Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Hoogeveen

Maatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHoogeveen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingMaatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ
CiteertitelMaatregelenverordening
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid onderdeel b en artikel 18
  2. wet Bundeling uitkeringen inkomensvoorziening gemeenten
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

02-02-201101-01-2012Wijziging

20-01-2011

Krant van Hoogeveen, 01-02-2011

H.10.02836

Tekst van de regeling

Intitulé

Maatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ

De raad van de gemeente Hoogeveen,

gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders;

gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand en de wet Bundeling uitkeringen inkomensvoorziening gemeenten (BUIG);

besluit vast te stellen de volgende verordening: Maatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    WWB: Wet Werk en Bijstand;

  • b.

    WIJ: Wet Investeren in Jongeren;

  • c.

    IOAW: Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschik-te Werkloze werknemers;

  • d.

    IOAZ: Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen;

  • e.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

  • f.

    uitkering: de bijstand ingevolge de WWB, de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ, alsmede de uitkering ingevolge de IOAW en de IOAZ

  • g.

    bijstandsnorm: de op grond van de WWB op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of verlaging, als bedoeld in paragraaf 3.3 van de WWB;

  • h.

    inkomensvoorziening: de financiële ondersteuning van jongeren als bedoeld in artikel 24 van de WIJ;

  • i.

    benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden, met de belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • j.

    maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB; het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41 van de WIJ; het verlagen van de uitkering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ; het weigeren van de uitkering als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ;

  • k.

    werkleeraanbod: een programma dat de jongere krijgt aangeboden door de gemeente en dat tot doel heeft de jongere naar reguliere arbeid te leiden.

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB of artikel 30 c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 2.

    Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WIJ of artikel 30 c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 3.

    Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de IOAW of IOAZ of artikel 30 c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 4.

    Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

  • 5.

    Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tenzij de gedraging het niet tijdig verstrekken van gevraagde inlichtingen betreft.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

  • 1.

    De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de aanvullende bijzondere bijstand voor de categorie genoemd in artikel 12 van de WWB.

Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand of de inkomensvoorziening wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of de inkomensvoorziening wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan een jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand in het kader van de WWB, een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ, of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak

  • 1.

    Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of inkomensvoorziening nog niet is uitbetaald.

  • 3.

    Een maatregel WWB, IOAW en IOAZ wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel WIJ kan voor onbepaalde tijd worden opgelegd.

Artikel 7. Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste, tweede en derde lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld.

Hoofdstuk 2. Niet nakomen plicht tot arbeidsinschakeling

Artikel 8. Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de WWB, artikel 45 WIJ of artikel 37 IOAW/IOAZ niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    Eerste categorie:

    • 1.

      het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf in de gemeente Hoogeveen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Uitzondering op deze categorie vormt de jongere die onder de werking van de WIJ valt;

  • b.

    Tweede categorie:

    • 1.

      het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;

    • 2.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

  • c.

    Derde categorie:

    • 1.

      gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;

    • 2.

      het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in hoofdstuk 2 van de gemeentelijke re-integratieverordening;

    • 3.

      het niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgelegd in het werkleeraanbod;

  • d.

    Vierde categorie:

    • 1.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 2.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel die onder de werkingsfeer van de WWB valt.

  • 1.

    Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel vastgesteld op:

    • a.

      vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

  • 2.

    De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 3.

    Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie dan kan het college aan belanghebbende een maatregel opleggen van honderd procent van de bijstand gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Artikel 9a. De hoogte en duur van de maatregel die onder de werkingsfeer van de IOAW en IOAZ valt.

  • 1.

    Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel vastgesteld op:

    • a.

      vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

    • d.

      honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

  • 2.

    Op de in het eerste lid genoemde maatregel zijn het tweede en derde lid van artikel 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel die onder de werking van de WIJ valt

Onverminderd artikel 2, vierde lid, wordt de maatregel in verband met de schending van de verplichtingen genoemd in artikel 45 van de WIJ vastgesteld op:

  • a.

    vijf en twintig procent van de inkomensvoorziening gedurende de eerste maand, gerekend vanaf het moment waarop de jongere is aangesproken op zijn gedrag;

  • b.

    vijftig procent van de inkomensvoorziening gedurende de volgende maand, indien de jongere zijn gedrag niet of onvoldoende naar het oordeel van het college heeft verbeterd;

  • c.

    intrekking van het werkleeraanbod indien de jongere zijn gedrag na twee maanden, gerekend vanaf het moment waarop de sanctie is ingegaan, naar het oordeel van het college niet of onvoldoende heeft verbeterd.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens in het kader van de WWB, IOAW en IOAZ

  • 1.

    Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de WWB, artikel 13 IOAW/IOAZ niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt in verband met de toepassing van artikel 54 van de WWB, een maatregel opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  • 2.

    De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 3.

    Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand

  • 1.

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB en artikel 13 van de IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2, eerste en derde lid wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      bij een benadelingsbedrag tot € 500,-- : 5 % van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    • b.

      bij een benadelingsbedrag van € 500,-- tot € 1.000,--: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    • c.

      bij een benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2000,--: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    • d.

      bij een benadelingsbedrag van € 2000,-- tot € 4000,--: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;

    • e.

      bij een benadelingsbedrag van € 4000,-- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.

  • 3.

    Op de in het eerste en tweede lid genoemde maatregel is het tweede lid van artikel 11 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12a. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de inkomensvoorziening

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44 van de WIJ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel vastgesteld overeenkomstig artikel 10.

Artikel 13 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand

  • 1.

    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB en artikel 13 van de IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel, vijf procent van de bijstand gedurende een maand.

  • 2.

    Op de in het eerste lid bedoelde maatregel zijn het tweede en derde lid van artikel 11 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 a. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de inkomensvoorziening

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 44 van de WIJ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening wordt de maatregel vastgesteld overeenkomstig artikel 13.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de ernst van de gedraging daarbij rekening houdend met de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.

  • 2.

    Het college stelt in beleidsregels vast welke gedragingen kunnen worden aangemerkt als het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als genoemd in het eerste lid. Het college stelt tevens nadere regels vast met betrekking tot de hoogte van de op te leggen maatregelen als genoemd in het eerste lid.

Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen

Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, respectievelijk artikel 20, tweede lid van de IOAW/IOAZ, wordt onverminderd artikel 2, eerste lid, een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Hoofdstuk 5. Handhavingsbeleid

Artikel 16. Het handhavingsbeleid

Het college biedt vierjaarlijks een handhavingsplan en rapportage aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en de te verwachten resultaten.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 17. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.

  • 2.

    In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 18. De inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking daags na publicatie.

Artikel 19 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Maatregelenverordening’.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hoogeveen,

De griffier,  De voorzitter,

J.P. Wind, M. de Boer

Toelichting Maatregelverordening gemeente Hoogeveen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving

De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de begrippen in de WWB, de WIJ, de IOAW en IOAZ.

Het begrip benadelingsbedrag is in deze verordening opgenomen. Dit begrip komt niet voor in de WWB, de WIJ. de IOAW of IOAZ, maar is van belang omdat in artikel 12 de maatregel wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Bij de omschrijving van het begrip is uitgegaan van de omschrijving van het begrip kosten van bijstand als genoemd in artikel 90 van de Algemene bijstandswet (Abw) zoals dat tot 1 januari 2004 van toepassing was.

In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. In navolging van artikel 18, vierde lid van de WWB is gesteld dat hieronder mede verstaan wordt het gezin.

 

Artikel 2. Opleggen van de maatregel

Eerste lid

In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat het college een maatregel afstemt op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld.

Het college zal bij elke op te leggen maatregel moeten nagaan of afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.

Het college moet bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, telkens de volgende drie stappen doorlopen:

  • -

    Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.

  • -

    Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.

  • -

    Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde of jongere.

Door de categorisering van de gedragingen in deze verordening wordt reeds een geobjectiveerde gradatie aangebracht in de ernst van de gedragingen. Toch kunnen de feitelijke gebeurtenissen tot gevolg hebben dat er een andere waardering door het college moet worden gegeven. Gedacht kan worden aan de duur van de gedragingen, de zwaarte, de omvang van de gevolgen (zoals de verdere duur van de bijstandsafhankelijkheid) en recidive. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid dient beoordeeld te worden in hoeverre belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Gekeken dient te worden naar de situatie waarin

de belanghebbende ten tijde van de gedraging verkeerde. Is de gedraging belanghebbende toe te rekenen en zo ja, in welke mate?

Bij geringe verwijtbaarheid, kan de maatregel worden beperkt, dus lager worden vastgesteld dan het in de verordening genoemde percentage.

Als geconstateerd wordt dat de belanghebbende de gedraging in het geheel niet kan worden verweten, kan er geen maatregel worden opgelegd (artikel 5, eerste lid, onder a). Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

  • -

    bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere noodzakelijke vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;

  • -

    sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;

  • -

    bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Vijfde lid

Op grond van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak

(artikel 4:12 Awb).

Om de maatregel af te kunnen stemmen op de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende is het van belang de zienswijze van de belanghebbende te kennen.

Daarom wordt in dit artikel het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven, tenzij de gedraging het niet tijdig verstrekken van de gevraagde inlichtingen betreft.

Bij het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens, bijvoorbeeld door het niet tijdig inleveren van het rechtmatigheidsonderzoekformulier, hebben klanten een hersteltermijn gekregen, waardoor ze alsnog in de gelegenheid zijn gesteld de verplichting na te komen. Daarbij gaat het om een feitelijkheid; het is tijdig of niet.

 

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

Eerste lid

In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief de vakantietoeslag. De hoogte van de inkomensvoorziening is afgestemd op de bijstandsnorm.

Tweede lid

Personen van 18 tot 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Ter voorkoming van rechtsongelijkheid wordt ook de maatregel van toepassing op de aanvullende bijzondere bijstand.

 

Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

Het verlagen van de bijstand en de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. Dit geldt ook voor de beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel. Het besluit dat het college afziet van het opleggen van een maatregel wegens bijvoorbeeld dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat de reden goed gemotiveerd in het besluit staat vermeld.

 

Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel

Eerste lid

Het afzien van het opleggen van een maatregel, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben

plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en daardoor ten onrechte bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel 14e van de Algemene bijstandswet (Abw) in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.

Tweede lid

Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.

 

Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak

Eerste lid

Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering of de inkomensvoorziening. Verlaging van de uitkering of de inkomensvoorziening kan in beginsel op twee manieren:

  • 1.

    met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering of de inkomensvoorziening; of

  • 2.

    door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de uitkering of de inkomensvoorziening die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de eenvoudigste methode. Er hoeft dan geen besluit te worden genomen over een herziening en terugvordering van bijstand. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand.

Tweede lid

Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering of de inkomensvoorziening te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd (verrekend met tegoed).

Dezelfde werkwijze kan worden uitgevoerd bij het verlagen van de inkomensvoorziening.

Derde lid

Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.

Herbeoordeling moet binnen drie maanden nadat het besluit is genomen plaatsvinden. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat. Het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.

 

Artikel 7. Samenloop van gedragingen

De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.

 

Hoofdstuk 2. Niet nakomen plicht tot arbeidsinschakeling

Artikel 8. Indeling in categorieën

De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde.

De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV Werkbedrijf en ingeschreven te doen blijven.

De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.

In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of de inkomensvoorziening of langer voortduren daarvan.

Voorbeelden van deze categorie zijn:

  • a.

    negatieve gedragingen bij sollicitaties

  • b.

    onvoldoende meewerken aan het opgestelde reïntegratieplan. Ook de verplichting om het individuele reïntegratieplan te ondertekenen valt onder deze categorie. Reden hiervoor is dat het (niet) ondertekenen van het reïntegratieplan veel implicaties heeft;

  • c.

    onvoldoende meewerken aan de uitvoering van het gedane werkleeraanbod.

De vierde categorie betreft:

  • a.

    het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    het door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden;

  • c.

    tijdens de bijstand algemeen geaccepteerde deeltijdarbeid niet behouden.

 

Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel die onder de werkingsfeer van de WWB valt

Eerste lid

Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën genoemd in artikel 8. Ook is gekeken naar de effectiviteit van de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal bewerkstelligen. Uit de praktijk is gebleken dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet effectief zijn. In de verordening zijn de percentages daarom ook verhoogd ten opzicht van het oude maatregelenbesluit geldend onder de Abw.

Tweede lid

Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van dezelfde of andere verwijtbare gedraging wordt de duur van de maatregel verdubbeld. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook als deze wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit bekend is gemaakt.

Derde lid

Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont binnen de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal 3 maanden.

 

Artikel 9a. De hoogte en duur van de maatregel die onder de werkingssfeer van de IOAW EN IOAZ valt

Eerste lid

Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën genoemd in artikel 8. Ook is gekeken naar de effectiviteit van de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal bewerkstelligen. Uit de praktijk is gebleken dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet effectief zijn. In de verordening zijn de percentages daarom ook verhoogd ten opzichte van het oude maatregelenbesluit geldend onder de Abw.

Tweede lid

Zie artikel 9.

Derde lid

Zie artikel 9

 

Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel die onder de werkingssfeer van de WIJ valt

Het voldoende meewerken aan de uitvoering van het werkleeraanbod is essentieel voor het recht op een inkomensvoorziening. Om geen groot verschil te laten ontstaan met de jongere die het werkleeraanbod weigert, en die op grond daarvan helemaal geen inkomensvoorziening ontvangt, wordt de inkomensvoorziening in hoog tempo afgebouwd, indien de jongere volhardt in zijn verwijtbare gedrag. Hiermee wordt voorkomen dat de jongere voor de schijn met het werkleeraanbod instemt om zodoende toch een, weliswaar lagere, inkomensvoorziening te ontvangen.

 

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht onderscheiden:

  • 1.

    Artikel 11: het te laat verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze situatie is artikel 54 WWB van toepassing. Het college kan in dat geval het recht op bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.

  • 2.

    Artikel 12: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de gemeente. Hierdoor is er al dan niet ten onrechte een uitkering verstrekt of een te hoog bedrag. In deze situatie heeft de belanghebbende niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB of artikel 13 IOAW/IOAZ. Het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover de gemeente vormt een schending van de informatieplicht van artikel 17 WWB of artikel 13 IOAW/IOAZ.

In het geval dat bepaalde gegevens niet aan de gemeente worden verstrekt kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (bij aanvraag) of het besluit tot toekenning van de bijstand moet worden ingetrokken (lopende uitkering).

 

Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens

Eerste lid

Als een belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de belanghebbende vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).

Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn verstrekt, dan kan het college het besluit tot toekenning van de bijstand intrekken. Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel.

Tweede lid

Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de duur van de maatregel verdubbeld. Onder eerste verwijtbare gedraging wordt verstaan de gedraging die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook als de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit van de maatregel bekend is gemaakt.

Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de betrokkene.

Derde lid

Het te laat verstrekken van informatie heeft geen gevolgen voor de hoogte van de bijstand. Daarom kan volstaan worden met een schriftelijke waarschuwing. De gemeente kende onder het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing en deze blijkt in de praktijk goed te werken. Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de recidivemaatregel.

 

Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand

Eerste lid

In artikel 17, eerste lid, WWB en artikel 13 van de IOAW/IOAZ is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.

Tweede lid

De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.

Derde lid

Zie artikel 11, tweede lid

 

Artikel 12a. Verstrekken van onjuiste en onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de inkomensvoorziening

In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinscha-keling of het recht op bijstand

Heeft het niet nakomen van deze bepaling door belanghebbende geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt er overeenkomstig artikel 10 een maatregel vastgesteld.

 

Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand

Eerste lid

In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk.

Tweede lid

Zie artikel 11, tweede en derde lid.

Derde lid

Zie artikel 11, tweede en derde lid.

 

Artikel 13a. Verstrekken van onjuiste en onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de inkomensvoorziening

Zie artikel 13.

 

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

 

Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Eerste lid

De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag niet meer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt. De gemeente kan bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening houden door het opleggen van een maatregel.

De maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer een beroep doet op bijstand.

Tweede lid

Het college stelt in nadere beleidsregels vast welke gedragingen aangemerkt worden als het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In nadere regels (gedelegeerde regelgeving) wordt de hoogte van de maatregel bepaald.

Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:

  • -

    een onverantwoorde besteding van vermogen;

  • -

    geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;

  • -

    het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering.

 

Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen

Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan. Er moet dan wel sprake zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Het is alleen mogelijk een maatregel op te leggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB.

In artikel 18, tweede lid, WWB en artikel 20, tweede lid, IOAW/IOAZ wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel.

Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde of jongere zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag worden onderscheiden:

  • a.

    verbaal geweld (schelden);

  • b.

    discriminatie;

  • c.

    intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

  • d.

    zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

  • e.

    mensgericht fysiek geweld;

  • f.

    combinatie van agressievormen.

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.

Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. De gemeente beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij aangesloten.

 

Artikel 16. Het handhavingsbeleid.

Artikel 8a WWB en artikel 12, eerste lid, onder c, WIJ bepalen dat de gemeenteraad regels dient te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB en de WIJ. Hiermee krijgt de gemeente de verplichting om eigen regels te bepalen omtrent handhaving.

Deze maatregelenverordening WWB, WIJ, IOAW en IOAZ is onderdeel van het beleid op hoofdlijnen rondom handhaving