Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Hattem

Gemeente Hattem – Verordening rioolheffing 2020

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHattem
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeente Hattem – Verordening rioolheffing 2020
CiteertitelVerordening rioolheffing 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 228 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020Nieuwe verordening

16-12-2019

gmb-2019-309063

19072

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeente Hattem – Verordening rioolheffing 2020

De raad der gemeente Hattem;

 

Gelezen het voorstel van het college d.d. 19 november 2019, no 19072;

 

Gelet op artikelen 228a van de Gemeentewet;

 

Besluit:

 

vast te stellen de:

 

VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RIOOLHEFFING 2020.

 

 

Artikel 1 Definities

  • 1.

    Voor de toepassing van deze verordening wordt:

    • a.

      onder gemeentelijke riolering verstaan een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

    • b.

      onder water verstaan huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering;

    • c.

      onder ingenomen water verstaan, ondermeer het via het leidingnet naar het eigendom toegevoerde (leiding-)water en het opgepompte (grond-)water;

    • d.

      onder eigendom verstaan: een roerende of een onroerende zaak.

  • 2.

    Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

  • 3.

    Als roerende zaak wordt aangemerkt:

    • a.

      een object, niet zijnde onroerend, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering;

    • b.

      een gedeelte van een onder a bedoeld object dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • c.

      een samenstel van twee of meer onder a bedoelde objecten of onder b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • d.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel a bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel b bedoelde gedeelte daarvan of een in onderdeel c bedoeld samenstel.

  •  

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente gebonden zijn aan:

  • 1.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • 2.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven:

    • a.

      van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen eigenarendeel; en

    • b.

      van degene die een eigendom van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

  • 2.

    Voor het eigenarendeel wordt, als het eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3.

    Voor het gebruikersdeel, wordt:

    • a.

      als gebruiker aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    • b.

      gebruik van een eigendom door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • c.

      gebruik door degene aan wie een deel van een eigendom – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

    • d.

      het ter beschikking stellen van een eigendom voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat eigendom voor volgtijdig gebruik ter beschikking heeft gesteld.

  •  

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de heffing geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.

Artikel 5 Voorwerp en maatstaf van heffing

  • 1.

    Het voorwerp van de heffing is een eigendom als bedoeld in artikel 1.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a, wordt geheven naar de waarde in het economisch verkeer van het eigendom.

  • 3.

    De waarde in het economisch verkeer is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt.

  • 4.

    Als voor het perceel geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 5.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, wordt geheven naar de maatstaven als opgenomen in artikel 6, tweede tot en met achtste lid.

  •  

Artikel 6 Belastingtarieven

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a, bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt 0,0322 %.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, bedraagt per eenheid van 250 kubieke meter afgevoerd water € 80,85.

  • 3.

    Voor de toepassing van het tweede lid wordt een gedeelte van een eenheid als volle eenheid gerekend.

  • 4.

    Voor de toepassing van het tweede lid wordt de hoeveelheid afgevoerd water gesteld op de hoeveelheid, middels het leidingnet, of anderszins, ingenomen hoeveelheid water.

  • 5.

    De hoeveelheid ingenomen water wordt bepaald op de watergebruikgegevens van het waterleidingbedrijf, betrekking hebbende op de laatst aan het belastingjaar voorafgaande afrekeningsperiode van het waterleidingbedrijf.

  • 6.

    Indien de in het voorgaande lid genoemde afrekeningsperiode een andere periode betreft dan twaalf kalendermaanden, wordt de hoeveelheid ingenomen water herrekend naar een periode van twaalf kalendermaanden. Bij de herrekening wordt een gedeelte van een kalendermaand als volle kalendermaand gerekend.

  • 7.

    Ingeval voor het innemen van (grond-)water gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of;

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

  • 8.

    De hoeveelheid ingenomen water wordt op schriftelijk verzoek van belastingplichtige verminderd met de hoeveelheid water welke niet is afgevoerd via de gemeentelijke riolering.

  •  

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

  • 2.

    Indien de belastingplicht voor de heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat geen aanspraak op restitutie.

  • 3.

    De heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 4.

    Indien de belastingplicht voor de heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Indien de belastingplicht voor de heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  •  

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.

  • 4.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden vermelde termijnen.

  •  

Artikel 11 Overgangsrecht

De verordening rioolheffing 2019 van 10 december 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemd datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2020;

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

  •  

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening rioolheffing 2020".

 

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 16 december 2019.

De griffier,

De burgemeester,