Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Haarlemmermeer

CAR/UWO

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHaarlemmermeer
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingCAR/UWO
CiteertitelCAR/UWO en UWO-II Haarlemmermeer
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp
Externe bijlageNota van B&W 9 mei 2017 en bijlagen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 125 van de Ambtenarenwet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-08-201701-01-2017Wijziging Regeling Integriteitmeldingen artikel 40f UWO-II

11-04-2017

gmb-2017-143384

2016.0013800; 2014.0045917
01-01-201701-01-20162017.0009677

07-03-2017

gmb-2018-2292

01-07-201615-08-2017art. diverse + hoofdstuk 52a+b

12-04-2016

Gemeenteblad via GVOP

2016.0013800; 2014.0045917
01-01-201605-01-201601-07-2016art. CAR/UWO arbeidsvoorwaarden garantiebanen en hoofdstuk 3 CAR

01-10-2015

Gemeenteblad via GVOP

2015.0057964 en 2015.0058928
01-01-2016Gewijzigde CAR/UWO en UWO-II

09-05-2017

gmb-2018-4962

01-07-201501-01-2016art. CAR/UWO: Wazo, opschorting ouderschapsverlof, eenmalige uitkeringen

18-08-2015

Gemeenteblad via GVOP

2015.0035933
28-05-201501-07-2015art. UWO-II art. 7:0:1:0, 4:1:1:4 e.a.

12-05-2015

Gemeenteblad via GVOP

2015.0018844
01-01-201528-05-2015art. UWO-II: Bedrijfsvervoersplan

10-02-2015

Gemeenteblad via GVOP

2015.0004376
01-01-201501-01-2015art. diverse

21-10-2014

Gemeenteblad via GVOP

2014.0027245 / 2014.0029439 / 2014.0046010
01-01-201505-02-2015art. diverse

08-07-2014

Gemeenteblad via GVOP

2014.0027245 / 2014.0029439 / 2014.0046010
01-10-201401-01-2015art. 1:2a CAR/UWO e.a.

21-10-2014

overheid.nl

2014.0046010
01-07-201401-10-2014art. 40f:1:1:1 e.v.

08-07-2014

overheid.nl

2014.0027245
14-05-201401-01-201401-07-2014art. 5:3:1:1

13-05-2014

salarisbijsluiter maart 2014

2014.0019235
05-03-201401-01-201419-02-2014art. UWO-II (generieke verlofregeling)

04-03-2014

salarisbijsluiter maart 2014

2014.0009249
19-02-201414-05-2014art. UWO-II hoofdstuk 37 (externe bezwarencommissie)

19-11-2013

salarisbijsluiter maart 2014

2013.0078091
01-01-201405-03-2014art. regeling werktijden (hfdstk 3 en 4)

24-09-2013

salarisbijsluiter december 2013

2013.0066690
02-10-201301-01-2014art. diverse in de UWO-II

02-07-2013

salarisbijsluiter oktober 2013

2013.0050849
16-07-201302-10-2013art. 40f:1:1:4

09-04-2013

salarisbijsluiter juli 2013

2013.0020353
16-05-201301-01-201316-07-2013art. levensloop (hfdstk 6a) n.a.v. afschaffing

23-04-2013

salarisbijsluiter mei 2013

2013.0024656
15-04-201316-05-2013art. Integriteit (draaideur, nevenwerkzaamheden, relaties (hfdst 40g-h-i UWO-II))

12-02-2013

salarisbijsluiter april 2013

2012.0048036
01-04-201315-04-2013art. VWNW (hfdst10d)

12-02-2013

salarisbijsluiter februari 2013

2013.0006668
01-01-201301-04-2013art. verplaatsingskosten (hfdst18) ILB (hfdst 17)

12-02-2013

salarisbijsluiter

2013.0006668
01-01-201301-01-2013art. nieuwe collectieve zorgverzekeringen

09-10-2012

InforMeer 17-10-2012

2012.0057775
20-12-201201-01-2013art. UWO-II: BHV, piket, klachtenregeling ongewenst gedrag decentrale overheid

30-10-2012

InforMeer 19-12-2012, 28-11-2012

2012.0062522, 2012.0007634, 2012.0050211
27-09-201201-04-201220-12-2012bijlage salaristabel

04-09-2012

InforMeer 19-09-2012

2012.0044342
01-07-201127-09-2012Onbekend

10-05-2011

InforMeer 23-06-2011

2011.0014930 en 2011.0010795
01-07-201101-07-2011nieuwe regeling

10-05-2011

InforMeer 23-06-2011

2011.0014930 en 2011.0010795
25-03-201101-07-2011nieuwe regeling

07-12-2010

InforMeer 17-03-2011

2010.52599
18-02-201125-03-2011nieuwe regeling

15-02-2011

InforMeer 10-2-2011

2011.0001783
11-01-201101-01-0001nieuwe regeling

11-01-2011

Geen bron

Geen

Tekst van de regeling

Intitulé

CAR/UWO

 

 

1 Algemene bepalingen

1 Algemene bepalingen

Klik hier voor hoofdstuk 1 Algemene bepalingen van de UWO-II.

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

  • 1

    Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

    • a

      ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

    • b

      functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;

    • c

      pensioenwet:de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;

    • d

      pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • e

      arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • f

      arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;

    • g

      formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • h

      feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;

    • i

      vervallen;

    • j

      arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;

    • k

      dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst;

    • l

      overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;

    • m

      werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;

    • n

      werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • o

      uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand;

    • p

      Zvw: de Zorgverzekeringswet

    • q

      CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;

    • r

      UWO: Uitwerkingsovereenkomst;

    • s

      vervallen;

    • t

      vervallen;

    • u

      LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;

    • v

      WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • w

      arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

    • x

      WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

    • y

      WIA:Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • z

      IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;

    • aa

      IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;

    • bb

      WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;

    • cc

      WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;

    • dd

      WAJONG:Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;

    • ee

      WAZ:Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

    • ff

      Wazo:Wet arbeid en zorg;

    • gg

      SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;

    • hh

      uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    • ii

      pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • jj

      WPA: de Wet privatisering ABP;

    • kk

      vervallen;

    • ll

      vervallen;

    • mm

      volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week

    • nn

      ZW: de Ziektewet;

    • oo

      ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;

    • pp

      UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.

    • qq

      Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur.

    • rr

      Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend.

    • ss

      Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort;

    • tt

      Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal;

    • uu

      Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk;

    • vv

      Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.

  • 2

    Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.

Artikel 1:2 Geen ambtenaar

  • 1

    Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:

    • a

      het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;

    • b

      het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

    • c

      de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;

    • d

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;

    • e

      de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;

    • f

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;

    • g

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;

    • h

      hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;

    • i

      de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

  • 2

    Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

  • 3

    Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar

  • 1

    Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing

  • 3

    Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.

    5 De ambtenaar, bedoeld in de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, heeft recht op:

    a. 8% vakantietoelage, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en

    b. 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en

    c. 0,7% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris.

Artikel 1:2:2 Vervallen

Vervallen.

Artikel 1:2:3 Vervallen

Vervallen.

Artikel 1:2a Stageplaats

  • 1

    Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.

  • 2

    Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.

  • 3

    De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.

  • 4

    De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.

  • 5

    Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.

  • 6

    De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 1:2b Werkervaringsplaats

  • 1

    Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst.

  • 2

    Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.

  • 3

    De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.

  • 4

    De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.

  • 5

    Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.

  • 6

    De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak

  • 1

    In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.

  • 2

    In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.

  • 3

    Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering.

  • 4

    Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de vakantietoelage.

  • 5

    Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage.

  • 6

    Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor

  • 7

    Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor

  • 8

    Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

  • 9

    Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.

Artikel 1:3 Toepassing

  • 1

    De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

  • 2

    Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.

Artikel 1:3a Toepassing

Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.

Artikel 1:3:1 Toepassing

Vervallen

Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies

Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:

  • a

    bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;

  • b

    instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.

Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1

    Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

  • 2

    Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

    • a

      de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • b

      de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales;

    • c

      de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;

    • d

      ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO

  • 1

    Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

  • 2

    Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen

De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 1:5 Omvang van de betrekking

Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.

Artikel 1:6 Vrijstelling

  • 1

    In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

  • 2

    De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.

Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst

  • 1

    De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.

  • 2

    Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel.

  • 3

    De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.

Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst

  • 1

    De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

  • 2

    Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om:

    • a

      tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;

    • b

      tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden;

    • c

      beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

  • 3

    Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

  • 1

    Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

  • 2

    Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

  • 3

    Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 4

    De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek

  • 1

    Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

  • 2

    De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4 Duur van de aanstelling

  • 1

    De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  • 2

    Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

  • 3

    Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.

  • 4

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.

  • 5

    Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop:

    • a

      de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    • b

      meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.

  • 6

    Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling

  • 1

    De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:

    • a

      de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);

    • b

      de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar

    • c

      de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:

      • I

        in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

      • II

        in een aanstelling bij wijze van proef;

      • III

        voor een project met een eenmalig en uniek karakter;

      • IV

        hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;

      • V

        als vakantiekracht;

      • VI

        voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;

      • VII

        als werkzoekende in tijdelijke dienst.

  • 2

    Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

  • 3

    De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.

Artikel 2:4:2 Vacatures

  • 1

    De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 2

    Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst

  • 1

    Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

  • 2

    De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

  • 3

    Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst

Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.

Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst

De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

  • a

    de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;

  • b

    de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;

  • c

    een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;

  • d

    de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;

  • e

    een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;

  • f

    indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.

Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht

  • 1

    De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .

  • 2

    Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.

Artikel 2:5:5 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:6 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:8 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:9 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:10 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:5:11 Vervallen

Vervallen

Artikel 2:6 Overgangsrecht

Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.

Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur

  • 1

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 2

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 3

    Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.

  • 4

    De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur

  • 1

    Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

  • 2

    Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

    • 1

      de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;

    • 2

      het salaris evenredig wordt verhoogd;

    • 3

      de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;

    • 4

      de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;

    • 5

      de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, evenredig wordt verhoogd;

    • 6

      de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;

    • 7

      instemming van de ambtenaar is vereist;

    • 8

      artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.

  • 3

    Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

  • 4

    Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.

3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen

3 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Klik hier voor hoofdstuk 3 van de UWO-II Gemeentelijk beloningsbeleid bij hoofdstuk 3 CAR/UWO

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

  • Artikel 3:1 Functies en functiewaardering

  • Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen

Artikel 3:1 Functies en functiewaardering

  • 1

    Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed.

  • 2

    Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarderingssysteem.

  • 3

    Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem.

Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen

  • 1

    Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten.

  • 2

    De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

Paragraaf 2 Salaris

  • Artikel 3:3 Vaststelling salaris

  • Artikel 3:4 Salarisverhoging

  • Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal

  • Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal

  • Artikel 3:7 Uitloopschaal

Artikel 3:3 Vaststelling salaris

  • 1

    Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal.

  • 2

    Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld.

Artikel 3:4 Salarisverhoging

  • 1

    Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a

      de ambtenaar functioneert voldoende;

    • b

      de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt;

    • c

      er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.

  • 2

    Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.

  • 3

    Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen.

  • 4

    In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen.

Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal

  • 1

    Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 3

    In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 4

    In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.

Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal

De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris.

Artikel 3:7 Uitloopschaal

Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal.

Paragraaf 3 Salaristoelagen

  • Artikel 3:8 Functioneringstoelage

  • Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage

  • Artikel 3:10 Waarnemingstoelage

  • Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst

  • Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage

  • Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst

  • Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage

  • Artikel 3:15 Garantietoelage

  • Artikel 3:16 Afbouwtoelage

Artikel 3:8 Functioneringstoelage

  • 1

    Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen.

  • 2

    De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend.

  • 3

    De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage

  • 1

    Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel.

  • 2

    De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar.

  • 3

    De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.

Artikel 3:10 Waarnemingstoelage

  • 1

    Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie.

  • 2

    Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld.

  • 3

    Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend.

Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst

  • 1

    De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week:

    • -

      maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20%

    • -

      maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40%

    • -

      zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40%

    • -

      zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%

    Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.

  • 2

    De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.

  • 3

    Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald.

Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage

  • 1

    De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage.

  • 2

    De buitendagvenstertoelage bedraagt:

    • -

      50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;

    • -

      75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;

    • -

      100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.

  • 3

    De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.

Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst

  • 1

    De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst.

  • 2

    De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.

  • 3

    Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.

Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage

Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid.

Artikel 3:15 Garantietoelage

Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.

Artikel 3:16 Afbouwtoelage

  • 1

    De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien:

    • -

      hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én

    • -

      met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • -

      op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of

    • -

      indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan.

  • 3

    De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag.

  • 4

    Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.

  • 5

    Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging.

Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen

  • Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam

  • Artikel 3:18 Overwerkvergoeding

  • Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering

  • Artikel 3:19 Ambtsjubileum

  • Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties

  • Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding

  • Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer

  • Artikel 3:23 Overlijdensuitkering

  • Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst

  • Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam

  • 1

    De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.

  • 2

    De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.

Artikel 3:18 Overwerkvergoeding

  • 1

    De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald.

  • 2

    De overwerkvergoeding bestaat uit:

    • a

      verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,

    • b

      het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:

      • -

        100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur;

      • -

        75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;

      • -

        75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

      • -

        50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;

      • -

        50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur;

      • -

        25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.

  • 3

    Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

  • 4

    Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b.

  • 5

    De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.

  • 6

    De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.

Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering

  • 1

    De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

  • 2

    De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 3

    Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

Artikel 3:19 Ambtsjubileum

  • 1

    Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.

  • 2

    Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen.

  • 3

    Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt.

Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties

Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties.

Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding

Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief.

Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer

Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen.

Artikel 3:23 Overlijdensuitkering

  • 1

    Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar.

  • 2

    Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen

  • 3

    Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst

  • 1

    Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen.

  • 2

    De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

  • 3

    Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering.

  • 4

    Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.

Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)

  • 1

    De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.

  • 2

    De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

  • 3

    Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten.

Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering

  • (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag)

  • 1

    De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

  • 2

    De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

  • 3

    De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

  • 4

    De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd)

(gereserveerd)

Paragraaf 6 Overgangsrecht

  • -

    Overgangsrecht hoofdstuk 3

Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3

  • 1

    Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.

  • 2

    Lokale financiële arbeidsvoorwaarden * die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1.

  • 3

    Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald:

    • a

      hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen

    • b

      hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek.

    Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2.

  • 4

    Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen.

  • 5

    Er zijn geen anticumulatiebepalingen.

  • 6

    Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.

  • 7

    De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.

  • 8

    Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.

  • 9

    Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato.

  • 10

    Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect.

  • 11

    Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden.

  • 12

    Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.

4 Arbeidsduur en werktijden

4 Arbeidsduur en werktijden

Klik hier voor hoofdstuk 4 Regeling glijdende werktijden en informeel sparen van de UWO-II.

Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden

Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.

Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden

  • Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden

Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden

  • 1

    De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster.

  • 2

    Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur.

  • 3

    De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar.

  • 4

    Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat

    • a

      hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college;

    • b

      de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;

    • c

      de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.

  • 5

    Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden.

  • 6

    De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.

  • 7

    Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof.

  • 8

    De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12.

  • 9

    Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing.

  • 10

    Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

  • 11

    . Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 12

    Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken.

  • 13

    Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden.

Artikel 4:2:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:2:2 Vervallen

Vervallen

Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden

  • Artikel 4:3 Werkingssfeer

  • Artikel 4:4 Vaststelling werktijden

  • Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen

  • Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen

  • Artikel 4:7 Nadere regels

Artikel 4:3 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college.

Artikel 4:3:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:3:2 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:3:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 4:4 Vaststelling werktijden

  • 1

    Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast.

  • 2

    De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

  • 3

    Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster.

  • 4

    Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen:

    • a

      De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar.

    • b

      De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.

Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen

  • 1

    De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

  • 2

    Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

  • 3

    Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd.

  • 4

    Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

  • 5

    Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen

Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Artikel 4:7 Nadere regels

Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen.

Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

  • Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters

  • 1

    De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.

  • 2

    Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast.

  • 3

    Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.

Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

  • Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid

  • 1

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;

    • b

      kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar

  • 2

    Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

  • 3

    De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

  • 4

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 5

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 6

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed.

  • 7

    In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

  • 8

    In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 9

    In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

  • 10

    Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

Klik hier voor hoofdstuk 4a Cafetariamodel van de UWO-II.

Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

  • 1

    De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

  • 2

    Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.

  • 3

    Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 4

    Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 5

    Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

  • 1

    De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

  • 2

    Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3

    Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 4

    Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding

  • 1

    Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

  • 2

    Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.

5 Seniorenmaartregelen

5 Seniorenmaatregelen

Klik hier voor hoofdstuk 5 Seniorenmaatregelen van de UWO-II.

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 5 is vervallen.

5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 5a is vervallen.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof

Klik hier voor hoofdstuk 6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof van de UWO-II.

Artikel 6:1 Recht op vakantie

In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 6:1:1 Vakantieverlening

  • 1

    De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

  • 2

    De vakantie wordt verleend door het college.

Artikel 6:2 Duur vakantie

  • 1

    De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.

  • 2

    Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3

    Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Artikel 6:2:1 Nadere regels

  • 1

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

  • 2

    De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

  • 3

    Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 4

    De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

  • 5

    In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode

  • 1

    De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

  • 2

    De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

  • 3

    De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid

  • 1

    De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.

  • 2

    Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 3

    Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:

    • a

      gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;

    • b

      gedurende afwezigheid wegens ziekte.

  • 4

    Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.

  • 5

    Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.

Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang

  • 1

    Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

  • 2

    Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.

Artikel 6:2:5 Intrekking

  • 1

    Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

  • 2

    Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie

  • 1

    Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:

    • a

      op verzoek van de ambtenaar;

    • b

      als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of

    • c

      als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening,

    wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

  • 2

    De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen.

  • 3

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.

Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband

Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof

  • 1

    Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.

  • 2

    Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.

Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof

Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.

Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage

  • 1

    De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig salaris en de toegekende salaristoelage(n) heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.

  • 2

    De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.

Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage

  • 1

    De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.

  • 2
    • a

      Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

    • b

      Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

  • 3

    Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4

    Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.

Artikel 6:4 Buitengewoon verlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.

  • 3

    In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

  • 4

    In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.

Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof

  • 1

    Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

  • 2

    De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.

Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

  • 3

    De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 4

    De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

  • 5

    Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

  • 6

    De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling genoemd in het eerste lid.

  • 7

    Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof

  • 1

    Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

    • a

      Centrales van overheidspersoneel:

      • 1

        de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);

      • 2

        de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);

      • 3

        de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

    • b

      Verenigingen van ambtenaren:

      de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

  • 2

    Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:

    • a

      voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;

    • b

      voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;

    • c

      voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

  • 3

    Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend:

    • a

      om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen.

      • -

        om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;

      • -

        als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers;

      • -

        als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur

    • b

      voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

  • 4

    Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 5

    Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:

    • a

      lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten.

    • b

      lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale.

    Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 6

    Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 7

    Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

  • 8

    Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.

Artikel 6:4:2a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof

  • 1

    De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.

  • 2

    Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

  • 3

    Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

  • 4

    Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.

Artikel 6:4:4 Non-activiteit

  • 1

    Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.

  • 2

    Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

  • 3

    Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.

Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof

Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.

Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof

  • 1

    Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

  • 2

    Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.

Artikel 6:5 Ouderschapsverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:

    schaal 1:

    90%;

    schaal 2:

    85%;

    schaal 3:

    80%;

    schaal 4:

    70%;

    schaal 5:

    60%;

    schaal 6 en hoger:

    50%.

  • 3

    Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 4

    Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

  • 5

    De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.

Artikel 6:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:2 Meerlingen

  • 1

    Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.

  • 2

    De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.

Artikel 6:5:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage

  • 1

    De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

  • 2

    De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.

Artikel 6:5:5 Terugbetaling

  • 1

    De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

  • 2

    Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:

    • a

      het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente;

    • b

      en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

  • 3

    De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

  • 4

    De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.

Artikel 6:5:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.

Artikel 6:5a Vervallen

(vervallen)

Artikel 6:5a:1 Vervallen

(vervallen)

Artikel 6:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof

  • 1

    De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

  • 3

    De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.

Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof

  • 1

    De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.

  • 3

    De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.

  • 5

    Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.

Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

  • 2

    De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

  • 3

    Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

  • 4

    Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

  • 5

    De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

  • 6

    Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

  • 7

    Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

  • 8

    Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

  • 9

    Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.

Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof

  • 1

    De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

  • 2

    Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

  • 3

    Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

  • 4

    Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:11 Samenloop met ziekte

  • 1

    Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

  • 2

    Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

6a De gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

  • b

    instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

  • c

    levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • d

    levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • e

    levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.

Artikel 6a:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

  • 2

    Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

  • 3

    Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling

  • 1

    De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

  • 2

    De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

  • 3

    De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is.

  • 4

    De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.

Artikel 6a:5 Inleg

  • 1

    De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

  • 2

    De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

  • 3

    De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.

Artikel 6a:6 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

  • a

    het salaris;

  • b

    de vakantietoelage;

  • c

    de eindejaarsuitkering;

  • d

    de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;

  • e

    de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1;

  • f

    het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.

Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage

  • 1

    De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledig dienstverband minimaal €400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.

  • 3

    De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.

  • 4

    De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 5

    Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

  • 6

    De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 6a:7a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling

  • 1

    Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden

  • 2

    Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:

    • a

      bij overlijden van de ambtenaar;

    • b

      bij ontslag van de ambtenaar;

    • c

      op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed

Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:10 Slotbepaling

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.

Artikel 6a:11 Vervallen

(Vervallen)

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

Klik hier voor hoofdstuk 7 Verzuimprotocol van de UWO-II.

Paragraaf 1 Definities

  • Artikel 7:1 Definities

Artikel 7:1 Definities

  • 1

    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

    • b

      werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • d

      arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

      • -

        de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

      • -

        in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

      en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

    • e

      restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;

    • f

      arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • g

      inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;

    • h

      postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;

  • 2

    Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

  • Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

  • Artikel 7:2:4 Vervallen

  • Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

  • Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

  • Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.

Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n).

Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding

  • 1

    De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2

    De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen regels.

Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.

Artikel 7:2:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek

  • 1

    Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

    • a

      indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    • b

      indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

  • 2

    De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.

Artikel 7:2:6 Buitendienststelling

  • 1

    Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.

  • 2

    Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.

Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar

  • 1

    Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.

  • 2

    De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.

Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte

  • Artikel 7:3 Recht op bezoldiging

  • Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

  • Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • Artikel 7:6 Vervallen

  • Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • Artikel 7:8 Nadere regels

  • Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

  • Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

  • Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen

  • 1

    De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 3

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 4

    De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 5

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.

  • 6

    De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij:

    • a

      zijn arbeid verricht;

    • b

      passende arbeid verricht;

    • c

      werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;

    • d

      scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.

  • 7

    De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

  • 8

    De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste lid.

  • 9

    De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.

  • 10

    De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.

  • 11

    Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 12

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.

  • 13

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.

  • 14

    Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald

Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof

De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1

    Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

  • 2

    De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer:

    95%

    65 tot 80%

    68,875%

    55 tot 65%

    57%

    45 tot 55%

    47,5%

    35 tot 45%

    38%

  • 3

    De aanvullende uitkering eindigt:

    • a

      indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;

    • b

      met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

  • 4

    De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst

  • 1

    Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

  • 2

    Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.

Artikel 7:8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a

De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.

Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties

  • Artikel 7:9 Verplichtingen college

  • Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

  • Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

  • Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

  • Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling

  • Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling

  • Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar

  • Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

  • Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

  • Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte

  • Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

  • Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking

Artikel 7:9 Verplichtingen college

  • 1

    Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.

  • 2

    Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.

  • 3

    Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

  • 4

    Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 7:10:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:2 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:10:4 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie

  • 1

    De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:

    • a

      gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.

  • 2

    Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.

Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek

  • 1

    De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:

    • a

      of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens ziekte;

    • b

      in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;

    • c

      of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;

    • d

      of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

    • e

      of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • f

      of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;

    • g

      wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat.

  • 2

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.

Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling

Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:

  • a

    indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

  • b

    indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling

  • 1

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;

    • b

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;

    • c

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;

    • d

      zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • e

      er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    • f

      tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;

    • g

      weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;

    • h

      zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    • i

      weigert om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.

Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar

  • 1

    De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.

  • 2

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;

    • b

      weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b.

    • c

      weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.

  • 3

    De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.

Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar

  • 1

    Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 2

    Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.

Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid

  • 1

    Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:

    • a

      door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • b

      door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • c

      bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.

  • 2

    Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.

  • 3

    Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.

  • 4

    Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.

  • 5

    Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.

  • 6

    Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 7

    Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 8

    De termijn van 24 maanden wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 9

    De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.

Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte

  • 1

    Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.

  • 2

    Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.

  • 3

    De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.

Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.

Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking

  • 1

    Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.

  • 2

    Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 5 Bijzondere situaties

  • Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering

  • Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering

  • Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA

  • Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

  • Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

  • Artikel 7:23:1 Vervallen

Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering

  • 1

    Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

  • 2

    Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 3

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 4

    De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.

  • 5

    Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.

Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering

Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA

  • 1

    Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.

  • 2

    Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt gedaan.

  • 3

    Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 4

    Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 5

    Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.

  • 6

    De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.

Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.

Artikel 7:23:1 Vervallen

(Vervallen)

Paragraaf 6 Ziektekosten

  • Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten

  • Artikel 7:24a Zorgverzekering

  • Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming

  • Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden

  • Artikel 7:25b Vervallen

  • Artikel 7:25:1 Vervallen

  • Artikel 7:25:2 Vervallen

  • Artikel 7:25:3 Vervallen

  • Artikel 7:25:4 Vervallen

Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten

De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet

Artikel 7:24a Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25 Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25a Vervallen

Vervallen

Artikel 7:25b Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:4 Vervallen

(Vervallen)

Paragraaf 7 Overige bepalingen

  • Artikel 7:26 Overgangsbepaling

  • Artikel 7:27 Garantie-uitkering

  • Artikel 7:28 Overgangsartikel

  • Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

  • Artikel 7:28a Overgangsartikel

  • Artikel 7:28b Overgangsartikel

Artikel 7:26 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.

  • 2

    De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.

Artikel 7:27 Garantie-uitkering

  • 1

    De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.

  • 2

    De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie.

  • 3

    Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.

  • 4

    Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.

  • 5

    De garantie-uitkering eindigt:

    • a

      met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

    • b

      bij ontslag.

Artikel 7:28 Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.

  • 3

    Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .

  • 5

    Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 7:28:1 Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005 , van toepassing.

Artikel 7:28a Overgangsartikel

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.

Artikel 7:28b Overgangsartikel

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

8 Ontslag

Artikel 8:1 Ontslag op verzoek

  • 1

    Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3

    Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.

Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek

  • 1

    Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

  • 2

    Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.

  • 3

    Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd

  • 1

    De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

  • 2

    Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.

Artikel 8:2:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd

  • 1

    De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid 3 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.

  • 2

    In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13 weken.

Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3

    Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie

Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.

Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid

  • 1

    Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:

    • a

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;

    • b

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.

  • 2

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 3

    Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.

  • 4

    Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 5

    Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.

  • 6

    Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 7

    Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 8

    Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 9

    Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 10

    De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 2

    Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:

    • a

      er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

    • b

      het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

  • 3

    Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 4

    Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.

  • 5

    Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 6

    Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 7

    Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 8

    Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 9

    De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 10

    Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.

Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid

  • 1

    De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    • a

      gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;

    • c

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

    • d

      een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.

  • 2

    Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.

Artikel 8:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid

  • 1

    Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:7 Overige ontslaggronden

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:

  • a

    verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt;

  • b

    aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de functie zou uitsluiten;

  • c

    staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • d

    toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • e

    onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

  • f

    het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Artikel 8:8 Overige ontslaggronden

  • 1

    Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

  • 2

    Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden

De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.

Artikel 8:9 Overige ontslaggronden

Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

Artikel 8:10 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:10:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:11 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:11:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding

  • 1

    De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 2

    De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 3

    De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.

  • 4

    De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.

  • 5

    Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.

  • 6

    Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.

Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding

  • 1

    De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

  • 2

    De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd

  • 1

    Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:

    • a

      van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;

    • b

      van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;

    • c

      van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.

  • 2

    Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties

  • 1

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      wet:Wet op de ondernemingsraden;

    • b

      ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;

    • c

      ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.

  • 2

    Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:

    • a

      wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;

    • b

      wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;

    • c

      wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;

    • d

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;

    • e

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.

  • 3

    Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.

  • 4

    In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.

  • 5

    Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.

Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel

  • 1

    Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

    • a

      wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

    • b

      wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

    • c

      wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

    • d

      in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

  • 2

    Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

    • a

      een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

    • b

      een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

    • c

      een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel

  • 1

    Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 2

    Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de doorbetaling geheel gestaakt.

  • 3

    Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

  • 4

    Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

  • 5

    De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening

  • 1

    Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.

  • 2

    Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.

  • 3

    Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.

Artikel 8:16:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur

Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.

Artikel 8:18 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.

  • 3

    Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 4

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.

Artikel 8:19 Overgangsbepaling

  • 1

    Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 2

    Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.

Artikel 8:20 Overgangsbepaling

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid

10d Nawettelijke uitkering (sancties na de WW-periode)

Klik hier voor hoofdstuk 10d Klik hier voor de Nawettelijke uitkering (sancties na de WW-periode) van de UWO-II.

Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen

  • Artikel 10d:1 Werkingssfeer

  • Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Artikel 10d:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.

Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    aanvullende uitkering:uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;

  • b

    grondslag:het gemiddelde van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. Deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;

  • c

    gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;

  • d

    boventalligheid:de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie;

  • e

    na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;

  • f

    werkloosheid:werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente;

  • g

    werkloosheidsuitkering:uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.

Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken

  • Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken

Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken

  • 1

    Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit hoofdstuk.

  • 2

    Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale afspraken.

Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

  • Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8

  • 1

    Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een passende regeling.

  • 2

    De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.

  • 3

    Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)

  • Artikel 10d:5 Begripsbepalingen

  • Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag

  • Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase

  • Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente

  • Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop

  • Artikel 10d:10 Re-integratieplan

Artikel 10d:5 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a

    re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen;

  • b

    re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te bevorderen;

Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag

  • 1

    De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een re-integratiefase.

  • 2

    De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6.

  • 3

    De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.

  • 4

    De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de re-integratiefase.

  • 5

    De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van:

    • a

      2 tot 10 jaar 4 maanden

    • b

      10 tot 15 jaar 8 maanden

    • c

      15 jaar of meer 12 maanden.

Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase

  • 1

    De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.

  • 2

    De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.

  • 3

    Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente

  • 1

    De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.

  • 2

    De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reintegratiefase.

  • 3

    Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.

  • 4

    Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reintegratieplan van kracht.

Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop

  • 1

    De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.

  • 2

    Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:

    • a

      onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en

    • b

      de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en

    • c

      tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.

  • 3

    Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.

  • 4

    Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10d:10 Re-integratieplan

  • 1

    Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op.

  • 2

    De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.

  • 3

    In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over:

    • -

      verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reintegratieplan;

    • -

      scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten;

    • -

      opstellen arbeidsmarktprofiel;

    • -

      sollicitatieactiviteiten.

  • 4

    In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.

Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid

ToelichtingIn deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.

  • Algemene bepalingen

    • Artikel 10d:11 Toepassingsbereik

    • Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting

    • Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject

  • Inhoud Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek

    • Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract

    • Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract

  • Verlenging en einde Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging

    • Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur

    • Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject

    • Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract

  • Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten

    • Artikel 10d:24 Paritaire commissie

Artikel 10d:11 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.

Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject

De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.

Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting

In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.

Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject

Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.

Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek

  • 1

    Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht.

  • 2

    Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.

  • 3

    Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.

Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract

  • 1

    Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.

  • 2

    Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.

  • 3

    Afspraken kunnen worden gemaakt over:

    • -

      het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan;

    • -

      het al dan niet elders opdoen van werkervaring;

    • -

      de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject verricht;

    • -

      het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget;

    • -

      eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;

    • -

      de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;

    • -

      het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.

  • 4

    De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.

Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract

Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.

Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject

Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden.

Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging

  • 1

    Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente weigert.

  • 2

    Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.

  • 3

    Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur

  • 1

    Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.

  • 2

    Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.

  • 3

    Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.

Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject

  • 1

    Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.

  • 2

    Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.

  • 3

    Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.

Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject

  • 1

    Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.

  • 2

    Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.

  • 3

    Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.

Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract

  • 1

    Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.

  • 2

    Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.

  • 3

    Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.

  • 4

    Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.

  • 5

    Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.

Artikel 10d:24 Paritaire commissie

  • 1

    Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.

  • 2

    Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.

  • 3

    De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend advies uit.

  • 4

    Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.

Paragraaf 6 Aanvullende uitkering

  • Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering

  • Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag

  • Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag

  • Artikel 10d:28 Sancties

  • Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering

Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering

  • 1

    Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:

    • a

      op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid niet aan de orde is; of

    • b

      op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en

    • c

      recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.

  • 2

    Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.

Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag

  • 1

    De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

  • 2

    Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:

    • a

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;

    • b

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%;

    • c

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.

  • 3

    Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:

    • a

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10%;

    • b

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;

    • c

      voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.

Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag

  • 1

    De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.

  • 2

    De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.

Artikel 10d:28 Sancties

  • 1

    Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.

  • 2

    Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.

  • 3

    Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.

  • 4

    Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.

Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering

De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.

Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering

  • Artikel 10d:35 Afkoop

Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering

  • 1

    De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:

    • a

      de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;

    • b

      hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.

  • 2

    Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.

Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering

  • 1

    De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.

  • 2

    Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

  • 3

    De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering

De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is

  • a

    1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar

  • b

    2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar

  • c

    3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering

  • 1

    De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.

  • 2

    De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.

  • 3

    Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering

Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:35 Afkoop

  • 1

    Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.

  • 2

    Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.

Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

  • Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

  • Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

  • Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

  • Artikel 10d:39 Overgangsrecht

Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

  • 1

    De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.

  • 2

    Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.

Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

  • 1

    De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.

  • 2

    Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.

Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.

Artikel 10d:39 Overgangsrecht

In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:

  • a

    op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en

  • b

    ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

Klik hier voor hoofdstuk 12 Georganiseerd overleg van de UWO-II.

Artikel 12:1 Algemene bepalingen

  • 1

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;

    • b

      de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;

    • c

      de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

  • 2

    Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.

  • 3

    Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.

  • 4

    De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.

  • 5

    Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.

  • 6

    Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.

Artikel 12:1:1 Samenstelling

  • 1

    Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn.

  • 2

    Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.

Artikel 12:1:2 Samenstelling

  • 1

    Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.

  • 2

    Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.

Artikel 12:1:3 Samenstelling

  • 1

    Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.

  • 2

    Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.

  • 3

    De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.

Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO

  • 1

    Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.

  • 2

    Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.

Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO

  • 1

    Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.

  • 2

    Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:

    • a

      de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;

    • b

      de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord;

    • c

      de personele gevolgen van die verandering.

  • 3

    Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.

Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden

  • 1

    De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.

  • 2

    Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg.

  • 3

    De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.

Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden

Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.

Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden

  • 1

    De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.

  • 2

    Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.

  • 3

    De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.

Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden

  • 1

    De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.

  • 2

    De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.

  • 3

    Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12:2:4 Vergaderingen

  • 1

    De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen.

  • 2

    Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 12:2:5 Vergaderingen

  • 1

    De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.

  • 2

    Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.

  • 3

    Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.

Artikel 12:2:6 Vergaderingen

Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.

Artikel 12:2:7 Vergaderingen

  • 1

    De vergaderingen zijn niet openbaar.

  • 2

    De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.

  • 3

    De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.

  • 4

    De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.

Artikel 12:2:8 Vergaderingen

De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.

Artikel 12:2:9 Vergaderingen

  • 1

    Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.

  • 2

    De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

  • 3

    De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.

  • 4

    Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.

Artikel 12:2:10 Vergaderingen

Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.

Artikel 12:2:11 Vergaderingen

Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.

Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.

Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie

Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan onder:

  • a

    deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;

  • b

    advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.

Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie

Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie

  • 1

    Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

  • 2

    Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.

  • 3

    Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.

  • 4

    Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.

Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie

  • 1

    Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.

  • 2

    Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:

    • a

      het onderwerp en de inhoud van het geschil;

    • b

      de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.

Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie

De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie

In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.

13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR

Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR

  • 1

    Deze regeling treedt in werking per............ (*1)

    Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.

  • 2

    Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

  • 3

    Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

  • 4

    In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.

Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per 31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.

Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.

14 Medezeggenschap

14 Medezeggenschap

Klik hier voor hoofdstuk 14 Medezeggenschap van de UWO-II.

Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers

Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.

Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers

Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.

Artikel 14:1:2 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:3 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:4 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:5 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:6 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:8 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:9 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:10 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:11 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:12 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:13 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:14 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:15 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:16 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:17 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:18 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:19 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:20 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:21 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:22 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:23 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:24 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:25 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:26 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:27 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:28 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:29 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:30 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:31 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:32 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:33 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:34 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:35 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:36 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:37 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:38 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:39 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:40 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:41 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:42 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:43 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:2:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:2:2 Vervallen

Vervallen

15 Overige rechten en verplichtingen

15 Overige rechten en verplichtingen

Klik hier voor hoofdstuk 15 Overige rechten en verplichtingen van de UWO-II (Regeling functioneringsbeoordeling, Kledingregeling, Vergoedingsregeling van kosten bij dienstreizen, Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2008).

Artikel 15:1 Verplichtingen

De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 15:1a Verplichtingen

De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.

Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten

Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:

  • a

    diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;

  • b

    aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;

  • c

    gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.

Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden

Het is de ambtenaar verboden:

  • a

    in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;

  • b

    steekpenningen aan te nemen.

Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen

  • 1

    De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.

  • 2

    Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.

Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden

  • 1

    De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

  • 2

    Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.

  • 3

    Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

  • 4

    Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.

Artikel 15:1f Melding financiële belangen

  • 1

    Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is.

  • 2

    De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.

  • 3

    Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid.

  • 4

    Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst

  • 1

    Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.

  • 2

    Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 15:1:9 Vervallen

(Vervallen)

De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met 15:1e

Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g

Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever

  • 1

    De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.

  • 2

    Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.

Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden

  • 1

    De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.

  • 2

    De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s.

  • 3

    In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.

  • 4

    De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.

  • 5

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.

Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade

  • 1

    De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

  • 2

    Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.

Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar

  • 1

    De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.

  • 2

    Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.

  • 3

    De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.

Artikel 15:1:14 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar

  • 1

    Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.

  • 2

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.

Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding

  • 1

    De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.

  • 2

    Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is gegeven.

  • 3

    Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.

  • 4

    Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.

Artikel 15:1:17 Standplaats

  • 1

    Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.

  • 2

    Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.

  • 3

    Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.

Artikel 15:1:18 Dienstwoning

  • 1

    De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.

  • 2

    Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.

Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein

Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

Artikel 15:1:20 Infectieziekten

  • 1

    De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.

  • 2

    De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

  • 3

    De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Artikel 15:1:21 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade

  • 1

    Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.

  • 2

    Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:

    • a

      die schade bestaat uit de normale slijtage of;

    • b

      er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of;

    • c

      de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig

Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling

Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding

De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.

Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding

Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.

Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties

(verplaatst naar hoofdstuk 3)

Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen

Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.

Artikel 15:1:30 Borstvoeding

Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.

Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg

De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.

Artikel 15:2 Klokkenluiders

  • 1

    Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden.

  • 2

    Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden.

Artikel 15:3 Vervallen

(Vervallen)

16 Disciplinaire straffen

Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim

  • 1

    De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.

  • 2

    Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen

  • 1

    Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende disciplinaire straffen worden toegepast:

    • a

      schriftelijke berisping;

    • b

      arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;

    • c

      vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;

    • d

      geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar;

    • e

      niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand;

    • f

      stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;

    • g

      vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

    • h

      plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n);

    • i

      schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende salaristoelage(n).

  • 2

    De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie.

  • 3

    Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

Artikel 16:1:3 Verantwoording

  • 1

    De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.

  • 2

    Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.

  • 3

    Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

Artikel 16:1:4 Verantwoording

De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het schriftelijk besluit tot strafoplegging.

Artikel 16:1:5 Verantwoording

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

17 Opleiding en ontwikkeling

17 Opleiding en ontwikkeling

Klik hier voor hoofdstuk 17 Opleiding en ontwikkeling van de UWO-II.

Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit

  • 1

    De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.

  • 2

    In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.

  • 3

    De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid.

Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit

  • 1

    Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.

  • 2

    Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en organisatieverandering.

  • 3

    Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het gemeentelijk loopbaanbeleid.

Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget

  • 1

    De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-.

  • 2

    Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de ondernemingsraad.

  • 3

    De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de organisatie.

  • 4

    De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een reëel loopbaanperspectief.

  • 5

    Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.

  • 6

    Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.

  • 7

    In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.

  • 8

    Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.

  • 9

    Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.

Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan

  • 1

    Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.

  • 2

    Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.

  • 3

    Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde opleidingsplan.

  • 4

    De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.

  • 5

    In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.

  • 6

    In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:

    • -

      de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te maken kosten;

    • -

      de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;

    • -

      de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;

    • -

      de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt;

    • -

      de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;

    • -

      de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;

    • -

      eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.

Artikel 17:5 Loopbaanadvies

De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of externe deskundige.

Artikel 17:6 Inzetbaarheid

In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.

Artikel 17:7 Flankerend beleid

Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een Van-werk-naar-werk-traject bevinden.

18 Verplaatsingskosten

18 Verplaatsingskosten

Klik hier voor hoofdstuk 18 Bedrijfsvervoersplan en Verhuiskostenregeling van de UWO-II.

Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen

  • 1

    Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    • a

      betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR;

    • b

      woongebied: een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;

    • c

      standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;

    • d

      gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot, geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;

    • e

      eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag;

    • f

      berekeningsbasis: het twaalfvoud van het salaris per maand inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantieuitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met:   

      • 1

        genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;

      • 2

        genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;

    • g

      berekeningstijdstip:

      • 1e datum waarop de betrokkene verhuist;

      • 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling;

      • 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop de laatste salarisbetaling heeft plaatsgevonden;

    • h

      verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;

    • i

      verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;

    • j

      dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning.

  • 2

    Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten

  • 1

    De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

  • 2

    De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.

  • 3

    De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem bekend is.

Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten

  • 1

    De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.

  • 2

    Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden verleend.

  • 3

    Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.

  • 4

    Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.

Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten

Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.

Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten

  • 1

    De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:

    • a

      een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;

    • b

      een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van € 312,49 per maand met dien verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt verleend;

    • c

      een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, met een maximum van € 6.249,447.

  • 2

    Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.

  • 3

    Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis.

  • 4

    Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.

Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer

  • 1

    De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten.

  • 2

    Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.

  • 3

    Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4

    Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.

Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming

  • 1

    De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse.

  • 2

    De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van € 3.996 per jaar.

  • 3

    De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 104,44 op jaarbasis.

  • 4

    De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele reis.

  • 5

    De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.

Artikel 18:1:7a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon-werkverkeer

Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.

Artikel 18:1:9 Pensionkosten

  • 1

    De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde pensionkosten.

  • 2

    De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste klasse.

Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten

  • 1

    De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.

  • 2

    Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.

  • 3

    Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.

Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten

  • 1

    De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.

  • 2

    Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.

Artikel 18:1:12 Voorschot

Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.

Artikel 18:1:13 Slotbepaling

Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid voorzien.

Artikel 18:1:14 Overgangsrecht

De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.

21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen

Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.

Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen "levenspartner".

Artikel 21:1:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot

In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het college een passende voorziening.

22 Overgangs- en slotbepaling UWO

Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO

  • 1

    Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.

  • 2

    Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

  • 3

    Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

UWO-II (Specifieke regelingen gemeente Haarlemmermeer)

(Specifieke regelingen gemeente Haarlemmermeer)

Uitwerkingsovereenkomst-II

De UWO-II heeft als basis de op 20 januari 1998 door B&W vastgestelde nota Integrale aanpassing ambtelijke rechtspositie. Met dit besluit kreeg alle lokale regelgeving van de gemeente Haarlemmermeer een plaats in de UWO-II.

De volgende B&W-besluiten zijn sinds 1998 in de UWO-II verwerkt:

Datum besluit

Onderwerp

B&W

22-09-1998

Wijziging 1%-regeling ziektekosten

B&W

02-03-1999

Wijziging rechtspositie 24-uursdienst BAD

B&W

27-04-1999

Evaluatie en aanpassing systeem van functioneringsbeoordeling

B&W

26-10-1999

Aanpassing hoofdstuk 7 CAR/UWO-I: ziekte en arbeidsongeschiktheid

B&W

30-11-1999

Arbeidsvoorwaardenakkoord 1999-2000

B&W

02-05-2000

Verhuiskostenvergoeding

B&W

27-06-2000

Bijzondere bepalingen 24-uursdienst Brandweer, Aanpassing ORT

B&W

28-12-2000

Modernisering UWO-II

Raad

08-02-2001

Buitengewoon opsporingsambtenaar/parkeercontrole/aanpassing UWO-II

B&W

04-04-2001

Hoofdstuk 18 UWO-II: verplaatsingskosten

B&W

21-08-2001

Sociaal Statuut 1993 en 1999 en de invoering van de WW per 1 januari 2001

B&W

13-11-2001

Vaststelling UWO-II integrale versie oktober 2001

B&W

05-12-2001

Aanpassing UWO-II overschrijven verlof t.b.v. afdeling Realisatie/Toezicht

B&W

08-01-2002

Aanpassing max. bedragen jubileum, afscheid, gratificatie en wervingspremie

B&W

07-03-2002

Richtlijnen Klokkenluiders

B&W

24-09-2002

Wijzingen Fiets, carpoolregeling, arbeidsmarkttoelage, verlof op 5, 24 en 31 december e.a.

B&W

16-09-2003

Buitengewoon verlof op 5, 24 en 31 december (max. 2 uur van verlofkaart)

B&W

06-01-2004

Reglement Planning, functioneren en beoordelen

B&W

02-03-2004

Carpoolbepaling en stageregeling

B&W

02-03-2004

Periodieke verhoging en uitlooptoelage

B&W

01-04-2004

Kilometervergoeding dienstreizen en auto noodzaak

B&W

05-2004

Kilometervergoeding bij dienstreis met eigen fiets of bromfiets

B&W

01-06-2004

Ongewenste omgangsvormen

B&W

13-07-2004

Buitengewoon verlof, niet op verzoek van de ambtenaar

B&W

17-08-2004

Regeling tegemoetkoming Kinderopvang

B&W

19-04-2005

Deblokkering Spaarloon

B&W

15-06-2005

Aanpassing hoofdstuk 17 Opleiding en Ontwikkeling

B&W

19-07-2005

Aanpassing Internet-, Emailprotocol

B&W

10-01-2006

Ziekteverzuimprotocol hoofdstuk 7 UWO-II

B&W

24-03-2006

Aanpassingen UWO II (vakbondscontributie, ontslagvolgorde, bezwarencie, 1%regeling vervallen, regeling organieke fube en fuwa vervallen)

B&W

16-08-2006

Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2006

B&W

24-04-2007

Aanpassing Reglement ongepaste omgangsvormen (hoofdstuk 41A) Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid (hoofdstuk 41B)

B&W

10-07-2007

ICT-protocol (hoofdstuk 40)

B&W

06-11-2007

Bezwarende functies art. 9:1:9:1

B&W

11-12-2007

Aanpassingen UWO II (o.a. aanpassingen hfd 7, 38 vervallen hoofdstuk 31 muv hardheidsbeginsel, vervallen hoofdstuk 35

B&W

11-03-2008

Regeling integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2008

B&W

12-02-2008

Saldering kilometervergoeding (bij autonoodzaak) en 0,37 bruto (ipv 0,28 netto)

B&W

22-04-2008

Periodiekdatum 1 januari

B&W

16-05-2008

diverse tekstuele wijzigingen ivm nieuwe topstructuur ambtelijke organisatie per 1 april 2008

B&W

07-10-2008

Vervallen BRW, technische wijzigingen (spaarloon, uitlooptoelage, beoordeling)

B&W

24-03-2009

Dienstreis met dienstauto rittenadministratie

B&W

09-06-2009

Regeling beschikbaarheidsdienst (artikel 3:3:1:1 e.v.)

B&W

23-06-2009

Regeling fube/fuwa, plann/funct-verslag door mdw, kledingregeling

B&W

25-08-2009

Verhuiskosten, spaarloon, artikelen met titels etc.

B&W

24-11-2009

Stagevergoeding

B&W

02-03-2010

Regionale piketdiensten

B&W

30-11-2010

Stage, pauze, beoordelaar, persoonlijke toelage, wervingspremie

B&W

07-12-2010

Kledingregeling

B&W

05-04-2011

Kaders besteding premiekorting oudere werkgever

B&W

10-05-2011

Gedragscode Integriteit Haarlemmermeer

B&W

13-09-2011

Thuiswerkregeling

B&W

15-11-2011

Reglement plannen, functioneren en beoordelen

B&W

22-11-2011

Cafetariaregeling

B&W

04-10-2011

Technische wijzigingen (BVP, SocSt, bbhd, uitl.toel., pers.toel., prem.kort., BABS)

B&WGOOR

20-03-201222-08-201211-12-2012

Spaarloonregeling (vervallen), Klachtenregeling ongewenst gedrag decentrale overheid, technische wijzigingen (o.a. in Kledingregeling)

B&WOR

30-10-201211-12-2012

Regeling bedrijfshulpverlening (BHV)

B&WGO

18-09-201214-11-2012

Vergoedingsregeling licht piket

B&W

12-02-2013

Reglement commissie Van werk naar werk

B&WGO

05-03-201320-03-2013

Regeling tegengaan draaideurconstructie, Richtlijnen nevenwerkzaamheden, Richtlijnen relaties op het werk

B&W GO

09-04-2013 26-06-2013

Regeling integriteitmeldingen en Onderzoeksprotocol integriteitschendingen

B&W GO

02-07-2013 01-10-2013

Maaltijdvergoeding, snelste route, sancties na WW, accu, declaraties, 40 en 50 jaar gemeentedienst, afspiegelingsbeginsel, technische wijzigingen

B&W GO

19-11-201319-02-2014

Regeling externe adviescommissie HRM

B&W

04-03-2014

Generieke verlofregeling

B&W GO

24-09-201316-04-2014

Diverse artikelen in hfstk 3, 4, 14 en 43 n.a.v. verandering werktijdenregeling in de CAR/UWO

B&W OR

21-01-201427-01-2014

Regeling opname telefoongesprekken en schermhandelingen en registratie kwantitatieve gespreksgegevens bij klantcontact

B&W GO

13-05-201416-04-2014

Overgangsregeling 58+regeling (artikel 5:3:1:1)

B&WGO

08-07-201418-09-2014

Regeling integriteitsmeldingen

B&WGO

08-07-201418-09-2014

Verzamelnota: cafetariaregeling, carpoolregeling, cadeau bij jubileum/ afscheid, verboden onderscheid naar leeftijd (bij onregelmatige dienst en beschikbaarheidsdienst), technische wijzigingen.

B&WGO

10-02-201503-02-2015

Wijziging bedrijfsvervoerplan (hoofdstuk 18)

B&WGO

12-05-201527-05-2015

Verzuimprotocol, flexuren werken op feestdagen, indexering bedragen cadeau/receptie bij afscheid/jubileum, parkeervergoeding (toelichting)

B&W OR

05-01-201625-11-2015

Privacyreglement Personeelsmanagementsysteem 2015

B&WGO

15-05-201508-02-2016

Actuele integrale versie UWO-II (inclusief gemeentelijk beloningsbeleid bij hoofdstuk 3 CAR/UWO)

B&WGO

12-04-201630-06-2016

o.a. dienstreizen (binnen/buitenland), eerste abonnementsjaar NS

B&W GO

30-10-2012 19-09-2012

Digitale loonstrook

B&W GO

21-10-2014 16-09-2015

Elektronische verzending personele besluiten

Wat betreft hoofdstukindeling en artikelnummering is aansluiting gezocht bij de CAR/UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst). De hoofdstukken met nadere regelgeving betreffende onderwerpen die geregeld zijn in de CAR/UWO corresponderen wat betreft naam en nummer met het desbetreffende hoofdstuk van de CAR/UWO.

De Haarlemmermeerse regelingen die niet hun basis hebben in de hoofdstukken van de CAR/UWO, zijn ondergebracht in hoofdstuk 30 e.v. Hiervoor is gekozen vanwege het onderscheidend vermogen. Aan een hoofdstuk- of een artikelnummer is nu te zien of er over het onderwerp ook bepalingen te vinden zijn in de CAR/UWO. Vanwege deze nieuwe systematiek is bijvoorbeeld de Spaarloonregeling van hoofdstuk 21 naar hoofdstuk 30 verhuisd. Ook is ervoor gekozen om een aantal regelingen die voorheen geen deel uitmaakten van de UWO-II, op te nemen. Zo hebben o.a. de Gedragscode Integriteit en het Protocol gebruik internet en intranet ook een plaats gevonden in de UWO-II.

HRM augustus 2009

1 Algemene bepalingen UWO-II

Artikel 1:1:1:1 Wel ambtenaar

Voor de toepassing van deze UWO-II wordt verstaan onder ambtenaar:

  • -

    de ambtenaar zoals omschreven in artikel 1:1 CAR/UWO.

Artikel 1:2:1:1 Geen ambtenaar

Naast hetgeen is bepaald in artikel 1:2 CAR/UWO wordt, voor de toepassing van de CAR/UWO, niet als ambtenaar beschouwd:

  • -

    diegene, in dienst bij een derde, die is aangesteld als onbezoldigd ambtenaar.

Artikel 1:3:1:1 Maximale declaratietermijn/ digitaal declareren

Lid 1

Kosten die voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking komen, dienen uiterlijk binnen 3 maanden nadat de kosten zijn gemaakt gedeclareerd te worden in Mijn HRM. De bewijsstukken dienen te worden geüpload.

Lid 2

De bewijsstukken dienen gedurende 3 maanden nadat de kosten zijn gedeclareerd in hardcopy te worden bewaard voor belastingcontroles.

3 Gemeentelijk beloningsbeleid bij hoofdstuk 3 CAR/UWO UWO-II

Artikel 3:3:0:0 Functie/aanlooprang, vaste periodiekdatum

Lid 1

  • -

    Burgemeester en wethouders bepalen met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie* de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, tenzij zijn wijze van functioneren zich daartegen verzet of geacht mag worden daartoe aanleiding te geven. In dat geval vindt aanstelling als regel plaats in de naast lagere schaal. * conversie is de vertaling van het door functiewaardering vastgestelde aantal punten in een salarisschaal

  • -

    Bij gebleken voldoen aan de functie-eisen stellen burgemeester en wethouders de ambtenaar per de eerstvolgende periodiekdatum aan in de voor zijn functie geldende schaal.

Lid 2

In afwijking van lid 1 zal bij indiensttreding dan wel overplaatsing in een hoger gewaardeerde functie op of na 1 oktober van enig kalenderjaar en bij gebleken voldoen aan de functie-eisen, aanstelling in de voor de functie geldende rang plaatsvinden op 1 januari nadat het dienstverband in die functie een vol kalenderjaar heeft geduurd.

Artikel 3:4:0:0 Periodieke verhoging van het salaris, vaste periodiekdatum

Lid 1

Het salaris van de ambtenaar die voldoende functioneert, wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. Het voldoende functioneren moet blijken uit een beoordelingsgesprek (eindoordeel C of D). Een verhindering wegens ziekte als bedoeld in hoofdstuk 7 CAR/UWO zal niet van invloed zijn op het tijdstip van toekenning van periodieke salarisverhogingen indien het laatste beoordelingsgesprek tot een voldoende beoordeling leidde (eindoordeel C of D).

Lid 2

De periodieke verhogingen worden, met inachtneming van hetgeen is bepaald in lid 1, jaarlijks op 1 januari toegekend aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt.

Lid 3

In afwijking van lid 2 zal bij indiensttreding dan wel overplaatsing in een hoger gewaardeerde functie op of na 1 oktober van enig kalenderjaar de eerste toekenning van de periodiek plaatsvinden op 1 januari nadat het dienstverband in die functie een vol kalenderjaar heeft geduurd.

Artikel 3:4:0:1 Extra periodieke verhoging van het salaris

Lid 1

Aan de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, kan een extra periodieke salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, worden toegekend op grond van zeer goede of uitstekende vervulling van de betrekking.

Lid 2

Bij de toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3:4:0:0 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet.

Artikel 3:6:0:0 Salaris bij bevordering naar hogere schaal

Wanneer de ambtenaar wordt bevorderd naar een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal minimaal verhoogd met het bedrag waarop de ambtenaar bij zijn eerstvolgende periodieke verhoging in zijn oude rang recht zou hebben gehad. Indien de ambtenaar voor de bevordering salaris, behorend bij het maximum van de rang, ontvangt, wordt het salaris in de nieuwe rang minimaal bepaald op het huidige salaris verhoogd met het bedrag van de laatste periodieke verhoging.

Artikel 3:8:0:0 Functioneringstoelage na bereiken maximum functionele schaal

De hoogte van de functioneringstoelage wordt bepaald aan de hand van de methodiek van artikel 3:6:0:0

Artikel 3:8:0:0

Met deze methodiek blijft de functioneringstoelage altijd binnen de 10% van artikel 3:8 CAR. Overigens kan uitstekend functioneren of een bijzondere prestatie ook op andere wijze dan door middel van een functioneringstoelage worden beloond, bijvoorbeeld door een medewerker mogelijkheden tot ontwikkeling te bieden of door toekenning van een gratificatie. Of en op welke wijze uitstekend functioneren/bijzondere prestatie wordt beloond is ter beoordeling aan de leidinggevende. Toekenning van een functioneringstoelage is geen automatisme.

Artikel 3:9:0:0 Arbeidsmarkttoelage hoogte en duur

Lid 1

De hoogte van de toelage als bedoeld in artikel 3:9 CAR bedraagt maximaal het verschil tussen het salaris conform de functieschaal en de naasthogere schaal met een maximum van 10% conform artikel 3:9 CAR.

Lid 2

De toelage kan eerder eindigen dan de vastgestelde einddatum indien het functioneren van de ambtenaar voortzetting niet langer rechtvaardigt, hetgeen blijkt uit functioneringsgesprekken dan wel beoordelingsgesprekken.

Artikel 3:12:0:0 Geen buitendagvenstertoelage

Voor het in opdracht van het college buiten het dagvenster volgen van opleidingen wordt geen buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12 CAR toegekend.

Artikel 3:13:0:0 Uitzondering beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar kan worden uitgezonderd van de beschikbaarheidsdienst voor de duur van de volgende situaties:

  • a

    (op verzoek van) alleenstaande ouders die belast zijn met de duurzame verzorging van kinderen tot en met 8 jaar;

  • b

    (op verzoek van) de ambtenaar die om medische redenen, buiten eigen schuld of toedoen, niet meer in staat wordt geacht de beschikbaarheidsdienst te kunnen vervullen;

  • c

    de ambtenaar die door eigen schuld of toedoen, op advies van de (direct) leidinggevende, van deelneming aan de beschikbaarheidsdienst door burgemeester en wethouders wordt uitgesloten;

  • d

    de ambtenaar die buiten een straal van anderhalf uur woont, tenzij er een zwaarwegend dienstbelang is.

Artikel 3:13:0:1 Verzoek uitzondering beschikbaarheidsdienst

De ambtenaar die belast is met de duurzame verzorging van kinderen tot acht jaar en tevens voor 0,5 fte of minder werkzaam is, kan verzoeken om aangewezen te worden voor beschikbaarheidsdiensten van maximaal een halve week, mits dit gecombineerd kan worden met een andere parttimer en het dienstbelang zich hiertegen niet verzet.

Artikel 3:13:0:2 Vergoeding crisispiket

Lid 1

De ambtenaar die beschikbaarheidsdienst in de crisisorganisatie draait, heeft naast de geldelijke vergoeding recht op vergoeding in verlof.

Lid 2

De vergoeding bedraagt per uur crisispiketdienst een percentage van het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij het maximum van schaal 6 van bijlage IIa van de CAR/UWO en wel:

  • a.

    5½ procent voor de uren van maand ag 00.00 uur tot vrijdag 18.00 uur;

  • b.

    8¾ procent voor de uren van vrijdag 18.00 uur tot maandag 00.00 uur;

Lid 3

De vergoeding in verlof kan achteraf op verzoek van de ambtenaar worden uitbetaald indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen het opnemen van dit verlof verzet.

Lid 4

De vergoeding in verlof bedraagt vier uren per 132 uur beschikbaarheidsdienst.

Lid 5

Elk uur beschikbaarheidsdienst op dagen als bedoeld in artikel 4:5, lid 3 van de CAR/UWO wordt gecompenseerd met 1/3 uur verlof.

Artikel 3:18:0:0 Geen overwerkvergoeding

Voor het in opdracht van het college buiten de vastgestelde werktijden volgen van opleidingen wordt geen overwerkvergoeding als bedoeld in artikel 3:18 CAR toegekend.

Artikel 3:0:0:0 Wervingspremie

Lid 1

De medewerker die een kandidaat aandraagt voor een vacature, ontvangt een wervingspremie als die kandidaat daadwerkelijk wordt aangesteld.

Lid 2

De hoogte van de wervingspremie is € 500 netto.

Lid 3

Eenieder die deelneemt aan de werving- en selectieprocedure, is uitgesloten van de toekenning van de wervingspremie.

Artikel 3:0:0:0

De procedure voor de wervingspremie ziet er als volgt uit.

  • -

    Een medewerker brengt een mogelijk geschikte kandidaat voor een vacante functie aan bij de vacaturehouder en geeft de noodzakelijke gegevens van de kandidaat door (naam, telefoon etc.). Dit geschiedt d.m.v. een memo/mail.

  • -

    De leidinggevende (vacaturehouder) beoordeelt of de aangebrachte kandidaat mee wordt genomen in de werving- en selectieprocedure.

  • -

    Indien de aangebrachte kandidaat daadwerkelijk wordt benoemd, heeft de medewerker recht op de wervingspremie.

  • -

    De leidinggevende (vacaturehouder) doet een voorstel aan de clustermanager tot toekenning van de premie.

  • -

    De clustermanager heeft ondermandaat en tekent voor akkoord.

  • -

    Het gebruteerde bedrag van de wervingspremie komt ten laste van het budget van HRM.

4 Regeling glijdende werktijden en informeel sparen UWO-II

Artikel 4:1:1:1 Arbeidsduur per dag

Uitgaande van de feitelijke arbeidsduur per week maken de ambtenaar en de direct leidinggevende afspraken over de werktijden. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangen van de ambtenaar en van de dienst. De arbeidsduur per dag wordt bij voorkeur vastgelegd in schriftelijke afspraken, geldend voor een langere termijn. Het belang der dienst kan vereisen dat arbeid in roosterdienst wordt verricht.

Artikel 4:1:1:2 Arbeids/pauzetijden

Tenzij een rooster zich hiertegen verzet, kan de dagelijkse arbeidsduur flexibel worden verricht, een en ander met inachtneming van de volgende voorschriften:

  • a

    overeenkomstig de vastgestelde duur kan de arbeid verricht worden van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 uur en 22.00 uur;

  • b

    pauze, die minimaal 30 minuten bedraagt, kan dagelijks worden opgenomen tussen 12.00 en 13.30 uur;

  • c

    indien de feitelijke arbeidsduur meer dan 10 uur op dezelfde dag bedraagt, is een pauze van minimaal 45 minuten verplicht;

  • d

    de direct leidinggevende draagt er zorg voor dat de cluster/team/staf/eenheid bereikbaar is tussen 08.15 en 12.30 uur en 13.15 en 17.00 uur;

  • e

    de begin- en eindtijden dienen zodanig te worden gekozen dat de ononderbroken werktijd in de regel niet meer dan 5,5 uur bedraagt;

  • f

    de gewerkte tijd wordt gespecificeerd verantwoord en geregistreerd op een nader door het college aan te geven wijze;

  • g

    artsenbezoek en dergelijke tijdens diensttijd dient zoveel mogelijk te worden beperkt;

  • h

    in gevallen waarin deze regeling niet voorziet treft het college een oplossing naar billijkheid.

Artikel 4:1:1:3 Compensatie-uren (flex-uren)

De ambtenaar mag met toestemming van zijn leidinggevende incidenteel meer of minder werken dan de formele arbeidsduur per week onder de volgende voorwaarden:

  • a

    er mag alleen minder worden gewerkt indien dit gecompenseerd kan worden met reeds gewerkte uren boven de formele arbeidsduur per week;

  • b

    de registratie dient te voldoen aan door het college te stellen eisen;

  • c

    te veel gewerkte uren kunnen niet naar een volgend dienstjaar worden overgeschreven en worden evenmin uitbetaald;

  • d

    de leidinggevende kan de ambtenaar verplichten de uren te compenseren op tijdstippen waarbij het belang der dienst gebaat is;

  • e

    tijdens ziekte geldt de formele arbeidsduur per week.

Artikel 4:1:1:4 Toezichthouders en Schipholbalie

Lid 1

Medewerkers bij de Schipholbalie en medewerkers in de functie van toezichthouder bij Handhaving en Toezicht krijgen het aantal gewerkte uren op feestdagen als bedoeld in artikel 4:5, lid 3 CAR/UWO en artikel 6:4:4:2 UWO-II in compensatie-uren (flex-uren) vergoed.

Lid 2

De vergoeding van lid 1 komt bovenop de 14,4 uur extra vakantieverlof conform artikel 6:2:1 CAR/UWO omdat zij regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren werken. De 14,4 uur extra vakantieverlof wordt toegekend naar rato van het dienstverband.

4a Uitwisseling arbeidsvoorwaarden (Cafetariamodel) UWO-II

Artikel 4a:1:1:1 Indienen verzoek

Lid 1

De ambtenaar kan met het aanvraagformulier “uitwisseling arbeidsvoorwaarden Haarlemmermeer" een verzoek indienen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot uitwisseling van arbeidsvoorwaarden. Een verzoek wordt toegewezen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet.

Lid 2

Het besluit op een verzoek wordt schriftelijk bevestigd, waarbij een gehele of gedeeltelijke afwijzing wordt gemotiveerd.

Toelichting

Het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, ook wel ‘het Cafetariamodel’ genoemd, biedt ambtenaren de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen hun eigen arbeidsvoorwaardenpakket samen te stellen. Alle ambtenaren kunnen op vrijwillige basis aan de regeling deelnemen. Met een verplicht door de cluster HRM ter beschikking gesteld formulier kan (meerdere keren per jaar) een aanvraag worden ingediend voor het lopende kalenderjaar. Eenmaal per kalenderjaar kan met een verplicht door de cluster HRM ter beschikking gesteld formulier een aanvraag worden ingediend voor het lopende kalenderjaar.

Een verzoek voor deelname aan het Cafetariamodel wordt toegewezen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich er tegen verzet. Een toewijzing kan namelijk organisatorische of financiële gevolgen hebben. Zo kan bijvoorbeeld de koop van vakantie-uren leiden tot een onderbezetting op de afdeling. Redenen om het verzoek af te wijzen zijn in ieder geval aanwezig als de toekenning van het verzoek leidt tot ernstige bedrijfsvoeringsproblemen. Het is aan de werkgever om bij afwijzing van een verzoek aan te tonen dat er zwaarwegende dienstbelangen zijn die boven de wens van de ambtenaar gaan.

Voor- en nadeel

Door gebruik te maken van het Cafetariamodel heeft de ambtenaar een fiscaal voordeel. Een bruto bron, bijvoorbeeld de vakantie-uitkering of de eindejaarsuitkering, wordt bruto verlaagd en de gekozen bestedingsmogelijkheid wordt netto uitbetaald. De ambtenaar bespaart op deze manier loonheffingen (loonbelasting, volksverzekeringen en sociale zekerheidspremies) over het gedeelte waarmee de bruto bron die wordt verminderd. Wel heeft de verlaging van de bruto bronnen gevolgen voor de hoogte van bepaalde uitkeringen (WW, WIA, ZW), omdat de grondslag voor de uitkeringen wordt verlaagd. De pensioengrondslag zal geen wijziging ondergaan indien het verschil tussen het pensioengevend loon zonder toepassing van de cafetariaregeling en het pensioengevend loon met toepassing van de cafetariaregeling niet meer bedraagt dan 30% (Besluit 8 september 2008, nr. CPP2008/1227M, Stcrt. Nr. 183). Wanneer de ambtenaar zijn maandelijkse bruto salaris inzet om een bestedingsmogelijkheid te financieren, heeft dat wel gevolgen voor bepaalde aan het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gerelateerde toelagen, zoals de vakantietoelage. De vakantietoelage wordt berekend over het maandelijks uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n). Inzet van het maandelijkse bruto salaris heeft geen invloed op de hoogte van de eindejaarsuitkering en bijdrage levensloop.

Het inzetten van de in artikel 4a:1:1:2, lid 2 onder a, b, c, en d genoemde bronnen heeft gevolgen voor een door de gemeente, op verzoek, af te geven werkgeversverklaring inzake inkomen.

Koop en verkoop van vakantie-uren

Het is mogelijk om vakantie-uren te kopen en te verkopen. Het maximum aantal te (ver)kopen uren bedraagt 72 uur. Dit aantal geldt voor een voltijder. Een deeltijder kan het aantal uren naar rato (ver)kopen. In geval van verkoop van uren geldt dat alleen de bovenwettelijke verlofuren verkocht mogen worden.

Een voorbeeld. Een medewerker heeft recht op 188 uren verlofuren per jaar. Het wettelijk aantal verlofuren bedraagt 144 uur. Deze medewerker kan maximaal 44 uur verlof verkopen.

Daarnaast kan een medewerker verzoeken in een jaar maximaal 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar, deze uren kunnen worden opgeteld bij de verlofuren voor dat jaar en kunnen worden meegenomen in het verzoek tot verkoop van verlofuren. Voor deeltijders worden deze aantallen naar rato aangepast. N.B.: Het is dus niet mogelijk om niet opgenomen wettelijke vakantieverlof-uren van een vorig jaar mee te nemen in het verzoek tot verkoop van verlof.

Niet onbelangrijk is er op te wijzen dat het gekochte verlof, evenals het reguliere vakantieverlof, slechts kan worden genoten in overleg met de leidinggevende. De medewerker doet er verstandig aan zijn plannen bijtijds met zijn leidinggevende te bespreken.

Voor de vakantie-uren die de medewerker verkoopt ontvangt de medewerker een vergoeding gelijk aan het bruto salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Bij koop van vakantie-uren betaalt de medewerker het bruto uursalaris dat hij geniet bij aanvang van het jaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Verkoop of koop van vakantie-uren heeft geen gevolgen voor de berekening van de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering, pensioen(premie) en tegemoetkoming in de ziektekosten vanwege de collectieve verzekering. Wel heeft het (ver)kopen van vakantie-uren gevolgen voor de belastinggrondslag. Het bedrag waarover loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen) moet worden afgedragen ondervindt wel wijziging. Tevens zal de koop of verkoop van vakantiedagen van invloed zijn op een berekening van de uitkering op grond van de WW, WAO, WIA en ZW. De hoogte van de WW wordt berekend met inachtneming van het (maximum) dagloon, zoals beschreven in de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Een aan- of verkoop van verlofdagen kan van invloed zijn op de uitkering.

Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer met de auto of motor.

De gemeente Haarlemmermeer kent een vergoedingsregeling voor woon-werkverkeer met openbaar vervoer of met de fiets of indien men carpoolt.

Artikel 4a:1:1:3, lid 1 sub b en c, biedt de mogelijkheid om, als geen gebruik wordt gemaakt van een vergoedingsregeling voor woon-werkverkeer van de werkgever, uit het bruto loon een kilometervergoeding te ontvangen voor de voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met de auto, motor, bromfiets/scooter, snorfiets/scooter of fiets. Voor de berekening van de vaste onbelaste vergoeding wordt uitgegaan van 214 werkdagen in een jaar. Hierbij is al rekening gehouden met kortstondige afwezigheid wegens vakantie, ziekte en verlof. Alleen als de medewerker aannemelijk kan maken dat het aantal dagen van 214 ten minste 25% hoger is, mag volgens de fiscale regelgeving worden uitgegaan van het hogere aantal dagen. Door het aantal werkdagen te vermenigvuldigen met het totale aantal kilometers per dag is het resultaat het totaal aantal kilometers per jaar. Deze uitkomst maal de onbelaste vergoeding van € 0,19 is de totale jaarlijkse vergoeding. Voor de vaste vergoeding per maand wordt de uitkomst gedeeld door 12. Bij parttimers wordt het bovenstaande naar evenredigheid toegepast. De site van de Belastingdienst geeft nadere informatie ten aanzien van deze mogelijkheid.

Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer met openbaar vervoer

De gemeente vergoedt tot een bedrag van maximaal 85% van de kosten openbaar vervoer tweede klasse. Deze bepaling maakt het mogelijk om de extra kosten van een ophoging naar de eerste klasse via deze weg te financieren. De kosten dienen door de medewerker te worden aangetoond. Ook de eigen bijdrage van 15% kan door uitwisseling van arbeidsvoorwaarden gefinancierd worden.

Studiekostenvergoeding

Onder studie wordt verstaan een opleiding, cursus, congres, seminar, symposium, excursie of studiereis met het oog op het verwerven van inkomen uit werk. Tot de studiekosten worden niet gerekend kosten in verband met een werk- of studeerruimte of kosten voor binnenlandse reizen voor zover deze meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid onder b, Wet op de Loonbelasting 1964. De medewerker dient originele bewijsstukken te overleggen waaruit de studiekosten blijken.

Bij gebruikmaking van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden voor een studiekostenvergoeding kunnen alleen die kosten in aanmerking komen die in dat kalenderjaar daadwerkelijk worden gemaakt.

Extra ABP-pensioenpremie

De medewerker kan zijn toekomstige pensioen verhogen door extra te sparen. Het ABP biedt hiertoe de mogelijkheid via het zogenaamde ABP Extra Pensioen. Door afstand te doen van bruto bronnen kan de ambtenaar aanvullend pensioen opbouwen. De premie voor extra pensioen wordt verrekend via de salarisstrook. Het ingehouden bedrag wordt rechtstreeks betaald aan het ABP. Inleggen kan maandelijks, eenmalig of incidenteel. Er geldt hierbij geen minimumbedrag, wel een maximum, dat afhankelijk is van de persoonlijke fiscale ruimte van de ambtenaar voor pensioen. De fiscale grens wordt per individu bepaald en hangt af van de leeftijd, het inkomen en het totaal dat de ambtenaar aan pensioen opgebouwd heeft. Het ABP toetst of de inleg de fiscale ruimte overschrijdt. Meer inhoudelijke informatie over het ABP Extra Pensioen is te vinden op de website van het ABP (http://www.abp.nl/).

Vakbondscontributie

De belastingwetgeving maakt het mogelijk om de (netto) vakbondscontributie van het bruto loon te betalen. De ambtenaar toont aan dat hij lid is van een vakbond. De verlaging van het bruto loon stopt wanneer de ambtenaar zijn lidmaatschap opzegt. De ambtenaar moet dit dan ook direct kenbaar maken aan de werkgever.

Artikel 4a:1:1:2 Bronnen

Lid 1

De ambtenaar geeft aan welke bronnen hij wil inzetten voor het realiseren van de door hem gekozen bestedingsmogelijkheden.

Lid 2

De volgende bronnen zijn mogelijk:

  • a

    het salaris, voor zover dat uitgaat boven het wettelijke minimumloon;

  • b

    de vakantie-uitkering, voor zover die uitgaat boven 8% van het wettelijke minimumjaarloon;

  • c

    de eindejaarsuitkering, als bedoeld in artikel 3:18a CAR/UWO

  • d

    de levensloopbijdrage als bedoeld in artikel 6a:7 CAR/UWO;

  • e

    de vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1 CAR/UWO.

Lid 3

Per kalenderjaar kunnen meerdere bronnen tegelijkertijd ingezet worden voor meerdere bestedingsmogelijkheden. Per bestedingsmogelijkheid kunnen echter maximaal twee bronnen worden ingezet.

Lid 4

Alleen zolang een bron in een kalenderjaar nog niet betaalbaar is gesteld kan deze bron worden ingezet voor een bestedingsdoel.

Lid 5

Bij het inzetten van een bron dient op het aanvraagformulier ook de gewenste bestedingsmogelijkheid te worden opgegeven. Zowel het inzetten van een bron als het aanwenden voor een bestedingsmogelijkheid dienen binnen het zelfde kalenderjaar plaats te vinden.

Artikel 4a:1:1:3 Bestedingsmogelijkheden

Lid 1

De bestedingsmogelijkheden zijn:

  • a

    koop van vakantie-uren;

  • b

    een netto vergoeding voor de op, conform de fiscale regelgeving maximaal 214 werkdagen (fulltimer) per kalenderjaar voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met de auto of motor, met een maximum per kilometer van hetgeen fiscaal onbelast per kilometer kan worden vergoed (€ 0,19) en een maximum van in aanmerking te nemen kilometers van 150 (retour) per dag; de in aanmerking te nemen kilometers worden bepaald aan de hand van de eigen opgave met een maximum van het aantal kilometers bij de snelste route volgens de ANWB Routeplanner.

  • c

    een netto vergoeding voor de op, conform de fiscale regelgeving maximaal 214 werkdagen (fulltimer) per kalenderjaar voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met de bromfiets/scooter (geel kenteken) of snorfiets/scooter (blauw kenteken) of fiets met een maximum per kilometer van hetgeen fiscaal onbelast per kilometer kan worden vergoed (€ 0,19) en een maximum van in aanmerking te nemen kilometers van 60 (retour) per dag; de in aanmerking te nemen kilometers worden bepaald aan de hand van de eigen opgave met een maximum van het aantal kilometers bij de fietsroute volgens de ANWB Routeplanner.

  • d

    een netto vergoeding voor de voor eigen rekening blijvende kosten van woon-werkverkeer met openbaar vervoer;

  • e

    een netto vergoeding voor de voor eigen rekening blijvende kosten van een opleiding of studie voor een beroep;

  • f

    extra opbouw van pensioen op grond van het pensioenreglement;

  • g

    contributie aan een vakbond.

Lid 2

Met inachtneming van artikel 4a:1:1:2, lid 3 kunnen, op één uitzondering na, alle bronnen worden aangewend voor alle bestedingsmogelijkheden.

Lid 3

Uitzondering is:de vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren kan niet worden ingezet voor de koop van de vakantie-uren.

Lid 4

Indien de ambtenaar bronnen wil inzetten ten behoeve van extra opbouw van pensioen, dan overlegt hij een bewijs van de aanwezige beschikbare fiscale ruimte en tot welk bedrag hij extra kan inleggen.

Lid 5

De Wet op de Loonbelasting 1964 is voor de genoemde bestedingsmogelijkheden in het eerste lid, van toepassing.

Artikel 4a:1:1:4 voorwaarden koop en verkoop van vakantie-uren

Bij koop of verkoop van vakantie-uren geldt hetgeen is bepaald in artikel 4a:1 en 4a:2 CAR/UWO.

Artikel 4a:1:1:5 Vervallen

Vervallen.

5 Seniorenmaatregelen UWO-II

Artikel 5:3:1:1 Overgangsregeling 58-jarigenregeling

De ambtenaar die:

  • -

    uiterlijk op 31 december 2013 de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt en

  • -

    op 31 december 2013 in dienst was van de gemeente Haarlemmermeer en

  • -

    op 31 december 2013 en gedurende de periode waarin hij gebruik zal maken van deze regeling werkzaam is in een volledige betrekking, is het vanaf het bereiken van de leeftijd van 63 jaar gedurende 4 jaar toegestaan met behoud van de arbeidsduur en het volledig voor hem geldende salaris en salaristoelage(n)per dag een half uur korter te werken. De wijze waarop deze werktijdvermindering wordt ingevuld, wordt bepaald in overleg met de leidinggevende.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings) verlof UWO-II

Artikel 6:1:1:1 Verplicht vrije dagen

Het college is bevoegd, gehoord de ondernemingsraad, jaarlijks 2 dagen aan te wijzen waarop de dienst gesloten is en het personeel verplicht is verlof op te nemen.

Artikel 6:2:1:1 Duur vakantieverlof

De duur van het jaarlijks vakantieverlof bedraagt in uren voor de ambtenaar in een volledige betrekking 188 uur.

Artikel 6:2:1:2 Overgangsregeling

  • a

    De medewerker die in 2013 op basis van de toen geldende artikelen 6:2:1:1 en 6:2:1:2 UWO-II meer vakantieverlof had dan 188 uur, die op 31 december 2013 in dienst was en op 31 december 2013 55 jaar of ouder was (geboren voor 1 januari 1959), behoudt recht op het meerdere, voor zover het meerdere verlof de 188 uur overschrijdt.

  • b

    De medewerker die in 2013 op basis van de toen geldende artikelen 6:2:1:1 en 6:2:1:2 UWO-II meer vakantieverlof had dan 188 uur, die op 31 december 2013 in dienst was en op 31 december 2013 jonger was dan 55 jaar (geboren op of na 1 januari 1959), behoudt in 2014 recht op het meerdere, voor zover het meerdere verlof de 188 uur overschrijdt

Artikel 6:2:1:3 Vakantieverlof parttimers

De duur van het jaarlijks vakantieverlof voor de ambtenaar die geen volledige betrekking vervult, bedraagt een evenredig deel van het verlof volgens de artikelen 6:2:1:1 en 6:2:1:2.

Artikel 6:2:1:4 Afronding vakantie-uren

De uitkomst van de volgens de voorgaande artikelen berekende duur van het vakantieverlof wordt naar boven afgerond op een heel uur.

Artikel 6:4:4:2 Buitengewoon verlof Goede Vrijdag en 5 mei

De openbare dienst van de gemeente is gesloten op Goede Vrijdag en 5 mei. Hiertoe verleent het college bijzonder verlof met behoud van salaris en toegekende salaristoelage(n).

Artikel 6:4:5:0 Buitengewoon verlof niet op verzoek ambtenaar

Het college kan, indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat, aan een ambtenaar in het belang der dienst buitengewoon verlof verlenen met behoud van salaris en salaristoelage(n).

Artikel 6:4:5:1 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding krachtens artikel 6:4:4, lid 2 van de CAR/UWO is onverminderd het bepaalde in de volgende artikelen, gerekend over een uur gelijk aan het 1/156 gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar per maand in een volledige betrekking.

Artikel 6:4:5:2 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als gemeenteraadslid geacht wordt per uur aan vaste vergoeding te ontvangen. Die vergoeding per uur wordt vastgesteld door de vaste vergoeding per jaar te delen door:

120 voor het raadslid in een gemeente tot

 

 

6.000 inwoners

133 voor het raadslid in een gemeente van

6.001

-

8.000 inwoners

154 voor het raadslid in een gemeente van

8000

-

10.000 inwoners

179 voor het raadslid in een gemeente van

10001

-

12000 inwoners

210 voor het raadslid in een gemeente van

12001

-

14000 inwoners

264 voor het raadslid in een gemeente van

14001

-

18000 inwoners

327 voor het raadslid in een gemeente van

18001

-

24000 inwoners

411 voor het raadslid in een gemeente van

24001

-

30000 inwoners

507 voor het raadslid in een gemeente van

30001

-

40000 inwoners

648 voor het raadslid in een gemeente van

40001

-

50000 inwoners

704 voor het raadslid in een gemeente van

50001

-

60000 inwoners

769 voor het raadslid in een gemeente van

60001

-

80000 inwoners

824 voor het raadslid in een gemeente van

80001

-

100000 inwoners

883 voor het raadslid in een gemeente van

100001

-

125000 inwoners

936 voor het raadslid in een gemeente van

125001

-

150000 inwoners

992 voor het raadslid in een gemeente van

150001

-

250000 inwoners

1090 voor het raadslid in een gemeente van

250001

-

375000 inwoners

1327 voor het raadslid in een gemeente vanaf

 

 

375.001 inwoners

Artikel 6:4:5:3 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als wethouder geacht wordt per uur aan wedde te ontvangen. Die wedde per uur wordt bepaald door de jaarwedde te delen door:

396 voor de wethouder in een gemeente t/m

 

 

2000 inwoners

594 voor de wethouder in een gemeente van

2001

t/m

4000 inwoners

792 voor de wethouder in een gemeente van

4001

t/m

8000 inwoners

990 voor de wethouder in een gemeente van

8001

t/m

14000 inwoners

1188 voor de wethouder in een gemeente van

14001

t/m

18000 inwoners

1584 voor de wethouder in een gemeente van

18001

t/m

24000 inwoners

1980 voor de wethouder in een gemeente vanaf

 

t/m

24001 inwoners

Artikel 6:4:5:4 Inhoudingsregeling uitoefening publieke functie

De inhouding als bedoeld in artikel 6:4:5:1 overschrijdt per uur niet het bedrag dat de ambtenaar als lid van provinciale staten geacht wordt per uur aan vaste vergoeding te ontvangen. Die vaste vergoeding per uur wordt bepaald op het 1/572 gedeelte van de vaste vergoeding per jaar.

7 Verzuimprotocol UWO-II

Artikel 7:1:0:1 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van dit verzuimprotocol wordt verstaan onder:

  • a

    arbodienst:de arbodienst waarmee de gemeente een contract heeft gesloten;

  • b

    bedrijfsarts:de door de gemeente ingeschakelde bedrijfsarts;

  • c

    frequent verzuim:in 12 maanden 3 keer of meer verzuim.

Artikel 7:1:0:2 Aanwijzingen voor de medewerker

Lid 1

De medewerker die wegens ziekte zijn betrekking niet of niet geheel kan vervullen, informeert telefonisch de direct leidinggevende hierover, in ieder geval voor 9.30 uur op de eerste dag dat hij als gevolg van ziekte zijn werkzaamheden niet kan verrichten. De ambtenaar die zijn betrekking tijdens de uitoefening wegens ziekte stopt, doet hiervan in persoon mededeling aan zijn leidinggevende.

Lid 2

De medewerker geeft aan wat de verwachte duur is van het verzuim. Ook bespreekt de medewerker eventueel te nemen maatregelen in verband met zijn afwezigheid. Indien de medewerker kennis draagt van feiten en omstandigheden die, ter beperking van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of noodzakelijk maken, meldt hij dit bij de leidinggevende of neemt direct na de ziekmelding contact op met de bedrijfsarts.

Lid 3

Indien de medewerker tijdens het verzuim niet op het woonadres verblijft, doet hij daarvan direct mededeling aan de leidinggevende. Bij een wijziging in verblijfplaats meldt de medewerker dit direct aan de leidinggevende.Behoudens een spoedopname informeert de medewerker de leidinggevende voorafgaand over de opname in zieken- of verpleeghuis.

Lid 4

Bij ziekte tijdens een verblijf in het buitenland informeert de medewerker op de eerste ziektedag de direct leidinggevende telefonisch hierover. Na terugkomst uit het buitenland dient de medewerker aan de bedrijfsarts een verklaring van een arts te overleggen waaruit de aard en het verloop van de ziekte blijkt dan wel de nota’s van de arts en apotheek. Hieruit moet blijken dat het een behandeling van de medewerker betrof.

Lid 5

Tijdens de verhindering wegens ziekte is het de medewerker toegestaan zijn verblijfplaats te verlaten:

  • -

    ’s morgens tussen 08.00 uur en 10.00 uur en

  • -

    's middags tussen 14.30 uur en 16.30 uur.

Buiten die perioden mag hij zijn verblijfplaats slechts verlaten:

  • -

    in geval hier nadere afspraken over zijn gemaakt met de leidinggevende;

  • -

    in geval van een bezoek aan zijn huisarts, een medisch specialist, een polikliniek, een laboratorium, de bedrijfsarts en dergelijke;

  • -

    indien opname in een zieken- of verpleeghuis is voorgeschreven.

Lid 6

De medewerker dient er voor zorg te dragen dat hij gedurende de ziekteperiode bereikbaar is voor leidinggevende dan wel bedrijfsarts. Hij stelt hen in de gelegenheid om hem in zijn woning of op het verpleegadres te bezoeken en verstrekt de voor de begeleiding en werkhervatting benodigde inlichtingen.

Lid 7

De medewerker geeft ongeacht of hij zijn betrekking al dan niet heeft hervat gevolg aan een uitnodiging het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. Hij mag dit nalaten indien hij daartoe vanwege zijn ziekte niet in staat is of omdat de hem behandelend arts hem dat om medische redenen heeft afgeraden. De medewerker geeft daarvan zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het bewuste spreekuur, kennis – onder opgaaf van redenen – aan de bedrijfsarts en de direct leidinggevende. De medewerker overlegt desgevraagd een verklaring van de behandelend arts dan wel verleent aan de bedrijfsarts toestemming tot overleg met zijn behandelend arts.

Lid 8

De medewerker dient een actieve bijdrage te leveren aan zijn eigen arbeidsre-integratie en is tevens verplicht naast de medewerking aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak mee te werken aan de tussentijdse (eerstejaars)evaluatie, de eindevaluatie en het re-integratieverslag.

Lid 9

Indien de medewerker zijn betrekking dient te hervatten op een door de bedrijfsarts aangewezen dag en de medewerkers van mening is dat hij daar niet toe in staat is, doet hij hiervan mededeling op de wijze zoals in lid 1 en 2 omschreven.

Lid 10

Onverlet het bepaalde in artikel 7:17 CAR/UWO meldt de medewerker op de dag dat hij hervat dit bij zijn leidinggevende.

Lid 11

Indien de medewerker tijdens een periode waarin hij geheel dan wel gedeeltelijk vanwege ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen op vakantie wenst te gaan c.q. ontheven wenst te worden van eventuele reïntegratieverplichtingen, dan dient hij op de reguliere wijze tijdig vakantieverlof aan te vragen bij de leidinggevende. Indien er bij de leidinggevende twijfel bestaat of de vakantie de re-integratie en/of het verder herstel belemmert, dan vraagt hij hierover advies aan de bedrijfsarts.

Lid 12

Indien de medewerker zich niet aan houdt aan hier beschreven aanwijzingen kan de werkgever een passende maatregel treffen, beschreven in de CAR/UWO.

Artikel 7:1:0:3 Aanwijzingen voor de leidinggevende

Lid 1

De leidinggevende verwerkt in de HR Portal (MijnHRMPagina):

  • -

    een ziekmelding,

  • -

    een verandering in verblijfplaats van de zieke medewerker,

  • -

    een gedeeltelijke of volledige herstelmelding, of andere informatie die van belang is voor de ziekteverzuimbegeleiding.

Lid 2

Indien de leidinggevende kennis draagt van feiten en omstandigheden die, ter beperking van de verzuimduur, direct ingrijpen wenselijk of noodzakelijk maken, meldt hij dit bij de bedrijfsarts en bespreekt de te ondernemen stappen.

Lid 3

De leidinggevende draagt er zorg voor dat hij tijdig, uiterlijk aan het begin van de zevende week na de ziekmelding of zoveel eerder als nodig is, in het bezit is van de probleemanalyse van de bedrijfsarts.

Lid 4

In de achtste week na de ziekmelding of, indien nodig, eerder stelt de leidinggevende in samenspraak met de zieke medewerker op basis van de probleemanalyse een plan van aanpak op teneinde werkhervatting c.q. reïntegratie te bereiken. In het plan van aanpak is in ieder geval opgenomen:

  • -

    wie als casemanager optreedt,

  • -

    wat de doelstelling is,

  • -

    welke acties door wie hiertoe worden ondernomen,

  • -

    eventuele afspraken over contact tussen bedrijfsarts en overige behandelaars

  • -

    bij herplaatsing elders: afspraken over inzet reïntegratiebedrijf

  • -

    binnen welke termijn een actie dient te zijn uitgevoerd en wanneer evaluatie plaatsvindt.

De medewerker en de bedrijfsarts ontvangen een afschrift van het plan van aanpak.

Lid 6

De leidinggevende bespreekt de voortgang van het plan van aanpak regelmatig met de zieke medewerker. De frequentie is afhankelijk van de aard van het verzuim en de situatie maar de tussenpozen zijn niet groter dan 6 weken. Indien nodig wordt het plan van aanpak bijgesteld. De leidinggevende draagt er zorg voor dat het gesprek schriftelijk wordt vastgelegd. De medewerker ontvangt een afschrift van het verslag.

Lid 7

Uiterlijk in de 52e ziekteweek belegt de leidinggevende een gesprek met de zieke medewerker waarin de tot dan toe ondernomen acties worden geëvalueerd en wordt vastgelegd wat de actuele stand van zaken is teneinde het perspectief en het doel in de komende periode te bepalen.

Lid 8

De leidinggevende dan wel de casemanager draagt bij langdurend verzuim zorg voor een volledig re-integratiedossier en ziet erop toe dat deze bevat:

  • -

    de probleemanalyse

  • -

    het plan van aanpak

  • -

    de eventuele bijstellingen van het plan van aanpak

  • -

    verslagen van voortgangsgesprekken

  • -

    de verslagen van de bedrijfsarts naar aanleiding van het spreekuur

  • -

    de eerstejaarsevaluatie

  • -

    alle documenten en correspondentie die betrekking hebben op de ondernomen activiteiten.

Lid 9

Zodra de medewerker zijn werkzaamheden hervat, belegt de leidinggevende een terugkeergesprek. Bij langdurend verzuim vindt dit gesprek zo mogelijk plaats alvorens de werkzaamheden worden hervat.

Lid 10

Indien sprake is van frequent verzuim bespreekt de leidinggevende direct dan wel kort na hervatting van het werk, met de medewerker de mogelijke oorzaken van het verzuim en, indien die oorzaken daartoe aanleiding geven, verzoekt de bedrijfsarts betrokkene uit te nodigen voor het spreekuur.

Lid 11

In het werkoverleg geeft de leidinggevende regelmatig aandacht aan de arbeidsomstandigheden in relatie met ziekteverzuim. Indien nodig stelt hij de bevindingen van het werkoverleg aan de orde in het managementteamoverleg (MT) of in het overleg met de directeur.

Artikel 7:1:0:4 Slotbepaling

Voor de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering ten laste van de gemeente Haarlemmermeer is het bovenstaande, zoveel mogelijk, overeenkomstig van toepassing.

10d Nawettelijke uitkering (sancties na de WW-periode) UWO-II

Artikel 10d:34:0:1 Sancties nawettelijke uitkering

Op de nawettelijke uitkering is hetzelfde sanctiestelsel van toepassing dat door UWV wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering.

Artikel 10d:34:0:1 Sancties nawettelijke uitkering (Toelichting)

In 2011 heeft het college besloten om het Maatregelenbesluit socialeverzekeringswetten (en de latere wijzigingen daarin dan wel opvolgende maatregelenbesluiten) van toepassing te verklaren op de nawettelijke uitkering. Het Maatregelenbesluit socialeverzekeringswetten is een algemene maatregel van bestuur op basis waarvan UWV sancties toepast wanneer iemand met een werkloosheidsuitkering zijn verplichtingen niet nakomt. Op grond van de CAR/UWO (artikel 10d:28) worden deze sancties al evenredig toegepast op de aanvullende uitkering. De uitvoering van het sanctiebeleid bij de nawettelijke uitkering (het toepassen van de sancties) is sinds 2009 uitbesteed en gemandateerd aan Loyalis Maatwerk.

12 Georganiseerd Overleg UWO-II

Artikel 12:1:1:1 Overeenstemming vereist

Invoering of wijziging van aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de meerderheid van de organisaties als bedoeld in hoofdstuk 12 CAR/UWO.

Artikel 12:1:1:2 Geen overeenstemming vereist

Van het overeenstemmingsvereiste zijn uitgesloten:

  • -

    die onderwerpen die ook in het landelijk protocol zijn uitgesloten

  • -

    die maatregelen, die aan het centraal overleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van overheidspersoneel zijn voorbehouden en

  • -

    die onderwerpen waaromtrent het overleg is voorbehouden aan het College voor Arbeidszaken en de centrales van overheidspersoneel (raamovereenkomst).

Artikel 12:1:1:3 Advies en arbitrage

Lid 1

Onverminderd het bepaalde onder artikel 12:1:1:2 blijven voorshands de bepalingen van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) die kunnen worden gerelateerd aan het onder artikel 12:1:1:1 bepaalde, buiten werking.

Lid 2

De artikelen 12:3:1 tot en met 12:3:9 van de CAR/UWO, handelende over advies en arbitrage, blijven onverkort van kracht.

Artikel 12:1:1:4 Financiële ruimte en gemeenteraad

Lid 1

De financiële gevolgen van het op lokaal niveau overeengekomen onderhandelingsresultaat dienen te blijven binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële ruimte.

Lid 2

Indien de onderhandelingsresultaten leiden tot meerkosten ten opzichte van het beschikbare budget, dan zullen deze afspraken eerst gelden na instemming door de gemeenteraad.

14 Medezeggenschap UWO-II

Artikel 14:1:1:1 OR/GO en gewone functie

De gemeentesecretaris/algemeen directeur en het management waken ervoor dat OR/GO-leden naast hun normale functie werkzaamheden voor OR/GO kunnen verrichten.

Artikel 14:1:1:2 Faciliteiten

De faciliteiten van deze regeling staan zowel open voor parttimers als voor fulltimers.

Artikel 14:1:1:3 Faciliteiten

Teneinde OR/GO-leden in staat te stellen hun taak te verrichten, krijgen zij van de gemeente de gelegenheid om:

  • -

    overlegvergaderingen bij te wonen;

  • -

    interne (voorbereidende) vergaderingen bij te wonen;

  • -

    personen en stukken te raadplegen ter voorbereiding of nabespreking van bepaalde agendapunten van een overlegvergadering;

  • -

    deel te nemen aan ingestelde commissies;

  • -

    deel te nemen aan cursussen.

Artikel 14:1:1:4 Gesprek voorafgaand aan OR/GO-werk

Vóór de verkiezing (OR) of benoeming (GO) vindt er een gesprek plaats tussen de OR/GO-kandidaat, de leidinggevende, de HRM-adviseur, naaste collega’s en een OR/GO-lid. Onderwerp van gesprek zijn de consequenties van het OR/GO-werk, de mogelijke invloed op de loopbaan alsmede de tijdsbesteding.

Artikel 14:1:1:5 Vervolggesprekken

Om de eventuele gevolgen van het lidmaatschap op de loopbaan bespreekbaar te houden, vinden jaarlijks -naast de gebruikelijke functioneringsgesprekken- vervolggesprekken plaats tussen het OR/GO-lid, de leidinggevende en de HRM-adviseur.

Artikel 14:1:1:6 Vrijstelling OR-leden

OR-leden hebben recht op een wekelijkse vrijstelling van minimaal 1 dagdeel per week voor vergaderingen, commissiewerk, contacten met het personeel en dergelijke. Gedurende deze uren kunnen zij zich vrij in of buiten de gebouwen bewegen. Voor de voorzitter en de secretaris geldt daar bovenop een toeslag van 50%.

Artikel 14:1:1:7 Vrijstelling GO-leden

GO-leden hebben recht op een vrijstelling van 1 dag per GO-vergadering voor het bijwonen en de voorbereiding hiervan.

Artikel 14:1:1:8 Scholings/vakbondsverlof

OR-leden hebben recht op minimaal 5 dagen per jaar scholingsverlof, te besteden naar eigen inzicht. De aanspraken van GO-leden staan geregeld in artikel 6:4:2 van de CAR/UWO.

Artikel 14:1:1:9 OR/GO tijdsbesteding in werkplan

Het opnemen van tijd geschiedt na melding bij de leidinggevende. De organisatie maakt in haar werkplan(nen) ruimte voor de tijdsbesteding genoemd onder artikel 14:1:1:6 t/m 14:1:1:8. OR/GO leden verantwoorden aan het werk bestede tijd in het tijdschrijfsysteem.

Artikel 14:1:1:10 Vergaderingen binnen werktijd en buiten werktijd

Vergaderingen vinden zoveel mogelijk binnen de normale werktijd plaats. Indien vergaderingen uitlopen tot na de normale werktijd of plaatsvinden na de normale werktijd komen de uren buiten dagvenster in aanmerking voor de buitendagvenstertoelage van artikel 3:12 CAR/UWO.

Artikel 14:1:1:11 Vervallen

Vervallen

Artikel 14:1:1:12 Tijdbesteding

De gemeentesecretaris/algemeen directeur en de OR/GO-leden kunnen de mate van tijdsbesteding ieder jaar ter sprake brengen en daarbij correcties voorstellen.

Artikel 14:1:1:13 Faciliteiten

Ten behoeve van werkzaamheden krijgen de OR/GO-leden kosteloos ter beschikking:

  • a

    gebruik van telefoon, telefax en kantoorautomatisering;

  • b

    kantoorbenodigdheden, mits besteld op een eigen boekingsnummer;

  • c

    een nader te bepalen werkbudget voor opleiding en overige faciliteiten.

Artikel 14:1:1:14 Reizen i.v.m. OR/GO-werk

Voor reizen in verband met het OR/GO-werk geldt de binnen de gemeente bestaande vergoedingsregeling.

Artikel 14:1:1:15 Opleiding

Het volgen van opleiding geschiedt in overleg, gelet op de mogelijkheden tot verkrijging van subsidie.

Artikel 14:1:1:16 Beschermde positie

De gemeente draagt er zorg voor dat OR/GO-leden niet benadeeld worden in hun normale functie bij de gemeente. Dit houdt onder meer in dat, wanneer het lidmaatschap tot gevolg heeft dat de normale functie binnen de organisatie niet meer volledig vervuld wordt, dit geen nadelige consequenties heeft voor het lid.

Artikel 14:1:1:17 Basis voor beloning

Indeling in salarisschalen, promotievoorstellen en buitengewone beloningen zijn louter gebaseerd op het vervullen van de normale functie binnen de organisatie.

Artikel 14:1:1:18 Basis voor beoordeling

OR/GO-leden worden alleen beoordeeld op het vervullen van hun normale functie binnen de organisatie. OR/GO-leden die menen in hun beoordeling benadeeld te worden door hun OR/GO-werk, kunnen in beroep gaan bij de gemeentesecretaris/algemeen directeur.

15 Overige rechten en verplichtingen UWO-II

Artikel 15:1:15:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    functie:het samenstel van werkzaamheden waarmee de medewerker door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan gedurende een tijdvak feitelijk is belast;

  • b

    beoordelaar:de hiërarchisch direct leidinggevende, dan wel een door de leidinggevende formeel aangewezen persoon; voor de gemeentesecretaris/algemeen directeur is de burgemeester de beoordelaar en is de wethouder P&O informant;

  • c

    adviseur:de functionaris volgens artikel 15:1:15:3;

  • d

    planningsgesprek:het tweezijdig gesprek tussen leidinggevende en medewerker waarin voor de komende periode, maximaal tot de volgende beoordeling aan de hand van concrete afspraken wordt bepaald:

    • -

      wat de leidinggevende aan prestaties/resultaten en competenties van de medewerker verwacht,

    • -

      de wijze waarop de leidinggevende hierbij behulpzaam is en

    • -

      of ontwikkeling van competenties noodzakelijk is.

  • e

    functioneringsgesprek:het tweezijdig gesprek tussen leidinggevende en medewerker gericht op:

    • -

      het verkrijgen van inzicht in het functioneren,

    • -

      de voortgang van de in het planningsgesprek gemaakte afspraken en eventuele bijstelling daarvan,

    • -

      de werksituatie c.q. arbeidsomstandigheden

    • -

      en de werkbeleving gericht op de ontwikkeling van de medewerker.

  • f

    beoordelingsgesprek:het eenzijdig gesprek tussen de beoordelaar en de medewerker gericht op: het verstrekken van een oordeel over de wijze waarop de medewerker zijn functie heeft uitgeoefend;

  • g

    informant:degene die in een functionele werkrelatie tot de medewerker staat.

  • h

    digitale fubo-popsysteem:het via intranet van de gemeente Haarlemmermeer beschikbare digitale fubo-popsysteem waarin de verslagen worden aangemaakt en opgeslagen. Dit is een beveiligde omgeving waarvoor iedere medewerker een persoonlijke login ontvangt.

Artikel 15:1:15:2 Frequentie gesprekken

Lid 1

Het planningsgesprek, het functioneringsgesprek en het beoordelingsgesprek vinden ten minste eenmaal per jaar plaats.

Lid 2

Onder opgaaf van redenen kan zowel de leidinggevende als de medewerker het initiatief nemen voor het houden van meerdere gesprekken per jaar.

Artikel 15:1:15:3 Adviseur

Adviseur zijn:

  • -

    de HRM-adviseur(s) of zijn plaatsvervanger,

  • -

    de clustermanager HRM of zijn plaatsvervanger bij de beoordeling van de gemeentesecretaris en directeur.

Zij adviseren de beoordelaar en de medewerker desgevraagd over de te volgen procedure.

Artikel 15:1:15:4 Informanten

De beoordelaar kan ten behoeve van het beoordelings- en/of functioneringsgesprek informanten om inlichtingen vragen over het functioneren van de medewerker. De leidinggevende deelt in het beoordelings- en functioneringsgesprek mee wie informanten zijn en welke informatie hij van de informanten heeft gekregen.

Artikel 15:1:15:4 Informanten (Toelichting)

In deze bepaling is geregeld dat de beoordelaar informanten kan vragen hem te voorzien van informatie over het functioneren van de medewerker. Het gebruik van informanten kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het functionerings- en beoordelingsgesprek.

Het ligt in de rede diegene als informant te benaderen die in de beoordelingsperiode dan wel in de periode waarop het functioneringsgesprek betrekking heeft, heeft samengewerkt met de medewerker. Dit kan zijn in een project binnen het eigen cluster en/of team maar ook daar buiten. Ook indien de medewerker heeft opgetreden als adviseur kan diegene die is geadviseerd als informant worden gevraagd.

De beoordelaar c.q. leidinggevende kan ook de medewerker zelf vragen informanten aan te dragen.

De informant kan worden gevraagd informatie te geven over het functioneren van de medewerker in relatie tot de kernactiviteiten in de functie van de medewerker, de mate dat de gewenste competenties aanwezig zijn en tot uiting komen en overige zaken.

Artikel 15:1:15:5 Procedure

Lid 1

De direct leidinggevende maakt in principe minimaal twee weken van tevoren met de medewerker een afspraak voor het houden van een planningsgesprek, functioneringsgesprek of beoordelingsgesprek.

Lid 2

Indien de medewerker en/of de beoordelaar dit wenst/wensen, woont/wonen de naasthogere leidinggevende en/of de adviseur en/of een vertrouwenspersoon het (aanvullend) beoordelings- en/of het functioneringsgesprek bij. De medewerker en de beoordelaar informeren elkaar hierover voorafgaand aan het gesprek.

Artikel 15:1:15:6 Verslaglegging en vaststelling plannings- en functioneringsgesprek

Lid 1

Binnen vier weken na het plannings- en functioneringsgesprek maakt de leidinggevende met behulp van het daartoe in het digitale fubo-popsysteem beschikbare formulier een verslag en wordt een automatisch e-mailbericht naar het mailadres van de medewerker bij de gemeente verstuurd dat het verslag is opgemaakt en beschikbaar is in het digitale fubo-popsysteem. De leidinggevende kan bij aanvang van het plannings- en functioneringsgesprek bepalen dat de medewerker binnen twee weken na het gesprek het verslag in concept opstelt.

Lid 2

Indien de leidinggevende en de medewerker niet tot overeenstemming zijn gekomen over de in de planningsperiode te verrichten werkzaamheden, geeft de leidinggevende dit aan op het formulier. De door de medewerker gemaakte op- en aanmerkingen worden meegewogen in het functionerings- en het beoordelingsgesprek.

Lid 3

De medewerker geeft binnen twee weken na ontvangst van het verslag in het digitale fubo-popsysteem aan dat hij het verslag heeft gezien. Door het formulier voor gezien te tekenen wordt door het systeem een automatisch e-mailbericht verstuurd naar de leidinggevende waarmee het verslag is vastgesteld.

Lid 4

Indien de medewerker niet binnen twee weken in het digitale fubo-popsysteem het verslag voor gezien heeft getekend stuurt de beoordelaar een e mailbericht aan de medewerker dat het verslag is vastgesteld.

Artikel 15:1:15:7 Scores en verslag beoordelingsgesprek

Lid 1

beoordeling wordt aangeduid met een van de volgende scores:

  • A = voldoet niet aan de gestelde eisen

  • B = verbetering op onderdelen nodig

  • C = voldoet aan de gestelde eisen

  • D = gaat boven de eisen uit.

Lid 2

Indien de medewerker in het beoordelingsgesprek aangeeft het niet eens te zijn met de beoordeling en een aanvullend beoordelingsgesprek wenst, plant de leidinggevende een aanvullend beoordelingsgesprek. Hiervan wordt in het verslag van het beoordelingsgesprek melding gemaakt.

Lid 3

Binnen twee weken na het beoordelingsgesprek of, indien er een aanvullend beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden, binnen twee weken na het aanvullend beoordelingsgesprek maakt de beoordelaar met behulp van het in het digitale fubo-popsysteem beschikbare formulier het verslag en vermeldt daarin de algehele beoordeling op basis van de vierpuntsschaal met de score A, B, C of D.

Lid 4

De medewerker geeft binnen twee weken na ontvangst van het verslag in het digitale fubo-popsysteem aan dat hij het verslag heeft gezien. Door het formulier voor gezien te tekenen wordt door het systeem een automatisch e-mailbericht verstuurd naar de leidinggevende.

Lid 5

Nadat de medewerker het formulier in het digitale fubo-popsysteem voor gezien heeft getekend of indien de termijn van lid 4 is verstreken zonder dat de medewerker daartoe is overgegaan wordt het verslag door de beoordelaar vastgesteld.

Lid 6

Het besluit wordt aan de medewerker bekendgemaakt door uitreiking dan wel verzending aan het huisadres. Bij uitreiking van het besluit tekent de medewerker voor ontvangst.

Artikel 15:1:15:7 Scores en verslag beoordelingsgesprek (Toelichting)

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de medewerker in het beoordelingsgesprek kan aangeven dat hij een aanvullende beoordelingsgesprek wenst. Voorheen stond hier een termijn van 2 weken na het eerste beoordelingsgesprek voor. Indien de medewerker niet in het gesprek heeft aangegeven een aanvullend beoordelingsgesprek te willen, maar dit een dag later aangeeft, is dit geen aanleiding het aanvullend gesprek te weigeren. Het past in de onderlinge verhoudingen bij Haarlemmermeer om dit geen fatale termijn te laten zijn.

Artikel 15:1:15:8 Vernietiging bescheiden

De krachtens dit reglement geproduceerde verslagen/formulieren worden na vijf jaar vernietigd.

Artikel 15:1:16:1 Functies met dienstkleding

Voor toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1

    medewerker:

    • a

      De ambtenaar die is aangesteld in de functie van:

      • -

        medewerker ondersteuning met bodetaken

      • -

        chauffeur

      • -

        boswachter

      • -

        toezichthouder die aan zijn uniform moet zijn te herkennen

      • -

        medewerker ondersteuning die bij grote evenementen herkenbaar moet zijn aan zijn kleding

    • b

      De ambtenaar die is aangesteld in een functie die vereist dat er veiligheidskleding wordt gedragen.

  • 2

    bedrijfskleding:

    • a

      De in de bijlage 1, 2, 3, 4 en 5 genoemde representatieve en/of uniformkleding voor de onder 1a. genoemde medewerker.

    • b

      De in bijlage 6 genoemde veiligheidskleding in het kader van de Arbo-wetgeving voor de onder 1b. genoemde medewerker.

Artikel 15:1:16:2 Verstrekken bedrijfskleding

Lid 1

Aan de medewerker wordt voor rekening van de gemeente bedrijfskleding verstrekt.

Lid 2

De bedrijfskleding is en blijft eigendom van de gemeente.

Lid 3

De medewerker is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking of taken de voorgeschreven bedrijfskleding te dragen. Het is de medewerker niet toegestaan de bedrijfskleding voor andere doeleinden dan voor de functie te gebruiken.

Lid 4

De medewerker is verantwoordelijk voor de hem verstrekte bedrijfskleding.

Lid 5

Bij vermissing of beschadiging geeft hij daarvan onmiddellijk kennis aan de leidinggevende.

Artikel 15:1:16:3 Maatkleding en schoenen op maat

Lid 1

Aan de medewerker wordt in overleg met de leidinggevende maatkleding en/of schoenen op maat verstrekt indien daartoe de noodzaak bestaat.

Lid 2

De medewerker die is aangewezen op orthopedische (veiligheids)schoenen die niet geleverd (kunnen) worden door de leverancier van de gemeente, kan in overleg met zijn leidinggevende de schoenen, voor rekening van de gemeente laten vervaardigen door zijn eigen leverancier.

Lid 3

Ook voor deze schoenen gelden de voorgeschreven kleur, het voorgeschreven model en de overige specificaties.

Lid 4

Indien aan de voorwaarden van lid 2 en lid 3 is voldaan worden de aanschafkosten vergoed onder overlegging van de originele factuur.

Lid 5

Eventuele herstellingen kunnen eveneens in overleg met de leidinggevende door de eigen leverancier van de medewerker worden verricht. De kosten van herstellingen worden vergoed onder overlegging van de originele factuur.

Artikel 15:1:16:4 Ontvangst bedrijfskleding

Bij uitreiking van de kleding tekent de medewerker voor ontvangst.

Artikel 15:1:16:5 Inleveren bedrijfskleding

Lid 1

De bedrijfskleding dient te worden ingeleverd bij:

  • -

    het in ontvangst nemen van nieuwe kleding

  • -

    uitdiensttreding

  • -

    aanvaarding van een andere functie

Lid 2

De medewerker krijgt bij inlevering een bewijs van inlevering.

Artikel 15:1:16:6 Administratie

De leidinggevende draagt zorg voor de aan de bedrijfskleding verbonden administratie.

Artikel 15:1:16:7 Onderhoud bedrijfskleding

Lid 1

Het normale onderhoud en kleine herstellingen – het vernieuwen van zolen en hakken daaronder begrepen - geschieden door de zorg en voor rekening van de medewerker.

Lid 2

De grote herstellingen en het chemisch reinigen van de bedrijfskleding geschieden door de zorg en voor rekening van de gemeente op aangeven van de leidinggevende.

Artikel 15:1:16:8 Verstrekkingen en draagtijd

Lid 1

De in de bijlagen onder eerste en volgende verstrekking vermelde aantallen en de onder draagtijd vermelde duur gelden als richtlijn. De leidinggevende beslist over de aantallen en de vervanging van kleding en/of schoenen

Lid 2

De in de bijlage genoemde draagtijd is gebaseerd op een volledige werkweek en dagelijks gebruik. Bij een parttime dienstverband en/of niet dagelijks gebruik wordt de draagtijd naar rato verlengd.

Artikel 15:1:16:9 Vergoeden van schade

Als voor bedrijfskleding tengevolge van aan de medewerker zelf te wijten feiten of omstandigheden die hij redelijkerwijs had kunnen voorkomen, extra kosten worden gemaakt kunnen deze conform artikel 15:1:12 CAR/UWO worden verhaald op de medewerker.

Artikel 15:1:16:10 Onvoorziene gevallen

In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, kan het college een bijzondere voorziening treffen.

Artikel 15:1:22:1 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    dienstreis:de krachtens bevoegd gegeven opdracht door de ambtenaar ondernomen reis ter uitoefening van zijn betrekking buiten zijn plaats van tewerkstelling alsmede het hiermee verband houdende verblijf buiten deze plaats;

  • b

    plaats van tewerkstelling:het gebouw, gebouwencomplex of terrein dat de ambtenaar voor de normale uitoefening van zijn betrekking is aangewezen;

  • c

    dienstauto:personenauto die aan de ambtenaar ter uitvoering van diens werkzaamheden door de gemeente Haarlemmermeer ter beschikking wordt gesteld;

  • d

    gebruiker:de medewerker aan wie de dienstauto ter beschikking wordt gesteld;

  • e

    zakelijk gebruik:gebruik ten behoeve van de bedrijfsvoering en werkzaamheden van de gemeente Haarlemmermeer;

  • f

    privé-gebruik:gebruik voor privé-doeleinden van de gebruiker.

Artikel 15:1:22:2 Begin- en eindpunt

Een dienstreis heeft als regel de plaats van tewerkstelling als begin- en eindpunt. De voor de vergoeding van de dienstreis in aanmerking te nemen kilometers worden bepaald aan de hand van de routeplanner van het personeelsmanagementsysteem.

Artikel 15:1:22:3 Verbod privé-gebruik dienstauto

Lid 1

Privé-gebruik van de dienstauto is verboden.

Lid 2

Woon-werkverkeer wordt aangemerkt als zakelijk gebruik voor zover dit past binnen de fiscale regelgeving. Onder woon-werkverkeer wordt verstaan: de afstand tussen het huisadres van de gebruiker en het adres van de arbeidsplaats dan wel het adres waar de werkzaamheden door de gebruiker feitelijk worden verricht.

Artikel 15:1:22:4 Stalling dienstauto

Lid 1

De ambtenaar die een dienstauto in gebruik heeft, is verplicht die dagelijks bij het einde van de werkzaamheden op een door de werkgever aangewezen plaats nabij het raadhuis te stallen c.q. te parkeren.

Lid 2

Het college kan in het belang van de dienst van de in lid 1 genoemde verplichting ontheffing verlenen.

Artikel 15:1:22:5 Gebruik dienstauto bij beschikbaarheidsdienst

Lid 1

Indien aan de medewerker een dienstauto ter beschikking staat, worden de gereden kilometers tijdens en ten behoeve van de beschikbaarheidsdienst aangemerkt als zakelijk gebruik.

Lid 2

Het aantal kilometers dat tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt gereden en de plaats van de werkzaamheden waarvoor de gebruiker wordt opgeroepen, worden bijgehouden in de te voeren rittenregistratie.

Lid 3

De gebruiker dient tijdens zijn beschikbaarheidsdienst en bij gebruik van de dienstauto binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven. Onder een redelijke afstand wordt in ieder geval verstaan de afstand waarbij de gebruiker binnen een half uur het adres van de arbeidsplaats of het adres waar de werkzaamheden door de gebruiker feitelijk worden verricht, kan bereiken.

Artikel 15:1:22:5 (Toelichting)

Heeft men beschikbaarheidsdienst dan kan men zijn huis verlaten. Indien men dit doet met gebruik van de dienstauto dan dient de gebruiker binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven. In deze regeling is dat bepaald op een afstand tot de werkplek die in een half uur kan worden overbrugd. Men mag dus wel verder weggaan maar deze meer kilometers zijn in principe privé-kilometers. De betrokken medewerker moet in dergelijke gevallen zijn eigen auto gebruiken.

De fiscus stelt de volgende voorwaarden aan het gebruik van de dienstauto tijdens de beschikbaarheidsdienst:

  • -

    De medewerker heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto.

  • -

    De medewerker beschikt privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de werkgever.

  • -

    De medewerker is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven.

  • -

    De medewerker moet de volgende gegevens bijhouden:

    • o

      het aantal kilometers dat hij tijdens de wachtdienst rijdt

    • o

      het aantal en de plaats van de werkzaamheden waarvoor hij opgeroepen wordt.

Artikel 15:1:22:6 Controle privé-gebruik en rittenadministratie

Het FM Frontoffice van de cluster Facility Management houdt toezicht op de naleving van het verbod op privé-gebruik door controle van de door de gebruiker(s) gevoerde rittenregistratie. Daar waar gewenst of mogelijk zal ook op andere wijze kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 15:1:22:7 Sanctie bij overtreding verbod privé-gebruik dienstauto

Lid 1

Overtreding van het verbod op privé-gebruik wordt aangemerkt als plichtsverzuim.

Lid 2

Bij overtreding van het verbod op privé-gebruik van een dienstauto kan een passende disciplinaire maatregel worden opgelegd.

Lid 3

Aan de gemeente opgelegde naheffingen, naheffingsrente en/of boetes die voortvloeien uit door de Belastingdienst geconstateerd privé-gebruik worden op de gebruiker(s) verhaald.

Lid 4

De op te leggen disciplinaire maatregel staat los van de ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 toe te passen bijtelling bij privé-gebruik voor meer dan 500 km op kalenderjaarbasis.

Artikel 15:1:22:8 Verklaring geen privé-gebruik personenauto

Lid 1

De gebruiker van een personenauto is verplicht een “Verklaring geen privé-gebruik” bij de Belastingdienst aan te vragen. Deze verklaring met de bijbehorende beschikking van de Inspecteur der Belastingen dient de gebruiker aan het FM Frontoffice van de cluster Facility Management te overleggen.

Lid 2

De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet voor de personenauto die afwisselend door 2 of meer personen wordt gebruikt.

Lid 3

Indien niet aan de in het eerste lid genoemde verplichting wordt voldaan, zal ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 een fiscale bijtelling ten aanzien van de gebruiker worden toegepast.

Lid 4

Wijziging van de omstandigheden waaronder de “Verklaring geen privé-gebruik” is aangevraagd alsmede intrekking van deze verklaring moet de ambtenaar zo spoedig mogelijk melden aan de Belastingdienst en de personeelsadministratie.

Artikel 15:1:22:8 (Toelichting)

Indien een dergelijke verklaring aanwezig is ontslaat dit de werkgever om een bijtelling toe te passen en daarover loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in te houden. Het ontslaat de medewerker echter niet om, indien de belasting daarom vraagt door middel van een sluitende rittenadministratie aan te tonen dat er inderdaad niet meer is gereden dan 500 privé-kilometers.

Artikel 15:1:22:9 Rittenregistratie dienstauto

Lid 1

De gebruiker is te allen tijde verplicht een sluitende rittenregistratie te voeren teneinde het gebruik te verantwoorden.

Lid 2

De rittenregistratie dient de volgende gegevens te vermelden: merk en type auto, kentekennummer en periode waarin de auto ter beschikking staat. Voor elke rit dienen de volgende gegevens te worden ingevuld: datum, de begin- en eindstand van de kilometerteller, vertrek en aankomstadres en gereden route (indien niet meest gebruikelijke route).

Lid 3

Het FM Frontoffice van de cluster Facility Management houdt toezicht op de juiste uitvoering van de rittenregistratie.

Lid 4

De rittenregistratieformulieren worden ingenomen door en gearchiveerd bij het FM Frontoffice van de cluster Facility Management waar zij beschikbaar zijn voor belastingcontroles.

Lid 5

De juistheid van de rittenadministratie kan door de Belastingdienst worden gecontroleerd aan de hand van bijvoorbeeld afsprakenoverzichten, orderbriefjes, garagenota’s, elektronische routeplanners en dergelijke. Gebruikers dienen dergelijke bewijzen te bewaren omdat de Belastingdienst hierom kan vragen.

Lid 6

Indien de gebruiker(s) geen sluitende rittenregistratie voert c.q. voeren, zal ingevolge de Wet op de Loonbelasting 1964 een fiscale bijtelling worden toegepast.

Artikel 15:1:22:9 (Toelichting)

Meest gebruikelijke route

Volgens vaste jurisprudentie is dat de weg die door het merendeel van de belastingplichtigen bij gebruik van een zelfde soort vervoermiddel zou worden gevolgd.

Bij gebrek aan een adres/postcode

Hierbij dient de bezochte locatie zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid met de wel ter beschikking staande gegevens.

Artikel 15:1:22:10 Hardheidsclausule dienstauto

In bijzondere gevallen waarin deze bepalingen ten aanzien van de dienstauto niet of niet naar billijkheid voorzien, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking daarvan beslissen voor zover de (fiscale) regelgeving dit toelaat.

Artikel 15:1:22:11 Dienstreis met openbare vervoer

Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang ermee gebaat is dat de ambtenaar tijdens een dienstreis naast openbaar vervoer tevens gebruikmaakt van een taxi, worden de aan dat taxigebruik verbonden kosten volledig vergoed.

Artikel 15:1:22:11 (Toelichting)

Toeslagen voor bijzondere vormen van openbaar vervoer waardoor de reistijd woon-werkverkeer wordt bekort, zoals bij de Intercity Direct (v.h. Fyra), komen voor vergoeding in aanmerking. Is de toeslag uitsluitend vanwege een meer comfortabele manier van reizen of betreft het een internationale trein dan wordt de toeslag niet vergoed.

Artikel 15:1:22:12 Dienstreis met eigen motorvoertuig

Lid 1

Aan de ambtenaar, niet werkzaam in een functie met auto noodzaak, die met toestemming van zijn leidinggevende de eigen auto gebruikt voor dienstdoeleinden, wordt voor zodanig gebruik een vergoeding verleend gelijk aan de kilometervergoeding die de belastingdienst toestaat onbelast te vergoeden.

Lid 2

Aan de medewerker, werkzaam in een functie met autonoodzaak wordt voor het gebruik van de eigen auto ten behoeve van dienstdoeleinden een vergoeding verleend ad € 0,37 bruto of, indien de kilometervergoeding is aangewezen als eindheffingsloon, ad € 0,28 netto.

Artikel 15:1:22:13 Dienstreis met eigen fiets of bromfiets

Aan de ambtenaar die met toestemming van de leidinggevende de eigen fiets of bromfiets gebruikt voor dienstdoeleinden, wordt voor zodanig gebruik een vergoeding verleend van respectievelijk € 0,05 en € 0,10.

Artikel 15:1:22:14 Bijkomende reiskosten dienstreis

De bij een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor het gebruikmaken van een parkeerplaats, garage of stalling, bruggelden, overvaartgelden, tunnelgelden en dergelijke worden volledig vergoed. De daarover verschuldigde loonheffing komt voor gemeenterekening.

Artikel 15:1:22:15 Verblijfkosten

Lid 1

De ambtenaar ontvangt voor de in verband met een dienstreis van langere duur dan vier uren, die zich uitstrekt tot over de grens van de gemeente, noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden en logies de navolgende belastingvrije vergoeding:

  • -

    € 8,80 voor een ontbijt

  • -

    € 14,62 voor een lunch

  • -

    € 22,12 voor een avondmaaltijd

  • -

    € 90,14 voor logies.

De bedragen worden zonder nader besluit aangepast aan hetgeen belastingvrij mag worden vergoed.

Lid 2

De aanspraak voor vergoeding van kosten van maaltijden en logies volgens lid 1 bestaat slechts indien:

  • -

    voor logies en ontbijt: de overnachting binnen de dienstreis valt;

  • -

    voor een lunch: de tijd tussen 12.00 en 14.00 uur geheel in de dienstreis valt;

  • -

    voor een avondmaaltijd: de tijd tussen 18.00 en 20.00 uur geheel in de dienstreis valt.

Lid 3

De aanspraak op de vergoeding van de kosten voor een avondmaaltijd bestaat eveneens voor ambtenaren die in opdracht een avondvergadering moeten bijwonen dan wel in opdracht moeten overwerken of die aansluitend op een middagdienst een avonddienst hebben. Voorwaarde voor de vergoeding is dat de tijd tussen 18.00 en 20.00 uur geheel in werktijd valt. Het eerste lid van 15:1:22:16 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15:1:22:16 Declareren

Lid 1

Het declareren van reis- en verblijfkosten geschiedt in Mijn HRM en de direct leidinggevende dient digitaal te accorderen. De bewijsstukken dienen te worden geüpload en gedurende 3 maanden in hardcopy te worden bewaard voor belastingcontroles.

Lid 2

De ambtenaar die voor eigen rekening een 0V-jaarkaart of 0V-kortingskaart heeft aangeschaft, kan hiervan een fotokopie bij de personeels- en salarisadministratie deponeren.

Lid 3

In dat geval vergoedt het college het volle tarief van de dienstreis, ook indien geen vervoersbewijs kan worden overgelegd, dan wel een vervoersbewijs wordt overgelegd dat is afgegeven tegen gereduceerd tarief.

Lid 4

Per kalenderjaar kan de aan de ambtenaar uitgekeerde vergoeding, zijnde het verschil tussen het volle tarief en de werkelijk gemaakte kosten niet hoger zijn dan de aanschafkosten van de OV jaarkaart of OV-kortingskaart.

Artikel 15:1:22:17 Buitenlandse dienstreizen

Op buitenlandse dienstreizen zijn het Reisbesluit buitenland en de Reisregeling buitenland van toepassing, met dien verstande dat bij vervoer per trein in principe alleen 2e klasse voor vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 15:1:22:18 Hardheidsclausule

Het college beslist, indien nodig, in gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid voorziet.

17 Opleiding en ontwikkeling UWO-II

Artikel 17:1:1:1 Aanvraag en declaratie studiekosten

Lid 1

Voor het aanvragen van vergoeding van studiekosten dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Lid 2

Het declareren van studiekosten geschiedt in Mijn HRM en de direct leidinggevende dient digitaal te accorderen. De bewijsstukken dienen te worden geüpload en gedurende drie maanden te worden bewaard voor belastingcontroles.

18 Bedrijfsvervoersplan en verhuiskostenregeling UWO-II

Artikel 18:1:1:1 Begripsbepaling

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

dienstgebouw:het gebouw of gebouwencomplex waarin de dienst of het dienstonderdeel is gehuisvest, waartoe de medewerker behoort.

woonplaats: conform artikel 10 en 11 vboek I van het Burgerlijk Wetboek, de plaats waar de medewerker zijn woonstede heeft, dat is in beginsel de plaats waar de medewerker volgens de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, en bij gebreke hiervan de plaats van zijn werkelijk verblijf.

Artikel 18:1:1:2 Vergoeding woon-werkverkeer met openbaar vervoer

Lid 1

De medewerker die reist met het openbaar vervoer, komt, voor zover de kosten betrekking hebben op de dagen waarop werkzaamheden zijn verricht, in aanmerking voor een tegemoetkoming.

Lid 2

De tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer voor het dagelijks heen en weer reizen van en naar de woonplaats bedraagt 85% van de werkelijke kosten, met dien verstande dat alleen die kosten in ogenschouw worden genomen, behorend bij het meest gangbare woon- werktraject en de meest gangbare manier van reizen al dan niet met abonnement.

Lid 3

Indien een onderdeel van het traject met de trein wordt afgelegd worden maximaal de kosten verbonden aan de 2e klasse in aanmerking genomen.

Lid 4

De tegemoetkoming kan slechts worden toegekend indien men woont op een afstand van 10 of meer kilometers van het dienstgebouw, berekend op basis van de ANWB-fietsrouteplanner.

Lid 5

Het declareren van kosten woon-werkverkeer geschiedt in Mijn HRM. De bewijsstukken dienen te worden geüpload en dienen door de medewerker gedurende 3 maanden in hardcopy te worden bewaard voor belastingcontroles.

Artikel 18:1:1:2 (Toelichting)

Lid 3

Toeslagen voor bijzondere vormen van openbaar vervoer waardoor de reistijd woon-werkverkeer wordt bekort, zoals bij de Intercity Direct, komen voor vergoeding (85%) in aanmerking. Is de toeslag uitsluitend vanwege een meer comfortabele manier van reizen of betreft het een internationale trein dan wordt de toeslag niet vergoed.

Artikel 18:1:1:3 Eerste abonnementsjaar NS (ziekte, verhuizing, ontslag)

Lid 1

De medewerker met een NS-jaarabonnement die in het eerste abonnementsjaar langdurig ziek wordt, kan de kosten voor 85% blijven declareren. Dit geldt ook bij zwangerschaps- en bevallingsverlof, tenzij dit verlof bij het aangaan van het jaarabonnement al kon worden voorzien.

Lid 2

De medewerker met een NS-jaarabonnement die in het eerste abonnementsjaar verhuist of van wie de dienstbetrekking in het eerste jaar eindigt, krijgt 85% van de resterende kosten vergoed. Voorwaarde is dat hij het abonnement, al dan niet in gewijzigde vorm, niet meer nodig heeft. Bij einde dienstbetrekking geldt aanvullend de voorwaarde dat de medewerker het betreffende abonnement niet van een nieuwe werkgever vergoed krijgt.

Artikel 18:1:1:3 (Toelichting)

Bij ziekte, verhuizing en einde dienstbetrekking kan de medewerker onder de genoemde voorwaarden 85% van de kosten (blijven) declareren. Dit is zo bepaald omdat het abonnement van NS in het eerste jaar niet opzegbaar is. Mocht dit ook bij andere vervoerders het geval zijn, dan geldt bij die abonnementen mutatis mutandis hetzelfde. Wanneer NS (en ev. andere vervoerders) de voorwaarden wijzigt en de niet-opzegbaarheid in het eerste abonnementsjaar vervalt, dan vervalt per gelijke datum ook dit artikel.

Artikel 18:1:1:4 Woon-werkverkeer per fiets (fietsvergoeding)

Lid 1

De medewerker, woonachtig binnen een straal van 30 kilometer van het dienstgebouw, ontvangt een kilometervergoeding indien hij op meer dan de helft van zijn werkdagen per jaar de fiets gebruikt voor woon-werkverkeer van zijn huisadres naar het adres van het dienstgebouw.

Lid 2

De kilometervergoeding is gelijk aan de kilometervergoeding die belastingvrij mag worden vergoed en is aangewezen als gerichte vrijstelling. Per kalenderjaar bedraagt het totaal van de kilometervergoeding niet meer dan € 270,--. Indien men in de loop van een kalenderjaar recht krijgt op deze vergoeding wordt het bedrag van € 270,-- naar rato vastgesteld.

Lid 3

Voor de berekening van de kilometervergoeding zijn de volgende gegevens bepalend:

  • -

    het aantal kilometers van het woonadres van de medewerker naar het adres van het dienstgebouw, zoals aangegeven in de routeplanner voor de fiets van de ANWB;

  • -

    het door de Belastingdienst bij een vijfdaagse werkweek gehanteerde maximum aantal werkdagen per jaar (214);

  • -

    bij minder dan 5 werkdagen per week, wordt het door de Belastingdienst gehanteerde aantal werkdagen (214) naar rato berekend;

  • -

    afronding van het per maand te betalen bedrag vindt plaats volgens de normale rekenregels op hele eurocenten.

Lid 4

Bij afwezigheid langer dan een volle kalendermaand anders dan vakantieverlof stopt de vergoeding per de eerste van de eerstvolgende maand. Bij terugkeer worden de betalingen hervat per de eerste van de maand na terugkeer.

Lid 5

De medewerker die in aanmerking wil komen voor de fietsvergoeding dient, naar waarheid, jaarlijks te verklaren dat hij aan de eis voldoet dat hij op meer dan de helft van zijn werkdagen per jaar de fiets gebruikt voor woon-werkverkeer. Indien misbruik wordt geconstateerd wordt dat als ernstig plichtsverzuim aangemerkt.

Artikel 18:1:1:4 Woon-werkverkeer per fiets (Toelichting)

De kilometervergoeding voor de fiets geldt voor het hele jaar. Ook als men bijvoorbeeld vanwege het weer wel eens het openbaar vervoer of de auto pakt of lopend gaat. In artikel 18:1:1:5 is een voorziening opgenomen voor die medewerker die in de winter langere tijd met het openbaar vervoer gaat.

De enige voorwaarde is dat men meer dan de helft van zijn werkdagen fietst.

Lid 3

Een voorbeeld berekening.De medewerker werkt 24 uur, verdeeld over 3 dagen en woont 3 kilometer van het raadhuis.De berekening is als volgt. 2 x 3 km x € 0,19 = € 1,14.Het aantal werkdagen waar maximaal rekening mee wordt gehouden is 3/5 x 214 is 129 dagen. 129 x € 1,14 = € 147,06 per jaar. Per maand € 12,26.

Indien een medewerker minder dan 5 dagen per week werkt worden de in aanmerking te nemen dagen op hele dagen naar boven afgerond. Bijvoorbeeld als men op 4 dagen werkt dan wordt met 4/5 x 214 dagen rekening gehouden. De uitkomst is 171,2 dagen. Dit wordt afgerond op 172 dagen.

Lid 4

Afwezigheid kan zich voordoen als gevolg van bijvoorbeeld ziekte, bijzonder verlof, (betaald) ouderschapsverlof. Deze bepaling vloeit voort uit belastingregels als gevolg waarvan bij voortzetting van de vergoeding die vergoeding als loon aangemerkt moet worden.

Voorbeelden:1 april ziek? 1 mei stopt vergoeding.15 april ziek? 1 juni stopt vergoeding.Bij herstel hervat de vergoeding per de eerste van de daarop volgende kalendermaand.

Artikel 18:1:1:5 Verzoek tot wijziging van vergoeding

Lid 1

De medewerker kan één keer per kalenderjaar het verzoek doen om zijn vergoeding op basis van dit hoofdstuk stop te zetten en verzoeken om in aanmerking te komen voor een andere vergoeding op basis van dit hoofdstuk.

Lid 2

De medewerker die een fietsvergoeding ontvangt en woonachtig is in een straal van 10 tot 30 kilometer kan onder gelijktijdige stopzetting van de fietsvergoeding ten behoeve van woon-werkverkeer gedurende maximaal 5 aaneengesloten maanden in de periode oktober tot en met april een verzoek indienen om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de kosten verbonden aan een abonnement voor reizen met het openbaar vervoer conform artikel 18:1:1:2. Bij beëindiging van het abonnement herleeft de fietsvergoeding.

Artikel 18:1:1:5 Verzoek tot wijziging van vergoeding (Toelichting)

Artikel 18:1:1:5 biedt een basis voor diegene die bijvoorbeeld op de fiets naar het werk komt maar in de wintermaanden met het openbaar vervoer komt. Degene die slechts op enkele dagen met het ov komt, doet geen verzoek om in aanmerking te komen voor een openbaar vervoer-vergoeding en kan de fietsvergoeding per kilometer blijven ontvangen. De enkele keer dat hij met het openbaar vervoer komt, leidt niet tot herberekening van de fietsvergoeding.

De medewerker die een enkele keer met het openbaar vervoer gaat zal geen abonnement willen en dan loopt de fietsvergoeding, ter voorkoming van administratieve rompslomp gewoon door.

Artikel 18:1:1:6 Overgangsrecht fiets

Lid 1

Op de medewerker die een fiets heeft aangeschaft die onder de oude fiscale regels tot een maximumbedrag van € 749,-- is vergoed, blijven de bepalingen 18:1:1:4 (woon-werkverkeer op de fiets), met uitzondering van lid 3, 18:1:1:5 (Terugbetaling vergoeding fiets en met de fiets samenhangende zaken) en 18:1:16 (Combinatie fiets – openbaar vervoer woon-werkverkeer), zoals deze op 31 december 2014 luidden van toepassing zolang er nog niet 3 jaar is verstreken na vergoeding van de fiets.

Lid 2

De medewerker bedoeld in lid 1 ontvangt voor zolang er na vergoeding van de fiets nog geen 3 jaar is verstreken en indien hij op meer dan de helft van zijn werkdagen per jaar de fiets gebruikt voor woon-werkverkeer een kilometervergoeding gelijk aan de kilometervergoeding die belastingvrij mag worden vergoed en is aangewezen als gerichte vrijstelling. De vergoeding bedraagt € 82,-- en wordt, indien er op dat moment nog geen 3 jaar is verstreken na vergoeding van de fiets, in december uitbetaald.

Artikel 18:1:1:6 Overgangsrecht fiets (Toelichting)

Hiermee wordt bereikt dat de medewerker die in 2014 nog een fiets heeft aangeschaft met vergoeding van de werkgever ad € 749,--, zolang er nog geen 3 jaar zijn verstreken in december een vergoeding ontvangt ad € 82,--. Bijvoorbeeld: de medewerker heeft in juli 2014 een fiets aangeschaft. Hij heeft op 15 juli € 749,-- + € 82,-- ontvangen. Vervolgens krijgt hij in december 2015 en in december 2016 nogmaals een vergoeding ad € 82,--. Op 15 juli 2017 krijgt hij recht op de fietsvergoeding van artikel 18:1:1:4.

Artikel 18:1:1:7 Autonoodzaak

Lid 1

Het college bepaalt op voordracht van de directeur voor welke functie men noodzakelijk de eigen auto dient te gebruiken.

Lid 2

De vergoeding van reiskosten voor woon-werkverkeer, voor de medewerker die een functie vervult waarvoor het gebruik van de eigen auto noodzakelijk is, bedraagt per gereden kilometer een vergoeding gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald.

Lid 3

Voor de berekening van de kilometervergoeding zijn de volgende gegevens bepalend:

  • -

    het aantal kilometers van het woonadres van de medewerker naar het adres van het dienstgebouw bij de snelste route volgens de ANWB Routeplanner maar maximaal 30 kilometer retour.

  • -

    het door de Belastingdienst bij een vijfdaagse werkweek gehanteerde maximum aantal werkdagen per jaar (214);

  • -

    bij minder dan 5 werkdagen per week, wordt het door de Belastingdienst gehanteerde aantal werkdagen (214) naar rato berekend ;

  • -

    afronding van het per maand te betalen bedrag vindt plaats volgens de normale rekenregels op hele eurocenten.

Artikel 18:1:1:8 Carpoolen

Lid 1

De medewerker die met eigen motorvoertuig carpoolt, komt in aanmerking voor een vergoeding per kilometer indien door de deelnemers een carpoolverklaring is ingeleverd bij de personeels- en salarisadministratie.

Lid 2

Voor het overleggen van een carpoolverklaring dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Lid 3

Voor de berekening van de kilometervergoeding zijn de volgende gegevens bepalend:

  • -

    het aantal kilometers van het woonadres van de medewerker naar het adres van het dienstgebouw bij de snelste route volgens de ANWB Routeplanner maar maximaal 30 kilometer retour.

  • -

    het door de Belastingdienst bij een vijfdaagse werkweek gehanteerde maximum aantal werkdagen per jaar (214);

  • -

    bij minder dan 5 werkdagen per week waarop men carpoolt, wordt het door de Belastingdienst gehanteerde aantal werkdagen (214) naar rato berekend ;

  • -

    afronding van het per maand te betalen bedrag vindt plaats volgens de normale rekenregels op hele eurocenten.

Lid 4

De tegemoetkoming wordt slechts toegekend indien de medewerker en ten minste één collega met wie hij carpoolt, wonen op een afstand van meer dan 10 kilometer van het dienstgebouw, berekend op basis van de ANWB-fietsrouteplanner.

Lid 5

De kilometervergoeding is gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald (€ 0,19).

Lid 6

Voor het declareren dient gebruik te worden gemaakt van het door de cluster HRM daartoe ter beschikking gestelde formulier.

Artikel 18:1:1:9 Vergoeding woon- werkverkeer bij dienstreizen (eigen auto)

Lid 1

In het geval de medewerker met toestemming van de leidinggevende de eigen auto gebruikt voor een dienstreis, zonder dat aan de functie van de medewerker de autonoodzaak is, dan ontvangt de medewerker voor de kilometers van zijn woonplaats naar het dienstgebouw, een vergoeding gelijk aan de maximale kilometervergoeding die onbelast mag worden uitbetaald (€ 0,19). De in aanmerking te nemen kilometers worden bepaald met de routeplanner van het personeelsmanagementsysteem.

Lid 2

Daarnaast ontvangt de medewerker een vergoeding voor de voor het parkeren in zone C nabij het raadhuis gemaakte kosten.

Artikel 18:1:1:10 Saldering kilometervergoeding bij autonoodzaak

Lid 1

Voor zover fiscaal mogelijk is en de reiskostenvergoeding op grond van de CAR/UWO en UWO-II aan de medewerker fiscaal bovenmatig is, strekt deze reiskostenvergoeding mede tot het vergoeden van reiskosten die op grond van de rechtspositie niet of gedeeltelijk worden vergoed en die de werkgever nog aanvullend kan vergoeden.

Lid 2

De periode waarop het bepaalde in het eerste lid van toepassing is kan naar keuze van de medewerker worden vastgesteld op een kalendermaand, kalenderkwartaal, half kalenderjaar of een heel kalenderjaar.

Lid 3

Bij tussentijdse beëindiging van de dienstbetrekking in de loop van een kalenderjaar dient de na toepassing van het eerste lid verschuldigde loonheffing te worden ingehouden uiterlijk in de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin de dienstbetrekking eindigt.

Lid 4

Indien op grond van het tweede lid is gekozen voor een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of een heel kalenderjaar worden de vergoedingen genoemd in artikel 15:1:22:12 en in artikel 18:1:1:7 UWO-II geacht te zijn toegekend bij wijze van voorschot.

Lid 5

Na afloop van de gekozen periode worden de in het vierde lid bedoelde vergoedingen definitief vastgesteld.

Artikel 18:1:1:11 Parkeervergoeding ivm zorgtaken, medische belemmeringen en autonoodzaak

Lid 1

De medewerker die:

  • -

    de dagelijkse zorg heeft voor kinderen in de leeftijd tot en met 8 jaar, de kinderen op weg naar werk/huis brengt/haalt naar/van school en/of kinderopvang en daarvoor gebruik maakt van de auto;

  • -

    door medische belemmeringen niet in staat is gebruik te maken van de fiets of het openbaar vervoer en er geen voorliggende voorziening is;

  • -

    de eigen auto voor dienstdoeleinden gebruikt omdat aan zijn functie autonoodzaak is verbonden en aan wie door de werkgever geen ontheffing daarvan is verleend,

ontvangt op de dagen dat hij voor woon-werkverkeer gebruik maakt van de auto en parkeert in een zone betaald parkeren een kilometervergoeding (parkeervergoeding) als tegemoetkoming voor het parkeren nabij het raadhuis. De wijze waarop deze tegemoetkoming wordt berekend is bepaald in lid 2.

Lid 2

Voor de berekening van de tegemoetkoming voor het parkeren nabij het raadhuis zijn de volgende gegevens bepalend:

  • -

    maximaal het aantal uren van de formele aanstelling, minus het aantal uren van een werkdag indien regelmatig thuis of elders wordt gewerkt.

  • -

    het uurtarief voor parkeren in zone C.

  • -

    het door de Belastingdienst bij een vijfdaagse werkweek gehanteerde maximum aantal werkdagen per jaar (214).

  • -

    bij minder dan 5 werkdagen per week, wordt het aantal door de Belastingdienst gehanteerde aantal werkdagen (214) naar rato berekend.

Lid 3

Bij afwezigheid anders dan vakantieverlof stopt de vergoeding per de eerste van de eerstvolgende maand na aanvang van afwezigheid, indien op dat moment de afwezigheid nog altijd voortduurt. Bij terugkeer worden de betalingen hervat.

Artikel 18:1:1:11 Parkeervergoeding ivm zorgtaken, medische belemmeringen en autonoodzaak (Toelichting)

Lid 1

Bij zorgtaken komen alleen de parkeerkosten voor vergoeding in aanmerking op dagen waarop de partners beiden werken of dat er een andere aanvaardbare reden is waarom op de medewerker de taak rust om met de auto het kind/de kinderen weg te brengen dan wel op te halen.

Een voorliggende voorziening is bijvoorbeeld een vervoersvoorziening van het UWV, een gehandicaptenparkeerkaart of carpoolen met collega. Overigens is het vast beleid dat de medewerker met medische belemmeringen ook voor het woon-werkverkeer.

Lid 2

De tegemoetkoming in de kosten voor het parkeren nabij het raadhuis wordt berekend zoals in lid 2 aangegeven. Door in lid 1 de term “kilometervergoeding” op te nemen, bereiken we dat de parkeervergoeding deels, voor dat deel dat kan worden vergoed met de gericht vrijgestelde kilometervergoeding ad € 0,19, niet ten laste behoeft te komen van de vrije ruimte.Een voorbeeld.

Medewerker werkt 24 uur, verdeeld over 3 dagen per week. De berekening is als volgt. 24 uur x € 0,45 = € 10,80. Dat is gemiddeld per dag € 3,60.Het aantal werkdagen waar maximaal rekening mee wordt gehouden is 3/5 x 214 is 129 dagen.129 x € 3,60 = € 464,40 per jaar. Maandelijks is dat € 38,70.

Factoren die ertoe leiden dat men langer geparkeerd staat (zoals lunchpauze of overwerk) tellen niet mee bij de bepaling van de parkeervergoeding. De uren dat de auto, zoals tijdens dienstreizen, niet op de parkeerplaats staat, blijven eveneens buiten beschouwing.

We berekenen als volgt welk deel van de vergoeding ten laste van de vrije ruimte komt en welk deel een gerichte vrijstelling is. Stel dat de medewerker uit het hierboven gegeven voorbeeld 5 kilometer van het werk woont. De werkgever kan deze medewerker per dag 10 kilometer x € 0,19 = € 1,90 vergoeden voor woon-werk verkeer. Deze vergoeding kan in een jaar voor 129 werkdagen worden gegeven, oftewel € 245,10. Voor de kilometervergoeding van € 0,19 geldt een gerichte vrijstelling. Het verschil tussen € 464,40 en € 245,10 komt ten laste van de vrije ruimte.

Lid 3

De tekst van deze bepaling verschilt van artikel 18:1:1:4 lid 4. De aanleiding hiertoe is dat bij afwezigheid de parkeerkosten voor parkeren nabij het raadhuis zich daadwerkelijk niet meer voordoen. Anderzijds wordt voorkomen dat niet bij elke afwezigheid, bijvoorbeeld een korte periode van ziekte, een herberekening moet plaatsvinden.

Artikel 18:1:1:12 Hardheidsbepaling

Het college beslist, indien nodig, in gevallen waarin deze regeling niet of niet naar redelijkheid voorziet.

Artikel 18:1:2:1 Wenselijke verhuizing

Lid 1

Met de verplichte verhuizing, zoals bedoeld in artikel 18:1:2, lid 1 CAR/UWO wordt gelijkgesteld de verhuizing die door het college wenselijk wordt geacht.

Lid 2

Een verhuizing is alleen wenselijk indien sprake is van een vaste aanstelling dan wel een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.

Artikel 18:1:2:2 Voorwaarden verhuiskostenvergoeding

Lid 1

Ter nadere uitwerking van artikel 18:1:2, lid 1 CAR/UWO wordt een medewerker geacht meer nabij de standplaats te komen wonen indien de afstand woning-werk vóór de verhuizing meer dan 25 kilometer bedroeg en door de verhuizing met ten minste 60% wordt verminderd.

Lid 2

De voorwaarde in lid 1 is gebaseerd op hetgeen fiscaal is toegestaan. Indien hierin wijziging komt, wordt de wijziging geacht hierin te zijn opgenomen.

Lid 3

Ter nadere uitwerking van artikel 18:1:5 lid 1 sub a CAR/UWO wordt het toe te kennen bedrag voor de aldaar genoemde kosten gemaximeerd op een totaalbedrag van € 1.400,-. Dit maximumbedrag wordt jaarlijks aangepast aan het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van twee jaren daarvoor en naar boven afgerond op hele euro's.

23 Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand

Artikel 23:2:2:1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:

  • a

    buitengewoon ambtenaar: de bezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het Reglement op de burgerlijke stand.

  • b

    CAR/UWO: de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Haarlemmermeer.

  • c

    babs voor één dag: de onbezoldigd buitengewoon ambtenaar voor één dag, niet zijnde de gemeenteambtenaar, de burgemeester, de wethouders

Artikel 23:2:2:1 (Toelichting)

De wet-Mulder heeft met ingang van 1 januari 1995 de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) geïntroduceerd. De buitengewoon ambtenaar burgerlijke stand (babs) wordt aangesteld door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16). Gemeenten hebben een Reglement burgerlijke stand. Daarin kan geregeld zijn welke benoemingsmogelijkheden er zijn. Gemeenteambtenaren, en ook burgemeester, wethouders en leden van de raad, kunnen tot (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd worden. Tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) kunnen bovendien anderen, niet werkzaam bij de gemeente, benoemd worden. De gemeenteambtenaar, de burgemeester, de wethouders en de raadsleden worden beschouwd als onbezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. De vergoeding voor de werkzaamheden is (in het algemeen) alleen op de medewerkers van buiten de gemeentelijke organisatie van toepassing. De babs is een ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Omdat de CAR/UWO niet op hem van toepassing is dient een afzonderlijke rechtspositieregeling te gelden (art. 125 Ambtenarenwet). Doorgaans is de functie van babs een nevenfunctie, die in omvang sterk kan variëren.

Artikel 23:2:2:2 Aanstelling

Lid 1

Aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.

Lid 2

Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.

Artikel 23:2:2:2 (Toelichting)

In het lokale Reglement burgerlijke stand kan een benoemingstermijn geregeld zijn, vaak is dat 5 of 10 jaar. Het kan wenselijk zijn om kortere aanstellingen te verlenen. Het gevolg van een kortere aanstellingsduur is onder meer dat de verplichtingen van de gemeente jegens de ambtenaar in het kader van ziekte (doorbetaling salaris en salaristoelage(n), reïntegratie) eerder ophouden te bestaan, namelijk bij einde van het dienstverband. Bovendien geldt voor de duur van het nog resterende dienstverband dat van de werkgever geen onredelijke inspanningen gevergd worden door het UWV. Op de toepasselijkheid van de arbeidsongeschiktheidswetgeving op de babs wordt verder ingegaan bij de toelichting op artikel 4. De aanstelling kan opnieuw tijdelijk verleend worden. De flexwetbepaling geldt niet omdat noch de CAR/UWO, noch het Burgerlijk Wetboek (7:615 BW) van toepassing is.

Bij het benoemen van een personeelslid of raadslid (dan wel andere politieke ambtsdrager) tot babs is het raadzaam de benoeming te beperken tot de periode waarin het (politieke) ambt wordt vervuld.

Artikel 23:2:2:3 Vergoeding

Lid 1

De buitengewoon ambtenaar ontvangt een vergoeding per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap gelijk aan:

- voor een huwelijk in het raadhuis

- 3 ½ maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO

- voor een huwelijk buiten het raadhuis

- 4 ½ maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO

Ingeval de buitengewoon ambtenaar bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap enkel aanwezig is ter ondersteuning van de babs voor één dag ontvangt hij een vergoeding per voltrokken huwelijk gelijk aan 2 ½ maal het uurloon behorende bij het hoogste bedrag van schaal 8, bijlage IIa van de CAR/UWO.

Lid 2

De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het percentage voor onregelmatigheid van artikel 3:11 CAR/UWO

Lid 3

De vergoeding bedoeld in het eerste lid, wordt opgehoogd met het percentage van de vakantietoelage van artikel 6:3, tweede lid, van de CAR/UWO.

Lid 4

De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met het percentage van de eindejaarsuitkering van artikel 3:18a van de CAR/UWO.

Lid 5

De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt opgehoogd met een percentage van 10,2% ter compensatie van het niet genieten van het vakantieverlof.

Artikel 23:2:2:3 (Toelichting)

Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere regels voor de bezoldiging moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze regeling voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt een vergoeding uitbetaald waarin de vakantietoelage en eindejaarsuitkering zijn verdisconteerd. De berekeningsystematiek is dezelfde als die in de CAR/UWO, dat wil zeggen dat de vakantietoelage wordt gebaseerd op de vergoeding en de toelage onregelmatige dienst.

Voorbeeld salarisberekening:

Salaris per verrichting

€ 69,62 (3 ½ maal 1/156e deel van € 3103)

Vakantietoelage

€ 5,57 (8% van € 69,62)

Eindejaarsuitkering

€ 4,18 (6% van € 69,62)

Compensatie vakantie-uren

€ 7,10 (8,6% van € 69,62)

Totaal

€ 86,47

Afkopen niet genoten vakantie

In het vierde lid wordt het recht op vakantie-uren, dat de ‘normale’ gemeenteambtenaar heeft op grond van artikel 6:2 van de CAR, afgekocht door het toekennen van een vergoeding van 10,2%. Dit percentage is gebaseerd op de breuk tussen het aantal vakantie-uren per jaar (188 uren) en de arbeidsduur per jaar (1836 uren) van de gemeenteambtenaar. Vakantie-aanspraken worden afgekocht vanwege het oproepkarakter van de werkzaamheden.Het aanspraak maken op wettelijke vakantiedagen in het uurloon is niet meer toegestaan sedert de uitspraak van het Europese Hof van 16 maart 2006. In deze rechtspositieregeling babs is de afkoop van vakantie desalniettemin gehandhaafd. Reden daarvoor is dat de babs in verband met zijn hoofdfunctie al gebonden zal zijn aan het opnemen van het wettelijk minimum aan vakantie. In de praktijk zijn babsen bovendien veelal vrij om huwelijken in te plannen. In de meeste gemeenten zal op basis van het bovenstaande gekozen kunnen worden voor handhaven van de afkoop. De uitspraak van het Hof brengt echter wel met zich mee dat een babs formeel niet het recht ontzegd kan worden om de in zijn nevenfunctie opgebouwde vakantie daadwerkelijk op te nemen, ondanks het feit dat deze reeds is afgekocht. Per verrichting, gelijkgesteld aan 3 ½ uur, wordt 0,30 uur vakantie opgebouwd. Is de verrichting gelijkgesteld aan 4 ½ uur, dan is de vakantieopbouw 0,38 uur. Per (bijgewoonde) verrichting van 2½ uur, wordt er 0,22 uur vakantie opgebouwd.

Artikel 23:2:2:4 Aanspraken bij ziekte

Lid 1

Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt zijn de artikelen 7:1 tot en met 7:3 (definities, begeleiding en recht op salaris en toegekende salaristoelage(n) bij ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en sancties) en 7:19 tot en met 7:21 (samenloop met uitkering) van de CAR/UWO van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Voor toepassing van dit artikel wordt onder vergoeding verstaan: het gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 23:2:2:3, over de 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar. Voor zover de ambtenaar op deze datum zijn betrekking nog geen 12 maanden heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand is toegekend over de periode waarin hij in dienst is.

Lid 3

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van ongeschiktheid van de buitengewoon ambtenaar verstaan: de dag waarop de ambtenaar is aangewezen om een huwelijk te voltrekken of geregistreerd partnerschap te registreren, waarvoor hij wegens ziekte is verhinderd.

Lid 4

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.

Artikel 23:2:2:4 (Toelichting)

De regeling verklaart de CAR/UWO op het punt van doorbetaling salaris en toegekende salaristoelage(n) bij ziekte van toepassing op de babs die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Achtergrond hiervan is het dwingende karakter van de sociale wetgeving die zieke werknemers (voor zover zij de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt) rechten en plichten toekent. Artikel 76a van de Ziektewet geeft de persoon “krachtens publiekrechtelijke aanstelling gehouden tot het verrichten van arbeid” bij ziekte het recht op 104 weken (of zolang als het dienstverband nog duurt) doorbetaling van 70% van de bezoldiging of, indien de bezoldiging op een ander wijze dan naar tijdruimte vastgesteld wordt, de gemiddelde bezoldiging die betrokkene, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. De CAR/UWO geeft aanspraak op een hoger doorbetalingspercentage dan 70%.

Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald (conform de Ziektewet) welke dag als eerste ziektedag geldt. Het is niet de bedoeling dat de babs direct bij aanvang van het ziekteverzuim zijn vergoeding krijgt doorbetaald, maar pas vanaf het tijdstip dat hij een huwelijk zou sluiten als hij niet ziek was geweest. In de praktijk van de babs zal het overigens niet altijd duidelijk zijn of en wanneer de eerste ziektedag valt en daarmee op welk moment de doorbetaling ingaat, bijvoorbeeld omdat een rooster ontbreekt en de babsen zelf voor vervanging zorg dragen. Men zou in dat geval een vaste termijn van 14 dagen of een maand na ziekmelding kunnen afspreken als zijnde de (fictieve) eerste ziektedag, afhankelijk van de regelmaat waarmee de babs werkzaamheden verricht. Nadere regels zullen op de lokale situatie toegesneden moeten worden. Ook het tijdstip van uitbetalen van de doorbetaling dient lokaal nader bepaald worden (bijvoorbeeld per maand, per jaar, na herstel).

De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot werken door te geven; in artikel 6 van deze regeling is artikel 15:1d van de CAR/UWO op de babs van toepassing verklaard. Ook het artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol) van de CAR/UWO is van toepassing verklaard op de babs.

Naast het recht op doorbetaling staat de verplichting van werkgever en werknemer (die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt) zich in te spannen tot reïntegratie in het arbeidsproces. In de praktijk wordt deze verplichting niet altijd als wenselijk beschouwd. De babs is op grond van het Burgerlijk Wetboek immers uitsluitend benoemd tot het verrichten van de formaliteiten rondom en sluiting van het huwelijk/geregistreerd partnerschap. Bovendien heeft de babs in de regel een hoofdfunctie waar van uit reïntegratieverplichtingen bestaan. In de praktijk zal bezien moeten worden hoe arbodienstverleners en het UWV omgaan met de verplichting tot reïntegratie van de gemeente ten aanzien van een zieke babs.

Artikel 23:2:2:5 Ontslag en schorsing

Lid 1

Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op verzoek), 8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:3 (wegens reorganisatie), 8:4, 8:5 en 8:5a (wegens arbeidsongeschiktheid), 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7 en 8:8 (overige ontslaggronden), 8:12 en 8:12:1 (van rechtswege en tussentijdse ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als disciplinaire straf) van de CAR/UWO.

Lid 2

Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig artikel 8:15:1 en 8:15:2 van de CAR/UWO.

Artikel 23:2:2:5 (Toelichting)

De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1: artikel 16). Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag en uitkering nadere regels worden getroffen. Er wordt een limitatieve opsomming gegeven van de ontslaggronden voor de babs, onder verwijzing naar de CAR/UWO. Opgemerkt wordt dat ontslag na ouderdomspensioen niet verplicht is. Artikel 8:2 tweede lid en 8:2a bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in dienst te houden dan wel te nemen. Het dienstverband met een gepensioneerde is op grond van artikel 8:2a eenvoudig te beëindigen.

Artikel 23:2:2:6 Overige rechten en verplichtingen

De artikelen 15:1, 15:1b tot en met 15:1g (verplichtingen rond integriteit), 15:1:12 (vergoeding van schade), 15:1:15 (beoordeling van de ambtenaar), 15:1:16 (uniform of dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden arbeidsterrein), 15:1:20 (infectieziekten), 15:1:23 tot en met 15:1:25 (vergoeden van schade) en 15:2 (bescherming klokkenluider) van de CAR/UWO zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23:2:2:6 (Toelichting)

De rechten en plichten van hoofdstuk 15 van de CAR/UWO worden hier voor een groot gedeelte ook op de babs van toepassing verklaard. Voor de inhoud van de artikelen wordt verwezen naar de CAR/UWO. Enkele opmerkingen hierover: De eed of belofte is niet van toepassing verklaard op de babs omdat eedaflegging reeds op grond van het BW verplicht is. De personeelsbeoordeling is van toepassing omdat in de ontslaggrond ‘onbekwaamheid/ongeschiktheid anders dan’ aan de orde kan zijn. Een beoordeling kan bij toepassing van die ontslaggrond van belang zijn, evenals bij een weigering om opnieuw een aanstelling te verlenen.

De reguliere bepalingen over schadevergoeding door en aan de ambtenaar zijn van toepassing verklaard. In het algemeen kan gezegd worden dat de gemeente aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en een zorgplicht heeft ten aanzien van de ondergeschikten zelf. Gemeenten kunnen bij aansprakelijkheid voor schade terugvallen op de aansprakelijkheidsverzekering die personenschade, zaakschade en vermogensschade dekt. Onder deze verzekering valt een ruime groep van ondergeschikten van de gemeente, waaronder de babs. Ook valt hieronder de babs die slechts voor één enkele gelegenheid werkzaamheden verricht.

Artikel 23:2:2:7 Reis- en verblijfkosten

Reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst worden, indien voor de dienstreis vooraf toestemming is verkregen van de leidinggevende, op declaratiebasis vergoed. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan hetgeen fiscaal onbelast per kilometer mag worden vergoed (€ 0,19)

Artikel 23:2:2:7 (Toelichting)

De kosten bij dienstreizen worden op declaratiebasis vergoed. Dit geniet de voorkeur boven een vaste onkostenvergoeding die aan belastingheffing is onderworpen. De gemeente Haarlemmermeer is een aantrekkelijke gemeente voor voltrekking van het huwelijk. Hierdoor neemt de belangstelling van toekomstige bruidsparen van buiten de gemeente toe. Om aan de kosten, verbonden aan een huwelijk, paal en perk te stellen dienen de voorbereidende gesprekken tussen bruidspaar en de babs plaats te vinden op een locatie binnen de gemeente Haarlemmermeer dan wel op de trouwlocatie binnen Haarlemmermeer. Autokilometers tussen woonhuis en raadhuis worden tevens vergoed tegen de fiscaal toegestane kilometervergoeding.

Artikel 23:2:2:8

De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan disciplinair worden gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de CAR/UWO.

Artikel 23:2:2:9 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 23:2:2:10

Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlemmermeer.

31 Kinderopvangregeling UWO-II

Artikel 31:1:1:1 Hardheidsbepaling

Indien de fiscale kinderopvangtoeslag in een geval niet of niet in redelijkheid voorziet, is het college bevoegd een regeling te treffen.

32 Sociaal statuut 1999 UWO-II

Artikel 32:1:1:1 Reorganisatie

Burgemeester en wethouders kunnen het werkproces in het belang der dienst op andere wijze organiseren. Indien het gaat om een belangrijke wijziging in de organisatie, vragen zij tevoren advies aan de OR.

Artikel 32:1:1:1 (Toelichting)

Hier wordt bedoeld het advies op basis van artikel 25 WOR. De betrokkenheid bij reorganisaties komt thans dus primair bij de OR te liggen in plaats van bij het GO. Dit sluit aan bij de gekozen taakverdeling tussen OR en GO. In de praktijk zal sprake zijn van een belangrijke reorganisatie wanneer er meer dan 5 personen bij betrokken zijn.

Artikel 32:1:1:2 Verkrijgen status van herplaatsingskandidaat

Herplaatsingskandidaten zijn zij van wie is vastgesteld dat:

  • -

    de functie is komen te vervallen door reorganisatie, of

  • -

    men op grond van sociaal/medische indicatie niet meer geschikt is voor de huidige functie, of

  • -

    overplaatsing in het belang der dienst geïndiceerd is.

Het besluit om iemand aan te merken als herplaatsingskandidaat wordt door burgemeester en wethouders aan betrokkene medegedeeld onder vermelding dat dit sociaal statuut van toepassing is.

Artikel 32:1:1:3 Ontslagvolgorde

Bij vermindering van het aantal functies als gevolg van verandering in de inrichting van een of meer dienstonderdelen of wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet, de toekenning van de status van herplaatsingskandidaat en een eventueel als gevolg van reorganisatie gegeven ontslag als volgt bepaald:

  • a

    zij die dit wensen, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet, en vervolgens,

  • b

    indien binnen een functiecategorie (in combinatie met het werkveld van de Staf, Eenheid of Cluster/Team - aandachtsgebied - functieniveau) 3 of meer medewerkers zijn betrokken volgens het afspiegelingsprincipe waarbij de volgende leeftijdscategorieën worden gehanteerd: tot 35 jaar, 35 tot 45 jaar, 45 tot 55 jaar, 55 tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

  • c

    zijn er binnen de functiecategorie zoals vastgesteld onder b. minder dan 3 medewerkers betrokken, dan volgens het principe last in, first out.

Artikel 32:1:1:3 (Toelichting)

UWV heeft uitvoeringsregels opgesteld die handvatten geven bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Deze uitvoeringsregels zijn te vinden op: http://www.uwv.nl/werkgevers/Images/uitvoeringsregels-ontslag-om-bedrijfseconomische-redenen-januari-2016.pdfEr wordt een beschrijving van het afspiegelingsbeginsel gegeven met stappenplan en rekenvoorbeelden. Zo geven de UWV-uitvoeringsregels oplossingen voor situaties waarin het afspiegelingsbeginsel leidt tot kommagetallen.

Wat te doen met medewerkers met gelijke datum in dienst?

Zowel bij het principe ‘last in first out’ als bij het afspiegelingsbeginsel is de regel dat de laatst binnengekomen medewerker (bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel gaat het om de laatst binnengekomen medewerker binnen de leeftijdstijdscategorie) boventallig wordt verklaard. Als de twee laatst binnengekomen medewerkers op dezelfde dag in dienst zijn getreden, dan is het aan de werkgever om een keuze te maken welke medewerker boventallig wordt, aldus de beleidsregels van UWV. Wij kiezen ervoor om dan de jongste medewerker aan te wijzen als boventallig. Leeftijd is een objectief criterium en een jonger iemand heeft technisch gesproken meer kansen op de arbeidsmarkt.

Hoe te handelen bij vrijwilligers?

Als er bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel een vrijwilliger is, die wil worden aangewezen als boventallige en als de werkgever ermee akkoord gaat, hoe wordt deze vrijwilliger dan verwerkt bij het afspiegelen? Dit betekent immers dat er - conform de ontslagvolgorde van dit artikel (sub a) - één medewerker minder moet worden aangewezen. De volgende werkwijze wordt gehanteerd. Eerst worden de afspiegelingsregels toegepast zonder rekening te houden met vrijwilligheid. Er wordt berekend uit welke leeftijdscategorieën er medewerkers zouden moeten worden aangewezen, en hoeveel. Wanneer dit is bepaald, wordt in eerste instantie gekeken of er een medewerker in de leeftijdscategorie van de vrijwilliger zou moeten worden aangewezen. Is dit het geval dan hoeft deze medewerker niet te worden aangewezen, er is immers al iemand in die categorie. Hoeft er in de leeftijdscategorie van de vrijwilliger geen medewerker te worden aangewezen, dan brengt een redelijke uitleg van het afspiegelingsbeginsel mee dat de leeftijdsgroep met het laagste getal achter de komma (en die dus als laatste leeftijdsgroep werd aangewezen voor het leveren van een aan te wijzen medewerker) nu een medewerker minder hoeft te leveren, aldus de Beleidsregels UWV (hoofdstuk 10 - punt 7). Omdat voor deze situatie geen rekenvoorbeeld is opgenomen in de beleidsregels, geldt onderstaand rekenvoorbeeld voor de betreffende situatie.

Rekenvoorbeeld vrijwillig boventallig

In een team werken 20 medewerkers en er moeten 9 medewerkers worden aangewezen

Tot 35 jaar

35 - 45 jaar

45 - 55 jaar

55 jaar en ouder

Totaal

10

5

1

4

20

(10/20*9) 4,50

(5/20*9) 2,25

(1/20*9) 0,45

(4/20*9) 1,80

 

4

2

0

1

7, op hele getallen

5 (1 extra, want 0,50 achter de komma)

2

0

2 (1 extra, want 0,80 achter de komma)

9, achter de komma

Stel: De medewerker die vrijwillig wil worden aangewezen zit in de categorie 35 - 45 jaar. Dan hoeft naast de vrijwillige medewerker uit die categorie nog maar 1 medewerker te worden aangewezen. Samen met de vrijwilliger kom je dan uit op 2 medewerkers in de categorie 35 - 45 jaar.Stel: De medewerker die vrijwillig wil worden aangewezen zit in de categorie 45 - 55 jaar. Uit die categorie hoeven er geen medewerkers te worden aangewezen. De categorie tot 35 jaar heeft van de leeftijdscategorieën waarin naar boven wordt afgerond (om tot 9 boventalligen te komen) het laagste getal achter de komma (0,50). Daarom hoeven er in deze categorie nog maar 4 medewerkers worden aangewezen.

Artikel 32:1:1:4 Toelagen en vergoedingen

Toelagen en onkostenvergoedingen waarop men in de vroegere functie aanspraak kon maken vervallen of worden afgebouwd overeenkomstig de geldende afbouwregeling als genoemd in de UWO-II vanaf het moment waarop men herplaatsingskandidaat is geworden.

Artikel 32:1:1:4 (Toelichting)

Het sociaal statuut is primair geschreven voor personen die herplaatsingskandidaat worden wegens reorganisatie. Er kunnen ook andere redenen zijn om herplaatsingskandidaat te worden, bijvoorbeeld sociaal/medische, maar ook het belang der dienst. Dat laatste moet overigens geobjectiveerd duidelijk zijn en zo nodig een rechterlijke toets kunnen doorstaan. Alle redenen die kunnen leiden tot de status van herplaatsingskandidaat worden thans in het sociaal statuut betrokken omdat de benodigde reïntegratiemethodiek dezelfde is. Had men in de vorige functie onkostenvergoedingen terwijl die onkosten thans niet meer worden gemaakt, dan worden de vergoedingen direct stopgezet. Hetzelfde geldt voor toelagen, zij het dat hiervoor de afbouwregeling geldt als opgenomen in de CAR/UWO. De ambtenaar die wordt overgeplaatst binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt het salaris en salarisperspectief, verbonden aan de oude functie. Bij arbeidsongeschiktheid voor de functie is de normale regelgeving van de CAR/UWO en UWO-II van toepassing.

Artikel 32:1:1:5 Aanvaarding andere functie binnen de organisatie

Burgemeester en wethouders onderzoeken eerst of zij herplaatsingskandidaten binnen de gemeentelijke organisatie in een passende of geschikte functie als bedoeld in artikel 32:1:1:8 kunnen herplaatsen.

Artikel 32:1:1:6 Rechten en plichten herplaatsingskandidaat

Herplaatsingskandidaten hebben de volgende rechten en plichten:

Rechten:

  • a

    het recht op voortzetting van het dienstverband gedurende 2 jaar na de mededeling als bedoeld onder artikel 32:1:1:2; deze termijn wordt niet verlengd door tussentijdse ziekte; indien herplaatsing niet mogelijk blijkt kunnen burgemeester en wethouders de termijn van 2 jaar bekorten;

  • b

    het recht op actieve arbeidsbemiddeling en/of omscholing en/of overige begeleiding naar een andere functie binnen of buiten de organisatie, een en ander in ieder geval gedurende de periode genoemd onder a;

  • c

    opbouw van vakantieverlof gedurende nog 6 maanden indien in die periode feitelijk geen werkzaamheden meer voor de gemeente worden verricht.

Verplichtingen:

  • d

    het accepteren van aangeboden passende arbeid;

  • e

    het zelf actief elders solliciteren en het achterwege laten van dusdanige onredelijke eisen of het tentoonspreiden van een dusdanige houding dat een sollicitatie mislukt;

  • f

    het maandelijks verstrekken van een overzicht van ontplooide activiteiten;

  • g

    het als werkzoekende ingeschreven staan bij door burgemeester en wethouders aan te wijzen arbeidsbemiddelingsinstanties, waaronder het UWV;

  • h

    het meewerken aan een onderzoek door een geneeskundige, psycholoog of beroepskeuze-adviseur, gericht op de mogelijkheden tot herintreden in het arbeidsproces;

  • i

    het deelnemen aan scholing en opleiding en het actief meewerken aan een gunstig resultaat;

  • j

    het actief meewerken aan detachering elders.

Artikel 32:1:1:7 Vervallen

Vervallen

Artikel 32:1:1:8 Passende en geschikte vervangende arbeid binnen gemeente

  • a

    Een functie binnen de gemeentelijke organisatie is passend indien: een goede functievervulling redelijkerwijs van betrokkene mag worden verwacht, een en ander gerelateerd aan zijn opleiding, ervaring en vooruitzichten;

  • b

    Een functie binnen de gemeentelijke organisatie is geschikt indien betrokkene die vrijwillig aanvaardt.

Artikel 32:1:1:9 Passende en geschikte vervangende arbeid buiten gemeente

  • a

    Een functie buiten de gemeentelijke organisatie is passend indien:

    • -

      een goede functievervulling redelijkerwijs van betrokkene mag worden verwacht, een en ander gerelateerd aan zijn opleiding, ervaring en vooruitzichten, en

    • -

      op de organisatie een geregistreerde rechtspositieregeling van toepassing is of een CAO die is afgesloten door de ABVAKABO/FNV of de CFO/CNV, en

    • -

      de pensioenvoorziening is ondergebracht bij een bedrijfs- of bedrijfstakpensioenfonds, en

    • -

      het salarisverschil tussen de functie bij de gemeente en de nieuwe organisatie blijft binnen de breedte als omschreven onder b.

  • b
    • 1

      Men is niet verplicht bij de nieuwe werkgever een functie te accepteren met een salaris lager dan het maximum van 2 rangen lager dan de gemeentelijke functierang.

    • 2

      Doet zich een situatie voor waarin men een nieuwe functie niet behoeft te accepteren, dan kan de gemeente besluiten tot ontslag uit gemeentedienst.

    • 3

      Is het functieloon bij de gemeente hoger dan bij de toekomstige werkgever, dan ontvangt men gedurende maximaal 5 jaar een loonsuppletie. Die is gelijk aan het verschil in functieloon tussen beide werkgevers. De loonsuppletie wordt periodiek verhoogd met trendmatige stijgingen ingevolge de ambtenaren CAO.

    • 4

      Is de beloning hoger dan het maximum van de functionele schaal bij de gemeente, dan wordt het bedrag van een eventuele loonsuppletie verlaagd met de trendmatige loonstijgingen ingevolge de CAO van de nieuwe werkgever.

  • c

    Ziekte is geen belemmering voor overgang naar een andere werkgever, tenzij de nieuwe werkgever hiermee niet instemt.

  • d

    Een functie buiten de organisatie is geschikt indien betrokkene die vrijwillig aanvaardt.

Artikel 32:1:1:9 (Toelichting)

De vraag of een externe werkgever passende werk gelegenheid biedt wordt steeds marginaler getoetst. De aanwezigheid van een CAO en een pensioenfonds moeten voldoende basale zekerheid geven. De 5-jarige garantie van het nettosalaris blijft een belangrijke zekerheid die de gemeente garandeert. Indien ontslag plaatsvindt in een situatie zoals bedoeld in lid b sub 2 zal er, nu er spraken is van niet verwijtbaar ontslag, in principe recht zijn op WW en bovenwettelijke uitkering.

Artikel 32:1:1:10 WW en bovenwettelijke uitkeringen

  • a

    Na ontslag kan de herplaatsingskandidaat bij de uitvoeringsinstelling een WW-uitkering aanvragen. Bij aanspraak op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering wordt toepassing gegeven aan hoofdstuk 10d van de CAR/UWO.

  • b

    De belanghebbende die binnen 2 jaar na de verzelfstandiging uit zijn functie bij de verzelfstandigde organisatie wordt ontslagen, omdat die functie wordt opgeheven of omdat betrokkene hiervoor niet geschikt blijkt te zijn, heeft aanspraak op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen van de CAR/UWO, hoofdstuk 10d, indien recht bestaat op een uitkering krachtens de WW, tenzij de nieuwe werkgever zelf de CAR/UWO hanteert.

  • c

    De belanghebbende die om andere redenen wordt ontslagen of na 2 jaar maar binnen 7 jaar na de verzelfstandiging door het verzelfstandigde organisatieonderdeel wordt ontslagen, heeft aanspraak op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering(en) van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO indien recht bestaat op een uitkering krachtens de WW, tenzij de nieuwe werkgever zelf de CAR/UWO hanteert. De tijd die men werkzaam is geweest bij de verzelfstandigde organisatie wordt in mindering gebracht op de duur waarop men volgens hoofdstuk 10d CAR/UWO aanspraak heeft op aanvullende en aansluitende uitkering(en).

  • d

    Een eventuele door de kantonrechter toegekende ontslaguitkering/schadevergoeding wegens ontslag uit de verzelfstandigde functie, niet zijnde smartengeld, wordt op de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering(en) in mindering gebracht.

Artikel 32:1:1:10 (Toelichting)

De herplaatsingskandidaat die na een zorgvuldig onderzoek daartoe niet kan worden herplaatst, wordt ontslag verleend. Na dat ontslag zal in principe aanspraak zijn op een WW-uitkering en een bovenwettelijke en eventueel aansluitende uitkering op grond van hoofdstuk 10d CAR/UWO. De medewerkers die als gevolg van een verzelfstandiging dan wel privatisering meegaan met hun functie en in dienst treden bij de verzelfstandigde werkgever, krijgen na onverhoopt ontslag alsnog aanspraak op de bovenwettelijke uitkeringen. De tekst van voorgaand artikel is overeenkomstig de oude tekst slechts aangepast aan de invoering van de WW per 1 januari 2001.

Artikel 32:1:1:11 Herplaatsing oudere werknemer

Burgemeester en wethouders dragen er, bijv. door middel van extra opleiding en begeleiding, zorg voor dat personeel actief aan het arbeidsproces kan deelnemen tot 62 jaar of langer.

Artikel 32:1:1:12 Overige faciliteiten

Van geval tot geval beoordelen burgemeester en wethouders of er aanleiding is voor:

  • -

    een coulante houding m.b.t. sollicitatieverlof;

  • -

    het geven van carrière-consulting;

  • -

    het geven van ondersteuning door externe deskundigen in de ruimste zin des woords;

  • -

    medewerking te geven aan de opstart van een eigen bedrijf;

  • -

    professionele ondersteuning bij sollicitaties;

  • -

    extra opleiding en training, evt. omscholing.

Artikel 32:1:1:13 Het einde herplaatsingsstatus

Men is geen herplaatsingskandidaat meer door:

  • a

    overgang naar een passende of geschikte functie elders binnen de gemeentelijke organisatie;

  • b

    ontslag uit gemeentedienst;

  • c

    andere, bijzondere redenen.

Artikel 32:1:1:14 Verhouding met andere regelingen

Artikel 32:1:1:10 (WW en bovenwettelijke uitkeringen) heeft voorrang boven de CAR/UWO. Overigens is de CAR/UWO zoals die luidt op het moment waarop besluiten worden genomen, normaal van toepassing en heeft voorrang boven dit sociaal statuut.

33 Verordening Egginkpenning UWO-II

Artikel 33:1:1:1 Egginkpenning

Ingesteld wordt een herinneringspenning voor ambtenaren der gemeente Haarlemmermeer.

Artikel 33:1:1:2 Uitvoering

Lid 1

De herinneringspenning voor ambtenaren der gemeente Haarlemmermeer wordt geslagen in brons of zilver.

Lid 2

Zij draagt aan de voorzijde een voorstelling die de herinnering aan de gemeente Haarlemmermeer verlevendigt en aan de keerzijde een toepasselijk inschrift omrand door de woorden “gemeentebestuur Haarlemmermeer”.

Artikel 33:1:1:3 Besluitvorming

De herinneringspenning wordt door het college telkenmale bij afzonderlijk besluit toegekend. De penning wordt toegekend onder de benaming D. Egginkpenning.

Artikel 33:1:1:4 Toekenning

Lid 1

De herinneringspenning is een geschenk dat het college slechts kan toekennen aan ambtenaren der gemeente Haarlemmermeer die de gemeentedienst verlaten en die zich door bijzondere toewijding aan hun taak hebben onderscheiden.

Lid 2

In bijzondere gevallen kan het college de herinneringspenning ook toekennen, zulks op de voet van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, aan niet in ambtelijk dienstverband werkzaam geweest zijnde maar bezoldigde of op andere wijze in geld beloonde vaste medewerkers van het gemeentebestuur.

Artikel 33:1:1:5 Register

Van elk besluit tot het toekennen van de herinneringspenning wordt aantekening gehouden in een daartoe bestemd register.

34 Regeling stagiairs UWO-II

Artikel 34:1:1:1 Begripsbepaling

Lid 1

Stagiairs in de zin van deze regeling zijn zij, die als leerling van een instelling van onderwijs zijn toegelaten bij de gemeente om in het kader van hun opleiding praktische ervaring op te doen.

Lid 2

Een stage is een al dan niet aaneengesloten periode van langere duur waarin een leerling van een onderwijsinstelling bij de gemeente onder begeleiding activiteiten ontplooit op basis van het onderwijsprogramma van de onderwijsinstelling.

Artikel 34:1:1:2 Toelating

Toelating kan geschieden voor zover medewerking aan het leerplan van de onderwijsinstelling verenigbaar is met de belangen van de gemeente.

Artikel 34:1:1:3 Stageovereenkomst

Lid 1

De onderwijsinstelling en het organisatieonderdeel waarin de stage plaatsvindt zijn ieder op een eigen wijze verantwoordelijk voor de stage en geven richting aan het leerproces.

Lid 2

Indien de manager instemt met de plaatsing van de stagiair bij zijn cluster/staf/eenheid wordt met hem een stageovereenkomst gesloten volgens de bij dit besluit behorende modelovereenkomst. De overeenkomst heeft een looptijd van ten hoogste één jaar, welke termijn met ten hoogste één jaar kan worden verlengd.

Lid 3

Stageovereenkomsten worden gesloten door het college.

Artikel 34:1:1:4 Stagevergoeding

Lid 1

Stagiairs die minimaal drie maanden aan de gemeente verbonden zullen zijn, ontvangen als regel een vergoeding. In het geval dat stagiairs vanuit de Participatiewet (voorheen: Wet werk en bijstand) stage lopen, ontvangen zij geen stagevergoeding.

Lid 2

Ingeval van afwezigheid om andere redenen dan ziekte wordt in het algemeen de vergoeding niet doorbetaald. In bijzondere gevallen kan het college hiervan afwijken.

Lid 3

Indien door de onderwijsinstelling een aanbeveling is gedaan met betrekking tot het al dan niet verstrekken van een vergoeding en/of tot de hoogte ervan, wordt door het college overeenkomstig die aanbeveling aan de stagiairs een vergoeding toegekend, met dien verstande, dat het bedrag ervan niet uitgaat boven het bedrag voor de stagiairs vastgesteld op grond van artikel 34:1:1:5, eerste lid.

Artikel 34:1:1:5 Hoogte stagevergoeding

  • a

    Voor (v)MBO studenten 25% van het salarisbedrag genoemd bij schaal 1, anc. 3, bijlage IIa CAR/UWO

  • b

    Voor HBO/WO studenten 30% van het salarisbedrag genoemd bij schaal 1, anc. 3, bijlage IIa CAR/UWO

Artikel 34:1:1:6 Reiskostenvergoeding

Lid 1

Stagiairs die geen recht hebben op een OV-jaarkaart op de dagen waarop stage wordt gelopen én meer dan 10 kilometer van de werkplek wonen ontvangen een tegemoetkoming in de voor hun rekening blijvende kosten van het woon-werkverkeer volgens de vergoedingsregeling, zoals die voor het personeel van de gemeente Haarlemmermeer van toepassing is

Lid 2

De stagiair ontvangt deze tegemoetkoming alleen indien de stagiair minimaal drie maanden aan de gemeente verbonden zal zijn.

Artikel 34:1:1:7 Overige vergoeding

Aan de stagiair wordt geen vergoeding of tegemoetkoming onder welke naam ook verleend dan die genoemd in artikel 34:1:1:5 en 34:1:1:6, tenzij het gaat om gemaakte kosten wegens “dienstopdrachten”.

Artikel 34:1:1:8 Regels, normen en waarden

Lid 1

De stagiairs dienen zich er rekenschap van te geven dat zij zich houden aan de regels, normen en waarden bij de gemeente Haarlemmermeer.

Lid 2

Het college is gerechtigd stagiairs met onmiddellijke ingang de toegang of verdere toegang tot de gemeentelijke gebouwen te ontzeggen, van welke bevoegdheid het college als regel geen gebruikmaakt dan nadat met de leiding van de onderwijsinstelling overleg is gevoerd.

Artikel 34:1:1:9 Geheimhouding

De stagiairs zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun tijdens de stage bekend wordt, voor zover de geheimhouding uit de aard der zaak volgt of hun uitdrukkelijk is opgelegd.

Artikel 34:1:1:10 Hardheidsbepaling

De gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, worden aan het college ter nadere beslissing voorgelegd.

35 Regeling generieke functiebeschrijving en -waardering UWO-II

Artikel 35:1:1:1 Begripsomschrijvingen

  • a

    functie:een generieke functie;

  • b

    generieke functie:een samenstel van resultaatgebieden, afgeleid van de gemeentelijke doelstellingen, waarvan de door de medewerker te behalen resultaten zijn afgeleid;

  • c

    functiebeschrijving:een gestandaardiseerde beschrijving van een functie volgens een vastgesteld stramien;

  • d

    functiewaardering:het volgens een vastgestelde methode bepalen van de zwaarte van een functie;

  • e

    Hay-methode:de Hay-methode voor functiebeschrijving en -waardering

  • f

    functionarisde ambtenaar die de functie vervult;

  • g

    conversietabel:een tabel die een koppeling legt tussen de resultaten van de functiewaardering en de functieschalen.

Artikel 35:1:1:2 Beschrijven van functies

Lid 1

Voor elke nieuwe of gewijzigde functie wordt een functiebeschrijving opgesteld.

Lid 2

Voor het opstellen van een functiebeschrijving wordt gebruikgemaakt van de Hay-methode.

Lid 3

De functiebeschrijving bevat in elk geval: doel van de functie, context waarbinnen de functie wordt uitgeoefend, kernactiviteiten, kaders en resultaten.

Lid 4

De functionaris wiens functie is gewijzigd, wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van de vastgestelde functiebeschrijving.

Artikel 35:1:1:3 Vaststellen functiebeschrijving

Het college stelt de functiebeschrijvingen vast.

Artikel 35:1:1:4 Waardering van functies

Lid 1

Nadat een functiebeschrijving is vastgesteld, wordt de functie gewaardeerd.

Lid 2

De methode die bij de waardering van functies wordt gehanteerd, is de Hay-methode.

Lid 3

Wijziging in de conversietabel wordt voor instemming voorgelegd aan het Georganiseerd Overleg.

Lid 4

De functionaris wiens functie is gewijzigd, wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van de vastgestelde functiewaardering.

Artikel 35:1:1:5 Vaststellen functiewaardering

Het college stelt de functiewaarderingen vast.

37 Regeling externe adviescommissie HRM UWO-II

Artikel 37:1:1:1 Samenstelling

Lid 1

Er is een commissie van advies voor de behandeling van rechtspositionele bezwaarschriften.

Lid 2

De commissie bestaat uit een onafhankelijke voorzitter en twee leden.

Lid 3

B&W benoemen de externe voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter en de leden, met dien verstande dat

  • -

    een van de leden en plaatsvervanger worden voorgedragen door de werknemersvertegenwoordiging in het GO en

  • -

    het andere lid een ambtelijk lid is, afkomstig van het cluster HRM. Deze treedt tevens op als secretaris.

Artikel 37:1:1:2 Objectiviteit en geheimhouding

Lid 1

De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een bezwaarschrift, indien daarbij sprake kan zijn van (de schijn van) belangenverstrengeling.

Lid 2

De voorzitter en leden van de commissie nemen geheimhouding in acht ten opzichte van de inhoud van de bezwaarschriften en de daarop betrekking hebbende documenten.

Artikel 37:1:1:3 Vergoeding

Lid 1

De vergoeding van de voorzitter en het door de werknemersvertegenwoordiging voorgedragen lid voor hun werkzaamheden bedraagt € 140,00 per bezwaar.

Lid 2

Reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie worden op declaratiebasis vergoed. De vergoeding betreft:

  • a

    bij gebruik van openbaar vervoer en redelijkerwijs noodzakelijk taxi-vervoer: een volledige vergoeding van de daarvoor gemaakte reiskosten.

  • b

    bij gebruik van een eigen auto: een kilometervergoeding, gelijk aan hetgeen fiscaal onbelast mag worden vergoed.

Artikel 37:1:1:4 Voorbereiding en uitnodiging hoorzitting

Het cluster HRM draagt zorg voor de planning en voorbereiding van de hoorzittingen en de uitnodiging van betrokkenen.

Artikel 37:1:1:5 Uitzondering hoorplicht

De voorzitter van de commissie beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 37:1:1:6 Zitting niet openbaar

Lid 1

De hoorzitting van de commissie is niet openbaar.

Lid 2

Derden, anders dan belanghebbenden, getuigen en deskundigen, kunnen alleen dan toegang tot de hoorzitting krijgen als de bezwaarde daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.

Lid 3

De commissie hoort de bezwaarde dan wel diens raadsman en het verwerend orgaan. Tevens hoort zij desgewenst getuigen dan wel deskundigen. Bezwaarde en het verwerend orgaan worden in aanwezigheid van elkaar gehoord.

Artikel 37:1:1:7 Advies

Lid 1

De commissie beraadslaagt zo spoedig mogelijk na de hoorzitting achter gesloten deuren over het uit te brengen advies.

Lid 2

De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

Lid 3

Het advies is gemotiveerd en bevat een voorstel aan B&W over de te nemen beslissing op bezwaar.

Lid 4

Het advies wordt ondertekend door de secretaris.

Artikel 37:1:1:8 Ambtelijk horen

Voorgaande artikelen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing indien bezwaarde heeft gekozen voor behandeling van zijn bezwaar conform artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht en dientengevolge het bezwaar ambtelijk wordt behandeld.

38 Richtlijnen voor cadeaus / activiteiten bij jubileum of afscheid UWO-II

Artikel 38:1:1:1 Recepties/diners

Lid 1

Het college kan voor het organiseren van jubileum- of afscheidsbijeenkomsten een bedrag beschikbaar stellen van maximaal € 986 (CPI 2014):

  • a

    indien de ambtenaar 25, 40 of 50 jaar in dienst is van de gemeente Haarlemmermeer;

  • b

    indien de ambtenaar op basis van eervol ontslag de gemeentedienst verlaat.

Lid 2

Het budget mag ter vrije keuze worden besteed aan een werkgerelateerde activiteit voor in overleg met de ambtenaar geselecteerde genodigden.

Lid 3

Het budget mag niet in geld of natura rechtstreeks ter beschikking worden gesteld aan de ambtenaar.

Lid 4

Het maximumbedrag genoemd wordt jaarlijks aangepast aan het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van twee jaren daarvoor van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en naar boven afgerond op hele euro's.

Lid 5

Aan deze richtlijn kan de ambtenaar geen aanspraak ontlenen.

Artikel 38:1:1:1

Door de werkkostenregeling (WKR) zal een borrel of etentje buiten de deur belastingtechnisch altijd ten laste van de vrije ruimte komen. Indien voor een activiteit buiten de deur wordt gekozen zal bij het beschikbaar stellen van budget rekening worden gehouden met 80% eindheffing. Dat betekent dat er dan niet maximaal € 986beschikbaar kan worden gesteld maar maximaal (986:180x100=) € 548. Een receptie op een werklocatie is gericht vrijgesteld en komt niet ten laste van de vrije ruimte.

Overgangsrecht cadeauregeling bij jubileum

  • 1

    Het college kan aan de ambtenaar die in dienst is op 31 december 2015, een cadeau geven

    • a

      indien de ambtenaar 25, 40 of 50 jaar in dienst is van de gemeente Haarlemmermeer en

    • b

      de jubileumdatum uiterlijk 31 december 2020 is.

  • 2

    Het cadeau bestaat uit een bedrag van netto € 582 (CPI 2014).

  • 3

    Het cadeau wordt verstrekt in geld en uitbetaald bij het salaris.

  • 4

    Het bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het consumentenprijsindexcijfer (CPI) van twee jaren daarvoor van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en naar boven afgerond op hele euro's.

  • 5

    Aan deze richtlijn kan de ambtenaar geen aanspraak ontlenen.

  • 6

    Dit artikel vervalt per 1 januari 2021.

39 Thuiswerkregeling UWO-II

Artikel 39:1:1:1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    De ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 van de CAR/UWO.

  • b

    De leidinggevende: de direct leidinggevende of bij afwezigheid de naast hogere leidinggevende.

  • c

    Thuiswerken: het door de ambtenaar verrichten van de bij zijn functie behorende werkzaamheden vanuit een werkplek op zijn huisadres.

  • d

    Thuiswerkplek: werkplek op het huisadres van de ambtenaar.

39:1:1:2 Toestemming thuiswerken

Lid 1

De ambtenaar kan om toestemming verzoeken om incidenteel dan wel structureel voor 25% maar maximaal 1 dag van zijn feitelijke arbeidsduur per week te thuiswerken.

Lid 2

En verzoek om structureel thuiswerken dient men in met gebruikmaking van het formulier "aanvraag thuiswerkregeling".

Lid 3

Bij structureel thuiswerken kan dit incidenteel met toestemming van de leidinggevende worden uitgebreid.

Lid 4

Een verzoek wordt door de manager in principe toegewezen, indien het belang van de dienst daarbij is gebaat. Bij de beoordeling van het verzoek worden de inhoud van de functie en de individuele omstandigheden van de aanvrager meegewogen.

Artikel 39:1:1:3 Thuiswerkplek

Lid 1

De ambtenaar is zelf verantwoordelijk voor een thuiswerkplek die voldoet en blijft voldoen aan de eisen die worden gesteld in de Arbeidsomstandighedenwet. De werkgever stelt geen apparatuur en/of meubilair en/of kantoorartikelen beschikbaar noch is er een recht op een financiële vergoeding voor overige basisvoorzieningen zoals internetverbinding, gebruik van telefoon e.d.

Lid 2

De ambtenaar verleent medewerking aan een bezoek van of door de werkgever aan de thuiswerkplek, indien dit noodzakelijk is om de arbeidsomstandigheden te controleren.

Lid 3

Indien door de werkgever ten behoeve van thuiswerken faciliteiten worden verstrekt dan dient de ambtenaar deze te gebruiken, te beheren en te verzorgen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 39:1:1:4 Afspraken

Lid 1

Met de ambtenaar die thuis werkt worden door de leidinggevende in ieder geval de afspraken gemaakt over de in lid 2 genoemde onderwerpen. Bij structureel thuiswerken worden deze afspraken schriftelijk vastgelegd.

Lid 2

De afspraken, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:

  • -

    de bereikbaarheid van de ambtenaar.

  • -

    de wijze van terugkoppeling met de organisatie.

  • -

    de op de thuiswerkdag te verrichten werkzaamheden.

  • -

    de dag waarop en het aantal uren waarin de ambtenaar thuis werkt en

  • -

    informatiebeveiliging.

Lid 3

De ambtenaar is verplicht om op dagdelen of de dag waarop hij thuis werkt op verzoek van de leidinggevende naar kantoor te komen.

Lid 4

De ambtenaar draagt er zorg voor dat hij beschikt over een beveiligd netwerk en de gegevens waar hij thuis mee werkt niet voor anderen toegankelijk zijn.

Artikel 39:1:1:5 Veiligheid bedrijfsgegevens en ondersteuning

Lid 1

Bij het werken met bedrijfsgegevens draagt de ambtenaar zorg voor de veiligheid en vertrouwelijkheid van deze gegevens volgens de gedragscode en regels inzake ICT gebruik en informatievoorziening.

Lid 2

De verbinding wordt alleen voor het doel gebruikt waarvoor de beschikking is verkregen. Bij constatering van misbruik hiervan wordt onmiddellijk de toegang tot het netwerk van de gemeente Haarlemmermeer onmogelijk gemaakt.

Lid 3

Bij problemen met de toegang tot de systemen van de gemeente Haarlemmermeer kan, binnen de reguliere openingstijden, voor zover de problemen de faciliteiten van de gemeente betreffen, een beroep worden gedaan op telefonische ondersteuning van de servicedesk ICT.

Artikel 39:1:1:6 Intrekking

De toestemming tot thuiswerken kan worden ingetrokken, indien:

  • -

    De thuiswerkplek niet of niet meer voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld door de Arbeidsomstandighedenwet.

  • -

    De ambtenaar weigert mee te werken aan een onderzoek door een arbodeskundige om de thuiswerkplek te controleren.

  • -

    De ambtenaar de afspraken, over de in artikel 39:1:1:4 genoemde onderwerpen of nadere in dit kader gemaakte afspraken onvoldoende nakomt.

  • -

    De ambtenaar niet de verwachte productie levert.

  • -

    De ambtenaar in onvoldoende mate aan de functie- eisen voldoet.

  • -

    De ambtenaar van functie verandert.

  • -

    De ambtenaar hierom verzoekt.

  • -

    Indien de ambtenaar medische of werkgerelateerde klachten ontwikkelt die kunnen samenhangen met het thuiswerken.

40a Gedragscode Integriteit Haarlemmermeer UWO-II

40a Gedragscode Integriteit Haarlemmermeer

Inleiding

De Gedragscode Integriteit geeft een overzicht van de waarden, regels en richtlijnen die gelden binnen onze organisatie. Een gedragscode is een handreiking die medewerkers kan helpen bij het nemen van beslissingen. Daarnaast bevat een gedragscode een aantal regels die bepalend zijn voor ons handelen. Deze regels geven duidelijkheid over wat er van medewerkers wordt verwacht.

De Gedragscode Integriteit Haarlemmermeer bestaat uit de volgende delen:

  • 1

    Onze waarden

  • 2

    Omgangsvormen

  • 3

    Regelgeving

  • 4

    Onze richtlijnen en protocollen

1. Onze waarden

Onze waarden geven een kader voor het ethisch handelen van medewerkers en hebben zowel betrekking op hun contacten met burgers of andere externe relaties als op onderlinge verhoudingen. In Samen zijn we Meer wordt aangegeven wat er van medewerkers wordt verwacht: Professionele verantwoordelijkheid, betrokken en samenwerkingsgericht zijn de waarden die richtinggevend zijn voor de medewerkers bij de uitoefening van hun functie. Het is niet zonder meer duidelijk welk gedrag deze waarden voorschrijven. De gedragscode geeft hier invulling aan, maar is niet uitputtend. De eigen verantwoordelijkheid staat voorop.

1.1. Professionele verantwoordelijkheid

Professionele verantwoordelijkheid wordt als eerste genoemd omdat het alle andere waarden als het ware omspant.

Onze definitie van Integriteit staat voor professionele verantwoordelijkheid: De integere ambtenaar is betrouwbaar, hij is bereid en bekwaam om zijn taak en functie adequaat uit te oefenen, in het licht van zijn positie en de verantwoordelijkheden waarop hij in redelijkheid aanspreekbaar is. Daarnaast kan hij zich verantwoorden voor de keuzes die hij hierbij maakt en handelt hij altijd met oog voor het publieke belang.

Professionaliteit houdt in dat de ambtenaar zich gedraagt zoals een goed ambtenaar betaamt, dat hij zijn werk goed uitvoert en integer is. Dit behelst tevens het vermogen om kernwaarden tegelijkertijd toe te kunnen passen en daar waar de verschillende waarden om voorrang strijden (bijvoorbeeld in het geval van efficiency versus rechtmatigheid) de juiste en (moreel) verantwoorde afweging te maken.

Dit betekent

  • -

    Dat we verantwoordelijkheid nemen voor ons eigen handelen

  • -

    Dat we in staat zijn om ons te verplaatsen in de behoefte van de klant

  • -

    Dat we niet discrimineren of mensen een voorkeursbehandeling geven

  • -

    Dat we vertrouwelijke informatie voor ons houden

  • -

    Dat we verantwoord omgaan met gemeentelijke voorzieningen en personeelsregelingen

  • -

    Dat we ons houden aan richtlijnen en protocollen

  • -

    Dat we deze gedragscode als leidraad voor ons handelen hanteren

1.2. Betrokken

Betrokken houdt in dat medewerkers hart hebben voor de Haarlemmermeerse samenleving, het werk en de organisatie. Deze verschillende vormen van betrokkenheid zijn allemaal van belang voor goed handelen, maar kunnen onderling ook spanningsvelden opleveren.

Dit betekent

  • -

    Dat we verbinding maken met belangen van anderen of van de organisatie

  • -

    Dat we bereid zijn ons in te zetten voor de belangen van anderen of van de organisatie

  • -

    Dat we verantwoordelijkheid nemen als we in een situatie komen waarin belangen van familie, vrienden, ex-collega’s of kennissen een rol spelen

  • -

    Dat we niet meer beloven dan we waar kunnen maken

1.3. Samenwerkingsgericht

Samenwerkingsgericht betekent dat we informatie en kennis met elkaar delen, en collega’s betrekken bij het werk. Onze medewerkers hebben vertrouwen in elkaar, en tonen respect naar collega’s. Dit houdt ook in dat ze elkaar helpen bij problemen. Het is belangrijk dat we elkaar hier altijd op mogen aanspreken.

Dit betekent

  • -

    Dat we iedereen netjes behandelen

  • -

    Dat we ons houden aan afspraken

  • -

    Dat we onze leidinggevenden, het college en de raad alle informatie verstrekken die zij wensen en nodig hebben, volgens de daarvoor geldende afspraken.

2. Omgangsvormen

Onze waarden leiden als vanzelf tot respectvolle omgangsvormen. Toch is het belangrijk om dit apart te noemen omdat we hier een duidelijk standpunt over innemen.

Ambtenaren moeten burgers maar ook elkaar respectvol bejegenen. Dat betekent dat je standpunten, visies en inbreng van anderen serieus neemt. Je bent klantgericht en hulpvaardig. Respectvol omgaan met elkaar als collega’s betekent dat ongewenste omgangsvormen niet mogen voorkomen.

Onder ongewenste omgangsvormen verstaan we gedrag van een collega (medewerker of leidinggevende) dat wij als organisatie en jij als persoon als ongewenst ervaren. Bijvoorbeeld seksuele intimidatie, zoals dubbelzinnige opmerkingen of handtastelijkheden, agressie, pesten en discriminatie. Haarlemmermeer accepteert deze omgangsvormen op geen enkele manier.

3. Regelgeving

Naast de normen die voortkomen uit onze waarden zijn er normen die rechtstreeks worden voorgeschreven door regelgeving. Ook deze normen zijn opgenomen in de gedragscode. Hier volgt een overzicht.

Zoals een goed ambtenaar betaamt…… Artikel 15:1 CAR-UWOSoms moet je dus zelf een afweging maken of iets door de beugel kan. Onze waarden en richtlijnen moeten het de medewerkers makkelijker maken om te handelen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Dat verklaar en beloof ik! Zo waarlijk helpe mij God almachtig! Artikel 125 AmbtenarenwetIedere ambtenaar legt bij indiensttreding de eed of belofte af dat hij of zij integer zal handelen. De beëdiging is een van de instrumenten die eraan bijdraagt dat een ambtenaar zich bewuster is van zijn bijzondere positie als overheidsdienaar en van de consequenties die dit heeft voor zijn integriteit.

Plichtsverzuim Artikel 16:1:1 CAR-UWOIedere ambtenaar moet de hem opgelegde verplichtingen nakomen. De ambtenaar die bij herhaling een maatregel van inhouding, beslag of korting krijgt opgelegd kan disciplinair worden gestraft.

Geschenken Artikel 15:1c CAR-UWO Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften aan te nemen, anders dan met toestemming van de werkgever. Zie Richtlijnen aannemen van geschenken en uitnodigingen.

Nevenwerkzaamheden Artikel 15:1e en 15:1f CAR-UWO Veel collega's doen in hun vrije tijd vrijwilligerswerk, of vervullen bestuurlijke taken in verenigingen of stichtingen. Een goede zaak. Maar als de nevenwerkzaamheden, betaald of onbetaald, de belangen van het werk raken, kan er belangenverstrengeling ontstaan. Daarom moeten ambtenaren alle nevenwerkzaamheden melden en hiervoor toestemming vragen bij hun leidinggevende. Voor het uitvoeren van nevenwerkzaamheden gelden duidelijke regels. Maar geen enkele zaak of situatie is hetzelfde. Wat in het ene geval glashelder is, kan in een andere context vragen oproepen. Je blijft altijd zelf verantwoordelijk voor het inschatten van de risico’s en het melden van nevenwerkzaamheden. Daarbij helpt het als je jezelf steeds weer vragen stelt. Bijvoorbeeld waarom je gevraagd bent als bestuurslid. Kan de reputatie van het bedrijf of de branche waarvoor je nevenwerkzaamheden verricht het aanzien van de gemeente schaden? Houd je wel genoeg tijd en energie over voor jouw werk?

Dit betekent:

  • -

    Dat de ambtenaar verplicht is financiële belangen te melden.

  • -

    Dat de ambtenaar verplicht is nevenwerkzaamheden te melden en hiervoor toestemming aan zijn leidinggevende te vragen.

  • -

    Dat de ambtenaar zelf geen opdrachtnemer mag zijn van diensten die voor de gemeente moeten worden verricht.

  • -

    Dat de ambtenaar geen gebruik mag maken van ambtshalve verkregen informatie.

4. Onze richtlijnen en protocollen UWO-II

Tot slot zijn er in de gedragscode regels opgenomen die we met elkaar hebben afgesproken, zoals het niet aannemen van geschenken. Door deze afspraken in de gedragscode op te nemen is voor iedereen duidelijk wat er van hem of haar wordt verwacht. Hier volgt een overzicht.

  • 40b Richtlijnen voor het aannemen van geschenken en uitnodigingen

  • 40c ICT protocol

  • 40d Richtlijnen voor digitale media

  • 40e Richtlijn ambtenaren en verkiezingen

  • 40f Regeling Integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2008

  • 40g Regeling tegengaan draaideurconstructie

  • 40h Richtlijnen nevenwerkzaamheden

  • 40i Richtlijnen relaties op het werk

40b Richtlijnen voor het aannemen van geschenken en uitnodigingen UWO-II

40b Richtlijnen voor het aannemen van geschenken en uitnodigingen

Inhoudsopgave

  • -

    Geschenken

  • -

    Uitnodigingen

  • -

    Etentjes

  • -

    Kerstgeschenken

Deze richtlijn is een uitwerking van artikel 15:1c CAR-UWO: Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften aan te nemen, anders dan met toestemming van de werkgever.

Geschenken

Als het gaat om aannemen van geschenken, reizen en diensten van derden doen we dat niet. Het aanbieden van geschenken, diensten en reizen doen we evenmin. Daarnaast maken we aan derden duidelijk wat ons beleid is op deze punten. We vragen geen gunsten of giften aan anderen. Wij vertellen aan het management dat we geschenken, diensten e.d. aangeboden hebben gekregen. Aanbiedingen van derden worden openlijk besproken. Het management beslist of het geschenk wordt aanvaard of geweigerd en door wie dat wordt gedaan en op welke manier. We maken aan derden duidelijk wat ons beleid is. Hierbij vind je een conceptbrief voor het weigeren van geschenken.

Realiteit is dat het weigeren van een geschenk niet altijd mogelijk is. Onder sommige omstandigheden hoort het geven of ontvangen van een relatiegeschenk tot maatschappelijk geaccepteerde omgangsvormen. Maar er zijn wel afspraken over wanneer het wel en wanneer niet is toegestaan een geschenk aan te nemen.

Hoofdregel is dat je geen geschenken aanneemt. Als ambtenaar hoor je ervoor te zorgen vrij van verplichtingen te zijn. Als je een geschenk wel accepteert moet je dat kunnen uitleggen. Openheid is namelijk heel belangrijk. De vraag waar het om gaat, is welke bedoeling de gever met het cadeau had. Is het een onschuldige blijk van waardering? Of verwacht de gever een tegenprestatie? Als je het gevoel hebt dat het cadeau je belemmert om vrij te handelen, dan moet je het weigeren. Ook al is het een klein cadeau. Praat erover met jouw collega’s, wat vinden zij ervan?

Dit betekent:

  • -

    Dat we geen gunsten of giften aan anderen vragen.

  • -

    Dat we geen gunsten of giften aanbieden.

  • -

    Dat het uitgangspunt is dat we geen geschenken aannemen.

  • -

    Als je het gevoel hebt dat het geschenk je belemmert om vrij te handelen, weiger je.

  • -

    Als je onverhoopt toch een geschenk hebt aangenomen meld je dat bij het management.

  • -

    Aanbiedingen van derden en welk besluiten daarop zijn genomen worden openlijk besproken.

  • -

    We maken aan derden duidelijk wat ons beleid is. Conceptbrief

Uitnodigingen

Voor uitnodigen voor werkbezoek, seminars, congressen of andere evenementen geldt hetzelfde als voor geschenken. Voor uitnodigingen betaal je. Als het voor het werk belangrijk is om ergens aanwezig te zijn, kun je in overleg met het management besluiten om een uitnodiging aan te nemen, maar de te maken kosten komen voor rekening van de gemeente. Bij de beoordeling of je op een uitnodiging wel of niet in gaat kun je jezelf afvragen wat het belang is voor de gemeente, waarom jij aanwezig zou moeten zijn of kun je de relatie ook bij een andere gelegenheid spreken? Is de relatie die jou uitnodigt onafhankelijk? Zijn er lopende of binnenkort te verwachten zaken met deze relatie, zoals vergunningstrajecten, aanbestedingsprocedures of andere beslissingen? Hoe komt het over op de buitenwacht als je op de uitnodiging ingaat? is er een schijn van belangenverstrengeling? Wees bewust van je voorbeeldfunctie naar collega's, ondergeschikten en burgers.

Dit betekent:

  • -

    Dat je uitnodigingen niet automatisch aanneemt.

  • -

    Als je besluit te gaan dan is dit in overleg met het management.

  • -

    Als je wel gaat komen de kosten voor rekening van de gemeente.

  • -

    Het besluit om wel te gaan wordt openlijk besproken.

Etentjes

Uitnodigingen voor lunchafspraken en diners met derden komen regelmatig voor. Al is het maar om contacten te leggen of iets te vieren. Ook hier geldt weer dat je dat bij voorkeur niet doet. Als er redenen zijn is om wel te gaan doe je dat in overleg met het management. Daarbij maak je dezelfde overwegingen als bij andere uitnodigingen. Het management beslist of de kosten voor rekening van de gemeente komen, of ieder voor zich betaalt of dat het aanvaardbaar is de andere partij te laten betalen. Als je onverwacht voor een etentje bent uitgenodigd maak je deze afwegingen zelf. Achteraf meld je bij het management dat je een uitnodiging had voor een etentje en op welke wijze er is betaald.

Dit betekent:

  • -

    Dat je uitnodigingen voor etentjes niet automatisch aanneemt.

  • -

    Dat je het kunt verantwoorden en beargumenteren als je wel op de uitnodiging ingaat.

  • -

    Als je besluit te gaan is dit in overleg met het management en leg je dit vast in de zakelijke agenda.

  • -

    Het management beslist voor wiens rekening de kosten komen.

  • -

    Het besluit om wel te gaan wordt openlijk besproken.

Kerstgeschenken

Kerstgeschenken van derden accepteren wij niet, niet op het werk en niet op het huisadres. Alle geschenken die wij toch ontvangen worden aan een goed doel geschonken. Voorop staat dat wij niet twijfelen aan de goede bedoelingen van dit soort geschenken. Belangrijk is dat medewerkers en bestuurders van de gemeente Haarlemmermeer het ontstaan van belangenverstrengeling of ook maar de schijn er van vermijden. Relaties waarvan wij kerstgeschenken hebben ontvangen worden geïnformeerd over dit gemeentelijk beleid en worden vriendelijk verzocht in het vervolg geen geschenken meer te sturen.

Dit betekent:

  • -

    Dat je kerstgeschenken niet accepteert, niet op het werk en niet op het huisadres.

  • -

    Ontvangen kerstgeschenken lever je dit in bij de FM Frontoffice.

  • -

    De naam en het adres van de gever noteer je bij de FM Frontoffice.

  • -

    We maken aan derden duidelijk wat ons beleid is. Conceptbrief

40c ICT protocol UWO-II

Artikel 40c:1:1:1 Begripsbepaling

  • a

    Gemeente:de gemeente Haarlemmermeer;

  • b

    Netwerk:apparatuur, programmatuur en gegevens van de gemeente;

  • c

    Gebruiker:

    • -

      medewerker in dienst van de gemeente

    • -

      persoon die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verricht, anders dan in ambtelijk dienstverband

  • d

    Elektronische Communicatiemiddelen:(mobiele) telefoon, internet, e-mail, Personal Digital Assistant (PDA), Laptop en andere huidige en toekomstige elektronische informatie- en communicatiemiddelen die ter beschikking worden gesteld of worden betaald door de gemeente.

Artikel 40c:1:1:2 Werkingssfeer

Deze regeling geldt voor de gebruikers van de gemeentelijke faciliteiten.Uitgezonderd van het protocol zijn College van Burgemeester&Wethouders en Raadsleden van de Gemeente Haarlemmermeer

Artikel 40c:1:1:3 Algemeen

Lid 1

De gemeente behoudt zich het recht voor om de toegang tot en of het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen te beperken zoals het beperken van toegang tot bepaalde sites en (mobiele) telefoonnummers. Met name sites met, of nummers die toegang bieden tot een pornografische, racistische, godslasterlijke, discriminerende of een op entertainment gerichte inhoud worden geweerd.

Lid 2

De gemeente kan het recht tot gebruik van (een deel van) internet en/of een ander Elektronisch Communicatiemiddel toestaan, maar ook altijd weer intrekken. Zonder dat recht is gebruik van (een deel van) internet en/of het andere Elektronische Communicatiemiddel niet toegestaan.

Lid 3

Los van dit ICT-protocol behoren gebruikers zich te houden aan de door de gemeente opgestelde regels en procedures t.a.v. gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen en de wet – en regelgeving.

Lid 4

E-mail- en Internetgebruik is alleen toegestaan via het gemeentenetwerk. Daardoor zijn de gegevens die binnen het gemeentenetwerk worden getransporteerd beschermd tegen aftappen, belemmeren of manipuleren vanaf Internet;

Lid 5

Overige verbindingen met netwerken of Elektronische Communicatiemiddelen anders dan d.m.v. het gemeentenetwerk zijn niet toegestaan, tenzij deze via de clustermanager Info+ zijn aangevraagd en geïnstalleerd. Ook deze verbindingen mogen alleen t.b.v. werkzaamheden voor de gemeente worden gebruikt.

Lid 6

Alle extern verstuurde mail moet worden voorzien van de, door de gemeente vastgestelde, disclaimer.

Artikel 40c:1:1:4 Gebruik

Lid 1

De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de Elektronische Communicatiemiddelen overeenkomstig het gestelde in dit protocol. Gebruikers zullen bij het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de integriteit en goede naam van de gemeente waarborgen.

Lid 2

Het is niet toegestaan om Elektronische Communicatiemiddelen te gebruiken voor doeleinden welke in strijd zijn met het ICT - Protocol.

Lid 3

Elektronische Communicatiemiddelen mogen in beperkte mate voor privé-doeleinden worden gebruikt, mits dit gebruik in overeenstemming is met dit protocol en dit gebruik niet storend is voor dan wel ten koste gaat van de dagelijkse werkzaamheden. Het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen is primair en hoofdzakelijk verbonden met taken/bezigheden die voortvloeien uit de functie.

Lid 4

De volgende activiteiten zijn niet toegestaan (hieronder valt ook het bezoeken, downloaden en/of het verspreiden hiervan):

  • -

    het spelen van Internetspelletjes;

  • -

    het verwerven van geld via mogelijkheden op het Internet, kansspelen en gokken;

  • -

    het chatten met andere Internet- gebruikers door middel van niet professionele, disputabele chatsessies;

  • -

    het proberen illegaal toegang te verkrijgen tot netwerken of computers;

  • -

    het bezoeken van sites met een kwetsende inhoud (pornografisch, racistisch, discriminerend, godslasterlijke, beledigend of aanstootgevend materiaal bevatten);

  • -

    berichten anoniem of onder een fictieve naam te versturen;

  • -

    kettingmailberichten te verzenden of door te sturen;

  • -

    iemand lastig vallen.

De volgende activiteiten zijn wel toegestaan indien wordt voldaan aan artikel 40c:1:1:4, lid 3:

  • -

    het bestellen en/of inkopen en het bijbehorende betalingsverkeer mag alleen plaats vinden op een beveiligde manier;

  • -

    het chatten voor professionele doeleinden, middels speciaal daarvoor ingerichte (werkgerelateerde en/of gemeentelijke) chatsessies;

  • -

    online te luisteren naar radio, TV of andere video-online toepassingen te bekijken;

  • -

    actief aangeven aan webwinkels dat belangstelling bestaat voor het beperkt en tijdelijk ontvangen van productinformatie;

  • -

    het bezoeken van sites met een kwetsende inhoud slechts onder vooraf met de leidinggevende overeengekomen stringente en werkgerelateerde voorwaarden.

Lid 5

De infrastructuur voor Elektronische Communicatiemiddelen kent een eigen vorm van kwetsbaarheid en een eigen vorm van beveiliging. Daarom gelden op dit punt ten minste de volgende regels:

  • -

    user-identificatie (inlog-naam) en authenticatie (bijvoorbeeld wachtwoord) zijn persoonsgebonden en mogen niet aan anderen worden doorgegeven;

  • -

    het is niet toegestaan (eigen) software te downloaden c.q. te installeren of hardware aan te sluiten op of aan door de werkgever ter beschikking gestelde Elektronische Communicatiemiddelen, tenzij toestemming is verleend door de clustermanager Info+;

  • -

    vertrouwelijke gegevens en bedrijfsgevoelige informatie mogen niet zonder toestemming naar buiten de organisatie worden verspreid.

  • -

    Het is verboden om het email@haarlemmermeer.nl domein te gebruiken voor niet zakelijke doeleinden zoals elektronisch winkelen, abonnementen, nieuwsbrieven enz.

  • -

    van (on)bedoelde inbreuken op beveiliging, van binnenuit of vanuit de buitenwereld, dient onverwijld een melding doorgegeven te worden.

Artikel 40c:1:1:5 Vastlegging gegevens en controle

Lid 1

Al het dataverkeer vanuit het interne netwerk is het eigendom van de gemeente.

Lid 2

Het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen wordt vastgelegd. Deze registratie geschiedt om het beheer, de continuïteit, de veiligheid, de integriteit en de beschikbaarheid van de infrastructuur en de diensten te waarborgen, verstoring van bedrijfsprocessen en andere (financiële) schade tegen te gaan. Daarnaast dient de registratie om toezicht te houden op de naleving van de gedrags- en gebruiksregels binnen de organisatie, alsmede om onder geheimhouding vallende of niet-openbare informatie te beschermen.

Lid 3

Het algemene toezicht op het gebruik zal bestaan uit het anoniem, steekproefsgewijs controleren van het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen (bijvoorbeeld de sites die bezocht worden).

Lid 4

Binnenkomend elektronische communicatie verkeer wordt zo goed mogelijk gecontroleerd op virussen, spam en soortgelijk ongerief. Mocht blijken dat een e-mailbericht een virus bevat, dan wordt het automatisch tegengehouden en worden de verzender en ontvanger daarover ingelicht.Indien desondanks materiaal wordt ontvangen dat mogelijk een virus bevat, dan dient de ontvanger onverwijld een incidentmelding door te geven. Voor het tegengaan van ongevraagde en ongewenste e-mails zijn technische maatregelen getroffen, die op basis van monitoring eventueel worden uitgebreid.

Lid 5

Het is de gemeente in beginsel toegestaan de vastgelegde gegevens ten aanzien van het gebruik van Elektronische Communicatiemiddelen in het kader van een gericht onderzoek te analyseren ten behoeve van het onderzoeken van ongeoorloofd gedrag indien er sprake is van een redelijke verdenking of vermoeden van een ongeoorloofde handeling door één of meerdere gebruikers.Hierbij wordt ervan uitgegaan dat andere middelen zijn uitgeput, dat er een zwaarwichtig belang van de onderneming in het geding is en dat bij de uitvoering rekening wordt gehouden met de ernst van de gevolgen voor de betrokken gebruikers en de wijze waarop in de bescherming van de privacy van de gebruikers wordt voorzien.

Lid 6

Het gebruik van Elektronische communicatiemiddelen door OR/GO-leden voor wat betreft hun OR/GO-werkzaamheden is uitgesloten van controle. Dit geldt niet voor de controle op de veiligheid van het elektronische verkeer.

Lid 7

Indien vanuit de ICT monitoring of incidentmelding geconstateerd wordt dat een gebruiker (of een groep van gebruikers) zich schuldig maakt aan ongeoorloofd handelen, dan wordt de leidinggevende van betrokken gebruiker zo spoedig mogelijk door of namens de gemeentesecretaris hierover geïnformeerd. De leidinggevende kan de betrokken medewerker hierop aanspreken, tenzij er aanleiding is om een gericht onderzoek te starten en het informeren van de gebruiker het onderzoek kan belemmeren.

Lid 8

De betreffende gegevens worden bewaard zolang dit in het kader van nader onderzoek en eventueel te treffen maatregelen jegens een gebruiker noodzakelijk is.

Artikel 40c:1:1:6 Sancties

Lid 1

Handelen in strijd met dit Protocol, het bedrijfsbelang of de algemeen geldende normen en waarden, kan voor medewerkers in dienst van de gemeente resulteren in disciplinaire maatregelen.

Lid 2

Voor personen die (betaalde of niet-betaalde) werkzaamheden voor de gemeente verrichten anders dan in ambtelijk dienstverband, kan een handelen zoals omschreven in het eerste lid resulteren in beëindiging van de relatie.

Artikel 40c:1:1:7 Melding van incidenten

Lid 1

Bij constatering van ongeoorloofd handelen, zoals omschreven in artikel 40c:1:1:4, kan een gebruiker dit melden aan zijn leidinggevende of aan het meldpunt Integriteit *1.

Lid 2

Indien de gebruiker ongevraagd informatie van een soort zoals is genoemd in artikel 40c:1:1:4 lid 4 aangeboden krijgt, dient deze een incidentmelding door te geven aan het meldpunt Integriteit.

*1 Hierbij is ook de Regeling Integriteitmeldingen van toepassing

Artikel 40c:1:1:8 Opdracht tot gericht onderzoek

Gericht onderzoek *1 naar aanleiding van een concrete verdenking van ongeoorloofd handelen geschiedt door de Clustermanager Info in opdracht van de algemeen directeur/gemeentesecretaris.

*1 Hierbij is ook het Onderzoeksprotocol van toepassing

Artikel 40c:1:1:9 Informeren na gericht onderzoek

Lid 1

Ook in het geval er geen ongeoorloofd handelen is geconstateerd, wordt de betrokken gebruiker, alsmede zijn leidinggevende, nadat het gericht onderzoek is afgesloten, op de hoogte gebracht van de resultaten van het onderzoek.

Lid 2

Degene die het incident gemeld heeft, wordt geïnformeerd over de afhandeling van zijn melding.

Artikel 40c:1:1:10 Rechten van de gebruiker

Lid 1

De gebruiker heeft het recht de over hem of haar geregistreerde data in te zien en een kopie te ontvangen.

Lid 2

De gebruiker kan een verzoek indienen om feitelijke onjuiste gegevens uit de geregistreerde data te (laten) verbeteren, aan te vullen te verwijderen of af te schermen, indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd zijn met een wettelijk voorschrift. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Artikel 40c:1:1:11 Slotbepaling

Lid 1

In alle gevallen waarin dit Protocol niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van dit Protocol beslist het college van B&W.

Lid 2

Onverminderd het bepaalde in dit Protocol, is op het verwerken van persoonsgegevens de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing.

40d Richtlijnen gebruik (digitale) media UWO-II

40d Richtlijnen gebruik (digitale) media

Inhoudsopgave

  • -

    Pers/media

  • -

    Professionele verantwoordelijkheid

  • -

    Woordvoering

  • -

    Signaalfunctie medewerkers

  • -

    Monitoring

Digitale media (waaronder social media) zoals Twitter, Linkedin, Hyves en Facebook hebben miljoenen gebruikers. Ook onze eigen medewerkers zijn gebruiker. Door de digitale media is de beheersbaarheid van de communicatie sterk veranderd, dit komt doordat burgers zelf zender zijn geworden van massamediale boodschappen. Iedereen kan zijn of haar genoegens en ongenoegens uiten en kan gelijkgestemden vinden. Het delen van informatie in netwerken kan leiden tot een beter resultaat. We moedigen iedereen aan om hier gebruik van te maken. We willen wel graag dat je dit correct en verstandig doet met inachtneming van de volgende richtlijnen:

Pers/media

Richtlijn omgang pers/media: Medewerkers praten niet direct met de pers. Dit loopt onder centrale regie van woordvoering bij cluster Communicatie en Externe Betrekkingen.

Professionele verantwoordelijkheid

Je bent zelf verantwoordelijk voor het gebruik van digitale media. Ga af op je eigen beoordelingsvermogen. Vuistregel: BIJ TWIJFEL NIET DOEN! Als je twijfelt over de wijze waarop je de informatie deelt overleg dan met een woordvoerder of bestuursassistent. Bij privégebruik van digitale media geldt dit niet. Bij gebruik van digitale media op het werk geef je alleen feitelijke en neutrale informatie. Het naar buiten brengen van inhoudelijke standpunten laat je over aan de woordvoerders.

Let op:

  • -

    Perceptie is realiteit: Iemand kan jouw boodschap totaal anders interpreteren dan jij bedoeld hebt.

  • -

    Afzender en boodschap: Bedenk dat jouw boodschap niet los wordt geïnterpreteerd van jou als zender. Er is een verschil tussen privégebruik en werkgerelateerd gebruik, maar deze scheidslijn gaat voor de buitenwereld niet altijd op.

  • -

    Geef nooit vertrouwelijke informatie van de gemeente.

Wees je ervan bewust dat het web voor iedereen toegankelijk is en dat informatie door iedereen te bekijken en te gebruiken is. Online bijdragen blijven altijd vindbaar, dus ook persoonlijke informatie, en deze kunnen door andere media worden overgenomen.

Privégebruik van communicatiemiddelen die door de gemeente ter beschikking worden gesteld is mogelijk, maar beperk dit zoveel mogelijk en doe dit in overeenstemming met deze richtlijnen en het ICT-Protocol.

Wees een ambassadeur van de gemeente Haarlemmermeer. Sociale omgangsvormen zijn ook op het internet van toepassing.

Woordvoering

Voor digitale media gelden dezelfde regels op het gebied van woordvoering als voor het reageren op berichten in de traditionele media. De regel ‘medewerkers praten niet met pers/media’ geldt ook voor reageren op berichtgeving over de gemeentelijke organisatie door derden op het web. Dit loopt onder centrale regie van woordvoering bij cluster Communicatie en Externe Betrekkingen.

Signaalfunctie medewerkers

Ook wanneer je geen officiële voorlichter bent van de gemeente, ben je een belangrijke schakel binnen het monitoren van digitale media. Indien je negatieve of positieve berichten over de gemeente signaleert, stuur deze dan naar een woordvoerder. Laat onderwerpen van negatieve aard over aan de woordvoerders en vermijdt de verleiding om zelf impulsief te reageren.

Monitoring

Voor vastlegging van gegevens en controle geldt hetzelfde als voor het overige dataverkeer. Zie hiervoor artikel 40c:1:1:2 ICT-Protocol.

40e Richtlijnen ambtenaren en verkiezingen UWO-II

40e Richtlijnen ambtenaren en verkiezingen

Inhoudsopgave

  • -

    Inleiding

  • -

    Relatie ambtenaar en raad

  • -

    Relatie ambtenaar en college

  • -

    Relatie ambtenaarschap en privépersoon

  • -

    Advies en opschaling

Inleiding

Deze richtlijn is bedoeld om:

  • -

    een eerlijk en transparant democratisch proces in verkiezingstijd te bevorderen;

  • -

    de juiste inzet van de ambtelijke capaciteit te garanderen;

  • -

    aan college, raad en medewerkers helderheid te verschaffen over hetgeen het college en de raad tijdens de verkiezingsperiode van het ambtelijk apparaat mogen verwachten;

  • -

    medewerkers te laten nadenken over de doorwerking van bepaalde privéactiviteiten op hun positie als ambtenaar.

Om deze doelen te bereiken gelden de volgende richtlijnen en kunnen de volgende vragen gesteld worden.

Relatie ambtenaar en raad

Voor de ambtelijke bijstand aan de raad en raadsleden bestaat reeds de "Verordening op de ambtelijke bijstand". Deze bepaalt:

  • -

    Raadsleden kunnen zich laten bijstaan door het ambtelijk apparaat voor het verzamelen en verwerken van informatie en het verlenen van hulp bij de vormgeving en het opstellen van raadsvoorstellen, amendementen en moties.

  • -

    Raadsleden kunnen feitelijke informatie of inzage in of afschriften van openbare stukken opvragen bij de behandelend ambtenaar.

  • -

    Subjectieve informatie geeft de behandelend ambtenaar niet.

  • -

    De behandelende ambtenaren melden de vraag en het antwoord aan hun leidinggevende.

  • -

    Raadsleden kunnen een verzoek om ambtelijke bijstand indienen bij de gemeentesecretaris, die de verantwoordelijke portefeuillehouder daarvan in kennis stelt. De gemeentesecretaris zorgt in overleg met de griffier voor de organisatie van de bijstand.

Voor meer gedetailleerde informatie verwijzen wij naar bovengenoemde verordening.

Relatie ambtenaar en college

  • -

    Ambtelijk capaciteit zal niet worden ingezet voor:

    • o

      Partijbijeenkomsten;

    • o

      Verkiezingsbijeenkomsten, waarvoor niet alle aan de verkiezing deelnemende partijen worden uitgenodigd;

    • o

      Campagne-activiteiten (waaronder gesprekken met inwoners, bedrijven en instellingen met als doel om stemmen te winnen);

    • o

      Het voorbereiden van dergelijke bijeenkomsten en activiteiten;

    • o

      Uitingen richting pers of media worden alleen ondersteund, indien het een uiting is van het huidige collegebeleid.

  • -

    Openbare stukken van de gemeente kunnen wel geleverd worden voor partijbijeenkomsten en de hiervoor genoemde verkiezingsbijeenkomsten, omdat deze informatie voor alle partijen gelijkelijk toegankelijk is.

  • -

    Bij twijfel of onduidelijkheid wordt een vraag of verzoek voorgelegd aan de leidinggevende.

Relatie ambtenaarschap en privépersoon

Er is een onderscheid tussen de ambtenaar in functie en de ambtenaar als privépersoon. Politieke sensitiviteit en affiniteit wordt aangemoedigd door de gemeente. Echter, bij het ontplooien van nevenwerkzaamheden of nevenactiviteiten moet de schijn van belangenverstrengeling worden vermeden. Op grond van de CAR/UWO moeten alle nevenwerkzaamheden gemeld worden bij de leidinggevende. De term ‘nevenwerkzaamheden’ wordt ruim uitgelegd. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de normale diensttijd worden verricht.

Bij de afweging of je aan bepaalde activiteiten meedoet of bepaalde activiteiten ontplooit kun je jouw besluit aan de volgende criteria toetsen:

  • I

    Blijft jouw onafhankelijkheid gegarandeerd?

  • II

    Maak je gebruik van de kennis van jouw functie?

  • III

    Geloofwaardigheid: hoe kan het overkomen op de buitenwereld?

Wees je daarbij ervan bewust dat burgers, bedrijven en instellingen, collega's en college- en raadsleden wellicht anders tegen bepaalde nevenwerkzaamheden- en activiteiten aan kunnen kijken. Bijvoorbeeld:

  • -

    Stel: je bent vanwege jouw functie een bekend persoon binnen de gemeente. Je doet mee als privépersoon aan een partijbijeenkomst, waar je jouw persoonlijke standpunten uit. Is het voor iedereen helder dat dit jouw mening als privé persoon is?

  • -

    Stel: veel burgers, instellingen en bedrijven weten dat jij een bestuurder van een bepaalde politieke kleur functioneel direct ondersteunt. Is het verstandig om binnen de gemeente te flyeren voor een andere politieke partij?

Advies en opschaling

Voor alle punten van deze richtlijn geldt: maak het bespreekbaar! Bespreek het met degene die iets aan je vraagt, waarvan jij je afvraagt of dat kan of mag. Bespreek het met je collega's. Uiteraard kunnen bepaalde dilemma's worden besproken in een werkoverleg. Het kan immers zijn dat jij niet de enige bent, die met dit dilemma zit. Je kunt hiervoor ook het vijfstappenplan gebruiken. Deze kun je vinden op de intranetpagina van integriteit.

Mocht je er niet uitkomen, informeer dan je leidinggevende. Deze kan advies inwinnen bij de integriteitcoördinator. Indien nodig, kunnen vraagstukken ook aan de directie worden voorgelegd.

40f Regeling melden vermoeden misstand UWO-II

Artikel 40f:1:1:1 Begripsbepalingen

In de regeling wordt verstaan onder:

  • 1

    ambtenaar: een ieder die werkzaam is of is geweest bij gemeente Haarlemmermeer;

  • 2

    het Meldpunt: een commissie of personen die als zodanig door de gemeentesecretaris zijn benoemd;

  • 3

    vertrouwenspersoon: de medewerker die als zodanig is aangesteld;

  • 4

    een vermoeden van een integriteitschending: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de gemeentelijke dienst omtrent:

    • a

      belangenverstrengeling;

    • b

      diefstal, verduistering;

    • c

      fraude, corruptie;

    • d

      manipulatie van of misbruik van (de toegang tot) informatie;

    • e

      misbruik van bevoegdheden;

    • f

      schending van wetgeving, regelgeving of beleidsregels;

    • g

      onverenigbare functies/bindingen/activiteiten;

    • h

      verspilling en misbruik van gemeentelijk eigendommen;

    • i

      uitoefening van (fysiek) geweld, bedreiging en intimidatie;

    • j

      (strafbare) misdragingen buiten werktijd van ambtenaren, burgemeester of wethouders, arbeidscontractanten, uitzendkrachten en gedetacheerden van de gemeente Haarlemmermeer, in het geval die in verband staan tot het functioneren van de betrokkene, van buitengewoon ernstige aard zijn of schadelijk zijn voor de geloofwaardigheid van de betreffende groep of de gemeente in haar geheel;

    • k

      het misleiden van justitie;

    • l

      een gevaar vormen voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu;

    • m

      of het bewust achterhouden van informatie over deze feiten.

  • 5

    een vermoeden van een misstand: het vermoeden van een werknemer, dat binnen de organisatie waarin hij werkt of bij een andere organisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover:

  • a

    het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit kennis die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie en b. het maatschappelijk belang in het geding is bij:

    • 1.

      de (dreigende) schending van een wettelijk voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar feit,

    • 2.

      een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid

    • 3.

      een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van personen,

    • 4.

      een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het milieu,

    • 5.

      een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren van de organisatie als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.

  • 6

    extern meldpunt: de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in artikel 3a, derde lid, van de Wet Huis voor klokkenluiders.

Artikel 40f:1:1:2 Meldplicht

Iedere medewerker van de gemeente Haarlemmermeer is verplicht een vermoeden van een integriteitschending of een vermoeden van een misstand intern aan de orde te stellen bij het Meldpunt 1 of de (direct) leidinggevende. Elke medewerker is op grond van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering verplicht om, in geval van een ambtsmisdrijf, hiervan melding te maken. Burgemeester en wethouders melden een vermoeden van een integriteitschending bij de gemeentesecretaris.

Voetnoot:

vn1terug1. De procedure voor het melden van ongewenste omgangsvormen wordt geregeld in het reglement ongewenste omgangsvormen.

Artikel 40f:1:1:3 Bescherming van de melder

  • 1.

    Op een ieder die een melding ontvangt of daarvan wetenschap heeft, rust de verplichting om op een vertrouwelijke en zorgvuldige manier met de melding om te gaan.

  • 2.

    Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming.

  • 3.

    De melder die met inachtneming van de bepalingen zoals vermeld in deze regeling een vermoeden van een integriteitschending of misstand heeft gemeld, wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld, voor zover de melder te goeder trouw handelt en geen persoonlijk gewin heeft bij de integriteitschending of de melding daarvan.

  • 4.

    Onder benadeling wordt in ieder geval verstaan het nemen van een benadelende maatregel zoals:

    • a.

      het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;

    • b.

      het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd;

    • c.

      het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een aanstelling voor onbepaalde tijd;

    • d.

      het treffen van een disciplinaire maatregel;

    • e.

      de opgelegde benoeming in een andere functie;

    • f.

      het onthouden van een salarisverhoging, incidentele beloning of toekenning van vergoedingen;

    • g.

      het onthouden van promotiekansen;

    • h.

      het afwijzen van een verlofaanvraag.

  • 5.

    Aan de werknemer die korter dan twee jaar geleden een melding heeft gedaan zoals bedoeld in deze regeling kan geen ontslag worden aangezegd zonder dat hiervoor toestemming is verleent college.

  • 6.

    De werkgever zorgt ervoor dat de melder ook niet op een andere wijze bij zijn werk nadelige gevolgen ondervindt van de melding.

  • 7.

    Als de werkgever na het doen van een melding een benadelende maatregel neemt, motiveert de werkgever waarom hij deze maatregel nodig acht en dat deze maatregel geen verband houdt met het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of integriteitschending. Het is mogelijk dat gedurende de afhandeling van de melding tijdelijke maatregelen worden getroffen die ervaren kunnen worden als een benadeling. Dit kunnen echter uitsluitend tijdelijke maatregelen zijn, waarvan het onderzoeksbelang aantoonbaar moet zijn en die na afhandeling van de melding worden opgeheven.

  • 8.

    De werkgever spreekt werknemers die zich schuldig maken aan benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing of een disciplinaire maatregel opleggen.

  • 9.

    De werkgever zal een werknemer die wordt gehoord door, documenten verstrekt aan of anderszins medewerking verleent aan het Meldpunt niet benadelen in verband met het te goeder trouw afleggen van een verklaring.

Artikel 40f:1:1:4 Het tegengaan van benadeling van de melder

  • 1. De vertrouwenspersoon bespreekt samen met de melder welke risico's op benadeling aanwezig zijn, op welke wijze die risico's kunnen worden verminderd en wat de werknemer kan doen als hij van mening is dat sprake is van benadeling.
  • 2.

    Als de melder vindt dat er daadwerkelijk sprake is van benadeling, kan hij dat bespreken met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon en de melder bespreken welke maatregelen genomen kunnen worden om benadeling tegen te gaan. De vertrouwenspersoon maakt een verslag van deze bespreking en stuurt dit na goedkeuring door de melder naar de gemeentesecretaris.

  • 3.

    De gemeentesecretaris zorgt ervoor dat maatregelen die nodig zijn om benadeling tegen te gaan worden genomen.

Artikel 40f:1:1:5 Intern en extern onderzoek naar benadeling van de melder
  • 1.

    De melder die meent dat sprake is van benadeling in verband met het doen van een melding van een vermoeden van integriteitschending of misstand, kan de gemeentesecretaris verzoeken om onderzoek te doen naar de wijze waarop er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.

  • 2.

    Ook andere personen zoals getuigen, vertrouwenspersonen en leden van het Meldpunt kunnen de gemeentesecretaris verzoeken om onderzoek te doen naar de wijze waarop er binnen de organisatie met hen wordt omgegaan.

  • 3.

    De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft gedragen in verband met het doen van een melding van een vermoeden van een integriteitschending of misstand.

Artikel 40f:1:1:6 Bevoegd gezag
  • 1.

    Indien een vermoeden van een integriteitschending of misstand is gemeld bij de leidinggevende of het Meldpunt, is de gemeentesecretaris in beginsel bevoegd gezag.

  • 2.

    Indien de melding een directeur betreft, zijn de gemeentesecretaris en de burgemeester gezamenlijk bevoegd.

  • 3.

    Indien de melding de burgemeester betreft, zijn de loco-burgemeester en de gemeentesecretaris gezamenlijk bevoegd.

  • 4.

    Indien de melding de gemeentesecretaris betreft, zijn de burgemeester en de loco-burgemeester gezamenlijk bevoegd.

  • 5.

    Indien de melding een wethouder betreft, zijn de burgemeester en de gemeentesecretaris gezamenlijk bevoegd.

  • 6.

    Indien de melding een medewerker van de Griffie betreft, is de griffier in beginsel bevoegd.

  • 7.

    In de melding de griffier betreft, zijn de burgemeester en de vice-voorzitter van de Raad bevoegd.

Artikel 40f:1:1:7 Het Meldpunt

  • 1.

    Een melding van een integriteitschending of misstand kan gedaan worden bij de (direct) leidinggevende of het Meldpunt. Meldingen die bij de leidinggevende worden gedaan, worden doorgegeven aan het Meldpunt.

  • 2. De gemeentesecretaris benoemt de personen die het Meldpunt vormen. Zij worden benoemd voor de werkingsduur van de regeling.
  • 3. Het Meldpunt bestaat ten minste uit de coördinator integriteit en een adviseur arbeidsvoorwaarden/rechtspositie. Zij beslissen met gewone meerderheid van stemmen.
  • 4.

    Ten behoeve van een integriteitsonderzoek kan het Meldpunt worden uitgebreid met benodigde specifieke expertise.

  • 5.

    Het Meldpunt heeft tot taak:

  • a

    een door de medewerker gemeld vermoeden van een integriteitschending te onderzoeken en daaromtrent te adviseren aan het bevoegd gezag;

  • b

    te zorgen voor een uniforme afhandeling van de meldingen;

  • c

    indien nodig, beleid of beleidsmaatregelen voor te stellen om herhalingen in de toekomst te voorkomen.

  • 6.

    De leden van het Meldpunt worden op geen enkele wijze in hun positie benadeeld als gevolg van het uitoefenen van hun taken krachtens deze regeling.

Artikel 40f:1:1:8 Vertrouwenspersoon

  • 1.

    De gemeentesecretaris benoemt in ieder geval drie vertrouwenspersonen integriteit.

  • 2.

    De vertrouwenspersoon integriteit is gelijk aan de vertrouwenspersoon ongewenste omgangsvormen.

  • 3.

    De vertrouwenspersoon integriteit heeft tot taak:

  • a

    het aanhoren van een medewerker wiens integriteit in het geding is of dreigt te geraken en hem desgevraagd adviseren over de wijze waarop hij hiermee kan omgaan;

  • b

    het aanhoren en desgevraagd adviseren van een medewerker over de wijze waarop hij kan omgaan met kennis over of vermoeden van mogelijke integriteitschendingen in de organisatie;

  • c

    het op verzoek begeleiden van medewerkers die een melding hebben gemaakt.

  • d.

    Het geven van voorlichting in de organisatie over integriteit, ongewenste omgangsvormen en de functie vertrouwenspersoon.

4. De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding van alle zaken die deze in hoedanigheid van vertrouwenspersoon verneemt. De plicht tot geheimhouding vervalt niet na beëindiging van de werkzaamheden als vertrouwenspersoon. Tenzij de wet anders bepaalt, is de vertrouwenspersoon niet gehouden ten opzichte van derden informatie te geven waarover geheimhouding bestaat.

5. De gemeente zal geen van de vertrouwenspersonen verplichten om de gemeente te informeren noch voor de gemeente te getuigen over de zaken die zij in hoedanigheid van vertrouwenspersoon hebben vernomen.

6. De vertrouwenspersoon wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld als gevolg van het uitoefenen van zijn taken krachtens deze regeling.

7. Het gebruik van telecommunicatiemiddelen door vertrouwenspersonen en leden van het Meldpunt is voor zover het hun werkzaamheden als vertrouwenspersoon en lid van het Meldpunt betreft uitgesloten van controle. Dit geldt niet voor de controle op de veiligheid van het elektronisch verkeer.

Artikel 40f:1:1:9 Melding bij Meldpunt

1. De medewerker die een vermoeden van een integriteitschending of een vermoeden van een misstand wil melden, doet dit in principe bij de (direct) leidinggevende of bij het Meldpunt. De leidinggevende die een melding ontvangt, meldt dit vervolgens bij het Meldpunt. Van deze melding wordt een gespreksverslag opgesteld dat kan worden ingezien bij het Meldpunt.

2. De ontvangst van het gemelde vermoeden van een integriteitschending wordt bevestigd doordat de melder het gespreksverslag ondertekent. De werknemer kan het Meldpunt verzoeken zijn identiteit niet bekend te maken. Het Meldpunt dient dit verzoek te alle tijden te honoreren. De werknemer kan dit verzoek te allen tijde herroepen. Het Meldpunt brengt het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de melding.

3. Het bevoegd gezag stelt - met behulp van en onder advisering van het Meldpunt - naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een integriteitschending onverwijld een onderzoek conform het Onderzoeksprotocol bij integriteitschendingen 2014 in, indien de melding voldoende concreet, betrouwbaar en onderzoekswaardig is.

4. De werkgever zorgt ervoor dat de informatie over de melding zodanig wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is voor de personen die bij de behandeling van de melding betrokken zijn.

5. De gemeentesecretaris informeert de personen op wie een melding betrekking heeft over de melding, tenzij het onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoor kunnen worden geschaad.

Artikel 40f:1:1:10 Melding bij klachtencoördinator

1. Via het klachtencoördinatiepunt kan een burger een vermoeden van een integriteitschending of een vermoeden van een misstand melden. De klachtencoördinator stelt het ingekomen vermoeden onverwijld aan het Meldpunt ter beschikking, die de melder uitnodigt voor een intakegesprek. Van deze melding wordt een gespreksverslag opgesteld.

2. Indien het vermoeden bij het Meldpunt is gemeld, brengt het Meldpunt bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte.

3. Het bevoegd gezag stelt - met behulp van en onder advisering van het Meldpunt - naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een integriteitschending onverwijld een onderzoek conform het Onderzoeksprotocol bij integriteitschendingen 2014 in, indien de melding voldoende concreet, betrouwbaar en onderzoekswaardig is.

Artikel 40f:1:1:11 Standpunt

1. Het bevoegd gezag stelt de medewerker dan wel, indien de medewerker heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken aan het bevoegd gezag, het Meldpunt, binnen acht weken op de hoogte van zijn standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een integriteitschending.

2. Het bevoegd gezag informeert het college jaarlijks met het jaarverslag.

3. Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, kan het bevoegd gezag met redenen omkleed de afhandeling voor ten hoogste twee maal vier weken verdagen. Betrokkenen worden hiervan telkens op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag stelt de medewerker dan wel het Meldpunt hiervan in kennis.

Artikel 40f:1:1:12 Jaarverslag

1. Jaarlijks wordt door het interne Meldpunt in samenwerking met de vertrouwenspersonen een verslag opgemaakt.

2. In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen gemeld:

  • a

    het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een integriteitschending;

  • b

    het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek geleid heeft;

  • c

    het aantal onderzoeken dat het Meldpunt heeft verricht;

  • d

    overzicht van binnen de organisatie levende problematiek;

  • e

    algemene informatie over eventuele ervaringen met het tegengaan van benadeling van de melder;

  • f

    informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar benadeling in verband met het doen van een melding van een vermoeden van een misstanden een indicatie van de uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de werkgever.

  • 3.

    De gemeentesecretaris stuurt de rapportage ter bespreking aan de ondernemingsraad.

Artikel 40f:1:1:13 Externe melding

1. Een medewerker kan het vermoeden van een misstand extern melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor de klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie, indien hij:

  • a

    het niet eens is met het standpunt van werkgever of van oordeel is dat het vermoeden ten onrechte terzijde is gelegd;

  • b

    niet tijdig een standpunt heeft ontvangen over zijn interne melding.

2. De werknemer kan direct een externe melding doen van een vermoeden van een misstand als het eerst doen van een interne melding in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in ieder geval aan de orde indien dit uit enig wettelijk voorschrift voortvloeit of sprake is van:

  • a

    acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;

  • b

    een vermoeden dat de werkgever bij de vermoede misstand betrokken is;

  • c

    een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen in verband met een interne melding;

  • d

    een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;

  • e

    een eerdere melding overeenkomstig de procedure van dezelfde misstand of onregelmatigheid, die de misstand niet heeft weggenomen;

  • f

    een plicht tot directe externe melding.

3. In paragraaf 4 van de Wet voor Huis voor Klokkenluiders is de onderzoeksprocedure neergelegd voor het onderzoeken van een vermoeden van een misstand door de afdeling onderzoek.

Artikel 40f:1:1:14 Inwerkingtreding

1. De Regeling Integriteitmeldingen gemeente Haarlemmermeer 2014 wordt ingetrokken.

2. Deze regeling treedt in werking op de dag na publicatie.

40g Regeling tegengaan draaideurconstructie UWO-II

40g:1:1:1 Begripsbepaling

Een draaideurconstructie is de situatie waarbij een voormalig ambtenaar onmiddellijk of kort na zijn ontslag wordt ingehuurd om opnieuw (dezelfde) werkzaamheden te verrichten, bijvoorbeeld via een extern adviesbureau.

Artikel 40g:1:1:2 Doelstelling

Zowel intern als extern moet elke schijn van belangenverstrengeling worden vermeden. Gemeente Haarlemmermeer acht het niet gewenst dat ex-medewerkers binnen een jaar na hun ontslag bij de gemeente direct of via derden worden ingehuurd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente. Daarnaast voorkomt een verbod op deze constructie dat ambtenaren in schaarse functies zelf ontslag nemen om met als achterliggende motivatie weer via een hoger bedrag te worden ingehuurd.

Artikel 40g:1:1:3 Regeling tegengaan draaideurconstructie

Een voormalig ambtenaar mag gedurende een jaar na zijn ontslagdatum bij de gemeente niet direct, maar ook niet via derden, als externe opdrachtnemer worden ingehuurd om werkzaamheden te verrichten. Hij mag evenmin gedurende dezelfde periode bij de uitvoering worden betrokken van overeengekomen werkzaamheden van een bureau waaraan hij zich heeft verbonden.

Artikel 40g:1:1:4 Uitzondering

Van deze regel kan alleen worden afgeweken indien in het kader van een beëindiging van het dienstverband afspraken met de medewerker zijn gemaakt om na het ontslag nog gedurende een bepaalde, aan te geven tijd, werkzaamheden voor de gemeente te verrichten teneinde de overstap naar een nieuwe functie te vergemakkelijken. Het besluit met het voornemen om de voormalig ambtenaar bij wijze van uitzondering binnen een jaar na het einde van het dienstverband in te huren wordt voorgelegd aan B&W. Hierbij gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

  • a

    de ex-medewerker moet aantonen zich te vestigen als zelfstandige;

  • b

    de ex-medewerker moet aantonen ook te werken voor andere opdrachtgevers;

  • c

    de werkzaamheden moeten plaatsvinden gedurende een beperkte termijn van maximaal een jaar;

  • d

    de vergoeding voor de werkzaamheden mag op uurbasis niet hoger zijn dan de oorspronkelijke salariëring;

40h Richtlijnen nevenwerkzaamheden UWO-II

40h:1:1:1 Richtlijnen nevenwerkzaamheden

Het beleid van Haarlemmermeer is om zo terughoudend mogelijk te zijn ten aanzien van het toestaan van nevenwerkzaamheden. Artikel 15:1e CAR-UWO verplicht de ambtenaar om nevenwerkzaamheden te melden die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. In Haarlemmermeer verzoeken we om alle nevenfuncties te melden. Artikel 15:1e CAR-UWO verbiedt de ambtenaar nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod worden in deze richtlijnen nadere regels gesteld.

De ambtenaar blijft altijd zelf verantwoordelijk voor het inschatten van de risico’s en het melden van nevenwerkzaamheden. Als de ambtenaar nevenwerkzaamheden zonder toestemming verricht en later blijkt dat hij toestemming had moeten vragen is er sprake van plichtsverzuim. Ter bescherming van de ambtenaar wordt de ambtenaar verzocht altijd toestemming te vragen voor het verrichten van nevenwerkzaamheden. Dit is om te voorkomen dat door de nevenwerkzaamheden de vervulling van zijn functie in het geding komt of dat de belangen van de gemeente, voor zover deze in verband staan met de functie van de ambtenaar, kunnen worden geschaad.

Melden

In de CAR-UWO is opgenomen dat ambtenaren zelf nevenwerkzaamheden melden bij hun leidinggevende. Het enkel melden is onvoldoende. Er moet schriftelijk om toestemming worden gevraagd op het daarvoor bestemde formulier. Het begrip nevenwerkzaamheden moet ruim worden opgevat. Ook bestuurslidmaatschappen, commissariaten of het vennoot zijn in een rechtspersoon zijn nevenwerkzaamheden. Ook als dat onbetaald is.

Weigering

  • 1

    Nevenwerkzaamheden moeten worden geweigerd of de eerder verleende toestemming moet worden ingetrokken als de nevenwerkzaamheden in relatie tot de functie van de medewerker een risico betekenen voor een of meer van de volgende aspecten:

    • a

      belangenverstrengeling

    • b

      ongewenste binding aan derden

    • c

      fraude en corruptie

    • d

      schade aan het aanzien van het ambt

    • e

      schade aan de belangen van de gemeente

    • f

      onduidelijkheid over de hoedanigheid van de ambtenaar in zijn optreden naar derden.

  • 2

    Nevenwerkzaamheden kunnen worden geweigerd of de eerder verleende toestemming kan worden ingetrokken als de nevenwerkzaamheden in relatie tot de functie van de medewerker een risico betekenen voor een of meer van de volgende aspecten:

    • a

      tijdsbeslag van de nevenwerkzaamheden

    • b

      veiligheid en gezondheid van de ambtenaar

    • c

      directe concurrentie tussen de ambtenaar en de gemeente

    • d

      misbruik van vertrouwelijke gegevens

    • e

      misbruik van ambtshalve verkregen informatie

    • f

      misbruik van gemeente-eigendommen

    • g

      misbruik van gemeentelijke faciliteiten

  • 3

    Nevenwerkzaamheden kunnen worden toegestaan onder voorwaarden zodat bovengenoemde aspecten zich niet voordoen.

Een melding van nevenwerkzaamheden zal met inachtneming van de functie en de bevoegdheden in die functie, worden beoordeeld.

Openbaarmaking

  • 1

    De geregistreerde nevenwerkzaamheden van gemeentesecretaris en directeuren worden openbaar gemaakt.

  • 2

    Openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden geschiedt door een actuele opgave van nevenwerkzaamheden op de gemeentelijke website te plaatsen.

  • 3

    De opgave als bedoeld onder 2 vermeldt:

    • -

      de hoofdfunctie;

    • -

      de nevenfunctie die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kan raken;

    • -

      de naam van de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt verricht;

    • -

      de datum van ingang van de nevenfunctie;

    • -

      of de nevenfunctie betaald of onbetaald wordt verricht;

    • -

      of de nevenfunctie uit hoofde van de hoofdfunctie wordt verricht;

    • -

      de eventueel aan het uitoefenen van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.

Melding financiële belangen

Artikel 15:1f CAR-UWO verbiedt ambtenaren financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

In de praktijk betreft dit risico ambtenaren die beslissingsbevoegd zijn of betrokken zijn inzake bijvoorbeeld aanbestedingen, subsidieverstrekking of het verlenen van advies- en onderzoeksopdrachten. Het begrip financieel belang is een divers begrip. Het kan gaan om bezit van effecten, onroerend goed, bouwgrond, financiële deelnemingen in ondernemingen etc.

In Haarlemmermeer zijn geen functies aangewezen waarvoor een meldplicht financiële belangen geldt. Wij vragen de ambtenaren aan te geven of er (relevante) financiële belangen zijn, die relatie hebben met de verantwoordelijkheden in de functie. Indien de levenspartner of iemand anders die de ambtenaar nabij is dergelijke belangen heeft doet de ambtenaar er verstandig aan dit te melden.

40i Richtlijnen relaties op het werk UWO-II

40i:1:1:1 Richtlijnen relaties op het werk

Een persoonlijke relatie op het werk kan ontstaan en hoeft geen probleem te zijn. Een privé-relatie kan het professioneel werken en de onderlinge verhoudingen op de werkvloer negatief beïnvloeden. Je bepaalt natuurlijk zelf met welke collega’s je in je vrije tijd vriendschappelijk of collegiaal omgaat. Toch kan zo’n relatie, en in het bijzonder een relatie tussen een leidinggevende en een medewerker, problemen opleveren door bijvoorbeeld negatieve beeldvorming of de schijn van subjectiviteit en bevoordeling. Daarnaast kan de relatie op een vervelende manier eindigen, wat een negatieve invloed op de werkomgeving kan hebben. Ontstaat er een persoonlijke relatie met een collega, bespreek dat dan met je leidinggevende.

Een manager moet zich ervan bewust zijn dat hiërarchische verhoudingen kunnen maken dat bij medewerkers sprake kan zijn van een drempel om het bespreekbaar maken van door hen ervaren niet integer gedrag van het management. Dat zullen managers dus zelf moeten doen. Dat geldt ook bij relaties op het werk. Krijg je als leidinggevende een persoonlijke relatie met een (ondergeschikte) collega, dan moet je dat altijd melden bij je leidinggevende. Openheid en een goede communicatie zijn in zo’n situatie erg belangrijk. Kortom blijf professioneel en meldt tijdig als je denkt dat er een relatie ontstaat met een ondergeschikte.

Doel van deze regeling is het bespreekbaar maken van relaties. Het geeft de organisatie de mogelijkheid om passende maatregelen te treffen zoals overplaatsing. Voorkomen moet worden dat er functionele problemen ontstaan binnen een nauw samenwerkingsverband of in een hiërarchische verhouding.

41a Reglement ongewenst omgangsgedrag UWO-II

Artikel 41a:1:1:1 Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

  • a

    ongewenst gedrag:gedrag dat valt binnen de begrippen discriminatie, (seksuele) intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1 a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling en agressie geweld en pesten zoals bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en f;

  • b

    medewerker:

    • -

      de medewerker met een vast dan wel tijdelijk dienstverband.

    • -

      de medewerker die is uitgezonden naar dan wel gedetacheerd is bij de gemeente Haarlemmermeer.

    • -

      de stagiair bij de gemeente Haarlemmermeer.

  • c

    melding:het zich wenden tot de vertrouwenspersoon in verband met een confrontatie inzake ongewenste omgangsvormen.

  • d

    melder:de (gewezen) medewerker die zich in verband met een confrontatie inzake ongewenst gedrag heeft gewend tot de vertrouwenspersoon.

  • e

    klacht:Het indienen van een schriftelijke klacht inzake ongewenst gedrag bij de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid.

  • f

    commissie:Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid.

Artikel 41a:1:1:2 Vertrouwenspersoon

  • a

    Het college stelt één of meer personen aan als vertrouwenspersoon.

  • b

    De vertrouwenspersoon is met betrekking tot zijn/haar werkzaamheden als vertrouwenspersoon alleen verantwoording verschuldigd aan het college.

Artikel 41a:2:1:1 Melding aan vertrouwenspersoon

Iedere medewerker heeft het recht zich met een melding ter zake van ongewenste omgangsvormen tot de vertrouwenspersoon te wenden.

Artikel 41a:2:1:2 Taak vertrouwenspersoon

De vertrouwenspersoon heeft tot taak:

  • -

    de opvang van de medewerker met een melding over ongewenste omgangsvormen.

  • -

    het inwinnen van inlichtingen die noodzakelijk zijn om tot een goed inzicht te komen omtrent de melding en de mogelijkheden om te komen tot een oplossing.

  • -

    het door middel van een het inschakelen van een derde (leidinggevende dan wel deskundige of bemiddelaar c.q. mediator) trachten tot een oplossing te komen, te weten het stoppen van de ongewenste omgangsvormen.

  • -

    voor zover nodig en gewenst, de medewerker te verwijzen naar gespecialiseerde hulpverleningsinstanties.

  • -

    de ondersteuning van de medewerker, op diens/dier verzoek, bij het indienen van een klacht bij de klachtencommissie of een andere instantie en de begeleiding in het traject dat daarop volgt.

  • -

    het registreren van de aard en omvang van de meldingen.

  • -

    het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college met betrekking tot het beleid inzake ongewenste omgangsvormen.

  • -

    het signaleren van de behoefte aan voorlichting over ongewenste omgangsvormen en het verzorgen van voorlichting.

  • -

    het opstellen van een jaarverslag met betrekking tot ongewenste omgangsvormen.

Artikel 41a:2:1:3 Instemming melder

De vertrouwenspersoon onderneemt met betrekking tot een melding alleen actie indien de melder hierin instemt.

Artikel 41a:2:1:4 Geheimhouding

De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding van de hem ter kennis gekomen feiten die de privacy van de medewerker die is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen kunnen schaden.Slechts met uitdrukkelijke toestemming van betrokken medewerker kan hiervan worden afgeweken.Deze plicht tot geheimhouding vervalt niet nadat de vertrouwenspersoon niet meer als zodanig werkzaam is.

Artikel 41a:2:1:5 Faciliteiten

Aan de vertrouwenspersoon worden de nodige faciliteiten verstrekt, in die zin dat:

  • -

    het optreden van de vertrouwenspersoon als zodanig wordt aangemerkt als diensttijd.

  • -

    de vertrouwenspersoon zoveel mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld zijn/haar taak naar behoren te vervullen, waarbij tevens afspraken dienen te worden gemaakt over de bereikbaarheid (o.a. telefoon/antwoordapparaat).

  • -

    de vertrouwenspersoon is bevoegd uit te wijken naar andere locaties, waarbij de noodzakelijk gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

  • -

    de vertrouwenspersoon voor het zo goed mogelijk vervullen van zijn/haar taak in de gelegenheid wordt gesteld de noodzakelijke scholing en training te volgen.

  • -

    de vertrouwenspersoon bevoegd is externe deskundigen te raadplegen waarvan de kosten ten laste komen van de gemeente Haarlemmermeer.

Artikel 41a:3:1:1 Indienen klacht bij klachtencommissie

  • a

    Iedere medewerker kan een klacht inzake ongewenste omgangsvormen indienen bij de klachtencommissie.

  • b

    Een klacht wordt ingediend in de regel na en in overleg met de vertrouwenspersoon, tot wie de medewerker zich allereerst kan wenden met een melding. De klager heeft overigens het recht schriftelijk een klacht in te dienen bij de klachtencommissie zonder tussenkomst van een vertrouwenspersoon.

Artikel 41a:4:1:1 Geheimhouding

  • a

    Alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden na afdoening opgeborgen in het archief alwaar de stukken alleen toegankelijk zijn voor het college alsmede de leden van de klachtencommissie.

  • b

    Behoudens aangeklaagde mag geen enkele medewerker in zijn/haar positie worden geschaad vanwege het enkele feit dat hij op enigerlei wijze betrokken is (geweest) bij een klachtenprocedure.

  • c

    Elke betrokken persoon is gehouden tot geheimhouding.

  • d

    Zodra het dienstverband met de vertrouwenspersoon eindigt, eindigt tevens de aanstelling als vertrouwenspersoon.

  • e

    Voor gevallen waarin dit reglement niet voorziet kan het college een nadere regeling treffen.

Artikel 41a:4:1:2 Overige bepalingen

  • a

    Dit reglement kan worden aangehaald als Reglement ongewenst gedrag.

  • b

    Dit reglement vervangt het Reglement ongewenste omgangsvormen en treedt in werking per 1 juni 2007.

41b Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale overheid 2011 UWO-II

Artikel 41b:1:1:1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    bevoegd gezag: het orgaan dat in eerste instantie dan wel daartoe gemandateerd bevoegd is tot afdoening van een klacht met betrekking tot ongewenst gedrag;

  • b

    commissie:de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de decentrale overheid;

  • c

    decentrale overheid: de gemeente, de provincie, het waterschap of een door deze overheden ingestelde instelling die zich heeft aangesloten bij de commissie en deze regeling van toepassing heeft verklaard op de behandeling van klachten op het gebied van ongewenst gedrag;

  • d

    aangesloten organisatie: de decentrale overheid die is aangesloten bij de regeling van de commissie, dan wel een andere organisatie die deze regeling van toepassing heeft verklaard;

  • e

    ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen discriminatie, (seksuele) intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1a en 2 van de Algemene wet gelijke behandeling en agressie, geweld en pesten zoals bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en f;

  • f

    klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de klacht betrekking heeft is omschreven, behoudens een klacht op grond van artikel 11;

  • g

    klager:een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van een aangesloten organisatie, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en een klacht over ongewenst gedrag indient;

  • h

    aangeklaagde:een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van een aangesloten organisatie, die werkzaam is of werkzaam is geweest in deze organisatie en over wiens gedrag geklaagd wordt;

  • i

    informant:degene die namens het bevoegd gezag informatie verstrekt aan de commissie;

  • j

    getuigen:andere dan onder h genoemde personen die door de commissie worden verzocht informatie te verstrekken;

  • k

    college:het College voor Arbeidszaken van de Vereniging Nederlandse Gemeenten dat deze klachtencommissie heeft ingesteld.

Artikel 41b:1:1:1a Klachten over politiek ambtsdragers

Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 41b:1:1:1 onder h. de commissie ad hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die betrekking heeft op ongewenst gedrag van een politieke ambtsdrager van een aangesloten organisatie jegens klager.

Artikel 41b:1:1:2 Taakstelling en samenstelling van de commissie

Lid 1

De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies uit te brengen aan het bevoegd gezag.

Lid 2

Uit de commissie worden door de voorzitter van de commissie drie leden aangewezen om een klacht te onderzoeken, waaronder een (plaatsvervangend) voorzitter.

Lid 3

Deze leden beslissen bij gewone meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies.

Lid 4

Een lid wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de klacht.

Lid 5

Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het college.

Lid 6

De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van zes jaar.

Lid 7

De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.

Artikel 41b:1:1:3 Secretaris en administratie

Lid 1

De voorzitter van het college wijst na overleg met de voorzitter van de commissie een secretaris en een of meer plaatsvervangend secretarissen aan.

Lid 2

De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het secretariaat van het college.

Artikel 41b:1:1:4 Indienen van de klacht

Lid 1

De klager kan de klacht zowel rechtstreeks bij de commissie indienen als bij het bevoegd gezag.

Lid 2

De klager vermeldt in de klacht zo mogelijk de datum, tijd, plaats van het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en eventuele getuigen, alsmede de stappen die hij reeds heeft ondernomen.

Lid 3

Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt daarbij dat de klacht zal worden doorgezonden naar de commissie die het bevoegd gezag over de afhandeling van de klacht zal adviseren. Het bevoegd gezag zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie.

Lid 4

De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de klacht. Tevens informeert de commissie het bevoegd gezag binnen twee weken, dat een klacht is ontvangen. Indien de klacht rechtstreeks bij de commissie is ingediend bevat de melding aan het bevoegd gezag geen persoonsgegevens van klager, beklaagde of getuigen.

Artikel 41b:1:1:5 In behandeling nemen van de klacht

Lid 1

Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek alle op de klacht betrekking hebbende gegevens, waaronder de klachtenregeling van de aangesloten organisatie, de contact- en functiegegevens van klager en aangeklaagde en een overzicht van de reeds geproduceerde stukken met betrekking tot de klacht.

Lid 2

De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte stappen uit de klachtenprocedure van de betreffende aangesloten organisatie niet zijn doorlopen.

Lid 3

De commissie verklaart de klacht niet ontvankelijk indien deze niet valt binnen de begripsbepalingen van artikel 41b:1:1:1 onder c, e, f, g en h van deze regeling.

Lid 4

Ingeval lid 2 van toepassing is brengt de commissie klager en in geval lid 3 van toepassing is klager en het bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst van de klacht schriftelijk op de hoogte van het niet in behandeling nemen (lid 2) of de niet ontvankelijkheid (lid 3) van de klacht.

Lid 5

De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien:

  • a

    de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd

  • b

    er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8 lid 1 en 2 Awb

  • c

    wanneer niet in voldoende mate voldaan is aan het bepaalde in artikel 41b:1:1:4 lid 2.

Artikel 41b:1:1:6 Onderzoek naar de klacht

Lid 1

Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht stelt zij een onderzoek in.

Lid 2

Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de werkomgeving te aanschouwen.

Lid 3

Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de aangesloten organisatie in de gelegenheid te worden gehoord.

Lid 4

Personen als bedoeld in lid 3 die door de commissie worden opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen.

Lid 5

De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van de positie van de in het onderzoek betrokken personen.

Lid 6

De commissie kan op verzoek van klager en op door klager te motiveren gronden de behandeling van de klacht voor een periode van ten hoogste twee maanden opschorten.

Artikel 41b:1:1:7 Horen

Lid 1

Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de aangeklaagde en zo nodig de informant en getuigen in de gelegenheid om te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander lid van de commissie of aan beiden.

Lid 2

Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is.

Lid 3

De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.

Lid 4

Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Lid 5

De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed bereikbare locatie die voldoende rust en discretie biedt aan alle betrokkenen.

Lid 6

De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht betrekking hebben.

Lid 7

De commissie hoort de klager, de aangeklaagde en de getuigen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde in de gelegenheid van elkaars zienswijzen, alsmede van de inhoud van de hoorgesprekken met de informant en/of de getuigen kennis te nemen en daarop te reageren.

Lid 8

De klager en aangeklaagde kunnen zich op eigen kosten ter zitting laten bijstaan door een (raads)persoon.

Lid 9

De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen.

Artikel 41b:1:1:8 Omgang met persoonsgegevens

Lid 1

De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige verwerking.

Lid 2

Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie. Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.

Lid 3

De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.

Artikel 41b:1:1:9 Advies over de klacht

Lid 1

De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht door de commissie advies uit aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de klacht vergezeld van een rapport van bevindingen. Het rapport bevat een verslag van het horen. Een afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.

Lid 2

De commissie kan het bevoegd gezag verzoeken de in eerste lid genoemde termijn met 4 weken te verdagen.

Lid 3

Met schriftelijke instemming van de klager kan de commissie het bevoegd gezag op basis van artikel 9:11 lid 3 Algemene wet bestuursrecht verzoeken om verder uitstel.

Lid 4

In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het bevoegd gezag te nemen maatregelen.

Artikel 41b:1:1:10 Afdoening van de klacht

Lid 1

Het bevoegd gezag handelt de klacht binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift af.

Lid 2

Het bevoegd gezag kan op verzoek van de commissie de afdoening voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde.

Lid 3

Onverminderd het bepaalde in artikel 41b:1:1:9 lid 2 en 3, stelt het bevoegd gezag binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie bedoeld in artikel 41b:1:1:9 lid 1, klager en aangeklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn besluit alsmede de conclusies die het daaraan verbindt.

Lid 4

Het bevoegd gezag zendt een afschrift van het ter afdoening van de klacht genomen besluit naar de commissie.

Artikel 41b:1:1:11 Klachten betreffende het functioneren van de commissie

Lid 1

Ingeval een klager of het bevoegd gezag een klacht heeft over enig handelen of nalaten van de commissie betreffende de uitvoering van haar taak, wordt deze klacht behandeld door ten minste twee leden uit de commissie die niet aan het betreffende onderzoek hebben deelgenomen.

Lid 2

Voornoemde leden doen binnen vier weken na ontvangst van de klacht, bedoeld in lid 1 uitspraak over de (on)gegrondheid daarvan.

Artikel 41b:1:1:12 Jaarverslag

Lid 1

Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie

Lid 2

In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen vermeld:

  • a

    het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen;

  • b

    het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en ongegrond geachte klachten;

  • c

    de aard van de klachten;

  • d

    statistische gegevens over klagers en aangeklaagden;

  • e

    de doorlooptijd van de adviezen;

  • f

    aanbevelingen en tendensen.

Lid 3

Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de VNG.

Artikel 41b:1:1:13 Inwerkingtreding

De regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeenten wordt ingetrokken per 1 maart 2012.

De ‘Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale overheid 2011’ treedt in werking per 1 maart 2012.

Algemeen

Deze regeling voorziet in de instelling en procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid. Deze landelijke commissie geeft advies aan het bevoegd gezag van aangesloten gemeenten, provincies en waterschappen met betrekking tot klachten op het gebied van ongewenst gedrag. Bij afzonderlijk besluit kunnen decentrale overheden zich op vrijwillige basis aansluiten bij de commissie. Ook door deze overheden ingestelde instellingen zoals gemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen zich aansluiten bij de commissie.

Arbeidsomstandighedenwet

Uitgangspunt bij de regelgeving over ongewenst gedrag is de verantwoordelijkheid van de werkgever voor een veilige werkomgeving en de plicht werknemers te beschermen tegen discriminatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten. Dit is neergelegd in de Arbeidsomstandighedenwet. In artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers en een beleid voert gericht op het voorkomen, en indien dat niet mogelijk is, beperken van psychosociale arbeidsbelasting. Ook bij het ontbreken van een (aanwijsbare) veroorzaker van ongewenst gedrag blijft de werkgever verantwoordelijkheid dragen voor het doen ophouden van ongewenst gedrag. De term ‘psychosociale arbeidsbelasting’ is een nieuw begrip dat in de wet als volgt is gedefinieerd: “de factoren direct of indirect onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die stress teweeg brengen”. De begripsbepaling ongewenst gedrag in deze klachtenregeling verwijst naar de omschrijving van deze begrippen in de Arbeidsomstandighedenwetgeving.

Gelijke behandelingswetgeving

Het wettelijk kader met betrekking tot (seksuele) intimidatie wordt daarnaast gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. In het kader van de gelijke behandelingswetgeving wordt (seksuele) intimidatie beschouwd als het maken van onderscheid, hetgeen verboden is. In de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen is opgenomen dat het verbod op direct onderscheid tussen mannen en vrouwen ook het verbod op intimidatie en seksuele intimidatie omvat. Dit leidt tot een versterking van de rechtspositie van de werknemer tegen ongelijke behandeling op grond van geslacht, waaronder (seksuele) intimidatie. Dit maakt het noodzakelijker voor werkgevers om maatregelen ter voorkoming van (seksuele) intimidatie te nemen en adequaat te reageren op signalen van (seksuele) intimidatie. Zulke maatregelen zijn onder meer het instellen van een vertrouwenspersoon en een klachtenprocedure.

Algemene wet bestuursrecht

De verantwoordelijkheid van de werkgever komt ook tot uitdrukking in de Algemene wet bestuursrecht waarin bepaald is dat een gedraging van een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan (artikel 9:1, lid 2). De procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag is deels gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over klachtbehandeling door een bestuursorgaan. Het gaat in de Awb in de eerste plaats om klachten van burgers, maar het kan ook gaan om klachten van ambtenaren tegen het bestuursorgaan als werkgever, zoals een klacht over ongewenst gedrag. De Awb bevat minimumeisen voor behoorlijke klachtafhandeling. Op grond van de Awb is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de afdoening van de klacht. Het kan daarbij gebruikmaken van een klachtenadviesinstantie, zoals de landelijke Klachtencommissie ongewenst gedrag. Deze commissie geeft een advies op basis waarvan een bestuursorgaan de klacht afhandelt. Het advies van de commissie maakt deel uit van de interne klachtenprocedure. De Awb regelt voorts het recht van een klager om zich na interne behandeling van een klacht tot een externe adviesinstantie te wenden zoals de Ombudsman.

Artikel 41b:1:1:1

sub a: bevoegd gezag

Het college, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van het waterschap is bevoegd om besluiten te nemen over de afdoening van klachten. Deze bevoegdheid kan gemandateerd zijn aan een ambtenaar, bijvoorbeeld een diensthoofd.

sub b: commissie

De klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid heet nu vanwege uitbreiding van het werkgebied klachtencommissie ongewenst gedrag voor de decentrale overheid.

sub c en d: decentrale overheid en aangesloten organisatie

Vanwege verbreding van het werkgebied is de omschrijving verbreed en het begrip “aangesloten organisatie” opgenomen. Ook organisaties die geen onderdeel uitmaken van de decentrale overheid kunnen zich aansluiten.

sub e: ongewenst gedrag

Het begrip “ongewenst gedrag” dient ruim te worden geïnterpreteerd. Alle vormen van verbale, fysieke en psychische agressie worden tot ongewenst gedrag gerekend, waaronder ook sociale uitsluiting, negeren, pesten. Ter toelichting dient de omschrijving van de begrippen discriminatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten uit de memorie van toelichting op de Arbeidsomstandighedenwet zoals deze luidt per 1 januari 2009. De factoren “direct en indirect” onderscheid met inbegrip van seksuele intimidatie en agressie en geweld, pesten en werkdruk vallen onder het begrip psychosociale arbeidsbelasting. Onder psychosociale arbeidsbelasting worden factoren in de arbeidssituatie verstaan, die stress veroorzaken.

Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd. Seksuele intimidatie, kan zich voordoen in een aantal verschijningsvormen. Het kan gaan om dubbelzinnige opmerkingen, onnodig aanraken, gluren, pornografische afbeeldingen op het werk, maar ook om aanranding en verkrachting. De definitie van seksuele intimidatie geeft tevens aan dat hieronder moeten worden verstaan de gevallen waarin sprake kan zijn van seksuele chantage, zodanig dat de kans op promotie en beslissingen over het werk afhangt van verrichte seksuele diensten. Door dit gedrag kan een vijandige of seksueel intimiderende en kwetsende omgeving ontstaan die een aanslag is op de waardigheid van de betrokken werknemer.

Onder pesten wordt verstaan alle vormen van intimiderend gedrag met een structureel karakter, van een of meerdere werknemers (collega’s, leidinggevenden) gericht tegen een werknemer of een groep van werknemers die zich niet kan of kunnen verdedigen tegen dit gedrag. Een belangrijk element aangaande pesten op het werk is de herhaling van die gedraging in de tijd. Het gaat bij pesten dus niet om een eenmalige gedraging. Dit gedrag uit zich op verschillende manieren maar in het bijzonder door:

  • -

    Sociaal isoleren

  • -

    Werken onaangenaam of onmogelijk maken

  • -

    Bespotten

  • -

    Roddelen/geruchten verspreiden

  • -

    Dreigementen

  • -

    Lichamelijk geweld

  • -

    Seksuele intimidatie

Deze opsomming is niet limitatief. Veelal is het doel van de dader om opzettelijk een andere persoon te kwetsen, te vernederen en de waardigheid van die persoon aan te tasten.

Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid. Bij agressie en geweld gaat het om gedragingen van verbaal geweld (uitschelden, beledigen) en fysiek geweld (schoppen, slaan, met een wapen dreigen en/of overvallen worden). Het kan ook gaan om psychisch geweld: bedreigen, intimideren, onder druk zetten, thuissituatie bedreigen en het beschadigen van eigendommen.

Naast seksuele intimidatie, pesten, agressie en geweld wordt uitdrukkelijk ook discriminatie tot ongewenst gedrag in de zin van deze regeling gerekend. Voor uitleg van het begrip discriminatie wordt verwezen naar de Algemene wet gelijke behandeling. Wettelijk is het begrip discriminatie overigens niet gedefinieerd. De Awgb noemt de gronden waarop het maken van onderscheid verboden is.

sub f: klacht

Een klacht is schriftelijk en mag niet anoniem worden ingediend. Bij de omschrijving van het begrip klacht is aangesloten op de ontvankelijkheideisen die de Awb stelt. In artikel 41b:1:1:4 van deze regeling is opgenomen dat de klacht indien mogelijk nog nadere gegevens bevat.

sub g: klager

De personen die een beroep kunnen doen op de klachtenregeling dienen werkzaam te zijn in de organisatie van de aangesloten organisatie. Dit kan betreffen ambtenaren, arbeidscontractanten, medewerkers van de griffie, stagiairs, gedetacheerden, personeel werkzaam op basis van inhuur, uitzendkrachten, vrijwilligers bij de brandweer en andere vrijwilligers. Ten behoeve van de toepassing op medewerkers van de griffie dient de raad c.q. provinciale staten een klachtenregeling vast te stellen of de bevoegdheid tot vaststelling en uitvoering hiervan gedelegeerd te hebben aan het bevoegd gezag.

Daarnaast is de regeling ook van toepassing op personen die in het verleden werkzaam waren bij de aangesloten organisatie. De ervaring leert dat er vaak pas na verloop van tijd een formele klacht over ongewenst gedrag wordt geuit, soms pas na beëindiging van het dienstverband. Voor de aangesloten organisatie als werkgever zijn dergelijke klachten ook dan nog relevant. Behandeling van de klacht kan aanleiding zijn om de aangeklaagde alsnog met maatregelen te confronteren of om de werking van het beleid tegen ongewenst gedrag te evalueren. Niet binnen deze regeling vallen klachten van en over onderwijspersoneel (in de zin van het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel), politieke ambtsdragers van de aangesloten organisatie en burgers.

sub h: aangeklaagde

Net als de klager dient ook de aangeklaagde werkzaam te zijn of te zijn geweest in de organisatie van de aangesloten organisatie. Voor de aangeklaagde geldt dezelfde omschrijving als in het vorige lid. Ook een klacht over een ex-medewerker kan relevant zijn voor de werkgever. Opgemerkt wordt dat de behandeling van een klacht tegen een voormalig medewerker zijn beperkingen kent omdat aan een voormalig medewerker niet dezelfde verplichtingen kunnen worden opgelegd als een in dienst zijnde medewerker of omdat een ex-medewerker niet meer te traceren is.

Zie voor klachten over politieke ambtsdragers ook de toelichting bij artikel 41b:1:1:1a.

Overige niet binnen de regeling vallende klachten

Met betrekking tot klachten over ongewenst gedrag die niet binnen deze regeling vallen, bijvoorbeeld een mondelinge klacht, een klacht van een derde of een klacht tegen een burger, geldt dat los van deze klachtenregeling het bevoegd gezag op grond van de Algemene wet bestuursrecht zorg dient te dragen voor een behoorlijke behandeling van zowel mondelinge en schriftelijke klachten.

Artikel 41b:1:1:1a

De klachtenregeling is niet van toepassing op burgemeester, wethouders,raadsleden, de commissaris van de koningin, gedeputeerden, leden van provinciale staten, dijkgraven, leden van het algemeen en dagelijks bestuur van waterschappen, noch als klager noch als aangeklaagde. De aangesloten organisatie heeft met bestuurders juridisch een andere relatie dan met medewerkers. Anderzijds kan in de (hiërarchische) relatie tussen een medewerker en een bestuurder sprake zijn van ongewenst gedrag waartegen de medewerker beschermd dient te worden. Om deze reden is in de regeling de mogelijkheid opgenomen dat het bevoegd gezag in voorkomende gevallen een beroep kan doen op de klachtencommissie voor het behandelen van een klacht over ongewenst gedrag van een bestuurder (of gekozen lid). Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt geldt de procedure uit deze regeling in beginsel niet maar wordt de werkwijze zoveel mogelijk analoog toegepast. Het bevoegd gezag en de klachtencommissie dienen ad hoc een procedure af te spreken.

Artikel 41b:1:1:2

De commissie fungeert als adviesorgaan van het bevoegd gezag bij klachten over ongewenst gedrag indien het bevoegd gezag zich heeft aangesloten bij de commissie en de regeling klachtencommissie lokaal heeft vastgesteld.

Voor de samenstelling van de commissie wordt gebruik gemaakt van een pool van deskundigen met ervaring in het behandelen van klachten over ongewenst gedrag en discriminatie en met kennis van de decentrale overheid. Afhankelijk van de aard van de ontvangen klacht wordt bij het samenstellen van de commissie gekeken naar specifieke deskundigheid en diversiteit (onder meer psychosociale, medische en juridische deskundigheid, man-vrouw verhouding). Er wordt op toegezien dat de betrokken commissieleden geen binding hebben met de organisatie waaruit de klacht afkomstig is.

Artikel 41b:1:1:3

De klachtencommissie wordt bij de behandeling van een klacht inhoudelijk ondersteund door een externe secretaris. Het algemeen secretariaat en de administratie rondom aansluitingen en declaratie van de kosten van een klachtenprocedure wordt gevoerd door het secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de VNG. Aangesloten organisaties maar ook individuele medewerkers die overwegen een klacht in te dienen, kunnen voor nadere informatie rechtstreeks contact opnemen met het secretariaat van de commissie. Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag Postbus 304352500 GK Den Haag070 373 8530klachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nlwww.vng.nl/ongewenstgedrag

Artikel 41b:1:1:4

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht. Het is in veel klachtenregelingen ongewenst gedrag echter gebruikelijk dat een klager een klacht niet aan het bevoegd gezag adresseert maar rechtstreeks aan de commissie. Ook in deze regeling is gekozen voor rechtstreekse toegang tot commissie. Door middel van aansluiting bij de commissie kan het bevoegd gezag de commissie machtigen klachten over ongewenst gedrag rechtstreeks te ontvangen. Dit moet dan ook expliciet in de lokale regeling staan. Mocht een klager zich met een klacht wenden tot het bevoegd gezag, dan zendt het bevoegd gezag de klacht door naar de commissie. Voor het bepalen van de termijnen geldt de ontvangstdatum van een rechtstreekse melding bij de commissie dan wel, indien de klacht is ingediend bij het bevoegd gezag, de datum waarop het bevoegd gezag de klacht heeft ontvangen. De adressering voor klachten is Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag Postbus 30435 2500 GK Den Haagklachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nl

Na ontvangst wordt aan de klager een ontvangstbevestiging gestuurd en aan het bevoegd gezag wordt, zonder vermelding van betrokkenen, mededeling gedaan van de ontvangst van een klacht. Bij doorzending van een klacht wordt een overeenkomstige werkwijze gevolgd. Alle correspondentie geschiedt onder aantekening van persoonlijk en vertrouwelijk.

Artikel 41b:1:1:5

Het is de taak van de commissie om het college te adviseren in de beoordeling en afdoening van een klacht. Daartoe behoort ook de ontvankelijkheidtoetsing. Hierbij zijn vier situaties te onderscheiden:

  • -

    De klacht valt binnen de regeling en wordt in behandeling genomen. In het kader van de behandeling stelt de commissie het bevoegd gezag op de hoogte van het bestaan van de klacht, voor zover het hiervan nog niet op de hoogte was gesteld in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid (artikel 41b:1:1:5, lid 1 en artikel 41b:1:1:6, lid 2). De aangeklaagde wordt ten behoeve van de behandeling tijdig op de hoogte gesteld (artikel 41b:1:1:7, lid 6).

  • -

    De klacht valt niet binnen de regeling of wordt niet binnen redelijke termijn voorgelegd of valt onder de uitzonderingen van artikel 9:8 Awb. De commissie adviseert (dan wel: kan adviseren) het bevoegd gezag de klacht niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 41b:1:1:5, leden 2 en 5 A en B). De aangeklaagde wordt in beginsel niet op de hoogte gesteld.

  • -

    De klacht valt binnen de regeling maar klager heeft (nog) niet de lokaal verplichte stappen ondernomen. De commissie stelt klager hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag wordt niet op de hoogte gesteld van de klacht, de aangeklaagde ook niet. Aan klager is de keuze om de verplichte stappen alsnog te doorlopen of af te zien van verdere actie (artikel 41b:1:1:5, lid 2).

  • -

    De commissie kan de klager de mogelijkheid geven om aan niet-ontvankelijkheid op basis van artikel 41b:1:1:5, lid 5 C te ontkomen door de gegevens van de klacht aan te vullen. De termijn van behandeling begint te lopen op het moment dat de gegevens van de klacht voldoende zijn aangevuld (zie artikel 4:15 Awb).

Lid 3 Verplichte stappen uit de gemeentelijke klachtenprocedure

Bij lokale stappen kan gedacht worden aan overleg met of bemiddeling door de vertrouwenspersoon of de leidinggevende. De commissie zal alleen dan afzien van behandeling als een actie in de regeling van de aangesloten organisatie uitdrukkelijk verplicht is gesteld. In de meeste regelingen is dat overigens niet het geval. Wel is het beleid er doorgaans op gericht dat de medewerkers eerst contact zoeken met een vertrouwenspersoon om de zaak te overleggen en zo mogelijk op te lossen.

Lid 5, sub a Indieningstermijn

Een klacht is niet ontvankelijk indien deze niet is ingediend binnen een redelijke termijn nadat het ongewenst gedrag heeft plaats gevonden. Als richtlijn kan worden aangehouden een termijn van twee jaar (in afwijking van de termijn van een jaar uit artikel 9:8 van de Awb). De ervaring leert dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd worden ingediend, nadat de klager op andere wijze naar oplossingen heeft gezocht. De commissie kan een langere indieningtermijn dan twee jaar redelijk achten, indien de aard van de klacht daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld indien er sprake is van ernstige feiten. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een onderzoek naar de feiten moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat ongewenst gedrag heeft plaats gevonden.

Lid 5, sub b en artikel 9:8 Awb Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid

In de Algemene wet bestuursrecht worden uitzonderingen op de plicht tot klachtbehandeling genoemd. Deze uitzonderingen zijn in deze regeling overgenomen. Indien er reeds een klacht over het gedrag is behandeld is het bevoegd gezag niet verplicht de klacht opnieuw in behandeling te nemen. Ook in gevallen van voor beroep vatbare besluiten en van samenloop met een opsporingsonderzoek is die plicht niet aanwezig. Beoordeeld zal moeten worden of de samenloop met de strafrechtelijke procedure onwenselijk is. Bepaald is dat de commissie kan adviseren om een dergelijke klacht niet-ontvankelijk te verklaren. Het ligt voor de hand dat in dergelijke gevallen overleg gepleegd wordt tussen de commissie en het bevoegd gezag. Voorts geldt dat het een derde (in dit geval: de commissie) op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens in beginsel niet is toegestaan om strafrechtelijke gegevens te verwerken. Een derde uitzonderingsgrond op de verplichte klachtbehandeling betreft de situatie dat het belang van de klager dan wel het gewicht van het ongewenst gedrag kennelijk onvoldoende is.

Artikel 41b:1:1:7

Informant (artikel 41b:1:1:1, sub h en artikel 41b:1:1:7, lid 1)

Het bevoegd gezag kan een informant aanwijzen om de commissie van informatie te voorzien. Hierbij kan worden gedacht aan informatie over de organisatie, de cultuur en de procedures bij ongewenst gedrag. Als informant kan bijvoorbeeld fungeren een medewerker P&O, een manager of de vertrouwenspersoon.

Hoor en wederhoor

De commissie past hoor en wederhoor toe. De commissie dient er met het oog hierop voor te zorgen dat de aangeklaagde tijdig op de hoogte is van de klacht en eventuele andere voor hem relevante stukken. Er zullen doorgaans één of meer zittingen gehouden worden waarop betrokkenen gehoord worden. Omdat betrokkenen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord (artikel 41b:1:1:7, lid 4) kan het nodig zijn dat men tweemaal tijdens de zitting wordt gehoord om te reageren op nieuwe informatie en op de zienswijzen van andere betrokkenen. Een andere mogelijkheid is dat men reageert op gespreksverslagen. Aan de commissie wordt overgelaten op welke wijze het wederhoor wordt gerealiseerd.

Verplichting tot medewerking

Ten behoeve van het onderzoek van de commissie stelt het bevoegd gezag van de desbetreffende aangesloten organisatie zijn medewerkers in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 41b:1:1:6, lid 3). Op grond van het goed ambtenaarschap zijn medewerkers in beginsel verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar een klacht. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het niet verlenen van medewerking door een medewerker als plichtsverzuim beschouwd worden. Voor de aangeklaagde geldt dat deze niet verplicht kan worden om informatie te verstrekken die zijn positie kan schaden.

Bijstand

Indien een klager of een aangeklaagde zich laat bijstaan door een raadsman of -vrouw (advocaat, rechtsbijstandjurist) zijn de kosten daarvan voor eigen rekening. Betrokkenen kunnen ook kiezen voor een niet-professionele raadspersoon. In sommige organisaties is het mogelijk dat de vertrouwenspersoon tevens als raadspersoon van de klager fungeert bij een zitting. Of dit mogelijk en wenselijk is hangt af van de rolopvatting/functiebeschrijving van vertrouwenspersoon die de betreffende organisatie hanteert. Het fungeren van de vertrouwenspersoon als raadspersoon ter zitting kan in conflict komen met andere aspecten van de rol van de vertrouwenspersoon zoals geheimhouding en onafhankelijkheid. Een raadsman of -vrouw dan wel een vertrouwenspersoon kan slechts één van de in de procedure betrokken personen bijstaan. Voor de bijstand van een raadsman of -vrouw kan bij gemeenten een beroep gedaan worden op de voor gemeenten verplichte rechtsbijstandsverzekering. Medewerkers bij de waterschappen en de provincies kunnen hierover informatie inwinnen bij de afdeling personeelszaken, de vertrouwenspersoon of de verzekeringsmaatschappij bij wie wel door de waterschappen en provincies een rechtsbijstandsverzekering voor werknemers is gesloten. Betrokkene doet de commissie tijdig opgave van de naam en de hoedanigheid van degene(n), die hij meeneemt naar het hoorgesprek.

Artikel 41b:1:1:8

De commissie werkt met (persoons)gegevens, waartoe ook bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen behoren. Persoonsgegevens mogen door de commissie slechts verzameld en verwerkt worden met het doel een advies uit te brengen over de klacht. Grondslag hiervoor is de verplichting van het bevoegd gezag om klachten op zorgvuldige wijze te behandelen. De commissie verwerkt de gegevens op een veilige wijze. In de praktijk betekent dit dat de secretaris van de commissie de gegevens op zodanige wijze opslaat en communiceert dat er geen risico is op onbevoegde kennisname.

Artikel 41b:1:1:9

Het bevoegd gezag dient de klacht binnen 10 weken af te doen. Daarbinnen geldt de termijn van 8 weken voor het advies van de commissie aan het bevoegd gezag. Dat is alleen anders als de commissie op grond van artikel 41b:1:1:5, tweede of derde lid, besluit een klacht niet in behandeling te nemen (lid 2) dan wel niet ontvankelijk te verklaren (lid 3). In dat geval meldt de commissie dat binnen twee weken aan het bevoegd gezag (zie artikel 41b:1:1:5, lid 4). Er zijn twee soorten advies mogelijk: het advies over de gegrondheid van de klacht (artikel 41b:1:1:9, lid 1) en het advies om de klacht niet ontvankelijk te verklaren (artikel 41b:1:1:5, lid 3). De commissie is niet verplicht het afschrift van een advies tot niet ontvankelijkverklaring aan de aangeklaagde te zenden. Dit wordt niet nodig geacht omdat het niet tot klachtbehandeling komt.

Artikel 41b:1:1:10

Termijnen

De wettelijke termijnen gelden, hetgeen wil zeggen dat de klacht binnen 10 weken wordt afgedaan, met de mogelijkheid van verdaging voor ten hoogste 4 weken. Er kan bijvoorbeeld verdaagd worden indien de klachtencommissie niet binnen 8 weken advies uitbrengt. In uitzonderlijke gevallen kan de commissie klager verzoeken schriftelijk in te stemmen met een verder uitstel van de termijn.

Bezwaar en beroep

De conclusie van het bevoegd gezag in het kader van een klachtenprocedure, de afdoeningsbrief, is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Als de conclusies van de klachtenprocedure aanleiding geven tot het nemen van een ander besluit, bijvoorbeeld een rechtspositionele maatregel, staat daar voor de belanghebbende de normale rechtsgang tegen open.Een klager kan zich in tweede instantie wenden tot een externe klachtinstantie met een klacht over het bestuursorgaan. Het bevoegd gezag dient klager in de afdoeningsbrief op deze externe klachtenprocedure (zoals de (nationale Ombudsman) te wijzen.

Niet-ontvankelijkheid

Indien het bevoegd gezag concludeert dat een klacht niet ontvankelijk is in de zin van deze regeling dient de klacht op andere wijze te worden behandeld. Op grond van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om een klacht behoorlijk te behandelen.

Openbaarheid

Informatie van een bestuursorgaan is in beginsel openbaar. Verstrekking van informatie blijft achterwege indien het persoonsgegevens betreft. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor schriftelijke stukken omtrent een klacht, zoals een verslag van het horen, het advies en de afdoeningsbrief. Verstrekking van deze documenten is mogelijk indien deze geanonimiseerd zijn, dat wil zeggen geen gegevens bevatten die tot personen herleidbaar zijn, of wanneer degenen op wie de persoonsgegevens betrekking hebben daarvoor toestemming geven.

Artikel 41b:1:1:11

De commissie voorziet door dit artikel in een klachtregeling betreffende haar eigen functioneren. Deze beoordeling geschiedt door leden van de commissie die niet deelgenomen hebben aan de werkzaamheden van de commissie waartegen de klacht zich richt. In deze fase vindt geen nieuwe inhoudelijke beoordeling van de primaire melding plaats. Afhankelijk van de conclusies over de klacht met betrekking tot de procedure kan in tweede instantie wel een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de oorspronkelijke klacht plaatsvinden.

42 Regeling ten behoeve van regionale piketdiensten voor de gemeentelijke kolom binnen de veiligheidsregio Kennemerland UWO-II

Artikel 42:1:1:1 Doelgroep

Personeelsleden in dienst van, dan wel gedetacheerd bij, een gemeente binnen de regio Kennemerland, die als piketfunctionaris zijn aangewezen om regionale piketdiensten te verrichten ten behoeve van de gemeentelijke kolom binnen de Veiligheidsregio Kennemerland.

Artikel 42:1:1:2 Doel

Het regelen van een standaard piketvergoeding voor piketfunctionarissen ten behoeve van regionale piketdiensten voor de gemeentelijke kolom binnen de veiligheidsregio Kennemerland.

Artikel 42:1:1:3 Begripsbepalingen

  • a

    coördinerend gemeentesecretaris: degene die door het bestuur van de veiligheidsregio op voordracht van het Overleg van Gemeentesecretarissen Crisisbeheersing (OGC) is aangewezen als coördinerend gemeentesecretaris (CGS). "

  • b

    aanstelling:de juridische vorm waarin een piketfunctionaris is aangesteld voor bepaalde of onbepaalde tijd.

  • c

    piketdienst: frequent terugkerende dienst van één week (maandag 9.00 uur tot volgende maandag 9.00 uur) met de verplichting van beschikbaarheid, bereikbaarheid en opkomst binnen een afgesproken tijd en op een afgesproken locatie (hard piket)

  • d

    piketfunctie: functies waaraan een regionale piketdienst is gekoppeld zijn: gemeentesecretaris in zijn hoedanigheid van adviseur van het Beleidsteam (BT), adviseur openbare orde en veiligheid (BT), communicatieadviseur (BT), verslaglegger (BT), hoofd stafsectie gemeentelijke diensten in het Operationeel Team (OT), adviseur openbare orde en veiligheid als medewerker stafsectie gemeentelijke diensten(OT), hoofd regionaal actiecentrum communicatie (RAC), communicatieadviseur (OT), hoofd actiecentrum CRIB, hoofd actiecentrum Opvang en Verzorging.

  • e

    piketfunctionaris: de medewerker, op wie de verplichting rust zich binnen en buiten de voor hem geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van werkzaamheden voor de gemeentelijke kolom binnen de Veiligheidsregio Kennemerland, dan wel voor de gemeente zelf.

  • f

    piketvergoeding: vergoeding voor piketfunctionarissen

  • g

    persoonlijke standaard uitrusting: de bij de piketfunctie passende noodzakelijke uitrusting.

  • h

    werkgever: de formele werkgever (een van de deelnemende gemeenten)

Artikel 42:1:1:4 Inzet

Lid 1

Inzet van piketfunctionarissen als bedoeld in artikel 42:1:1:3 sub d wordt bepaald conform de “GRIP procedure Kennemerland”.

Lid 2

De alarmering vindt plaats door de gemeenschappelijke meldkamer Kennemerland. De piketfunctionaris krijgt daartoe van de CGS, dan wel een door hem aangewezen ambtenaar, een alarmeringsmiddel dat onderdeel uitmaakt van de persoonlijke standaard uitrusting.

Lid 3

De aanwijzing voor het regionaal wordt door de werkgever ingetrokken en wordt de ambtenaar niet meer ingezet:

  • a

    In geval van gebleken ongeschiktheid of onbekwaamheid

  • b

    Indien de ambtenaar naar het oordeel van burgemeester en wethouders om medische, sociale of maatschappelijke redenen niet meer in staat moet worden geacht de wachtdienst te kunnen vervullen.

Artikel 42:1:1:5 Rooster

Lid 1

De piketdienst wordt bij toerbeurt verricht door functionarissen op basis van een door of namens de CGS op te stellen rooster.

Lid 2

Ruiling van dienst is mogelijk. De piketfunctionaris maakt hierover zelf afspraken met een collega, die gekwalificeerd is de betreffende functie over te nemen. De CGS of een door hem aangewezen ambtenaar wordt over de ruiling geïnformeerd.

Lid 3

Indien een piketfunctionaris wegens ziekt