het bedrag dat iemand nog aan vermogen mag verwerven zonder het vrij te laten vermogen te overschrijden.

 

Het resterend vrij te laten vermogen kan nooit hoger zijn dan het vrij te laten vermogen (= het bedrag genoemd in artikel 34 lid 3 WWB). Uit CRvB 04-05-2010, nrs. 08/5284 WWB e.a., blijkt wat het betekent voor de resterende vermogensruimte als het aanvangsvermogen negatief is vastgesteld. Volgens de CRvB kan de resterende vermogensruimte nooit groter zijn dan de op moment van de aanvang van bijstandsverlening toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 WWB. Dat betekent dat de resterende vermogensruimte niet wordt vergroot bij een negatief aanvangsvermogen. De consequentie daarvan is dat als de vermogensgrens wordt overschreden door een later ontvangst van vermogensbestanddelen, het recht op bijstand moet worden beëindigd, ongeacht of het actuele vermogenssaldo nog negatief is.

 

Bij het vaststellen van het vermogen bij aanvang bijstand kan het volgende stappenplan worden gebruikt:

 

  • 1.

    Bepaal of het geld en de in geld waardeerbare goederen tot het in aanmerking te nemen vermogen moeten worden gerekend.

  • 2.

    Verreken de vrijlating saldo lopende rekening (zie richtlijn B019). De korting dient toegepast te worden op de lopende rekening (rekening-courant). Bij meerdere betaalrekeningen wordt er gesaldeerd.

  • 3.

    Stel de totale geldwaarde van alle bezittingen vast.

  • 4.

    Bepaal of op de aanwezige schulden een aflossingsverplichting rust. Hierdoor behoren deze tot de in aanmerking te nemen schulden.

  • 5.

    Stel het totaal van deze schulden vast.

  • 6.

    Het verschil tussen het positieve saldo (3) en het negatieve saldo (5) vormt de hoogte van het feitelijk vermogen. De uitslag kan een negatief saldo vertonen. Dan is sprake van een 'negatief vermogen'.

  • 7.

    Vermeld het bedrag van het (positieve of negatieve) feitelijk vermogen in de toekenningsbeschikking.

  • 8.

    Vermeld het bedrag van het vrij te laten vermogen in de toekenningsbeschikking.

  • 9.

    Vermeld het bedrag van het resterend vrij te laten vermogen in de toekenningsbeschikking (zie voorbeelden hieronder).

 

Het vermelden van de bedragen ad 7, 8 en 9 in de toekenningsbeschikking is een verplichting omdat er, krachtens jurisprudentie, bij de vaststelling van het resterend vrij te laten vermogen sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit (rechtbank Arnhem, 31-01-2007; nr. AWB 05/5371, CRvB 23-12-2008, nr. 07/3951 WWB). Deze verplichting geldt dus ook bij vermogensvaststelling tijdens bijstandsverlening.

 

Bij het vaststellen van het vermogen tijdens bijstand kan het volgende stappenplan worden gebruikt:

 

Nadat het feitelijk vermogen, de vermogensvrijlating en het resterend vrij te laten vermogen (verder te noemen: rvtv) bij aanvang van de bijstand zijn vastgesteld, zullen veelal nieuwe schulden en/of nieuwe bezittingen ontstaan. Dan gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Voor de vaststelling van het feitelijk vermogen worden zowel de negatieve als de positieve vermogensmutaties beoordeeld en meegenomen.

  • 2.

    Bij elke nieuwe vaststelling van het rvtv wordt uitgegaan van de vermogensgrens zoals die gold ten tijde van de aanvang van de bijstandsperiode ex art. 34 lid 3 WWB (CRvB 04-05-2010, nrs. 08/5284 WWB e.a., LJN: BM5530).

  • 3.

    Het rvtv wordt uitsluitend beïnvloed door de positieve vermogensmutaties.

 

Voorbeelden

 

Normbedrag vrij te laten vermogen is € 10.000,00. Ga uit van het laatst vastgestelde vermogen, bijvoorbeeld € 2.700,00, en verreken de mutatie die heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld een erfenis van € 6.000,00. Tijdens het onderzoek blijkt dat er ook sprake is van een schuld i.v.m. een noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen van € 2.000,00.

 

Voorbeeld 1

Vermogen bij aanvang

€2.700,00

Resterend vtlv

€7.300,00

Erfenis

€6.000,00

Resterend vtlv

€1.300,00

Schuld

€2.000,00

 

 

Nieuw vermogen

€6.700,00

Resterend vtlv

€1.300,00

Let op: er moet gekeken worden naar negatieve vermogenscomponenten. Om praktische redenen houden we alleen rekening met nieuwe schulden en niet met waardevermindering van vermogenscomponenten (bijvoorbeeld de afname van de waarde van de auto). Pas als het recht op bijstand in het geding komt wordt een specifieke berekening gemaakt waarbij ook met waardevermindering van vermogenscomponenten rekening wordt gehouden.

 

Vervolgens is er sprake van een prijs van € 5.000,00. Er is geen recht op bijstand meer omdat:

  • 1.

    het resterend vrij te laten vermogen € 0,00 is geworden; én

  • 2.

    er sprake is van een positief vermogen, waardoor feitelijk in de noodzakelijke kosten van bestaan voorzien kan worden.

 

De belanghebbende moet eerst interen voordat een nieuw beroep op bijstand mogelijk is. Omdat het recht op bijstand echter in het geding is, wordt in dit geval een exacte vermogensvaststelling gemaakt, dus inclusief waardevermindering van de bezittingen.

 

Voorbeeld 2

Laatst vastgestelde vermogen

€6.700,00

Resterend vtlv

€1.300,00

Prijs

€5.000,00

Resterend vtlv

€0,00

Waardevermindering auto

€2.500,00

 

 

Nieuw vermogen

€9.200,00

 

 

Er is geen resterend vrij te laten vermogen en op basis van de exacte vermogensvaststelling (inclusief waardevermindering) blijft het vermogen positief. De belanghebbende moet interen. Het resterend vrij te laten vermogen was € 1.300,00 en er is € 5.000,00 bijgekomen. Het in te teren bedrag is € 3.700,00.

 

Er kan ook sprake zijn van een resterend vrij te laten vermogen van € 0,00 en een feitelijk negatief vermogen waardoor niet voorzien kan worden in de noodzakelijke kosten van bestaan. In dat geval blijft er recht op bijstand bestaan. Wel kan een maatregel bezien worden om te kijken of het verwijtbaar is dat nog steeds bijstand verstrekt moet worden. Uitgaande van het bovenstaande voorbeeld is er nu ook sprake van een nieuwe schuld van € 10.000,00.

 

Voorbeeld 3

Laatst vastgestelde vermogen

€6.700,00

Resterend vtlv

€1.300,00

Prijs

€5.000,00

Resterend vtlv

€0,00

Waardevermindering auto

€2.500,00

 

 

Nieuwe schuld

€10.000,00

 

 

Nieuw vermogen

€800,00 negatief

 

 

Het recht op bijstand blijft bestaan omdat:

  • 1.

    het resterend vrij te laten vermogen € 0,00 is; maar

  • 2.

    er feitelijk geen middelen zijn om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

 

De Memorie van Toelichting bij de WWB stelt ook dat de vermogensgrens niet kan worden opgerekt met de absolute waarde van een negatief aanvangsvermogen. Als echter ook na ontvangst van het vermogen boven de vermogensgrens het vermogenssaldo nog steeds negatief is, wordt het recht op bijstand desondanks niet beëindigd (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 63 bij voorbeeld e). Eigenlijk bevat de WWB helemaal geen grond voor deze nuancering, aangezien als eenmaal wordt vastgesteld dat er vermogen boven de vermogensgrens is ontvangen, dit meerdere vermogen dus wel in aanmerking moet worden genomen, hetgeen betekent dat er geen recht op bijstand kan bestaan (artikel 19 lid 1 onderdeel b WWB). Maar het in dergelijke gevallen beëindigen van het recht op bijstand staat natuurlijk wel haaks op de bedoeling van de wet als sociaal vangnet. De CRvB heeft hier nog geen oordeel over gegeven. In de uitspraak van de CRvB van 04-05-2010 hadden belanghebbenden na ontvangst van de vermogensbestanddelen geen negatief vermogen meer. Het blijft daarom mogelijk dat de CRvB ooit wel een dergelijke situatie moet beoordelen, hij toch ook ruimte vindt voor een nuancering als in het rekenvoorbeeld e in de Memorie van Toelichting.

 

In het geval van voorbeeld 3 moet wel bezien worden of het aangaan van de nieuwe schuld van €10.000,00, waardoor het recht op bijstand is blijven bestaan, verwijtbaar is. Is dit het geval dan moet een maatregel worden opgelegd. Hierbij moet onder meer rekening worden gehouden met de situatie die zou zijn ontstaan indien de schuld niet was aangegaan.

Bijvoorbeeld: als de schuld van €10.000,00 niet was aangegaan, zou belanghebbende € 3.700,00 hebben moeten interen. Omdat er geen sprake is van feitelijk aanwezig vermogen wordt een maatregel opgelegd.

 

Voorbeeld 4

 

De belanghebbende als bedoeld in voorbeeld 3 ontvangt in plaats van een prijs van € 5.000,00 een prijs van € 8.000,00.

De berekening is nu als volgt.

 

Laatst vastgestelde vermogen

€6.700,00

Resterend vtlv

€1.300,00

Prijs

€8.000,00

Resterend vtlv

€0,00

Waardevermindering auto

€2.500,00

 

 

Nieuwe schuld

€10.000,00

 

 

Nieuw vermogen

€2.200,00

 

 

Het nieuwe vermogen (€ 2.200,00) is nu positief en hoger dan het resterende vrij te laten vermogen (€ 1.300,00). De belanghebbende zal derhalve het verschil (€ 900,00) moeten interen nadat de bijstand is beëindigd.

Ook moet in deze situatie beoordeeld worden of er een maatregel moet worden opgelegd in verband met het aangaan van de nieuwe schuld van € 10.000,00. Als deze schuld niet was aangegaan, zou belanghebbende € 6.700,00 hebben moeten interen.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B019 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 34, eerste lid, onder a, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B019 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

 

Artikel I

 

Richtlijn B019 wordt als volgt ingevuld:

 

Ingevolge artikel 34 lid 1 WWB behoren alle geldswaarden tot het vermogen. In beginsel wordt dus ook het saldo van de lopende bank- of girorekening in zijn geheel tot het vermogen gerekend.

 

Aanleiding om hier van af te wijken kan bijvoorbeeld bestaan in gevallen waarin het onredelijk zou zijn het gehele saldo mee te nemen bij de vaststelling van het vermogen, omdat dat saldo mede is bepaald door het laatst ontvangen periodieke inkomen waarvan de gebruikelijke lasten nog moeten worden voldaan.

 

In die gevallen kan bij het vermogen van de belanghebbende buiten beschouwing blijven, tot maximaal de voor hem geldende algemene bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, het positieve saldo van de rekening waarop het periodieke inkomen wordt ontvangen en waarvan het normale levensonderhoud wordt voldaan.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B022 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 34 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B022 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

 

Artikel I

 

Richtlijn B022 wordt als volgt ingevuld:

 

  • 1.

    De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden).

  • 2.

    Stel het vermogen opnieuw vast (bezittingen minus schulden). Voorkom daarbij onbillijkheden en houd daarom in ieder geval rekening met het volgende:

    • *

      Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepalingen buiten beschouwing te blijven.

    • *

      Bij alleenstaande ouders die alleenstaanden worden is onder omstandigheden het aanvaardbaar dat een deel van het vermogen wordt overgedragen aan de (niet meer ten laste komende) kinderen, die 18 jaar zijn geworden, waardoor het vermogen van de bijstandsgerechtigde alleenstaande lager wordt. Maak van deze mogelijkheid gebruik indien bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van ten laste komende kinderen. De systematiek van de WWB schrijft dit immers voor als de kinderen tot het gezin behoren. Een redelijke wetstoepassing brengt echter met zich mee dat zodra de betreffende kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening wordt gehouden met de vermogensbestanddelen van die kinderen. Dit is slechts dan anders indien er voorafgaande aan de bijstandsverlening een vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van de ouder naar de kinderen met als kennelijk doel om het recht op bijstand (langer) te waarborgen.

 

Voorbeeld: 

Mevrouw Peters vraagt op 1 augustus 2008 bijstand aan. Op die dag wordt haar zoon Kees 14 jaar. Mevrouw Peters heeft een spaarrekening met € 4.000,--. Het saldo van de spaarrekening van zoon Kees bedraagt € 2.500,-.

 

Mevrouw Peters krijgt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Haar vermogen wordt vastgesteld op € 6.500,-- (de som van de saldi op de beide spaarrekeningen).

 

Op 1 augustus 2012 wordt Kees 18 jaar. Mevrouw Peters wordt vanaf die datum aangemerkt als alleenstaande. De toepasselijke vermogensgrens wijzigt in de actuele vermogensgrens voor een alleenstaande: € 5.685,-- (bedrag geldt per 1 januari 2012). De banksaldi zijn nog steeds aanwezig dus de hoogte van vermogen blijft in beginsel gelijk, namelijk € 6.500,--. Gevolg is dat er sprake is van een vermogensoverschot dat mevrouw Peters zou moeten interen. Echter, het is redelijk om het vermogen van mevrouw Peters te verlagen met € 2.500,--. Dit bedrag komt immers toe aan zoon Kees, want het stond bij aanvang van de bijstandsverlening op zijn spaarrekening. Het vermogen van mevrouw Peters bedraagt daarom € 4.000,-- en blijft onder de (nieuwe) van toepassing zijnde vermogensgrens. Interen is nu niet nodig.

 

De motivatie voor bovenstaande regels luidt als volgt: 

  • *

    De wetgever heeft bewust geen regels vastgesteld inzake de vaststelling van het vermogen bij wijziging van de leefvorm. In de Memorie van Antwoord geeft de minister aan dat het college een billijke oplossing moeten vinden.

  • *

    Ook indien er geen sprake is van een wijziging van de leefvorm gelden de actuele vermogensgrenzen.

  • *

    Bij wijziging van de leefvorm vindt tevens aanpassing van de norm algemene bijstand plaats.

  • *

    De Centrale Raad van Beroep heeft in het kader van de oude ABW bepaald dat bij een voor de toepassing van de oude ABW relevante wijziging in de omstandigheden het vrij te laten vermogen (lees: vermogensgrens) opnieuw moet worden vastgesteld(CRvB 25-09-1998, JABW 1998, 160). Nu de vermogensbepalingen op dit punt niet fundamenteel gewijzigd zijn, is het aannemelijk dat deze jurisprudentie ook geldt voor de WWB.

  • *

    Het bij wijziging van de leefvorm opnieuw vaststellen van het beginvermogen zorgt voor duidelijke en eenvoudige regelgeving.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B023 Beleid inzake korten voorlopige teruggave

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikelen 31, eerste lid, en 32, eerste lid, onderdeel a Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B023 Beleid inzake korten voorlopige teruggave

 

Artikel I

 

Richtlijn B023 wordt als volgt ingevuld:

 

Heffingskortingen worden tot de middelen gerekend die in mindering gebracht moeten worden op de bijstand. Dit geldt zowel voor de heffingskortingen die via de voorlopige teruggaaf lopen (zie CRvB 16-02-2010, nr. 07/6883 WWB) als de loonheffingskortingen. De heffingskortingen zijn dus een voorliggende voorziening.

De heffingskortingen kunnen slechts als inkomen worden gekort over de periode waarop recht op bijstand bestond (artikel 32 lid 1 onderdeel b WWB). De loonheffingskortingen moeten door de werkgevers en uitkeringsinstanties met het loon worden verrekend. Deze kunnen worden beschouwd als loonbelasting. Hierdoor wordt er minder loonbelasting afgedragen, waardoor er een hoger netto loon ontstaat.

 

De volgende heffingskortingen moeten als middel worden aangemerkt en derhalve worden gekort op de uitkering:

  • *

    algemene heffingskorting

  • *

    algemene heffingskorting minst verdienende partner

  • *

    arbeidskorting

  • *

    alleenstaande ouderkorting

  • *

    het bedrag waarmee de alleenstaande ouderkorting wordt vermeerderd, bedoeld in artikel 8.15, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001

  • *

    inkomensafhankelijke combinatiekorting

  • *

    ouderenkorting

  • *

    alleenstaande ouderenkorting

  • *

    ouderschapsverlofkorting

  • *

    jongehandicaptenkorting indien een belanghebbende jonger is dan 27 jaar

 

De jonggehandicapten korting is dus vrijgelaten en wordt niet tot de middelen van een belanghebbende gerekend (artikel 31 lid 2 onderdeel c WWB). Deze vrijlating is niet van toepassing ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 WWB).

 

Indien de belanghebbende één van de heffingskortingen (via voorlopige teruggaaf of verrekening bij loon) niet ontvangt, maar wel recht heeft op de heffingskorting, moet het college deze heffingskortingen korten op de uitkering. Het zijn namelijk middelen waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (artikel 31 lid 1 WWB).

Aan de belanghebbende dient (o.g.v. artikel 55 WWB) de verplichting te worden opgelegd om de heffingskorting aan te gaan vragen bij de Belastingdienst en een kopie van de voorlopige aanslag te overleggen.

Laat hij dit na, dan wordt het bedrag waarop hij recht heeft gekort. Het is tenslotte een middel waarover hij kan beschikken (artikel 31 lid 1 WWB). Tevens wordt dan een verlaging van de bijstand toegepast op grond van de Maatregelenverordening.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

  

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B026 Ex-partner betaalt woonkosten

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 33, eerste lid, en 27 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B026 Ex-partner betaalt woonkosten

 

Artikel I

 

Richtlijn B026 wordt als volgt ingevuld:

 

Indien een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, wordt hiermee op grond van artikel 33 lid 1 WWB bij de inkomstentoets geen rekening meer mee gehouden. In voorkomende gevallen is namelijk reeds op grond van artikel 27 WWB de bijstand lager vastgesteld (zie hiervoor hoofdstuk B6.6.4.3 en artikel 5 van de Toeslagenverordening).

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B027 Waarde auto bij vermogensvaststelling

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 34, tweede lid, onder a, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B027 Waarde auto bij vermogensvaststelling

 

Artikel I

 

Richtlijn B027 wordt als volgt ingevuld:

 

Algemeen gebruikelijk

Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a WWB worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Het college vindt:

  • *

    één auto of motor met een waarde tot maximaal € 2.000,-- algemeen gebruikelijk; Indien de waarde meer bedraagt dan € 2.000,-- wordt de gehele waarde in aanmerking genomen als vermogen.

  • *

    caravans, al vanwege hun aard, niet algemeen gebruikelijk.

 

Indien een belanghebbende twee auto’s in eigendom heeft met elk een waarde onder € 2.000,--, wordt de auto met de hoogste waarde onder de € 2.000,-- niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het vermogen en wordt de auto met de laagste waarde onder de € 2.000,-- wel in aanmerking genomen voor de vaststelling van het vermogen.

 

Waardevaststelling 

Voor de vaststelling van de waarde van de auto's, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de ANWB/BOVAG koerslijst voor de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB).

De auto wordt gewaardeerd als volgt:

  • 1.

    Gebruik de koerslijst van de ANWB/BOVAG. Deze is te vinden op internet op het volgende adres: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst/uitvoering?autherk=flbl_subhome. Je kunt het voertuig opzoeken op basis van het kenteken, of op basis van de voertuiggegevens (merk/type/bouwjaar/bouwmaand).

  • 2.

    Vul de gevraagde specificaties in.

  • 3.

    Stel de waarde als volgt vast: er kan uitgegaan worden van het gemiddelde van een aantal van de genoemde richtprijzen. Hierbij wordt een 4-tal richtprijzen aangegeven ("inkoop- of inruilprijs bij de dealer" – "verkoopprijs door Bovag autobedrijf met garantie" – "verkoop door merkdealer met garantie" – "aan/verkoop tussen particulieren")

 

Van auto’s die wegens hun leeftijd (doorgaans 7 à 8 jaar of ouder) niet meer in deze koerslijsten zijn opgenomen, dient de waarde op een andere manier bepaald te worden. Bijvoorbeeld door vergelijking van diverse sites op internet (http://www.anwb.nl/auto/koerslijst/uitvoering?autherk=flbl_subhome; http://www.gaspedaal.nl/).

Informatie over kenteken Via SUWInet kan nagegaan worden of een belanghebbende een kenteken (lees: auto, caravan, aanhangwagen, etc.) op zijn naam heeft staan.

 

Oldtimer Vaststellen van de waarde van een oldtimer: wanneer sprake is van een auto ouder dan 25 jaar dient beoordeeld te worden wat de waarde is van de auto. Hiervoor kan de aanwezigheid van een afwijkende autoverzekering (polis is hiervoor noodzakelijk) een indicatie zijn. Tevens kan gebruik worden gemaakt van het internet om te bepalen of een auto wel of niet een oldtimer is, bijvoorbeeld via de sites: http://www.oldtimernederland.nl/ of http://www.oldtimer.pagina.nl/.

Bij een oldtimer dient de klant de waarde aan te tonen. Wanneer de klant zijn auto verzekerd heeft als oldtimer zal hij een taxatierapport kunnen overleggen, omdat de verzekeraar dit namelijk vereist. Wanneer er geen sprake is van een verzekering als oldtimer zal de klant zelf zorg moeten dragen voor een taxatierapport. Zolang er geen taxatierapport is, is het in beginsel niet mogelijk het vermogen (artikel 34 WWB) juist te kunnen vaststellen en dus ook niet mogelijk het (verdere) recht op bijstand te bepalen. Voor de kosten van een taxatierapport kan in beginsel geen bijzondere bijstand worden verstrekt (artikel 35 WWB). Afwijken is mogelijk. Een afwijking van de algemene regel (artikel 18 lid 1 WWB) zal uiteraard goed gemotiveerd plaats moeten vinden.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Hoofdstuk 5 Verplichtingen en afstemming

Richtlijn B030 Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 9 en 9a Wet werk en bijstand (WWB), artikel 37, 37a en 38 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 37a en 38 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B030 Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht

 

Artikel I

 

Richtlijn B030 wordt als volgt ingevuld:

 

In deze richtlijn komen de volgende onderdelen aan de orde:

  • 1.

    Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen tot 5 jaar;

  • 2.

    Ontheffing in verband met mantelzorgtaken;

  • 3.

    Ontheffing op medische of psychische gronden;

  • 4.

    Ontheffing op grond van overige redenen.

 

Ad. 1 Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen tot 5 jaar

Indien de combinatie van zorg en arbeid en/of de combinatie van zorg en re-integratieactiviteiten niet, dan wel niet volledig, mogelijk is voor alleenstaande ouders met kind(eren) tot 5 jaar kan tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ.

 

Bij het besluit tot ontheffing zoals hier genoemd, neemt het college het bepaalde in artikel 9a WWB en artikel 38 IOAW/IOAZ in acht alsook het bepaalde in artikel 9 lid 4 WWB en artikel 37a lid 2 IOAW/IOAZ.

 

Ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling duurt:

  • a)

    indien de ontheffing, ingevolge artikel 9a lid 1 WWB of 38 IOAW/IOAZ, louter betrekking heeft op de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a WWB of artikel 37 lid 1 sub a-d IOAW/IOAZ, tot het moment dat het jongste kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt met een maximum van 5 jaar;

  • b)

    indien de ontheffing, naast de verplichtingen zoals genoemd artikel 9 lid 1 sub a WWB of artikel 37 lid 1 sub a-d IOAW/IOAZ, tevens één of meerdere re-integratieplichten omvat, maximaal één jaar voor wat betreft de ontheffing van de re-integratieplicht.

 

Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten om een ontheffing van de re-integratieplicht zoals genoemd in sub b, na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.

 

Toelichting

Ingevolge artikel 9a lid 1 WWB gaat het, zoals gezegd, om ontheffing van de arbeidsplicht. De re-integratieplicht als zodanig blijft bestaan en het is aan het college om daartoe een plan van aanpak op te stellen (artikel 9a lid 7 WWB).

 

Deze re-integratieplicht omvat in ieder geval de scholingsplicht indien de betreffende ouder nog niet beschikt over een startkwalificatie (artikel 9a lid 10 WWB).

 

Ad. 2 Ontheffing in verband met mantelzorgtaken

Indien belanghebbende mantelzorg verleent, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ.

 

De mate van ontheffing zoals hier genoemd wordt gerelateerd aan de omvang van de mantelzorg. Het bestaan, de omvang en de duur van de mantelzorg dient te blijken uit een WMO-indicatiebesluit of een AWBZ-indicatiebesluit. Indien een indicatiebesluit niet voorhanden is dient een indicatiebesluit waaruit de noodzaak tot mantelzorgverlening blijkt alsnog te worden verkregen via medewerking van de verzorgde persoon. Ontheffing wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op de duur zoals benoemd in het indicatiebesluit.

Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Ook hiervoor gelden dan weer de regels zoals hierboven neergelegd.

Indien het college de verrichte mantelzorg niet in redelijke verhouding vindt staan tot de arbeids- en/of re-integratieplicht van betrokkene, kan het college besluiten de ontheffing ingevolge dit artikel niet te verlenen. In dat geval dient het college zich wel te vergewissen van een voorhanden zijnde adequaat alternatief voor hulp bij het huishouden.

 

Ad. 3 Ontheffing op medische of psychische gronden

Indien belanghebbende kampt met medische of psychische beperkingen, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ.

 

Het bestaan, de omvang en de duur van de arbeidsongeschiktheid als hierboven bedoeld dient uit een medisch en/of arbeidsdeskundig onderzoek te blijken. Hiertoe kan advies gevraagd worden bij een onafhankelijke adviserende instantie. Ontheffing wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op 36 maanden. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.

 

Ad. 4 Ontheffing op grond van overige redenen

Het college kan in overige gevallen, met inachtneming van artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, bepalen dat aan de uitkeringsgerechtigde tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. Dringende redenen voor die tijdelijke ontheffing, geheel of gedeeltelijk, worden aanwezig geacht indien re-integratie in redelijkheid niet mogelijk blijkt te zijn. Ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op één jaar. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.

 

Toelichting

Afhankelijk van de situatie van belanghebbende kan de ontheffing betrekking hebben op één of meer van de verplichtingen zoals benoemd in de artikelen. Indien daarvoor aanleiding bestaat kan het gaan om een volledige ontheffing van zowel de arbeidsplicht (artikel 9 lid 1 sub a WWB) als de re-integratieplicht (artikel 9 lid 1 sub b WWB). De keuze kan evenwel ook gemaakt worden dat belanghebbende een gedeeltelijke ontheffing krijgt, bijvoorbeeld vrijstelling van de verplichting om ingeschreven te staan als werkzoekende bij UWV en de sollicitatieplicht, maar wel de verplichting om een bepaalde scholing te volgen en af te ronden. Ook kan de ontheffing worden beperkt in duur / aantal uren per week. Kortom, het gaat om maatwerk.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B031 Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid 1 WWB

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 30c, derde lid, Wet SUWI

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B031 Betekenis “onverwijld uit eigen beweging” in artikel 17 lid 1 WWB

 

Artikel I

 

Richtlijn B031 wordt als volgt ingevuld:

 

Bovenstaande omschrijving spreekt van “onverwijld uit eigen beweging”. Hieronder wordt verstaan dat de belanghebbende de bedoelde inlichtingen onmiddellijk (binnen 5 werkdagen) doorgeeft middels inlevering van het wijzigingsformulier (in de hiervoor bestemde brievenbus, bij de receptie of aan de klantbegeleider).

Alle wijzigingen aangaande: woonsituatie, verblijfsvergunning, nationaliteit, vermogen, inkomen, werk en/of vrijwilligerswerk, studieaanvang, inschrijving UWV Werkbedrijf die zich voordoen bij de alleenstaande, alleenstaande ouder en/of gehuwden moeten doorgegeven worden.

 

De kaart ‘meldingsplicht’ is opgeborgen in de informatiemap welke aan iedere bijstandsgerechtigde is uitgereikt en hierop staat nog een keer aangeven wat onmiddellijk gemeld moet worden binnen 5 werkdagen.

 

Het moet de belanghebbende voorts duidelijk zijn dat, zonder dat daar gericht naar gevraagd behoeft te worden, alle wijzigingen die van belang zijn voor het recht op uitkering door middel van dat formulier moeten worden doorgegeven.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op

8 november 2012

 

Richtlijn B032 Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 17, eerste lid, en 53a, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B032 Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken

 

Artikel I

 

Richtlijn B032 wordt als volgt ingevuld:

 

Wanneer de belanghebbende niet meer beschikt over bepaalde bewijsstukken (bijvoorbeeld bankafschriften) dan zal hij eerst voor eigen rekening (zie CRvB 06-07-1999, nr. 97/12345 ABW) moeten proberen om nieuwe exemplaren hiervan te verkrijgen. Alleen wanneer dit in het geheel niet mogelijk is of wanneer de hieraan verbonden kosten in geen verhouding staan tot het belang van de te verkrijgen gegevens voor de vaststelling van het recht op bijstand, kan het verkrijgen van nieuwe bewijsstukken achterwege blijven. De afdeling Werk & Inkomen kan dan proberen om de gegevens op een andere manier te verifiëren.

 

Dus:

 

Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van gevorderde bewijsstukken leidt alleen bij verwijtbaarheid tot:

  • *

    het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Awb (zie paragraaf B2.1.8) of,

  • *

    het opschorten van de bijstand op grond van artikel 54 WWB (zie paragraaf B5.4.3.2).

 

Indien belanghebbende geen verwijt valt te maken, beoordeelt het college het recht op bijstand op basis van de beschikbare informatie.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B033 Periode over te leggen bankafschriften

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 17, eerste lid, en 53a, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B033 Periode over te leggen bankafschriften

 

Artikel I

Richtlijn B033 wordt als volgt ingevuld:

 

Bij de aanvraag is de belanghebbende verplicht van alle bank-, giro-, krediet-, creditcard-, spaar-, internet- en effectenrekeningen (van alle gezinsleden) alle afschriften te overleggen die betrekking hebben op de periode van drie maanden of zes maanden (afhankelijk van het profiel) voorafgaande aan de datum van de aanvraag. Bij een kort of uitgebreid administratief onderzoek geldt een periode van drie maanden voorafgaand aan het kort of uitgebreid administratief onderzoek.

 

Bij gerichte individuele fraude-onderzoeken kunnen deze periodes worden verlengd.

 

Voor een juist inzicht in de aanwezigheid van inkomsten en vermogen en ter verificatie van het saldo op een internet(spaar)rekening zijn er de volgende mogelijkheden:

  • *

    De belanghebbende kan een afdruk van de internetpagina met het saldo van zijn internetspaarrekening overleggen.

  • *

    De belanghebbende kan tijdens een gesprek worden gevraagd om via een computer die verbonden is met het internet de pagina met het saldo van zijn internetspaarrekening op te roepen.

  • *

    Het college kan bij de Belastingdienst een lijst opvragen van alle bankrekeningnummers die gekoppeld zijn aan een belanghebbende. Zo kan duidelijk worden of er al dan niet (internet)(spaar)rekeningen zijn verzwegen. De belastingdienst ontvangt van de banken namelijk jaarlijks per belastingplichtige een overzicht van de saldi op de bankrekeningen. Het opvragen van gegevens over bankrekeningen bij de belastingdienst loopt via het Inlichtingenbureau.

  • *

     Indien er een vermoeden van fraude is, kan het college volledige inzage verlangen in de bankafschriften van de lopende rekeningen. De belanghebbende mag dan geen enkel gegeven onleesbaar maken. Aangezien stortingen en opnames meestal via de lopende rekeningen (moeten) verlopen, kan volledige inzage hierin aan het licht brengen of de belanghebbende een of meer internetspaarrekeningen heeft.

  • *

     Aan de uitkering wordt de voorwaarde verbonden gebruik te maken van de (gratis) standaardvoorziening in de fysieke verstrekking van bankafschriften. Vaak wordt in die standaard(basis)voorziening van de bank de mogelijkheid geboden eens per maand gratis bankafschriften te ontvangen. Dat de cliënt dergelijke fysieke stukken veelal niet wenst te ontvangen wil namelijk niet inhouden dat de gemeente deze vanuit een deugdelijke controle niet kan verlangen.

 

Artikel II

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 april 2005 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B136 ROF of mutatieformulier

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B136 ROF of Mutatieformulier

 

Artikel I

 

Richtlijn B136 wordt als volgt ingevuld:

 

Wijzigingsformulier

Klanten leveren een wijzigingsformulier in als er veranderingen zijn te melden in de persoonlijke omstandigheden of de gezinssituatie (zie richtlijn B031).

Echter, klanten met wisselende inkomsten dienen elke maand een wijzigingsformulier in te leveren bij hun salarisspecificatie. Als klanten het wijzigingsformulier hebben ingestuurd, krijgen zij automatisch een nieuw formulier van hun klantbegeleider. Voor klanten met wisselende inkomsten gebeurt dat dus iedere maand. Voor klanten met vaste of wisselende inkomsten uit risicoberoepen dienen naast een wijzigingsformulier ( bij wisselende inkomsten) en salarisspecificatie ook een maand urenstaat in te leveren waarop staat op welke dagen en tijdstippen zij hebben gewerkt.

Risicoberoepen zijn: taxi/buschauffeur, metaalarbeider, confectiearbeider, bouwvakker, horecamedewerker, koerier, automonteur, beroepen in het kader van lichamelijke verzorging (zoals bv. kapper, manicure, pedicure, schoonheidsspecialist, masseur).

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B035 Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, eerste lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B035 Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF / inkomstenverklaring

 

Artikel I

 

Richtlijn B035 wordt als volgt ingevuld:

 

Zie richtlijn B031 en B136.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

Richtlijn B041 Personen zonder geldig identiteitsbewijs

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 17, derde lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B041 Personen zonder geldig identiteitsbewijs

 

Artikel I

 

Richtlijn B041 wordt als volgt ingevuld:

 

Bij een vervolgcontact met personen met de Nederlandse nationaliteit hoeft, ingevolge jurisprudentie, niet steeds een geldig identiteitsbewijs te worden verlangd, ook niet wanneer het bij de aanvraag gekopieerde bewijs inmiddels is verlopen. Wanneer de identiteit eenmaal is vastgesteld, en zolang deze onomstotelijk vaststaat, is niet bij ieder volgend contact weer een geldig identiteitsbewijs nodig.

 

Bij personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit is, in verband met mogelijke wijzigingen, wél altijd een geldig identiteitsbewijs nodig.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

Richtlijn B043 Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B043 Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging

 

Artikel I

Richtlijn B043 wordt als volgt ingevuld:

 

Verlagingen worden toegepast volgens de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Deurne.

 

In het geval van een evident duidelijke afwezigheid van verwijtbaarheid van het betreffende gedrag van belanghebbende wordt van een verlaging afgezien.

 

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is wanneer de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ("lik op stuk") is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden worden geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.

 

Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, wordt geen maatregel opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

 

Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie. Hierbij zij opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen geen reden zijn om van een verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een bijstandsuitkering (CRvB 01-04-2003, nr.00/5643 NABW).

 

Van een verlaging kan ook worden afgezien, en worden volstaan met het geven van een waarschuwing, indien er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging, binnen een periode van twee jaar, in de vorm van

- het niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie;

- het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand.

 

Van het besluit tot afzien tot het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.

 

Artikel II

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

Richtlijn B150 Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B150 Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag

 

Artikel I

 

Richtlijn B150 wordt als volgt ingevuld:

 

Een maatregel ingevolge de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Deurne wordt toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.

 

Een maatregel kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien:

  • 1.

    aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB;

  • 2.

    het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;

  • 3.

    belanghebbende de informatieplicht van artikel 11 van de verordening geschonden heeft (het te laat verstrekken van gegevens);

  • 4.

    belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen als bedoeld in artikel 16 van de verordening;

  • 5.

    het betreft bijzondere bijstand voor woonkosten en premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens het Bbz.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

Richtlijn B044 Overzicht hoogte verlagingen

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b en h, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B044 Overzicht hoogte verlagingen

 

Artikel I

 

Richtlijn B044 wordt als volgt ingevuld:

 

Op grond van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Deurne worden de volgende verlagingen toegepast:

  • 1.

    5% van de uitkering gedurende een maand:

    • *

      Wanneer de verplichting op grond van artikel 17 WWB niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn is verstrekt (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar).

    • *

      Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar). Hierbij moet gedacht worden aan de zogeheten "nulfraude": het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van de zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligwerswerk.

 

  • 2.

    20% van de uitkering gedurende een maand:

    • *

      Wanneer niet de gevraagde medewerking wordt verleend die nodig is voor de uitvoering zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 WWB. Hieronder wordt verstaan een algemene medewerkingsverplichting.

    • *

      Wanneer aan de belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 WWB zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen. Hierbij wordt bedoeld op de mogelijkheid om de naast de in Hoofdstuk 2 van de WWB opgenomen verplichtingen die aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische behandeling te stellen is reeds expliciet opgenomen in artikel 55 WWB. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur.

 

  • 3.

    20% van de uitkering gedurende een bepaalde periode: Wanneer een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt betoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Hieronder wordt verstaan dusdanige gedragingen die tot (meer) bijstandsbehoeftigheid geleid hebben, anders dan de overige expliciet genoemde gedragingen in de Maatregelenverordening. Hieronder valt onder meer het op onverantwoorde wijze interen van vermogen, geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening, onderbedeling bij echtscheiding, het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering, het langer dan toegestaan verblijven in het buitenland, niet verzekerd zijn tegen brandschade of wettelijke aansprakelijkheid jegens derden. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang de betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven indien wel voldoende besef van verantwoordelijkheid was betoond. De maatregel bedraagt dan:

    • *

      20% van de uitkering gedurende een maand bij een periode van 3 maanden of korter.

    • *

      20% van de uitkering gedurende drie maanden bij een periode van 3 maanden tot 6 maanden.

    • *

      20% van de uitkering gedurende zes maanden bij een periode van 6 maanden en langer.

    • *

      20% van de uitkering gedurende een maand, indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld.

 

  • 4.

    20% van de uitkering gedurende een nader te bepalen periode: Bij het onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt de maatregel opgelegd over een zodanige periode dat het bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra is verstrekt doch maximaal vijf jaar.

 

  • 5.

    20% tot 100% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB geleid heeft tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bruto bijstand. Dit is de verleende bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen krachtens de Wet op de loonbelasting 1964. Bij de vaststelling van de verlaging wegens inlichtingenfraude komt de ernst van de gedraging dus tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.

 

  • *

    Bij een bruto benadelingsbedrag tot € 1.000,-- bedraagt de maatregel 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

  • *

    Bij een bruto benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,-- bedraagt de maatregel 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

  • *

    Bij een bruto benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,-- bedraagt de maatregel 60% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

  • *

    Bij een bruto benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

 

Het opleggen van de maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Indien de WWB-uitkering van de belanghebbende doorloopt, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm (zie ook richtlijn B048).

 

Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast. Dit houdt in een herziening van het recht op bijstand tot het bedrag van de maatregel over de periode volgend op de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden. Dit betreft de situatie dat over de periode waarin deze schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd. In de situatie dat over deze periode de verstrekte bijstand niet volledig wordt teruggevorderd, kan de herziening tot het bedrag van de maatregel plaatsvinden over dezelfde periode. De herziening resulteert in een terugvordering van bijstand. Bij niet tijdige betaling van deze extra terugvordering voortvloeiend uit de maatregel kunnen de kosten die voortvloeien uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen, voor rekening van de belanghebbende worden gebracht (de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten).

 

Is aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, de uitkering beëindigd, dan kan de maatregel niet geëffectueerd worden. In dit geval kan de maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Indien de belanghebbende op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel alsnog worden opgelegd. De belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.

 

Voorbeeld: belanghebbende ontvangt sedert 1 juli 2011 een uitkering. In juni 2012 wordt geconstateerd dat belanghebbende sedert 1 februari 2012 inkomsten heeft boven de norm waardoor de uitkering per 1 februari 2012 wordt beëindigd. De ten onrechte genoten uitkering bedraagt € 6.500,--. Per 15 september 2013 vraagt belanghebbende wederom een uitkering aan. De maatregel met terugwerkende kracht kan niet worden geëffectueerd, aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, is de uitkering beëindigd. Bij het nieuwe recht ingaande 15 september 2013 kan er een maatregel worden opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Belanghebbende dient wel bij het besluit van de beëindiging van de uitkering en/of de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.

 

Indien echter de maatregel niet is uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar nadat het besluit tot het opleggen van de maatregel is genomen, komt de maatregel te vervallen.

 

Voorbeeld: inkomstenfraude boven de norm over de periode 01-02-2011 t/m 31-05-2011 wordt geconstateerd in maart 2012. In mei 2012 wordt het besluit tot terugvordering en opleggen van de maatregel over een toekomstig recht genomen. Deze maatregel kan vervolgens geëffectueerd worden tot mei 2017.

 

  • 6.
    • 50% van de uitkering gedurende een maand:

      • *

        Het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel c, WWB.

      • *

        Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door het college aangeboden onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a WWB.

      • *

        Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, WWB niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, WWB.

 

  • 7.
    • 100% van de uitkering gedurende een maand:

      • *

        Het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.

      • *

        Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB.

      • *

        Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot (arbeids)participatie anders dan het niet daartoe verschijnen zonder bericht van verhindering.

      • *

        Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

      • *

        Het stellen van onredelijke eisen of vertonen van gedraging(en) of uiting(en) ten aanzien van het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen hiervan belemmeren.

      • *

        Andere gedragingen die de (arbeids)participatie belemmeren.

      • *

        Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid WWB, waaronder begrepen sociale activering.

      • *

        Het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, WWB.

      • *

        Het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar door het Rijk bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, WWB.

      • *

        Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid.

      • *

        Het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren.

     

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B046 Recidive

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B046 Recidive

 

Artikel I

 

Richtlijn B046 wordt als volgt ingevuld:

 

De duur van een maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een als maatregelwaardig aangemerkte gedraging en deze tweede gedraging leidt tot een verlaging met eenzelfde of hoger percentage. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening of een schriftelijke waarschuwing, bedoeld in artikel 11, derde lid, en artikel 13, tweede lid, van de Maatregelenverordening.

 

Recidive kan slechts een keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom herhaald verwijtbaar gedrag vertoont, dient de verlaging in plaats van een verdubbeling van de duur bij recidive, individueel vastgesteld te worden op basis van de ernst van het feit en de gedraging en de mate van verwijtbaarheid (artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening).

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B047 Waarschuwing i.p.v. verlaging

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B047 Waarschuwing i.p.v. verlaging

 

Artikel I

 

Richtlijn B047 wordt als volgt ingevuld:

 

De verlagingen worden toegepast volgens de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Deurne.

 

Van een verlaging kan worden afgezien, en worden volstaan met het geven van een waarschuwing, indien er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging, binnen een periode van twee jaar, in de vorm van

  • *

    het niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie;

  • *

    het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B048 Ingangsdatum verlaging

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, en 18, tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B048 Ingangsdatum verlaging

 

Artikel I

Richtlijn B048 wordt als volgt ingevuld:

 

De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

 

Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van de ingangsdatum van de uitkering opgelegd.

 

Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan worden geëffectueerd omdat de bijstand is beëindigd of ingetrokken, wordt opnieuw beoordeeld of de maatregel alsnog kan worden ingezet of voortgezet indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het besluit tot beëindiging of intrekking van de bijstand bekend is gemaakt, wederom een beroep doet op bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

 

Ook wanneer er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

 

Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast. Dit houdt in een herziening van het recht op bijstand tot het bedrag van de maatregel over de periode volgend op de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden. Dit betreft de situatie dat over de periode waarin deze schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd. In de situatie dat over deze periode de verstrekte bijstand niet volledig wordt teruggevorderd, kan de herziening tot het bedrag van de maatregel plaatsvinden over dezelfde periode. De herziening resulteert in een terugvordering van bijstand.

 

Is aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden, de uitkering beëindigd, dan kan de maatregel niet geëffectueerd worden. In dit geval kan de maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Indien de belanghebbende op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, vindt een beoordeling plaats of de maatregel alsnog kan worden ingezet of voortgezet. De belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.

 

Artikel II

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B157 Afspraken met OM bij fraudebedrag onder €10.000,00

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de invulling van richtlijn B157 Afspraken met OM bij fraudebedrag onder € 10.000,00

 

Artikel I

 

Richtlijn B157 wordt als volgt ingevuld:

 

Grondslag “Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (2008A019)” hanteren.

 

Artikel II

 

Deze richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Hoofdstuk 6 Algemene bijstand

Richtlijn B144 Verlaging van de algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 26, 27 en 28 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B144 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar

 

Artikel I

 

Richtlijn B144 wordt als volgt ingevuld:

 

De verlagingen in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 gelden niet voor personen van 18 t/m 20 jaar.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B050 Toeslagen algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 25, eerste lid, en 30 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B050 Toeslagen algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar

 

Artikel I

 

Richtlijn B050 wordt als volgt ingevuld:

 

De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 (zie bijlage GB01) kent de volgende toeslagen toe aan personen van 21 tot 65 jaar:

 

alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WWB en alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WWB in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft

20%

een adresloze, waarbij tevens een verlaging wordt toegepast wegens het ontbreken van woonkosten

20%

alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WWB en alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WWB in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander zijn hoofdverblijf heeft

 7%

alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, WWB en alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WWB in wiens woning een thuisinwonend kind woont van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000

20%

 

Uitdrukkelijk geldt dat wanneer er inwonende andere kinderen zijn die wel geacht kunnen worden bij te dragen in de vaste lasten, het gestelde onder het laatste punt niet opgaat.

 

De adresloze (de alleenstaande (ouder) als bedoeld in het Bijstandsbesluit adreslozen (hoewel het Bijstandsbesluit adreslozen is vervallen, heeft artikel 11 Besluit WWB jo. onderdeel A van de bijlage van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid hetzelfde gevolg) bewoont geen woning en kan ook geen kosten delen met anderen. Er wordt dan ook een toeslag toegekend van 20%. Deze toeslag wordt verlaagd met de verlaging vanwege het ontbreken van woonkosten. Ondanks het feit dat een adresloze geen woning bewoont wordt artikel 5 van de Verordening van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit geldt ook voor de adresloze die gebruik maakt van de nachtopvang van instellingen als d'n Herd en De Oversteek en de adresloze die alleen een briefadres heeft op het adres Churchilllaan 109, van BJ-Brabant of de LEV-groep. Indien blijkt dat de adresloze aantoonbaar meer kosten heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, kan op grond van artikel 18 lid 1 WWB individualisering plaatsvinden.

 

Thuislozen die verblijven in d'n Herd vallen niet onder het begrip 'adreslozen'. Zij staan ingeschreven in d'n Herd en kunnen aanspraak maken op een toeslag van 7%. Evenals alleenstaande (ouders) die verblijven in instellingen als De Koning, De Passages, sociaal pension of begeleid wonen, er geldt dat zij de kosten van het bestaan niet geheel met die andere medebewoners kunnen delen. Zij komen dan ook in aanmerking voor een toeslag van 7%.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B051 Verlaging algemene bijstand gezin

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 26 en 30 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B051 Verlaging algemene bijstand gezin

 

Artikel I

 

Richtlijn B051 wordt als volgt ingevuld:

 

De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 (zie bijlage GB01) kent in artikel 4 de volgende verlagingen toe bij een gezin:

 

Categorie

Verlaging

Gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder 1e en 2e, WWB in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft

0%

Gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder 1e en 2e, WWB in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf heeft of dat in de woning van één ander haar hoofdverblijf heeft

13%

Gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder 1e en 2e, WWB in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben of dat in de woning van een ander haar hoofdverblijf heeft, waarbij ook twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben

20%

Gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder 1e en 2e, WWB in wiens woning een thuisinwonend kind woont van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000

0%

 

Uitdrukkelijk geldt dat wanneer er inwonende andere kinderen zijn die wel geacht kunnen worden bij te dragen in de vaste lasten, het gestelde onder het laatste punt niet opgaat.

 

Voor gehuwden die beiden verblijven in instellingen als D'n Herd, De Koning, De Passages, sociaal pension of begeleid wonen, geldt dat zij de kosten van het bestaan met meerdere anderen kunnen delen. Voor hen geldt dus een verlaging van 20%.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B052 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 27 en 30 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B052 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken van woonlasten

 

Artikel I

 

Richtlijn B052 wordt als volgt ingevuld:

 

Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier is nadrukkelijk ook onder begrepen de situatie waarin belanghebbende geen woning bewoont. Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. De wetgever heeft hiertoe in artikel 27 WWB een aparte rechtsgrond opgenomen, omdat de in artikel 25 WWB en artikel 26 WWB genoemde rechtsgrond voor een toeslag en verlaging uitsluitend ziet op het kunnen delen van de kosten met een ander.

 

Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is (zie CRvB 03-01-2006, nr. 05/5952 WWB). Hiervan is echter ook sprake in geval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.

 

De woonkosten kunnen verder opgesplitst worden. Naast huur en hypotheek, kunnen er ook andere kosten onder vallen, zoals in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en reserveringen voor onderhoud. Het ontbreken van deze kosten rechtvaardigen een lager bedrag aan algemene bijstand.

 

Als in een bepaald geval geen huur- of hypotheeklasten verschuldigd zijn, is dat niet in alle gevallen zonder meer voldoende reden voor de verlaging, omdat er ook andere jegens een derde verschuldigde woonlasten kunnen zijn. Als de verordening een verlaging voorschrijft wegens het ontbreken van de kosten van huur of hypotheek, zal het college in voorkomende gevallen zonodig met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de hoogte van de bijstand afwijkend moeten vaststellen (vergelijk Rechtbank 's-Hertogenbosch 30-08-2010, nr. AWB 09/1372).

 

De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 (zie bijlage GB01) maakt in artikel 5 gebruik van de mogelijkheid die de WWB geeft, om een speciale verlaging toe te passen indien de belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn.

 

De bijstandsnorm van de belanghebbende die een woning bewoont waaraan geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden (zie hiervoor de begripsomschrijving opgenomen in artikel 1, tweede lid, onderdeel e van de Toeslagenverordening), wordt verlaagd met het bedrag dat gelijk is aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag. Als er sprake is van extra kosten die samenhangen met het ontbreken van woonkosten kan de verlaging worden verminderd met een bedrag dat met die extra kosten overeenkomt.

 

In beginsel wordt uitgegaan wordt van de vaste korting gelijk aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag.

 

In individuele gevallen kan deze worden verminderd omdat de belanghebbende kosten in verband met het wonen heeft die niet onder de definitie van woonkosten vallen. Bijvoorbeeld de kraker die geen huur betaalt, maar gezien de staat van het pand wel kosten van groot onderhoud moet maken. Soms zou misschien aan een hogere korting gedacht kunnen worden (bijv. bij een grote woning). Juist in die situaties zullen zich echter vaak andere kosten voordoen, waarvoor de vaste verlaging dan nog ruimte laat.

 

Afwijkingen in de hoogte van de vaste korting dient te worden beoordeeld op grond van artikel 18 lid 1 en lid 4 WWB.

 

De verlaging geldt indien er voor de woning in het geheel geen woonkosten verschuldigd zijn. Daarnaast geldt ingevolge jurisprudentie dat deze verlaging ook in het geval de ex-partner de woonkosten van de woning blijft voldoen (CRvB 20-01-2001, nr. 99/644 NABW).

 

Voor de specifieke regels omtrent daklozen wordt verwezen naar paragraaf B6.9 onderdeel 6 inzake adreslozen, richtlijn B059. Wanneer de belanghebbende die geen woning bewoont onderdak (of een postadres) heeft gevonden bij het AMW, BJ-Brabant of De Oversteek wordt als volgt gehandeld:

 

AMW of BJ-Brabant

Cliënten van het AMW of BJ-Brabant komen voor bijstand, met de instelling als postadres, in aanmerking onder de volgende voorwaarden:

  • *

    Betrokkenen verblijven in, en hebben een langdurige band met, Deurne.

  • *

    De instelling oordeelt de regeling noodzakelijk voor een goed verloop van de hulpverlening.

  • *

    De duur is máximaal 3 maanden; tijdens deze periode wordt alles in het werk gesteld om in Deurne een woning te krijgen.

  • *

    De instelling geeft mutaties onmiddellijk door.

De uitkering bedraagt:

  • *

    voor personen van 21 jaar en ouder:

    • *

      de norm van artikel 21 onderdeel a WWB

    • *

      +20% toeslag omdat betrokkene zijn algemeen noodzakelijke kosten met niemand kan delen

    • *

      -/- het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten.

  • *

    voor 18 t/m 20-jarigen:

    • *

      de norm van artikel 20 lid 1 onderdeel a WWB

    • *

      als recht bestaat op bijzondere bijstand ingevolge artikel 12 WWB:

      • *

        + aanvulling zodanig vastgesteld dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 20 lid 1 onderdeel a WWB + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) overeenkomt met de hoogte van de bijstandsuitkering (norm + toeslag - verlaging) die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar (zie richtlijn nr.B079).

      • *

        -/-het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten; dit bedrag wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.

         

De Oversteek

Betreft: mensen in de nachtopvang van De Oversteek. Een aanzuigende werking op mensen van buiten Deurne moet worden voorkomen. Daarom gelden o.a. de volgende afspraken:

  • *

    De Oversteek stuurt iemand pas door voor een bijstandsaanvraag na een wachttijd van 5 dagen waarin wordt bekeken of hij in de nachtopvang blijft.

  • *

    De belanghebbende meldt zich, met een geldige legitimatie + een verklaring van D'n Herd over het verblijf in de nachtopvang, bij de Stadswinkel voor inschrijving in het bevolkingsregister op het adres van De Oversteek, Kasteeltraverse 102.

  • *

    Met dezelfde gegevens meldt hij zich bij het Werkplein voor de bijstandsaanvraag. W&I grijpt voor wat betreft de ingangsdatum van de uitkering terug op de datum van aanvang van het verblijf in De Oversteek.

  • *

    De Oversteek verstrekt aan het einde van elke maand een overzicht van het aantal malen dat elke cliënt daar nachtrust heeft gehad + een nota van het totaal aantal overnachtingen.

  • *

    W&I blokkeert maandelijks de uitkering. Heeft de cliënt nog recht dan wordt het bedrag van de nota rechtstreeks aan De Oversteek voldaan; het restant wordt -behoudens andere inhoudingen- aan belanghebbende betaald.

  • *

    Heeft de belanghebbende gedurende een volle kalendermaand niet in de nachtopvang verbleven, dan wordt de uitkering beëindigd per de eerste van die maand. De Oversteek zorgt dan ook voor uitschrijving bij de Stadswinkel.

Voor de hoogte van de uitkering worden mensen in de nachtopvang geacht niet alle kosten te kunnen delen. Voor de alleenstaande van 21 t/m 64 jaar oud betekent dit dus 7% toeslag.

Zie voor specifieke regels met betrekking tot daklozen ook B6.9.6.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B053 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters

Het college van burgemeester en wethouders,

 

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 28 en 30 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B053 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters

 

 

Artikel I

 

Richtlijn B053 wordt als volgt ingevuld:

 

Een schoolverlater is niet uitgesloten van het recht op uitkering. Echter, gedurende het eerste half jaar na beëindiging van de opleiding wordt de uitkering verlaagd. De verlaging bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief de toeslag (indien het een alleenstaande (ouder) betreft) en het van toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid, WWB bij aanvang van de bijstandsverlening.

 

Tijdstip van beëindiging deelname aan onderwijs of beroepsopleiding

De schoolverlaterperiode vangt aan op het tijdstip waarop de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding eindigt. Deelname aan onderwijs of beroepsopleiding is beëindigd op het moment waarop geen aanspraak meer bestaat op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van respectievelijk de WSF 2000 en de Wtos. (De aanspraak eindigt dan altijd op een eerste van de maand.)

 

Onderbreken van de bijstandsverlening tijdens de schoolverlatersperiode

Het aanvaarden van werk voor kortere of langere duur schort de termijn van de verlaging niet op. Een 24-jarige schoolverlater die op 23 december is afgestudeerd, krijgt dus in de periode januari t/m juni te maken met de schoolverlatersverlaging. Gaat hij in maart en april werken dan schort dit de termijn van de verlaging niet op. Vanaf juli wordt de verlaging niet meer toegepast. Vraagt hij pas in april bijstand aan, dan geldt eveneens dat de verlaging vanaf juli niet meer wordt toegepast.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

 

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B054 Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c, 25, eerste lid, 29 en 30 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B054 Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar

 

Artikel I

 

Richtlijn B054 wordt als volgt ingevuld:

 

Indien de bijstandsuitkering van de 21- en 22-jarige alleenstaande die een toeslag ontvangt in verband met het niet of het niet geheel kunnen delen van de bestaanskosten met een ander (artikel 2 en 3 van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012) meer bedraagt dan 75% van het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon als bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, wordt de toeslag zodanig verlaagd dat de uitkering maximaal deze 75% bedraagt.

 

Hier is voorzien in een aanpassing van de toeslag voor 21- en 22-jarigen. De uitkering zou anders meer kunnen bedragen dan het voor de betreffende leeftijdscategorie geldende minimumloon. Met de aftopping van de uitkering op 75% van het minimumloon blijft er voldoende stimulans tot werken bestaan.

 

Let op: de verlaging voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar heeft dus alleen betrekking op de toeslag.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

 

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B055 Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B055 Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand

 

Artikel I

 

Richtlijn B055 wordt als volgt ingevuld:

 

Bij samenloop (bv. bij verlaging algemene bijstand schoolverlaters en bij verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar) dient er volgens de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Deurne 2012 twee verschillende verlagingen plaats te vinden. Wanneer er sprake is van twee (of meer) toepasselijke verlagingen prevaleert de verlaging in verband met recente beëindiging van onderwijs/opleiding, en vinden derhalve de andere verlaging(en) niet plaats, zolang er sprake is van recent beëindigen van onderwijs of beroepsopleiding.

 

In artikel 8 van de Toeslagenverordening is opgenomen dat de toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 van de verordening zodanig geschiedt dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt:

a) 50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;

b) 70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;

c) 80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

 

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B056 Ingangsdatum normwijziging bij kind dat 18 jaar wordt

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 4 Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn B056 Ingangsdatum normwijziging bij kind dat 18 jaar wordt

 

Artikel I

 

Richtlijn B056 wordt als volgt ingevuld:

 

De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de dag dat het laatste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of niet meer door belanghebbende verzorgd wordt.

 

Artikel II

 

De gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Hoofdstuk 12 Onderzoeken

Richtlijn B127 Frequentie heronderzoeken

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 53a, negende lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de invulling van richtlijn B127 Frequentie heronderzoeken

 

Artikel I

 

Richtlijn B127 wordt als volgt ingevuld:

 

Conform onderzoeksschema WWB/IOAW/IOAZ

 

Artikel II

 

Deze richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012

 

Richtlijn B128 Procedure heronderzoeken

Het college van burgemeester en wethouders,

 

Gelet op artikel 53a, eerste en negende lid, Wet werk en bijstand (WWB)

 

B e s l u i t

 

Vast te stellen de invulling van richtlijn B128 Procedure heronderzoeken

 

Artikel I

 

Richtlijn B128 wordt als volgt ingevuld:

 

Conform onderzoeksschema WWB/IOAW/IOAZ

 

Artikel II

 

Deze richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2012.  

Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 juni 2011 vastgestelde richtlijn ingetrokken.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 november 2012,

De secretaris, De Voorzitter,

 

(mr. G.J.C. Kusters) (H.J. Mak)

 

Bekend gemaakt op:

8 november 2012