Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Dordrecht

Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieDordrecht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingMandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
CiteertitelMandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

nieuwe regeling (zonder asbestbijlage) is gepubliceerd op 19-04-2019

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht
  2. https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Strijen/329749/329749_1.html
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

12-02-20201e wijziging ( mandaatlijst 30).

21-01-2020

gmb-2020-35533

11-04-201912-02-2020nieuwe regeling

26-03-2019

gmb-2019-86385

Tekst van de regeling

Intitulé

Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Besluit van de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenteDordrecht, houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de directeur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

 

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, ieder voor zover bevoegd

 

gelet op

  • -

    afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid;

 

besluit

vast te stellen:

het Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

 

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst;

  • b.

    burgemeester: de burgemeester van de gemeente;

  • c.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • d.

    directeur: de directeur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 23 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid;

  • e.

    gemeente: de gemeente Dordrecht;

  • f.

    medewerkers: functionarissen werkzaam bij de Omgevingsdienst. Hieronder worden verstaan zij die zijn aangesteld krachtens publiekrecht, zij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan en zij die op basis van een overeenkomst van opdracht bij de Omgevingsdienst werkzaam zijn;

  • g.

    Omgevingsdienst: het openbaar lichaam Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, bedoeld in artikel 2 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid.

 

Artikel 2 Mandaat

  • 1.

    Aan de directeur wordt, voor zover het bevoegdheden van de burgemeester en het college betreft, mandaat verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende mandaatlijst.

  • 2.

    Mandaten kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van besluiten die voortvloeien uit of verband houden met een ander besluit waartoe de directeur bevoegd is krachtens dit mandaatbesluit.

  • 3.

    Indien ten gevolge van wijziging van wet- en regelgeving bevoegdheden, als bedoeld in de bij dit besluit behorende mandaatlijst gaan strekken ter uitvoering van andere wet- en regelgeving dan waarvan zij ten tijde van het in werking treden van dit besluit strekten, dan wel indien in de uitoefening ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de bevoegdheden zoals genoemd in de bij dit besluit behorende mandaatlijst, die aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.

     

Artikel 3 Ondermandaat

  • 1.

    De directeur kan de bevoegdheden, genoemd in artikel 2, eerste lid, in ondermandaat opdragen aan medewerkers.

  • 2.

    Artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4 en artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van bevoegdheden in ondermandaat.

     

Artikel 4 Machtiging

De directeur, alsmede de medewerkers van de Omgevingsdienst aan wie overeenkomstig artikel 3, eerste lid, ondermandaat is gegeven, zijn gemachtigd om namens het college of de burgemeester aan de gemandateerde bevoegdheden gelieerde feitelijke handelingen te verrichten, zijnde handelingen die geen rechtsgevolg hebben.

 

Artikel 5 Kaders en beleid

  • 1.

    De directeur betrekt bij de uitoefening van de aan hem opgedragen bevoegdheden het beleid van de burgemeester en het college ter zake, alsmede de door de gemeenteraad van de gemeente vastgestelde kaders.

  • 2.

    De directeur neemt bij de aan hem in mandaat opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van de burgemeester en het college in acht, als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    De burgemeester en het college treden bij voorgenomen nieuw beleid of beleidswijzigingen in overleg met de Omgevingsdienst inzake uitvoeringsaspecten indien dat beleid raakt aan de taken en bevoegdheden die de Omgevingsdienst uitvoert.

  • 4.

    De burgemeester en het college zenden de directeur alle benodigde informatie noodzakelijk voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid.

  • 5.

    Indien de directeur in afwijking van het bepaalde in het eerste lid wenst te besluiten, treedt hij hierover in overleg met de burgemeester of het college.

     

Artikel 6 Informatieplicht

  • 1.

    Een ieder aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat of ondermandaat is verleend informeert de burgemeester of het college bij zwaarwegende omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, heeft de directeur een aan de uitoefening van de bevoegdheid voorafgaande informatieplicht en een signaleringsplicht jegens de burgemeester en het college indien de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid voor de burgemeester of het college naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de gemeente aansprakelijk zal worden gesteld of anderszins aangesproken zal worden. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur alle benodigde informatie en voert hij overleg met de burgemeester of het college alvorens de bevoegdheden bedoeld in artikel 2 uit te oefenen.

     

Artikel 7 Ondertekening

Indien een brief wordt ondertekend of een besluit wordt genomen bij of krachtens dit mandaatbesluit wordt bij de ondertekening aangegeven dat dit namens het bevoegde bestuursorgaan is gedaan.

 

Artikel 8 Slotbepalingen

  • 1.

    Met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit worden ingetrokken het Mandaatbesluit Omgevingsdienst ZHZ 2013 gemeente Dordrecht van [datum] en alle bijbehorende wijzigingsbesluiten.

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag nadat het overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt in het Gemeenteblad van de gemeente Dordrecht.

  • 3.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

 

Aldus besloten door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht op dinsdag 26 maart 2019.

de secretaris, de burgemeester,

De burgemeester,

MANDAATLIJST als bedoeld in artikel 2 van het Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

 

 

Bevoegdheden

Toelichting/voorwaarden

 

ALGEMEEN

1.

Het uitoefenen van proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures.

Betreft proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures zoals het voeren van verweer indien het besluit in mandaat is genomen door de directeur of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende medewerker en het vragen van uitstel van behandeling van bezwaar- en beroepszaak.

2.

De bevoegdheid tot het machtigen van medewerkers om de burgemeester of het college te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures.

 

3.

De bevoegdheid tot het machtigen van medewerkers om namens de burgemeester of het college binnen de grenzen van het geschil en het daarmee gepaarde gaande financiële belang, mee te werken aan finale geschillenbeslechting en toezeggingen ten aanzien daarvan te doen.

Betreft de werkwijze 'Nieuwe zaaksbehandeling'. Afstemming vindt plaats met de gemeente.

4.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van:

  • a.

    artikel 4:5 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het niet behandelen van een aanvraag en het afdoen van een nieuwe aanvraag na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking;

  • b.

    artikel 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het horen van de aanvrager en de belanghebbende;

  • c.

    afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de beslistermijn;

  • d.

    titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht inzake bestuursrechtelijke geldschulden, m.u.v. afdeling 4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht (aanmaning en invordering bij dwangbevel);

  • e.

    artikel 8:29, artikel 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b van de Algemene wet bestuursrecht inzake geheimhouding, de bestuurlijke lus en tussenuitspraak;

  • f.

    afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

 

5.

De bevoegdheid tot het aanvragen en verantwoorden van subsidies, voor zover het bevoegdheden van het college betreft, op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies.

Mits en voor zover de vertegenwoordiger van de gemeente in het algemeen bestuur heeft aangegeven akkoord te gaan met het aanvragen van de betreffende subsidie namens zijn gemeente in het geval sprake is van de uitvoering van programmataken, als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

6.

Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bevordering. integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Omvat mede het, voorafgaand aan het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob, uit te voeren eigen onderzoek, alsmede het nemen van besluiten op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

7.

Het uitoefenen van bevoegdheden op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Het mandaat omvat zowel de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot passieve openbaarmaking (artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur), als tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot actieve openbaarmaking (artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur).

 

VERGUNNINGVERLENING

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

8.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en procedurehandelingen in het kader van voorbereidingsprocedures op grond van Hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Aanvragen voor afwijkingen bestemmingsplan, monumenten, inritten en het kappen van bomen worden voor advies voorgelegd aan de gemeente.

Het vergunningonderdeel verkeer wordt voor advies voorgelegd aan de gemeente.

9.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten over, op grond van wet- en regelgeving of vergunningvoorschriften, te overleggen meldingen, rapportages en soortgelijke documenten.

 

 

Wet milieubeheer

10.

De bevoegdheid tot het in behandeling nemen en beoordelen van meldingen en het nemen van besluiten ingevolge het gestelde bij of krachtens de artikelen in paragraaf 8.1 van de Wet milieubeheer.

 

11.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer inzake milieueffectrapportage, in het kader van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Betreft de procedurestappen, het advies reikwijdte en detailniveau milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) en het besluit m.e.r.-beoordeling.

 

Waterwet

12.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten ingevolge artikel 3.8 van de Waterwet inzake het zorgdragen voor de met het oog op een doelmatig en samenhangend waterbeheer benodigde afstemming van taken en bevoegdheden, voor zover het betreft de indirecte lozingen van inrichtingen.

Betreft de samenwerking met de waterbeheerder bij het stellen van voorschriften voor indirecte lozingen bij inrichtingen.

 

Wet vervoer gevaarlijke stoffen

13.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 29 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen inzake het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 28 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

 

 

Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen

14.

Het opmaken van een processen-verbaal van constatering, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b van de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen.

 

15.

Het opmaken van schriftelijke verklaringen, strekkende tot het signaleren van een wijziging in de feitelijke situatie die van invloed is op een of meer in de gebouwenregistratie opgenomen gegevens en die niet voortvloeit uit een krachtens de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen aangewezen brondocument.

 

16.

De bevoegdheid tot het toekennen van nummeraanduidingen aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet Basisregistraties adressen en gebouwen.

 

 

Wet bodembescherming

17.

De bevoegdheden tot het nemen van besluiten inzake:

a) ernst, spoed en tijdstip

b) saneringsplan

c) evaluatierapport

d) nazorgplan

en het beoordelen van meldingen op grond van het Besluit uniforme saneringen (BUS) en van monitoringsrapporten.

 

 

Besluit bodemkwaliteit

18.

Het toetsen van meldingen inzake het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

 

 

Besluit lozen buiten inrichtingen

19.

Het in ontvangst nemen en behandelen van een melding als bedoeld in artikel 1.10 en 1.10a van het Besluit lozen buiten inrichtingen, alsmede de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 3 en 3a van dat besluit.

 

 

Vuurwerkbesluit

20.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van het Vuurwerkbesluit inzake het stellen, wijzigen, aanvullen en intrekken van maatwerkvoorschriften.

 

 

Algemene plaatselijke verordeningordrecht

21.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten, het in ontvangst nemen van een melding en het uitvoeren van een beoordeling op grond van de artikelen: 2:1, 2:3, 2:6, 2:9, 2:10A, 2:11, 2:12, 2:21A, 2:22, 2:25, 2:25A, 2:28, 2:28B, 2:28G, 2:29, 2:30, 2:34A, 2:39B, 2:41, 2:41A, 2:64, 3:4, 3:4B, 3:6, 3:7, 3:13A, 4:3, 4:6, 4:11, 4:12A, 4:18, 5:2, 5:3, 5:6, 5:7, 5:8, 5:11, 5:13, 5:18 juncto 5:18C lid 1 sub g, 5:23, 5:24, 5:33 vijfde lid, 5:34, 5:36, derde lid alsmede de daarmee samenhangende overige rechtshandelingen en overige publiekrechtelijke toestemmingen.

Waar aan de orde, is de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels uitgesloten van dit mandaat.

In geval van intrekking van de vergunning of ontheffing vindt afstemming met de gemeente plaats.

 

Drank- en horecawet en Drank- en horecaverordening Dordrecht

22.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 2 en 7 van de Drank- en horecaverordening Dordrecht

 

23.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 3, 4, vierde lid, 30A, 30, 31, 32, 35 van de Drank- en horecawet.

In geval van intrekking van de vergunning vindt afstemming met de gemeente plaats.

24.

Het vragen van advies aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de Drank- en horecawet.

 

 

Wet op de kansspelen

25.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 3, 7c, 30b tot en met 30f van de Wet op de kansspelen.

 

 

Wet explosieven voor civiel gebruik

26.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 10, 11 en 12 van de Wet explosieven voor civiel gebruik inzake het overbrengen van explosieven.

 

 

Zondagswet

27.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake het verlenen van een ontheffing op grond van de bepalingen van de Zondagswet.

 

 

Wegenverkeerswet 1994, Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, Regeling verkeersregelaars 2009

28.

De bevoegdheid tot het aanstellen van verkeersregelaars en het intrekken van deze aanstelling op grond van de artikelen 56 en 58 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de Regeling verkeersregelaars 2009.

 

29.

De bevoegdheid tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de afgifte van een verklaring van geen bezwaar indien de ontheffing als bedoeld in artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 wordt verleend door gedeputeerde staten of door de Minister.

Het onderdeel verkeer wordt voor advies voorgelegd aan de gemeente.

 

Huisvestingswet en Huisvestingsverordening gemeente Dordrecht

30.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 30 van de Huisvestingswet en paragraaf 3.1 van de Huisvestingsverordening van de gemeente inzake het onttrekken, samenvoegen en omzetten van woonruimte, alsmede de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 33 van de Huisvestingswet, paragraaf 3.2 van de Huisvestingsverordening van de gemeente inzake de splitsing in appartementsrechten en paragraaf 3.3 van de Huisvestingsverordening van de gemeente inzake de woningvorming.

 

 

Woningwet, Bouwbesluit en Bouwverordening gemeente Dordrecht

31.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten, het in ontvangst nemen van een melding, het uitvoeren van een beoordeling en het aanwijzen van special coverage locations op grond van de artikelen 1.17, 1.18, 1.19, 1.20, 1.21, 1.22, 1.24, 1.25, 1.26, 1.28, 1.29, 1.30, 1.33, 6.18, 6.20, 6.23, 6.30, 6.36, 6.37, 6.38, 6.40, 7.6, 7.20, 8.3, 8.4 en 8.7 van het Bouwbesluit 2012 alsmede de daarmee samenhangende overige rechtshandelingen en overige publiekrechtelijke toestemmingen.

 

32.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van de Bouwverordening, voor zover het betreft:

  • a.

    De bevoegdheid om te beslissen over het geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 2.1.5;

  • b.

    De bevoegdheid tot het opleggen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, als bedoeld in artikel 2.4.2.

 

 

Wet veiligheidsregio’s, besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen

33.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van de artikelen 2.1 en 2.5 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

 

 

Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels

34.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 8, eerste lid, inzake het openstellen van een tunnel voor het verkeer.

 

 

Wet openbare manifestaties

35.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 5 inzake het stellen van voorschriften en beperkingen.

 

 

TOEZICHT EN HANDHAVING

36.

De bevoegdheid tot het aanwijzen van medewerkers belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

  • a.

    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten;

  • b.

    het Vuurwerkbesluit, de Huisvestingswet, de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de Wet veiligheidsregio’s;

  • c.

    de verordeningen van de gemeente, voor zover de bevoegdheid daartoe is opgenomen in deze mandaatlijst.

 

37.

Het voeren van correspondentie in het kader van toezicht en handhaving, waaronder in ieder geval begrepen:

  • -

    een bezoekbevestigingsbrief;

  • -

    een constateringsbrief;- een voorwaarschuwingsbrief;

  • -

    een vooraankondiging last onder bestuursdwang of last onder dwangsom of hoorbrief;

  • -

    vorderingen om informatie in het kader van de controle op de naleving van regelgeving, alsmede de reacties op de in dit kader toegezonden informatie (artikel 5.16 Algemene wet bestuursrecht).

 

38.

De bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:

  • a.

    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten, juncto 5.2 van die wet;

  • b.

    de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening van de gemeente;

  • c.

    het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen;

  • d.

    de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente;

  • e.

    de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels;

  • f.

    het Vuurwerkbesluit.

Uitoefening van toezicht van het bepaalde bij of krachtens het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen en de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente geschiedt in overleg met de gemeente.

Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer wordt zo spoedig mogelijk doorgemeld aan de burgemeester van de gemeente.

39.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van:

  • a.

    de afdelingen 5.3.1 en 5.3.2 van Titel 5.3 (Herstelsancties) van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 125 van de Gemeentewet;

  • b.

    de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 125 van de Gemeentewet op verzoeken van derden om handhavend op te treden;

  • c.

    de artikelen 5.14 tot en met 5.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht inzake het opleggen van de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom;

  • d.

    de artikelen 13 en 13A van de Woningwet inzake het verplichten tot het treffen van voorzieningen aan een gebouw of een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, alsmede het nemen van besluiten op grond van artikel 15 van de Woningwet strekkende tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom;

  • e.

    op grond van artikel 92 van de Woningwet juncto de artikelen 5.2, tweede lid, en 5.3 tot en met 5.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • f.

    artikel 13B van de Opiumwet;

  • g.

    artikel 174a van de Gemeentewet.

 

 

 

Bijlage Beleid inzake asbestverwijdering OZHZ

Onderstaand beleid inzake asbestverwijdering OZHZ is een aanvulling op de Nota 'VTH beleid gemeentelijke taken Zuid-Holland Zuid 2018 – 2022, uitvoeringskaders en strategieën voor Wabo-taken vergunningverlening, toezicht en handhaving in Zuid-Holland Zuid'.

 

Uniforme aanpaksystematiek OZHZ asbestverwijdering

Het toezicht wordt risico-gestuurd geprogrammeerd. Alle meldingen worden administratief gecontroleerd. Dit houdt in dat voorafgaand aan de verwijdering wordt gekeken naar de soort verwijdering en de uitvoerder. Op basis hiervan wordt besloten of een controle op locatie (initiële controle) wenselijk is. Na de verwijdering wordt gecontroleerd of de vrijgave en stortbonnen correct worden aangeleverd en worden deze inhoudelijk gecontroleerd.

 

Landelijk wordt een lijst van aandachtbedrijven bijgehouden, middels de lijst 'asbestmeldingen in de toekomst' van Omgevingsdienst NL, voorheen Inspectie Asbest Alerts (IAA). Deze aandachtbedrijven staan bekend om een minder goed naleefgedrag. In de keuze voor de initiële controle wordt meegewogen of een bedrijf als aandachtbedrijf op deze lijst staat.

 

Het risico wordt dus bepaald door het soort (asbest)sanering en het nalevingsgedrag van het verwijderingsbedrijf.

 

Samengevat bestaat het risico-gestuurd toezicht op meldingen uit:

 

Risicoklasse

Soort

Percentage toezicht

Frequentie

Klasse 1

Steekproef op locatie

10%

1 op 10

Klasse 2

Steekproef op locatie

25%

1 op 4

Klasse 2A

IAA controle 

50%

1 op 2

Klasse 2A

Overige bedrijven

50%

1 op 2

 

In geval van handhaving wordt gewerkt volgens de bestuurlijk vastgestelde handhavingsstrategie in ZHZ. In gevallen dat strafrechtelijke vervolging noodzakelijk is zal afstemming plaatsvinden met de Ketenpartners (I-SZW en Politie).