Algemene Subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 2015

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Intitulé

Algemene Subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 2015

Algemene subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 2015

De Raad van de gemeente Hilvarenbeek,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek d.d. 2014,

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht

BESLUIT:

Vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 2015

Hoofdstuk 1 algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

  • b.

    Awb: de Algemene wet Bestuursrecht;

  • c.

    Bijzondere subsidieverordening: een verordening waarin voor de daarin vermelde activiteiten geheel of ten dele van deze verordening afwijkende dan wel aanvullende regels zijn opgenomen.

  • d.

    Raad: de gemeenteraad van de gemeente Hilvarenbeek;

  • e.

    Eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere activiteiten van de aanvrager en waarvoor het college slechts voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken;

  • f.

    Jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren voor een periode van maximaal vier jaar wordt verstrekt;

  • g.

    Algemene reserve: een reserve die is bedoeld voor dekken van exploitatierisico’s;

  • h.

    Bestemmingsreserve: een reserve waaraan concrete bestemmingen zijn verbonden;

  • i.

    Voorziening: een van het eigen vermogen afgescheiden gedeelte, gevormd om toekomstige verplichtingen af te dekken;

  • j.

    Subsidieverlening: het toekennen van subsidie voor een bepaalde activiteit (ingevolge afdeling 4.2.3 Awb), waardoor de aanvrager een aanspraak krijgt op financiële middelen, mits hij daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteit verricht en zich aan de eventueel aan hem opgelegde verplichtingen houdt.

  • k.

    Vaststelling subsidie: het definitief besluit dat de aanvrager subsidie ontvangt (ingevolge afdeling 4.2.5 Awb) ter hoogte van een bepaald bedrag, hetgeen het college tot uitbetaling verplicht.

  • l.

    Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens deze verordening.

  • m.

    Regels: een algemene regel die door het college bij besluit is vastgesteld. In deze algemene regel wordt het subsidiebeleid in operationele zin voor een specifiek beleidsveld uitgewerkt.

  • n.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft vastgesteld

Artikel 2 Reikwijdte verordening

De Raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie kan worden verstrekt:

  • a.

    algemeen bestuur;

  • b.

    openbare orde en veiligheid;

  • c.

    verkeer, vervoer en waterstaat;

  • d.

    economische zaken;

  • e.

    onderwijs;

  • f.

    sport;

  • g.

    cultuur en recreatie;

  • h.

    sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;

  • i.

    volksgezondheid en milieu;

  • j.

    ruimtelijke ordening en volkshuisvesting;

  • k.

    gemeentelijke monumenten.

Artikel 3 Bevoegdheid college

1. Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies metinachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond.

2. Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden.

3.Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren activiteiten, de doelgroep, en de verdeling van de subsidie per beleidsterrein worden zoals bedoeld in artikel 2 omschreven.

Artikel 4 Europees staatsteunkader

Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van deze verordening.

Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

1. De Raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van (een) subsidieplafond(s).

2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

3. Het college kan -met inachtneming van de ingevolge artikel 2, door de Raad vastgestelde beleidsterreinen en regels, nadere regels stellen omtrent de verdere verdeling van het beschikbare bedrag.

4. Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van de verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

5. Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie

Artikel 6 De aanvraag

1. Het college kan, uiterlijk 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar, (beleids)regels voorstellen die richtinggevend zijn voor de aan te vragen subsidies.

2. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient een aanvrager activiteiten te verrichten die ten dienste staan van de gemeente Hilvarenbeek of inwoners van die gemeente.

3. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Vanaf het moment dat de digitale weg wordt opgesteld door het college kan de aanvraag om subsidie tevens digitaal worden ingediend.

4. Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens:

a. een beschrijving van de activiteit waar subsidie voor wordt aangevraagd; b. de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen;

c. een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat indien daarvan sprake is een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties op personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

d. als de aanvrager een onderneming is: een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

e. indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie of project subsidie de stand van de (bestemming)reserve, voorziening op het moment van de aanvraag.

5. Indien de aanvrager een rechtspersoon is en voor het eerst een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.

6. Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het vierde en vijfde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk zijn.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

1. Een aanvraag voor een jaarlijkse/ budget subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

2. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie dient uiterlijk 16 weken voor de start van de activiteit of het project te zijn ingediend.

3. Het college kan in nadere regels andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.

Artikel 8 Beslistermijnen

1. Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

2. Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse/budget subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

3. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie

Artikel 9 Weigeringsgronden

1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval:

a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

2. Onverminderd het vorige lid kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

c. aanvragers in strijd handelen met de wet of beleidsuitgangspunten van de gemeente; tenzij het gaat om de uitoefening van de door de Grondwet beschermde rechten;

d. de te verlenen subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie is bedoeld;

e. de subsidie niet doeltreffend of doelmatig zal worden besteed;

f. de aanvrager ook zonder subsidietoekenning over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de activiteit te dekken;

g. de financiële continuïteit of de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager niet is gegarandeerd

3. Het college weigert de subsidie, indien de organisatie van de aanvrager naar het oordeel van het college onvoldoende omvang of onvoldoende draagvlak bezit, dan wel het college van oordeel is dat de rechtsvorm van de organisatie niet geëigend is voor een doeltreffende realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd.

4. Het college weigert de subsidie indien voor de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd, geen gelden op de begroting zijn gereserveerd.

5. Geen subsidie wordt verstrekt indien doelstellingen, activiteiten, statuten of reglementen van de aanvrager dan wel het beoogde gebruik van de subsidie aantoonbare discriminatie oplevert wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op welke grond dan ook. Onder discriminatie wordt in dit verband niet begrepen onderscheid ter opheffing van maatschappelijke achterstand.

6. Het college kan de subsidie weigeren indien de aanvrager niet heeft voldaan aan één of meer verplichtingen betrekking hebbend op een subsidieverlening over een vorige subsidieperiode.

7. Het college kan een subsidie in ieder geval weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door openbaar bestuur.

Hoofdstuk 5 Verlening van de subsidie

Artikel 10 Verlening subsidie

1. Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidies plaats vindt.

2. Het college is bevoegd om verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie.

Hoofdstuk 6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 11 Algemene verplichtingen subsidie-ontvanger

1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidie-ontvanger dat onverwijld het college.

2. Een subsidie-ontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Hoofdstuk 7 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 12 Verantwoording subsidies tot 5.000 euro

1. Subsidies tot 5.000 euro worden door het college:

a. direct vastgesteld of;

b. ambtshalve vastgesteld binnen 16 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om de door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt vaststelling plaats binnen 6 weken naar de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

Artikel 13 Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot en met 50.000 euro

1. Bij een subsidieverlening vanaf 5.000 tot en met 50.000 euro, dient de subsidieontvanger uiterlijk 16 weken na het verricht zijn van de activiteiten c.q. uiterlijk op 1 mei na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend, een aanvraag tot vaststelling in bij het college.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht.

3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 14 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro

1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 50.000 euro, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 16 weken na het verricht zijn van de activiteiten;

b. bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

b. een overzicht van de activiteiten (jaarverslag);

c. een jaarrekening, voorzien van een ‘controleverklaring’. Deze dient bij de aanvraag tot vaststelling te worden toegevoegd.

3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 15 Vaststelling subsidie

1. Het college stelt binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

2. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

3. Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

Artikel 16 Algemene reserve

1. De hoogte van de algemene reserve van een aanvrager mag niet meer bedragen dan 10% van de totale exploitatielasten van de aanvrager in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvraag wordt gedaan.

2. Indien de algemene reserve het in lid 1 genoemde percentage overschrijdt, wordt het meerdere in mindering gebracht op de te verlenen subsidie.

3. Het college kan, al dan niet op een daartoe strekkend verzoek, afwijken van het genoemde percentage in lid 1.

4. Dit artikel is alleen van toepassing op subsidies vanaf 50.000 euro.

Artikel 17 Bestemmingreserves en voorzieningen

1. Een aanvrager die subsidie ontvangt en een bestemmingsreserve of voorziening heeft of wil vormen, dient hiervoor schriftelijk toestemming te vragen aan het college

2. Een verzoek tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening dient vergezeld te gaan van:

a. het doel van de bestemmingsreserve of voorziening;

b. een meerjarig investeringsplan of onderhoudsplan.

3. Indien toestemming door het college tot het vormen van een bestemmingsreserve of voorziening is verkregen, mag een aanvrager die subsidie ontvangt niet afwijken van vastgestelde dotaties, ook al is er sprake van een negatief exploitatie tekort.

4. De aanvrager meldt een voornemen om uitgaven ten laste te brengen van een toegestane bestemmingsreserve of voorziening zo spoedig mogelijke aan het college, tenzij dat voornemen reeds uit de begroting bij de aanvraag blijkt.

5. Dit artikel is alleen van toepassing op subsidies vanaf 50.000 euro.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 18 Intrekking en wijziging

1. Het college kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten;

c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden voorwaarden.

2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

3. De subsidievaststelling kan niet meer ingetrokken of ten nadele gewijzigd worden indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval bedoeld in het eerste lid, onder c. sinds de dag waarop de handeling in strijd met de voorwaarden is verricht of de dag waarop aan de voorwaarden had moeten zijn voldaan.

Artikel 19 Onverschuldigde betaling

Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel 18 eerste lid, onder c heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 20 Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 1, 2 en 3. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek melding gedaan aan de Raad.

Artikel 21 Intrekking

De Algemene subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 1998 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.

Artikel 22 Slotbepaling

1. Deze verordening wordt aangehaald als “de Algemene subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 2015”

2. Deze verordening treedt in werking met ingang 1 januari 2015

3. Deze verordening is niet van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend. Hiervoor blijft de Algemene subsidieverordening gemeente Hilvarenbeek 1998 van toepassing.

4. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop ten tijde van de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden beoordeeld aan de hand van deze verordening.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 13 maart 2014
Griffier, de burgemeester,

Algemene toelichting

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, die in de verordening worden gehanteerd.

Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van subsidie. De jaarlijkse subsidie, die bij voorkeur voor meerdere jaren wordt verleend en veelal op voortdurende activiteiten van een instelling betrekking heeft kan voor een periode van ten hoogste vier jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van de Raad (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen. In deze verordening is er bewust niet voor gekozen het regime van afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel van toepassing te verklaren op de jaarlijkse subsidie. Afdeling 4.2.8 biedt een regeling voor subsidies waarbij het bestuursorgaan financieel en beleidsmatig sterk betrokken is, hetgeen zeker niet bij iedere door gemeenten verstrekte jaarlijkse subsidie het geval is. Bovendien kunnen bij de jaarlijks verstrekte subsidies in de subsidiebeschikking zeer goed afspraken op dit punt worden vastgelegd. Juist bij jaarlijks verstrekte subsidies is de aard en grootte van de instelling en de hoogte van de subsidie bepalend voor de omvang van aanvullende afspraken.

Eenmalige subsidies zijn subsidies voor een eenmalige activiteit of voor een activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren bepaalde tijd van maximaal 4 jaar subsidie wil verlenen. Te denken valt aan een subsidie ten behoeve van het doorgang doen vinden van de gebruikelijke activiteiten van de subsidieontvanger, doordat die doorgang door bijzondere, incidentele omstandigheden anders niet gewaarborgd zou zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de inhuur van uitzendkrachten voor de vervanging van niet-verzekerd, arbeidsongeschikt geworden personeel, Of aan projectsubsidies die worden gegeven voor door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals bijvoorbeeld een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder omstandigheden dus een looptijd hebben van langer dan een jaar. Een bijzondere vorm van eenmalige subsidies betreft de waarderingssubsidies. Het is een benaming die door gemeenten veelal wordt gebruikt, maar in juridische zin niet veel toevoegt aan de benaming ‘eenmalige subsidie’. Waarderingssubsidies zijn subsidies die, zoals het woord al zegt, verstrekt worden om waardering voor de activiteiten van de ontvanger uit te drukken. Overigens dient in een afwijzing van een dergelijke subsidieaanvraag altijd helder te worden gemotiveerd dat de activiteiten, waarvoor subsidie wordt gevraagd, niet in aanmerking komen voor de waarderingssubsidie en niet de aanvrager pur sang. Deze subsidies mogen naar eigen wens van de ontvanger worden besteed en kunnen dus zowel worden gestoken in de reguliere activiteiten van de ontvanger als in extra activiteiten.

Artikel 2 Reikwijdte verordening

Hier wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen worden verstrekt.

Artikel 3 Bevoegdheid college

Met besluiten over het verstrekken van subsidies in plaats van verlenen van subsidies wordt beoogd de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke. In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de gemeentebegroting en subsidieplafonds in acht neemt. Als de gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de Raad beschikbaar is gesteld, wordt subsidie slechts verleend onder de voorwaarde dat de Raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud. In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een uitvoeringsovereenkomst te verbinden, berust bij het college. In beginsel is in afdeling 4.2.4 Awb zeer uitvoerig en nauwgezet bepaald welke verplichtingen onder welke voorwaarden bij een subsidieverlening kunnen worden opgelegd en kunnen alle toegestane verplichtingen in beginsel bij subsidieverlening of subsidiewijziging worden opgelegd. Ingevolge artikel 3:14 BW mogen bepalingen in subsidieovereenkomsten er niet toe leiden, dat een bestuursorgaan handelt in strijd met de Awb, de publiekrechtelijke subsidieregeling waarop de subsidie berust, of de andere ongeschreven regels van het publiekrecht. Waar de subsidiebeschikking slechts gericht is op één partij, kan middels een uitvoeringsovereenkomst meerdere partijen aan elkaar worden gebonden.

Artikel 4 Europees steunkader

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de algemene subsidieverordening, of dat deze aangevuld wordt. Dit artikel maakt het college daartoe bevoegd.

Artikel 5 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

In de Awb zijn in de artikel 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven. Ingevolge het eerste lid van artikel 5 kan de Raad subsidieplafonds per beleidsterrein vaststellen. In de regel valt dit qua tijdstip samen met de vaststelling van de begroting. De Raad stelt subsidieplafonds vast en maakt daarbij de wijze van verdeling van de beschikbare middelen bekend. Eventueel kan het college nadere regels opstellen omtrent de wijze van verdeling van de beschikbare middelen. Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Indien het voor subsidie beschikbare bedrag enkel op de begroting vermeld staat en de gemeente deze bedragen niet als zijnde subsidieplafonds heeft gepubliceerd, kan de gemeente subsidieaanvragen niet ongemotiveerd weigeren wegens het bereiken van het plafond.

Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens

In het derde lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld.

Artikel 7 Aanvraagtermijn

Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie dienen te zijn ingediend bij het college. In dit artikel wordt slechts een uiterste indiendatum genoemd voor (meer)jaarlijkse subsidies. Overigens kunnen aan grote instellingen meerjarige subsidies worden verleend. In dat geval wordt de gemeente via tussentijdse rapportages op de hoogte gesteld van de resultaten. Een jaarlijkse aanvraag is daarmee overbodig.

Artikel 8 Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de regel wordt een termijn van acht tot zestien weken redelijk geacht.  

Artikel 9 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden zijn van belang om te kunnen sturen in het proces van subsidiëring. De algemene geldende weigeringsgronden zijn geregeld in artikel 4:35 Awb en worden hier met een nadere, op gemeentelijke praktijk toegesneden grond aangevuld. De weigeringsgronden dienen er toe bij te dragen dat subsidiemiddelen voor de juiste activiteiten worden verstrekt aan aanvragers waarvan kan worden verwacht dat zij deze kunnen realiseren. Op grond van artikel 4:25, tweede lid Awb kan een subsidie worden geweigerd indien verstrekking van deze subsidie het subsidieplafond zou overschrijden daarom wordt in dit artikel hiernaar verwezen. Bij de beslissing omtrent subsidieverlening spelen niet alleen deze weigeringsgronden een rol maar kan ook, met inachtneming van artikel 3:4 Awb, een belangenafweging plaatsvinden.

Artikel 10 Verlening van de subsidie

Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid is geregeld dat het college de ontvanger verplichtingen kan opleggen. Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen bij de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kan het college daarvan eenvoudig afzien. In gevallen, dat het college van oordeel is dat redelijkerwijs nadere verplichtingen dienen te worden gesteld, zal dit veelal op de subsidieontvanger en de door hem te ondernemen activiteiten toegesneden verplichtingen zijn.

Artikel 11 algemene verplichtingen subsidie-ontvanger

In artikel 11 zijn de verplichtingen van de ontvanger van de subsidie opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan het college.

Artikel 12 Verantwoording subsidies tot 5.000 euro

Kenmerkend voor subsidies tot 5.000 euro is dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie en risicoafweging van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering. In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid, onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen 16 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. De ambtshalve vaststelling zal in de praktijk veelal al vóór het verstrijken van de termijn gebeuren, namelijk als het vanuit oogpunt van een efficiënte werkwijze wenselijk wordt geacht, dat dergelijke vaststellingsbeschikkingen op een vaste datum worden genomen. Wel dient de gemeente binnen een beperkte termijn, hier is gekozen voor 16 weken na afloop van de activiteit, te reageren. Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er juridisch meer mogelijkheid om op te treden, indien de gemeente bemerkt dat de activiteit niet (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers niet bij verstrekking reeds vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het college in de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze bevoegdheid gebruik maken.

Artikel 13 Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 50.000 euro

In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden.

Artikel 14 Verantwoording subsidies vanaf 50.000 euro

Bij subsidies van 50.000 euro of meer wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt – tenzij de voorschriften voor subsidies tot 50.000 euro worden toegepast – plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Bij de financiële verantwoording mag de subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld stuk vragen.

Artikel 15 Vaststelling subsidie

In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van de subsidie.

Artikel 16 Algemene reserve

In dit artikel staan de bepalingen opgenomen die betrekkingen hebben op het creëren van een algemene reserve. Dit is een buffer waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. Het kan niet de bedoeling zijn, dat deze reserve oneindig groot wordt. Daarom wordt vastgesteld, dat deze reserve 10% van de totale exploitatielasten van de aanvrager mag bedragen. Het college kan op grond van lid 3 zo nodig van dit percentage afwijken. Dit kan zij doen op eigen initiatief of op een daartoe strekkend verzoek. Als het college meent dat een aanvrager grote financiële risico’s loopt, heeft het de mogelijkheid het percentage te verhogen.

In de Awb wordt de term egalisatiereserve gehanteerd. In Hilvarenbeek wordt hiermee de term algemene reserve gedekt.

Artikel 17 Bestemmingsreserves en voorzieningen

Dit artikel biedt de mogelijkheid aan een aanvrager om naast een algemene reserve een of meerdere bestemmingsreserves en/of voorziening te vormen. Onder bestemmingsreserve wordt verstaan een op de balans van de aanvrager opgenomen bedrag voor te verwachten activiteiten, die echter niet uitsluitend in het jaar van uitvoering ten laste van de middelen kan worden gebracht. Onder een voorziening wordt verstaan een op de balans opgenomen bedrag voor de betaling van reeds aangegane, maar nog niet opeisbare verplichtingen. Om gebruik van de financiële middelen te waarborgen, dient hiervoor toestemming aan het college te worden gevraagd. Het verlenen van toestemming betekent ook dat de aanvrager verplicht is die reserve en/of voorziening te vullen op de voorgenomen wijze. Tenslotte is het van belang dat zicht bestaat op de wijze van besteding van een voorziening of reserve, met name als die besteding al niet in de begroting is voorzien. Daarmee kan oneigenlijk gebruik van de reserve zo nodig worden bestreden.

Artikel 18 Intrekkingen en wijzigingen

In dit artikel wordt vermeld onder welke voorwaarden een subsidie kan worden ingetrokken of worden gewijzigd.

Artikel 19 Onverschuldigde betaling

Behoeft geen toelichting

Artikel 20 Hardheidsclausule

Behoeft geen toelichting

Artikel 21 Intrekking

Behoeft geen toelichting