Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Deurne

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen (Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDeurne
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen (Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020)
CiteertitelVerordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening onroerende- zaakbelastingen Deurne 2019.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 220 van de Gemeentewet
  2. artikel 220a van de Gemeentewet
  3. artikel 220b van de Gemeentewet
  4. artikel 220c van de Gemeentewet
  5. artikel 220d van de Gemeentewet
  6. artikel 220e van de Gemeentewet
  7. artikel 220f van de Gemeentewet
  8. artikel 220h van de Gemeentewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020nieuwe regeling

05-11-2019

gmb-2019-302777

Nr. 67a

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deurne houdende regels omtrent de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen (Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020)

DE RAAD VAN DE GEMEENTE DEURNE

 

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 oktober 2019, nr. 67;

 

gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

 

 

BESLUIT:

 

vast te stellen de Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gebruikersbelasting: een te heffen belasting van een gebruiker;

  • b.

    gebruiker: degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

  • c.

    eigenarenbelasting: een te heffen belasting van een eigenaar;

  • d.

    eigenaar: degene die volgens kadastrale registratie bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

  • e.

    wet: de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 2 Aard van de belastingen

Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken de volgende directe belastingen geheven:

  • a.

    een gebruikersbelasting;

  • b.

    een eigenarenbelasting.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig ingevolge deze verordening zijn:

    • a.

      de gebruiker;

    • b.

      de eigenaar.

  • 2.

    Bij de gebruikersbelasting wordt:

    • a.

      gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; laatstbedoelde is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de deelgebruiker;

    • b.

      het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

Artikel 4 Belastingobject

  • 1.

    Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de wet.

  • 2.

    Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de wet is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de wet voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar.

  • 2.

    Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de wet.

Artikel 6 Vrijstellingen

  • 1.

    Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3 wordt buiten beschouwing gelaten, de waarde van:

    • a.

      voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, en de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare samenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuur-schoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder begrepen duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten behoeve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente;

    • l.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

  • 2.

    De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

  • 3.

    In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten beschouwing gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

  • 4.

    De belasting bedoeld in artikel 2 onder a wordt niet geheven ten aanzien van bouwterreinen.

Artikel 7 Belastingtarieven

  • 1.

    Het belastingtarief bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:

    • a.

      de gebruikersbelasting: 0,1752 %

    • b.

      de eigenarenbelasting:

      • voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1341 %

      • voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,2043 %

  • 2.

    Aanslagbedragen tot € 5,00 worden niet ingevorderd. Hierbij wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één aanslagbedrag.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslag(en) moet(en) worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. De tweede termijn vervalt twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid moet(en), indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslag(en) worden betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van het aanslagbiljet. De volgende termijnen vervallen telkens een maand later.

  • 3.

    Automatische incasso is slechts mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en bestuurlijke boetes minder is dan € 5.000,00.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.

Artikel 10 Nadere regels door het Dagelijks Bestuur

Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaak-belastingen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van deze belasting kan kwijtschelding worden verleend.

Artikel 11 Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  • 3.

    Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2019 van 6 november 2018 ingetrokken.

  • 4.

    De verordening als bedoeld in het derde lid blijft van toepassing op belastbare feiten die zich voor 1 januari 2020 hebben voorgedaan.

  • 5.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Deurne 2020”.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 november 2019.

De griffier,

R.J.C.M. Rutten.

De voorzitter,

H.J. Mak.