Regeling vervallen per 17-10-2014

Wegenverordening Gelderland 2010

Geldend van 07-07-2011 t/m 16-10-2014

Intitulé

Wegenverordening Gelderland 2010

Vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten van 30 juni 2010, nr. PS2010-492 (Provinciaal Blad nr. 2010/102 van 7 september 2010. In werking getreden op 1 oktober 2010.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Toepasselijkheid

  • 1 Deze verordening is van toepassing op wegen die ingevolge de Wegenwet in beheer en onderhoud zijn bij de provincie.

  • 2 Voor de toepassing van deze verordening behoren tot de weg:

    • a.

      de rijbanen, (brom)fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- en (bus)halteplaatsen, vluchten andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen en bermsloten;

    • b.

      de zich daaronder, daarin, daarop en daarboven bevindende werken zoals verkeersregelinstallaties, kunstwerken, duikers, kabels en leidingen, beplantingen, bebakeningen, wegverlichting en alle op enigerlei wijze met de weg verbonden voorzieningen.

Artikel 1.2. Bescherming

Deze verordening stelt regels voor wegen ter bescherming van de bruikbaarheid en instandhouding van de bij de provincie in beheer zijnde wegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die wegen.

Hoofdstuk 2 Onderhoud van en werkzaamheden aan wegen

Artikel 2.1 Onderhoud van wegen

  • 1 Tenzij krachtens wet of overeenkomst een andere regeling geldt, berust de verplichting tot onderhoud van de weg bij Gedeputeerde Staten.

  • 2 Het onderhoud van de weg omvat alle werkzaamheden die nodig zijn voor de instandhouding van de weg zodat deze voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs te stellen zijn en een vrij en veilig gebruik ervan door het verkeer is gewaarborgd.

Artikel 2.2 Werkzaamheden aan wegen

  • 1 Het is verboden zonder vergunning:

    • a.

      een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen;

    • b.

      kabels of leidingen, niet zijnde kabels ten behoeve van telecommunicatie als bedoeld in de Telecommunicatiewet, te leggen, verleggen of in stand te houden;

    • c.

      andere werkzaamheden te verrichten dan bedoeld onder sub a en b op, aan, in, onder of boven de weg, waarbij de verharding van de weg veranderd wordt of anderszins wijzigingen aan te brengen op, aan, in, onder of boven de weg.

  • 2 Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing op het aanleggen van uitwegen dat geschiedt door of namens de provincie.

  • 3 Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.

Hoofdstuk 3 Gebruik van de weg

Artikel 3.1 Gebruik van de weg

  • 1 Het is verboden zonder vergunning:

    • a.

      de weg anders dan voor verkeersdoeleinden te gebruiken, zonder dat daarbij wijzigingen worden aangebracht op, aan, in, onder of boven de weg;

    • b.

      handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;

    • c.

      op de weg roerende zaken op te slaan;

    • d.

      de weg anders dan onder sub a tot en met c te gebruiken voor het storten, plaatsen, aanbrengen of hebben van voorwerpen en stoffen.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      de provincie bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden;

    • b.

      voorwerpen en stoffen waarop gedachten of gevoelens geopenbaard worden zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, mits deze voorwerpen of stoffen qua omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging geen schade, gevaar of hinder toebrengen aan de weg of anderszins de belangen beschadigen die deze verordening beschermt;

    • c.

      borden of andere aanduidingen binnen de bebouwde kom, voor zover deze zijn bevestigd aan de gevels van de langs de weg gelegen bouwwerken op een hoogte van ten minste 2,20 meter en niet meer dan 1 meter uit de gevel reiken;

    • d.

      voorwerpen en stoffen die kortstondig op de weg aanwezig zijn in verband met laad- en loswerkzaamheden, mits deze voorwerpen of stoffen niet schadelijk, gevaarlijk of hinderlijk zijn of anderszins de belangen beschadigen die deze verordening beschermt;

    • e.

      voor zover toestemming is verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de wegenverkeerswetgeving of artikel 2.1 van deze verordening.

  • 3 Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.

Artikel 3.2 Uitwerking op de weg

  • 1 Het is verboden zonder vergunning de in artikel 3.1, eerste lid, genoemde handelingen te verrichten buiten de weg indien daardoor schade, hinder of overlast wordt toegebracht aan en op de weg of daardoor de belangen die deze verordening beschermt in het geding zijn of komen.

  • 2 Gedeputeerde Staten stellen bij nadere regels de criteria voor het verlenen van de in het eerste lid bedoelde vergunning.

Hoofdstuk 4 Vergunningen

Artikel 4.1 Aanvraag

  • 1 Een vergunning wordt op aanvraag verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de vergunning niet in strijd is met de belangen die deze verordening beoogt te beschermen.

  • 2 Een vergunning op grond van deze verordening, als bedoeld in:

    • a.

      artikel 2.2, eerste lid, onderdeel a;

    • b.

      artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b, voor zover de handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd op of aan een onroerende zaak;

    • c.

      artikel 3.1, eerste lid, onderdeel c; wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de betreffende handelingen plaatsvinden, tenzij op grond van de Wet algemene

      bepalingen omgevingsrecht Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.

  • 3 Behoudens het bepaalde in het tweede lid, kunnen Gedeputeerde Staten vergunning

    verlenen als bedoeld in deze verordening.

  • 4 Gedeputeerde Staten stellen nadere regels inzake de bij de aanvraag van de in derde lid bedoelde vergunningen over te leggen gegevens en bescheiden.

  • 5 Voor de verlening van de vergunningen bedoeld in het tweede lid, zijn Gedeputeerde Staten het aangewezen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2:26, derde lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 4.2 Voorschriften en beperkingen

Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen die deze verordening beschermt.

Artikel 4.3 Intrekking of wijziging van vergunningen

  • 1 Een vergunning als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • 2 Een vergunning als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • c.

      indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een termijn van twaalf maanden;

    • d.

      indien de houder van de vergunning dit verzoekt.

Hoofdstuk 5 Toezicht/Overtredingen

Artikel 5.1 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze regeling zijn belast de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.

Artikel 5.2 Overtredingen

Overtreding of niet-naleving van de in deze verordening gestelde verboden in de artikelen 2.2, eerste lid, onderdeel b en c, en artikel 3.1, eerste lid, onderdelen a en d, of één of meer aan een op grond van deze bepalingen verleende vergunning verbonden voorschriften of beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepaling

Artikel 6.1 Overgangsbepaling

  • 1 Een ontheffing, verleend op grond van de Gelderse Wegenverordening, geldt als een vergunning ingevolge deze verordening.

  • 2 Een aanvraag om ontheffing, ingediend krachtens de in het eerste lid bedoelde verordening, wordt verder behandeld met toepassing van deze verordening.

Artikel 6.2 Inwerkingtreding

  • 1 De Gelderse Wegenverordening wordt ingetrokken.

  • 2 Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Indien het Provinciaal Blad waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na de inwerkingtredingdatum van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met de inwerkingtredingdatum van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.3 Slotbepaling

Deze verordening wordt aangehaald als: Wegenverordening Gelderland 2010.  

Ondertekening

Provinciale staten van Gelderland