Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Laren

Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLaren
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRe-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010
CiteertitelRe-integratieverordening WWB IOAW IOAZ 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpMaatschappelijke zorg en welzijn
Externe bijlageRe-integratieverordening Toelichting en nadere regels

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze verordening vervangt de Re-integratieverordening 2004. Deze verordening treedt per 1 juli 2010 met terugwerkende kracht in werking. Artikel 23 bevat overgangsbepalingen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
  2. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34
  3. Wet werk en bijstand
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

26-05-201226-05-2012Intrekking

25-04-2012

Larens Journaal 18-05-2012

Raadsbesluit 2012/16
24-07-201001-07-201026-05-2012nieuwe regeling

30-06-2010

Larens Journaal 16-07-2010

Raadsbesluit 2010/33-I  

Tekst van de regeling

Intitulé

Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ 2010

De gemeenteraad stelt de volgende regeling vast:

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    a. de wet: de Wet werk en bijstand;

    b. uitkeringsgerechtigde: persoon van 27 of ouder en beneden de leeftijd van 65 jaar die algemene bijstand ontvangen, een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ. Uitzondering op de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van Laren zijn de gedetineerden die zich zullen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Laren;

    c. Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene nabestaandenwet;

    d. Nugger: de niet uitkeringsgerechtigde, als bedoeld in artikel 6, lid 1 onder a van de wet;

    e. voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet, artikel 34 van de IOAW en artikel 34 van de IOAZ;

    f. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    g. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    h. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

    i. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren;

    j. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Laren;

    k. UWV werkbedrijf: het onderdeel van UWV waar arbeidsbemiddeling en re-integratie bij elkaar komen;

    l. Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

    m. werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet;

    n. trajectplan: een stapsgewijze en planmatige beschrijving van de wederzijdse verplichtingen, afspraken en in te zetten voorzieningen tussen de uitkeringsgerechtigde, de Anw-er of Nugger en de gemeente.

    o. startkwalificatie: (minimaal) een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 eerste lid onder b tot en met e van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs (een HAVO-, VWO-, of MBO-2 diploma).

    p. Algemeen geaccepteerde arbeid: werk dat algemeen geaccepteerd is.

Paragraaf 2 Opdracht aan het college

Artikel 2 Algemene opdracht

  • 1

    Het college biedt de uitkeringsgerechtigde, Anw-ers en Nuggers alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.

  • 2

    Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.

  • 3

    Bij de keuze van de mogelijkheden van het aanbieden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.

Artikel 3 Sluitende aanpak

  • 1

    Met elke uitkeringsgerechtigde, Anw-er of Nugger wordt een trajectplan opgesteld en wordt een aanbod gedaan voor een voorziening of ondersteuning.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft bepaald dat voor de uitkeringsgerechtigde een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt.

Artikel 4 Nadere regels

  • 1

    Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening nadere regels op, waarin beleidsprioriteiten worden aangegeven.

  • 2

    Deze nadere regels omvatten in elk geval:

    a. een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen;

    b. het flankerend beleid ten aanzien van zorg, kinderopvang en hulpverlening;

  • 3

    Bij de nadere regels wordt het oordeel van de cliëntenraad gevoegd.

Artikel 5 Criteria ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling

  • 1

    Het college kan, met inachtneming van artikel 9 tweede lid en artikel 9a van de wet, artikel 37a en 38 van de IOAW en de IOAZ, bepalen dat aan de uitkeringsgerechtigde, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 8 eerste lid van deze verordening genoemde verplichting.

  • 2

    Deze ontheffing geldt in ieder geval voor:

    a. een alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar waarvoor de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening niet mogelijk is;

    b. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a van de wet en artikel 38 van de IOAW en IOAZ; de belanghebbende om sociale dan wel medische redenen niet in staat is om te werken.

    c. Ten aanzien van personen als bedoeld in het tweede lid onder b van dit artikel geldt dat de ontheffing eenmalig wordt verleend gedurende maximaal 6 jaar, ingaande op de dag van geboorte van het kind.

    d. Ontheffing van de arbeidsplicht wordt voor een periode van maximaal 12 maanden verleend. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.

Artikel 6 Aanspraak op ondersteuning

  • 1

    Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers, alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2

    Er bestaat geen recht op een ondersteuning of een voorziening indien er sprake is van een voorliggende voorziening welke naar mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de belanghebbende.

  • 3

    Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening.

Paragraaf 3 Financiën

Artikel 7 Wijze van ter beschikking stellen middelen

  • 1

    Indien het trajectplan is vastgesteld draagt het college zorg voor inkoop, aanmelding en betaling van de voorziening.

  • 2

    Aan de belanghebbende worden op voorhand geen geldelijke middelen ter beschikking gesteld, behoudens kosten die worden gemaakt in het in het kader van een traject en de in artikel 16 van deze verordening bedoelde kosten.

Paragraaf 4 Voorwaarden en verplichtingen

Artikel 8 Verplichtingen van de cliënt

  • 1

    Een uitkeringsgerechtigde aan wie door het college een voorziening aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.

  • 2

    De persoon die deel neemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ, de Bbz, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.

  • 3

    Indien de uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan het gestelde in dit artikel, kan het college de uitkering afstemmen conform de Afstemmingsverordening WWB IOAW IOAZ 2010.

  • 4

    Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in dit artikel, kan het college de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

Artikel 9 Inkomen

  • 1

    De Anw-er of Nugger heeft recht op een volledige bijdrage in de kosten van aangeboden voorzieningen ingevolge deze verordening indien het gemiddelde netto gezinsmaandinkomen gedurende de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag minder bedraagt dan 130% van de van toepassing zijnde maanduitkering als genoemd in de artikelen 20 tot en met 30 van de wet.

  • 2

    Onder inkomen wordt verstaan het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de wet.

  • 3

    Indien het inkomen van belanghebbende boven het in het eerste lid genoemde bedrag ligt, wordt dit meerinkomen volledig meegenomen in de bepaling van de draagkracht.

  • 4

    De periode waarover de draagkracht in aanmerking wordt genomen, is dezelfde periode gedurende welke gebruik wordt gemaakt van de voorziening.

  • 5

    Teneinde het college in staat te stellen de hoogte van het inkomen te kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante inkomensgegevens met betrekking tot de in het eerste lid genoemde periode.

Artikel 10 Vermogen

  • 1

    De Anw-er of Nugger heeft recht op een volledige tegemoetkoming in de kosten van de voorziening ingevolge deze verordening indien het vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet.

  • 2

    Indien het vermogen meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, wordt 100% van het meerdere als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 3

    Bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen wordt uitgegaan van de stand van het vermogen ten tijde van het doen van de aanvraag.

  • 4

    Teneinde het college in staat te stellen de hoogte van het vermogen kunnen bepalen overlegt de belanghebbende bij het doen van de aanvraag alle relevante gegevens omtrent het vermogen

Paragraaf 5 Voorzieningen

Artikel 11 Algemene bepalingen over de voorzieningen

  • 1

    In de beleidregels van de verordening wordt vastgelegd welke voorzieningen het college biedt alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

  • 2

    Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW en de IOAZ en deze verordening, aan het verstrekken van de voorziening nadere verplichtingen verbinden.

  • 3

    Het college kan een voorziening beëindigen:

    a. Indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, artikel 13 en 37 IOAW, artikel 13 en 37 IOAZ of in het eerste lid niet nakomt;

    b. Indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;

    c. Indien de persoon verhuist naar een andere gemeente;

    d. Indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;

    e. Indien naar oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    f. Indien de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening.

Artikel 12 Startkwalificatie

  • 1

    Aan een uitkeringsgerechtigde die op grond van artikel 9a van de wet of artikel 38 van de IOAW of de IOAZ is vrijgesteld van de arbeidsverplichting wordt door het college een scholingsaanbod gedaan dat leidt tot het behalen van een startkwalificatie of een opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.

  • 2

    Voor een uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, als bedoeld in artikel 10a van de wet, artikel 38 a van de IOAW of de IOAZ en artikel 13 van deze verordening en die niet beschikt over een startkwalificatie, wordt binnen 6 maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan de vergroting van de kans op arbeidsinschakeling.

  • 3

    Het college betrekt in de beoordeling:

    a. het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de additionele werkzaamheden uitvoert;

    b. de scholingswens van de belanghebbende;

    c. de eventuele test door het scholingsinstituut.

Artikel 13 Participatieplaats

  • 1

    Het college kan een uitkeringsgerechtigde die niet direct bemiddelbaar is, een participatieplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden conform artikel 10a van de wet of artikel 38 a van de IOAW of de IOAZ.

  • 2

    Het doel van de participatieplaats is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie en daarnaast werken aan belemmeringen opgeworpen door persoonsgebonden factoren.

  • 3

    De participatieplaats kan gecombineerd worden met een opleiding ter verkrijging van een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.

  • 4

    De participatieplaats duurt maximaal 24 maanden met de mogelijkheid van verlenging van twee maal één jaar.

  • 5

    Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde additionele werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, lid 6 van de wet, artikel 38 lid 6 van de IOAW, artikel 38 lid 6 van de IOAZ, een premie van telkens € 300,00 telkens nadat hij gedurende zes maanden additionele werkzaamheden heeft verricht.

  • 6

    De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen zijn geschonden.

  • 7

    Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 8

    In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel en omvang van de participatieplaats alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

Artikel 14 Subsidie in loonkosten

  • 1

    Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een uitkeringsgerechtigde, een Anw-er of Nugger een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan wel participatie.

  • 2

    De loonkostensubsidie wordt verstrekt conform de voorwaarden genoemd in de “ Beleidsaanbeveling inzake werkgelegenheidssteun” zoals opgenomen in de bijlage 1 bij deze verordening.

  • 3

    De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt.

Artikel 15 Inkomstenvrijlating

De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of heeft aanvaard, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm en maximale toeslag, heeft recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid conform in artikel 31 tweede lid onder o van de wet.

Artikel 16 Premies

  • 1

    Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie toekennen.

  • 2

    Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een premie toekennen met in achtneming van het gestelde in artikel 31, tweede lid onder j en k van de wet.

  • 3

    Het college stelt nadere regels op over de doelgroepen en de hoogte van de premies.

Artikel 17 Overige kosten

  • 1

    Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling dan wel (maatschappelijke) participatie, voor zover deze niet worden vergoed door de werkgever.

  • 2

    Het college stelt nadere regels op over de doelgroep en de hoogte van de vergoeding.

Artikel 18 Overige voorzieningen

Het college kan aanvullend op de bestaande voorzieningen, een nieuwe voorziening aanbieden, mits deze gericht is op arbeidsinschakeling.

Paragraaf 6 Slotbepalingen

Artikel 19 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt.

Artikel 20 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 21 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Re-integratieverordening WWB IOAW IOAZ 2010”.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. Bij de inwerkingtreding van deze verordening komt de verordening “Re-integratieverordening 2004 Wet Werk en Bijstand” te vervallen.

Artikel 23 Overgangsrecht

  • 1

    De belanghebbende die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in loondienst heeft aanvaard en op grond van de “Re-integratieverordening 2004 recht had op een premie, behoudt dit recht en ontvangt een premie ter hoogte van het gestelde in de nadere regels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010”.

  • 2

    De belanghebbende die maximaal 6 maanden voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening werk in deeltijd of vrijwilligerswerk heeft aanvaard en dit ten tijde van de inwerkingtreding nog steeds uitoefent, ontvangt alsnog een premie ter hoogte van het gestelde in de nadere regels behorende bij de “Re-integratieverordening 2010”.

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad.