Regeling vervallen per 07-03-2015

Verordening burgerinitiatief Fryslân

Geldend van 07-03-2015 t/m 06-03-2015

Intitulé

Verordening burgerinitiatief Fryslân

PROVINCIALE STATEN van FRYSLAN;

Gelezen het voorstel van de stuurgroep Duaal Bestjoere van 14 maart 2003,

Overwegende dat per 12 maart 2003 de Provinciewet is gewijzigd in het kader van de dualisering van het provinciebestuur en dat als gevolg daarvan werkwijzen en regelingen wijzigen

Gelezen het voorstel en de overwegingen van de stuurgroep d.d. 14 maart 2003

B e s l u i t e n :

1. Als toegelicht in het voorstel, pagina ‘s 23 t/m 24 en gelet op artikel 145 van de Provincie de Verordening Burgerinitiatief Fryslân vast te stellen conform de bij dit besluit gevoegde bijlage 2. De Verordening Burgerinitiatief Fryslân te publiceren in het Provincieblad 3. De Verordening Burgerinitiatief Fryslân in werking te laten treden zes weken na publicatie in het Provinciaal Blad

(laatstelijk gewijzigd op 24 april 2013)

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder een burgerinitiatiefvoorstel: een voorstel van een initiatiefgerechtigde om een onderwerp op de agenda van de vergadering van provinciale staten te plaatsen.

Artikel 2

  • 1. Provinciale staten plaatsen een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van hun vergadering indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.

  • 2. Ongeldig is het verzoek dat:

    • a.

      niet door ten minste 1500 initiatiefgerechtigden van de provincie Fryslân wordt ondersteund;

    • b.

      een onderwerp als bedoeld in artikel 4 bevat, of

    • c.

      niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5.

Artikel 3

  • 1 Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van provinciale staten alsmede ingezetenen van de provincie van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van provinciale staten.

  • 2 Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigdheid is voldaan, is de toestand op de dag van indiening van het verzoek bepalend.

Artikel 4

Een burgerinitiatiefvoorstel houdt niet in:

  • a.

    een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van provinciale staten;

  • b.

    het verzoek om te handelen in strijd met wettelijke termijnen of aangegane verplichtingen van vastgesteld provinciaal beleid;

  • c.

    een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over een gedraging van het provinciaal bestuur;

  • d.

    een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van het provinciaal bestuur, of

  • e.

    een onderwerp waarover tijdens de statenperiode waarin indiening van het voorstel plaatsvindt door provinciale staten een besluit is genomen

  • f.

    een onderwerp betreffende provinciale belastingen en/of leges of

  • g.

    een onderwerp dat de persoonlijke levenssfeer betreft.

Artikel 5

  • 4  Voor het indienen van de ondersteuningsverklaringen wordt gebruik gemaakt van het modelformulier II dat bij deze verordening is gevoegd.

Artikel 6

  • 1 Provinciale staten beslissen in de eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van provinciale staten wordt geplaatst, met dien verstande dat ten minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het verzoek en de dag van de vergadering waarin op het verzoek wordt beslist.

  • 2 Indien provinciale staten het verzoek afwijzen wegens strijd met artikel 4, onder a, kunnen provinciale staten het voorstel doorzenden aan gedeputeerde staten.

  • 3 Indien provinciale staten het verzoek toewijzen, dan agenderen zij het burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende vergadering van provinciale staten.

  • 4 De voorzitter van provinciale staten nodigt de verzoeker schriftelijk uit voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatiefvoorstel mondeling nader toe te lichten.

  • 5 Zo spoedig mogelijk nadat provinciale staten over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in het Provinciaal Blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

  • 6 Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan verzoeker.

Artikel 7

De voorzitter van provinciale staten brengt over elk jaar een verslag uit over de werking van het recht van burgerinitiatief in de praktijk.

Artikel 8

Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening burgerinitiatief Fryslân en treedt zes weken na haar bekendmaking in werking.

Ondertekening

Leeuwarden, 20 maart 2003
voorzitter drs. E.H.T.M. Nijpels
griffier O. Bijlsma

Bijlage 1

bijlagen/file/Formulier verzoek burgerinitiatief.pdf

Bijlage II

bijlagen/file/Formulier ondersteuningsverklaringen.pdf

Toelichting verordening Burgerinitiatief

Algemeen Gekozen is voor een eenvoudige en heldere procedure waarbij gebruik is gemaakt van de model-regeling over het burgerinitiatief van de VNG. De onderwerpelijke verordening is één van de voorgestelde materieel-wettelijke structuuraanpassingen die als hefboom moeten gaan dienen voor een proces van bestuurlijke vernieuwing en verandering van de bestaande politiek-bestuurlijke cultuur en praktijk op provinciaal niveau. De formeel-wettelijke aanzet daartoe vormt het wetsontwerp dualisering provinciaal bestuur dat naar verwachting in het voorjaar van 2002 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer ter vaststelling wordt aangeboden.

Artikelsgewijs

Artikel 1 In deze bepaling is er voor gekozen de term “burgerinitiatiefvoorstel” ruim te hanteren. Deze ruime definitie biedt de mogelijkheid dat burgers een onderwerp aan provinciale staten aandragen, zonder dat hierbij een concreet voorstel is gevoegd. Uiteraard hebben burgers ook de vrijheid om een concreet voorstel in te dienen.

Artikel 2 Uit dit artikel volgt dat provinciale staten een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van een vergadering moeten plaatsen indien er sprake is van een geldig verzoek, ingediend door een initiatiefgerechtigde. Provinciale staten zullen zich in dat geval dus in ieder geval moeten uitspreken over het burgerinitiatiefvoorstel. Van een geldig verzoek is sprake als (a) het verzoek door ten minste 1500 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund (bij benadering een pro-mille van het aantal kiesgerechtigden), (b) het onderwerp van het burgerinitiatiefvoorstel niet in artikel 4 is uitgezonderd en (c) aan de in artikel 5 gestelde procedurele voorwaarden wordt voldaan. In artikel 3 (zie hierna) wordt nader omschreven wanneer een persoon initiatiefgerechtigd is. Over het vereiste dat het verzoek door ten minste 1500 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund kan het volgende worden opgemerkt. Het burgerinitiatief biedt burgers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de agenda van provinciale staten. Het is daarom een inbreuk op het uitgangspunt dat provinciale staten hun eigen agenda vaststellen. Dit is alleen gerechtvaardigd als het burgerinitiatiefvoorstel ook daadwerkelijk door een bepaald gedeelte van de bevolking wordt gedragen.

Artikel 3 Het ligt voor de hand het initiatiefrecht toe te kennen aan kiesgerechtigden voor de verkie-zingen van provinciale staten, vanuit de gedachte dat het burgerinitiatief een instrument is om burgers bij de besluitvorming van provinciale staten te betrekken en die te beïnvloeden. Wie kiesgerechtigd is, is vastgelegd in artikel B 3 van de Kieswet. Tevens is het aanbevelenswaardig ook de jeugd in een vroeg stadium trachten te betrekken bij het provinciale politieke ‘bedrijf’. Daarom is gekozen voor een ruimere groep kiesgerechtigden dan bij reguliere verkiezingen.

Artikel 4 De beperkingen die dit artikel stelt aan de inhoud van een burgerinitiatiefvoorstel vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om provinciale staten te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover de staten uit-eindelijk geen beslissende bevoegdheid hebben. Een ander argument voor deze uitzondering is, dat de afstand tussen burger en bestuur alleen maar zou worden vergroot als de burger na het doorlopen van de burgerinitiatiefprocedure te horen krijgt dat provinciale staten niets met het burgerinitiatiefvoorstel kunnen doen, omdat zij er niet over gaan. Een vraag over die in strijd is met wettelijke termijnen of de aangegane verplichtingen van vastgesteld provinciaal beleid kan ook geen onderwerp van een burgerinitiatief zijn. Voor dit soort vragen staan de burger andere wegen open, zoals het spreekrecht in een vergadering van een statencommissie of een spreekuur van een GS-lid. Ook moet voorkomen worden dat het burgerinitiatief andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog hierop is bepaald dat het burgerinitiatiefvoorstel geen bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging van het provinciaal bestuur kan inhouden. Hiervoor heeft de burger andere wegen. Ten slotte is het evenmin de bedoeling dat zaken die recent nog in provinciale staten aan de orde zijn geweest opnieuw onderwerp van bespreking worden als gevolg van een burgerinitiatief. Dit zou de besluitvorming in provinciale staten te zeer kunnen frustreren.

Artikel 5 Het ligt voor de hand om het burgerinitiatiefvoorstel bij de voorzitter van provinciale staten in te laten indienen (momenteel en vooralsnog de commissaris van de Koning). Aan het verzoek is een aantal minimumvereisten gesteld. Het is uit praktische overwegingen zoals uniformiteit, overzichtelijkheid en duidelijkheid raadzaam indiening van een burgerinitiatiefvoorstel plaats te laten vinden door middel van een standaardformulier voor burgerinitiatieven. Op dit formulier zal de verzoeker naast het voorstel plus toelichting, in ieder geval zijn personalia en die van zijn plaatsvervanger moeten aangeven. Ook de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen zullen uiteraard vermeld moeten worden. Om fraude met namen te voorkomen kan naar personalia gevraagd worden als adressen en geboortedata. Met name dat laatste gegeven kan niet aan openbare bronnen als telefoonboeken worden ontleend. Op grond van deze gegevens kan de provincie onderzoeken of het verzoek de steun van voldoende daartoe gerechtigde personen heeft. De Bijlagen 1 en 2 behelzen dergelijke formulieren.

Artikel 6 De burger moet erop kunnen vertrouwen dat provinciale staten zijn voorstel spoedig toetst aan de vereisten en een besluit neemt over de behandeling. Hierin voorziet het eerste lid. Gekozen is voor een termijn (twee weken) die niet te lang is, maar ook niet zo kort dat ze onvoldoende is om het voorstel te kunnen controleren. Verzoeken waarover provinciale staten niet bevoegd zijn kunnen zij doorzenden naar het college. Met het vierde tot en met zesde lid zijn vooral waarborgen gecreëerd voor transparantie bij de afhandeling van een burgerinitiatiefvoorstel door provinciale staten. Op grond van het zesde lid wordt de verzoeker altijd schriftelijk meegedeeld wat er met het ingediende voorstel gebeurt. Dat kan dus een mededeling zijn dat het verzoek wordt afgewezen of een inhoudelijk besluit. Wordt het verzoek tot plaatsing van het burgerinitiatiefvoorstel door provinciale staten afgewezen, dan is er sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep op de rechter openstaan. Besluiten provinciale staten het burgerinitiatiefvoorstel te agenderen, dan is er sprake van een voorbereidingsbeslissing die niet vatbaar is voor bezwaar of beroep (artikel 6:3 Awb). Afhankelijk van het rechtskarakter van het besluit waartoe het initiatiefvoorstel eventueel leidt, zal er sprake zijn van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht die vatbaar is voor bezwaar en beroep. Zo zal bijvoorbeeld bezwaar en beroep openstaan indien provinciale staten naar aanleiding van het burgerinitiatiefvoorstel besluiten een subsidie toe te kennen voor een bepaald project. Een ander voorbeeld is het besluit om een verordening op bepaalde punten aan te passen. Tegen een dergelijk besluit staan geen bezwaar en beroep bij de rechter open (artikel 8:2 Awb). Er is van afgezien vast te leggen dat provinciale staten altijd plenair het voorstel inhoudelijk moeten behandelen. Het ligt wel voor de hand dat de staten plenair beslissen over het te volgen traject, maar een besluit over een burgerinitiatiefvoorstel kan uiteraard ook in een statencommissie inhoudelijk worden voorbereid. Ook kunnen provinciale staten van mening zijn dat nader onderzoek moet worden gedaan.

Artikel 7 Het artikel bepaalt, dat de voorzitter van provinciale staten (lees: momenteel en vooralsnog de commissaris van de Koning) verplicht is om jaarlijks een verslag over het burgerinitiatief uit te brengen. Hierbij valt te denken aan getalsmatige gegevens (aantal ingediende, aantal toegewezen en aantal afgewezen burgerinitiatiefvoorstellen), alsmede aan een beknopt overzicht van de inhoud van de burgerinitiatiefvoorstellen, de besluiten van provinciale staten op de burgerinitiatiefvoorstellen en de motivering op grond waarvan de raad tot deze besluiten is gekomen.