Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Leeuwarden

Huisvestingsverordening van de gemeente Leeuwarden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLeeuwarden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingHuisvestingsverordening van de gemeente Leeuwarden
CiteertitelHuisvestingsverordening van de gemeente Leeuwarden
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Huisvestingswet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

06-03-200806-03-2008intrekking

18-02-2008

Onbekend

196048
04-12-2003nieuwe regeling

26-11-2003

Huis aan Huis, december 2003

15869

Tekst van de regeling

Intitulé

Huisvestingsverordening van de gemeente Leeuwarden

Inleiding

Op 26 november 2003 heeft de Raad van de Gemeente Leeuwarden de kamerverhuurregeling, zoals deze nu voor u ligt vastgesteld. Deze kamerverhuurregeling bestaat uit de huisvestingsverordening en hoofdstuk 6a van de bouwverordening.

De huisvestingsverordening vindt haar oorsprong in de Huisvestingswet en beoogt volkshuisvestingsbelangen te regelen. De verordening bevat in hoofdstuk 2, paragraaf 2.1 de regeling voor splitsing in appartementsrechten. U vindt hier welke criteria gelden voor vergunningverlening en welke stukken u bij een aanvraag moet overleggen. In paragraaf 2.2 is geregeld in welke gevallen zelfstandige woonruimte (“gewone woning”) in onzelfstandige woonruimte (een kamerverhuurpand) mag worden omgezet. Het is van belang er op te wijzen dat een omzettingsvergunning niet zal worden verleend, wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand, liggende de wijk Achter de Hoven, Vlietzone, Cambuur, Oranje Wijk of de Vrijheidswijk.

Wanneer een omzettingsvergunning is verleend of een pand als kamerverhuurpand is geregistreerd, dient het betreffende pand te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in hoofdstuk 6a van de bouwverordening en de daarbij behorende bijlage. Wanneer een pand aan de opgenomen vereisten voldoet wordt een “gebruiksvergunning” verleend. Het pand mag vanaf het moment dat de gebruiksvergunning is verleend gebruikt worden als kamerverhuurpand. HUISVESTINGSVERORDENING

Gemeente Leeuwarden

Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

a.

wet:

b.

de huisvestingswet;

c.

besluit:

d.

het huisvestingsbesluit;

e.

huishouden:

f.

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren;

g.

ingezetene:

h.

degene die in het bevolkingsregister van de Gemeente Leeuwarden is opgenomen, en feitelijk in de gemeente hoofdverblijf heeft in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte;

i.

woonruimte:

j.

het daaromtrent in artikel 1, lid 1b, van de wet bepaalde;

k.

zelfstandige woonruimte:

l.

woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;

m.

kamerverhuurpand:

n.

gebouw of een deel van een gebouw met of geschikt te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logies gebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit die als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in een gezinsverband levende personen;

o.

onzelfstandige woonruimte, kamer:

p.

een verblijfsruimte die door de aard van de inrichting en gebruik, het privé domein is van een bewoner en is aangewezen op het gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen;

q.

gemeenschappelijke voorzieningen:

r.

ruimten, opstelplaatsen, aansluitingen, installaties, apparatuur en dergelijke die gebruikt kunnen worden door de bewoners van twee of meer kamers;

s.

kamerverhuur:

t.

de verhuur van een deel van al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van (langdurige) bewoning aan personen voor welke bewoning inschrijving in het bevolkingsregister noodzakelijk is;

u.

huurprijs:

v.

het daaromtrent in artikel 1, lid f, van de wet bepaalde;

w.

bewoning:

x.

met bestemming tot bewoning wordt bedoeld dat men daar permanent woont en daar zijn hoofdverblijf heeft, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie (Wet GBA);

y.

splitsingsvergunning:

z.

de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de wet;

aa.

omzettingsvergunning:

bb.

de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid sub c, van de wet;

cc.

exploitant:

dd.

persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een pand als omschreven onder g. exploiteert;

ee.

straat:

ff.

straat of straatdeel, zoals gecodeerd aangeduid in het KPN postcodeboek en de KPN telefoongids;

gg.

bouwtechnisch rapport:

hh.

een bouwtechnisch rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw;

ii.

woningcomplex:

jj.

samengesteld geheel van tenminste drie gestapelde woningen;

kk.

bouwverordening:

ll.

de geldende bouwverordening van de Gemeente Leeuwarden.

Hoofdstuk 2: Wijziging van de samenstelling van de Woonruimtevooraad

Paragraaf 2.1 Splitsing in appartementsrechten

Artikel 2.1.1 Werkingsgebied

Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op alle bestaande gebouwen bevattende woonruimte in de Gemeente Leeuwarden.

Artikel 2.1.2 Vergunningsvereiste

  • 1.

    Het is verboden om zonder splitsingsvergunning van burgemeester en wethouders een recht op een gebouw, aangewezen in artikel 2.1.1, te splitsen in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en derde lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van deelnemings- of lidmaatschaprechten of het aangaan van een verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot een gebouw als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.1.3 Aanvragen van een splitsingsvergunning

  • 1.

    De aanvraag voor een splitsingsvergunning wordt in drievoud ingediend bij burgemeester en wethouders op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier dat op verzoek van de aanvrager ter beschikking wordt gesteld en gaat vergezeld van de volgende bescheiden:

    mm.

    kadastrale ligging van het te splitsen gebouw;

    nn.

    bouwjaar van het te splitsen gebouw;

    oo.

    een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    pp.

    het aantal appartementsrechten waarin het recht op gebouw zal worden gesplitst;

    qq.

    de tegenwoordige en toekomstige bestemming van de te vormen appartementsrechten;

    rr.

    de namen en adressen van de bewoners van het te splitsen gebouw;

    ss.

    een bouwtechnisch rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw;

    tt.

    een korte omschrijving welk onderhoud gaat vallen onder de verantwoordelijkheid van de vereniging van eigenaren;

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bescheiden nadere regelen te stellen of aanvullende gegevens op te vragen.

Artikel 2.1.4 Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning weigeren indien:

  • a.

    het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of met enig wettelijk voorschrift geheel of gedeeltelijk voor een ander doel van voor bewoning in gebruik is genomen;

  • b.

    niet is gewaarborgd dat die woonruimte of woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijven voor bewoning;

  • c.

    het belang dat de aanvrager bij de splitsing heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd. Bij de beoordeling van het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad worden mede de ligging en de te verwachten vraag naar de in het betreffende gebouw of de in een gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, opgenomen woonruimten betrokken.

Burgemeester en wethouders kunnen eveneens een splitsingsvergunning weigeren indien de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud geheel of ten dele tegen de splitsing verzet en de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat die gebreken zullen worden opgeheven, dan wel niet binnen de op basis van artikel 2.1.5 lid 4 gestelde termijn de gebreken zijn hersteld.

Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake indien:

  • d.

    burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 14, 15, 16 en 19 van de Woningwet een aanschrijving hebben gedaan en deze aanschrijving nog niet is uitgevoerd;

  • e.

    het gebouw waarop de aanvraag om een splitsingsvergunning betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat, die ingevolge de artikelen 29 en 30 van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.

Burgemeester en wethouders kunnen eveneens een splitsingsvergunning weigeren wanneer de huurprijs van een of meer der woonruimten het bedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a van de Huursubsidiewet, niet te boven gaat.

In afwijking van het bepaalde in het vorige lid is het bepaalde in paragraaf 2.1 niet van toepassing op onzelfstandige woonruimten, ligplaatsen voor woonschepen en woonruimte als bedoeld in artikel 6 eerste lid van de Huisvestingswet.

Artikel 2.1.5 Aanhouding van de splitsingsaanvraag

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op de aanvraag voor een splitsingsaanvraag aanhouden, indien voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is voordat de aanvraag om vergunning werd ingediend en redelijkerwijs verwacht mag worden dat de uitvoering van sanerings-, reconstructie- of verbeterplannen nadelig zal worden beïnvloed door het afgeven van de vergunning en de mogelijk daaraan verbonden rechtsgevolgen;

  • 2.

    De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt tot het moment dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vervallen;

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij binnen een door burgemeester en wethouders gestelde redelijke termijn de gebreken als bedoeld in artikel 2.1.4 tweede lid met het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen.

  • 4.

    Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om een splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit aangegeven termijn, eindigt aanhouding. Indien de gebreken niet zijn hersteld binnen de in het besluit aangegeven termijn wordt de aanvraag geweigerd.

Artikel 2.1.6 Beslissing op het in behandeling nemen van de aanvraag splitsingsvergunning

uu.

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1.2 binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

vv.

In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal voor ten hoogste 12 weken verdagen.

ww.

Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na de ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt vier weken.

xx.

In de splitsingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders tenminste de volgende informatie:

yy.

de mededeling dat binnen één jaar na onherroepelijk worden van de splitsingsvergunning gebruik gemaakt moet worden;

zz.

het gebouwd onroerend goed waarop de splitsing betrekking heeft.

Artikel 2.1.7 Intrekken van de vergunning

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning intrekken, indien:

de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;

de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nagekomen;

niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten.

Vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon en leefmilieu van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft.

Burgemeester en wethouders gaan niet tot intrekking van de vergunning over, voordat degene te wiens aanzien het besluit tot intrekking wordt genomen bij aangetekende brief is gewaarschuwd dat zij de vergunning zullen intrekken, indien voor een te bepalen datum niet zodanige maatregelen en / of voorzieningen zijn getroffen, dat alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens burgemeester en wethouders te doen horen.

Paragraaf 2.2 Omzetting

Artikel 2.2.1 Werkingsgebied

Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op alle gebouwen bevattende woonruimte in de Gemeente Leeuwarden.

Artikel 2.2.2 Vergunningsvereiste

Het is verboden een woonruimte, aangewezen in artikel 2.2.1 met het oog op het behoud of samenstelling van de woonruimte voorraad, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Artikel 2.2.3 Aanvragen van een omzettingsvergunning

De aanvraag voor een omzettingsvergunning wordt in drievoud ingediend bij burgemeester en wethouders op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier dat op verzoek van de aanvrager ter beschikking wordt gesteld en gaat vergezeld van de volgende informatie en bescheiden in drievoud:

Naam en adres van de eigenaar of diens gemachtigde

Gegevens over de huidige situatie:

aantal kamers;

woonoppervlak;

woonlaag;

een door een deskundige opgemaakt bouwtechnisch rapport betreffende het gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het gebouw. Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw;

gegevens van de beoogde situatie:

bestemming;

bouwtekening met vermelding van functie / bouwvergunning;

tekening met gevelaanzichten;

kadastrale kaart;

aantal onzelfstandige woonruimten, kamers;

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bescheiden nadere regelen te stellen of aanvullende gegevens op te vragen omtrent inhoud, uitvoering en vorm van indiening.

Artikel 2.2.4 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning weigeren indien:

het belang dat de aanvrager bij de omzetting heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimte-voorraad. Bij de beoordeling van het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad worden mede de ligging en de te verwachten vraag naar het type woonruimte waarop de ver-gunningaanvraag betrekking heeft betrokken.

Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning indien:

vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de omzettingsvergunning ten behoeve van kamerverhuur zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw wordt in ieder geval aanwezig geacht indien meer dan 10% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de betreffende straat met dezelfde postcode wordt gebruikt voor huisvesting als bedoeld in artikel 2.2.2

indien de aanvraag betrekking heeft op een pand, dat minder dan twee panden verwijderd is van een geregistreerd kamerverhuurpand, dan wel van een pand waarvoor een aanvraag tot registratie of omzettingsvergunning is ingediend.

de aanvraag betrekking heeft op een straat in de wijk:

Achter de Hoven

Vlietzone

Cambuur

Oranje Wijk

Vrijheidswijk

Als gebieden, bedoeld in het vorige lid geldt het gebied, dat op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig zijn aangegeven

Artikel 2.2.5 Woningcomplex

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van artikel 2.2.4 lid 2 een aanvraag omzettingsvergunning verlenen, wanneer de aanvraag een woningcomplex, als bedoeld onder artikel 1.1 onder r. betreft; en burgemeester en wethouders van mening zijn dat er geen ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt ontstaat en de aanvraag alle ruimten van het woningcomplex betreft.

Artikel 2.2.6 Beslissing op de aanvraag omzettingsvergunning

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2.2 binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal voor ten hoogste 12 weken verdagen.

Van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na de ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt vier weken.

In de omzettingsvergunning vermelden burgemeester en wethouders de volgende informatie:

de mededeling dat binnen één jaar van de omzettingsvergunning gebruik gemaakt moet worden;

de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft.

het aantal kamers

Artikel 2.2.7 Het vervallen van de omzettingsvergunning

Een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 vervalt van rechtswege indien:

het gebouw, waarvoor de vergunning geldt, uiterlijk twee jaren nadat het door brand of een vergelijkbare calamiteit is verwoest, vernield of beschadigd, niet zodanig is hersteld dat weer wordt voldaan aan de vergunningsvereisten;

de vergunninghouder het gebruik van het gebouw waarvoor de omzettingsvergunning is verleend beëindigt.

Artikel 2.2.8 Intrekken van de omzettingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen de omzettingsvergunning intrekken indien:

de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;

de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nagekomen;

de vergunninghouder een jaar na onherroepelijk worden van de vergunning daarvan nog geen gebruik heeft gemaakt;

vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat handhaving van de vergunning zou leiden tot een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, dan wel een verstoring van een geordend woon en leefmilieu van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;

de exploitant een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6a van de Bouwverordening van de Gemeente Leeuwarden voor zijn kamerverhuurpand is geweigerd, dan wel ingetrokken.

het aantal onzelfstandige woonruimten en/of het aantal bewoners afwijkt van het in de aanvraag vermelde aantal.

Burgemeester en wethouders gaan niet eerder tot intrekking van de vergunning over, voordat degene te wiens aanzien het besluit tot intrekking wordt genomen bij aangetekende brief is gewaarschuwd dat zij de vergunning zullen intrekken, indien voor een te bepalen datum niet zodanige maatregelen en / of voorzieningen zijn getroffen, dat alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens burgemeester en wethouders te doen horen.

Hoofdstuk 3: Verdere bepalingen

Artikel 3.1 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening.

Artikel 3.2 Strafbepaling

Hij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.1.2 en artikel 2.2.2 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Artikel 3.3 Handhaving

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

Met de opsporing van de bij artikel 3.2 strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en de in artikel 75 van de Huisvestingswet aangewezen ambtenaren, belast de in het eerste lid genoemde ambtenaren, voor zover zij door de minister van justitie daartoe zijn aangewezen.

De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden als genoemd in artikel 77 van de Huisvestingswet.

Artikel 3.4 Restbepaling

In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaarse woonruimte.

Artikel 3.5 Leges

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag splitsingvergunning en een omzettingsvergunning zijn leges verschuldigd. De leges staan opgenomen in de op het moment van indiening geldende legesverordening Leeuwarden.

HOOFDSTUK 4: Overgangs en slotbepalingen

Artikel 4.1 Overgangsbepaling

Aanvragen om verlening van volgens deze verordening gelijkgestelde vergunning welke vóór of op de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend worden behandeld volgens het voordien geldende recht, indien dit voor de betrokkene gunstiger is.

Artikel 4.2 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als de “Huisvestingsverordening van de gemeente Leeuwarden”.

KAARTEN BEHORENDE BIJ DE HUISVESTINGSVERORDENING

Gemeente Leeuwarden

Toelichting op de Huisvestingsverordening

Algemeen

De huisvestingsverordening is voor een groot deel gebaseerd op de model huisvestingsverordening van de VNG en op de vorige huisvestingsverordening die van kracht was. Deze verordening vindt haar oorsprong in de Huisvestingswet en beoogt volkshuisvestingsbelangen te regelen.

Deze toelichting is bedoeld om de kenbaarheid van de verordening te vergroten. De verordening maakt in hoofdstuk 2 onder paragraaf 1 “Splitsing in appartementsrechten” het splitsen van rechten op gebouwen vergunningplichtig. Dit heeft tot doel te voorkomen dat zonder enige controle rechten op complexen worden gesplitst. De splitsingsvergunning beoogt een tweeledige gemeentelijke controle. Enerzijds kan hiermee worden voorkomen dat te veel huurwoningen worden onttrokken aan de huursfeer. Anderzijds, en dat is minstens zo belangrijk, beoogt de regeling controle op de bouwkundige staat en onderhoud van het complex. Daarnaast dient er voldoende aanbod van huurwoningen in het goedkopere segment in de Gemeente Leeuwarden te blijven bestaan. Aanvragen voor een splitsingsvergunning waarin de woonruimten waarop de aanvraag betrekking heeft de huurgrenzen als genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a van de Huursubsidiewet niet te boven gaat kunnen worden geweigerd zodat het aanbod in dit toch al krappe huursegment blijft gewaarborgd.

In hoofdstuk 2 onder paragraaf 2 “omzetting” wordt beoogd de groei van het aantal kamerverhuurpanden te reguleren. Doel van de regeling is te zorgen voor een spreiding van de kamerverhuurpanden en in buurten waar al veel kamerverhuurpanden voorkomen uitbreiding daarvan tegen te gaan. Primair is het een volkshuisvestingsbelang dat regulering nodig maakt. Dat belang is gelegen in:

het behoud van een redelijke voorraad (goedkope) koopwoningen;

een redelijke geografische spreiding van de kamerverhuurpanden, zodat niet te veel druk op de leefbaarheid van bepaalde wijken, buurten en straten ontstaat;

het belang van de kamerbewoning bij ordentelijke huisvesting.

Door niet meer dan 10% van de tot bewoning bestemde gebouwen in een straat in aanmerking te laten komen voor een omzettingsvergunning wordt getracht een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt te “tackelen” en de hierboven genoemde belangen zoveel mogelijk te waarborgen. Daarnaast biedt deze regeling de mogelijkheid tot uitbreiding van het aantal kamerverhuurpanden om de alsmaar groeiende studentenpopulatie te voorzien van geschikte en (brandveilige) woonruimte.

De 10% regeling voor omzettingsvergunningen ten behoeve van kamerverhuur is gerelateerd aan een straat of straatsdeel. Hiervoor is gekozen omdat dit een werkbare en voor alle partijen overzichtelijke manier van verruiming van de regeling is. 10% van alle panden in een straat of straatsdeel zoals gecodeerd aangeduid in het KPN postcode- en telefoonboek komt in aanmerking voor een omzettingsvergunning. Daarnaast worden wijken waar op dit moment het geordend woon- en leefmilieu onder druk is komen te staan uitgesloten voor verruiming.

Heeft de aanvraag omzettingsvergunning betrekking op een straat in de wijken:

Achter de Hoven

Vlietzone

Cambuur

Oranje Wijk,

Vrijheidswijk

dan wordt deze geweigerd.

Wanneer een pand in het register als kamerverhuurpand is opgenomen kan het pand worden voorzien van een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6a (gebruiksvergunning voor kamerverhuurpanden) van de Bouwverordening van de Gemeente Leeuwarden . Deze vergunning stelt technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid, hygiëne en brandveiligheid van het pand. Daarnaast worden gebruikseisen gesteld.

Paragraaf 1 Kamerverhuurpand

Begripsbepalingen kamerverhuurpand

Kamerverhuurpanden komen in vele soorten en maten voor. Daarom worden aan kamerverhuurpanden waarin meer dan 10 alleenstaanden in gehuisvest kunnen worden extra eisen gesteld. Deze moet worden voorzien van een ontruimingsinstallatie en een beheersplan. Een pand wordt aangemerkt als kamerverhuurpand wanneer deze wordt bewoond, of bewoond gaat worden, door drie of meer alleenstaanden. Ongeacht de grote hebben kamerverhuurpanden de volgende kenmerken:

De aard van het verblijf;

Er wordt permanent gewoond. Als gevolg van de permanente bewoning staan de bewoners meestal ingeschreven in het Bevolkingsregister op het adres van het kamerverhuurpand, of behoren zij daar te worden ingeschreven. Maatgevend is dit echter niet.

De aard van de inrichting en gebruik;

Elke bewoner heeft de beschikking over een privé-domein van één of meerdere ruimten. Daarbij maakt elke bewoner meestal gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen zoals, toilet-/badruimte, keuken e.d.

De aard van de bewoning;

De bewoners leven niet in gezinsverband. Voor elke bewoner of groep van bewoners is sprake van een apart huurcontract, een onderhuur-situatie of een ander civielrechtelijke overeenkomst dan wel onderlinge verhouding op grond waarvan de bewoner het exclusieve gebruiksrecht van één of meerdere ruimten heeft.

Een kamer bestaat uit één of meerdere ruimten die het privé-domein zijn van één bewoner. De kamer is daardoor vergelijkbaar met een kleine woning. Bij het beoordelen van wat het privé-domein van een bewoner is, is met name de aard van het gebruik en de inrichting van de ruimten maatgevend. Meestal is sprake van een zit- slaapsituatie en zullen de ruimten afsluitbaar zijn.

Paragraaf 2 Artikelsgewijze toelichting Huisvestingsverordening

In deze toelichting wordt niet ieder artikel uitvoerig besproken. De belangrijkste veranderingen ten opzichte van de voorheen vigerende Huisvestingsverordening staan hier aangegeven.

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

Onder f. en h. worden zelfstandige en onzelfstandige woonruimte gedefinieerd. Deze definities zijn opgenomen om een grens te kunnen trekken tussen onzelfstandige woonruimte (die wel onder de werking van de verordening valt) en voor inwoning bestemde woonruimte (die niet onder de verordening valt.) Dit heeft tot gevolg dat woningen die in hun geheel kamergewijs worden verhuurd onder de vergunningplicht vallen.

Onder i. wordt de term gemeenschappelijke voorzieningen gedefinieerd. Gemeenschappelijke voorzieningen zijn bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik door de bewoners van het kamerverhuurpand.

Artikel 2.1.1 Werkingsgebied

Op het hele grondgebied van de Gemeente Leeuwarden is voor gebouwen, waarin gewoond wordt, een splitsingsvergunning voorgeschreven. Gedachte hierachter is dat de praktijk hier voldoende zal filteren; er zullen geen splitsingsvergunningen worden gevraagd voor gebouwen, die zich daar niet toe lenen.

Geen splitsingsvergunning is vereist voor het splitsen van andere gebouwen. Niet-woongebouwen zullen immers naast juridische splitsing ook fysieke ingrepen behoeven voordat ze voor bewoning geschikt zijn. Zowel de functiewijziging als de verbouwing wordt dan getoetst aan o.a. planologische aanvaardbaarheid. Deze toetsing maakt dan al een regulering van gebruik door de gemeente mogelijk.

Artikel 2.1.2 Vergunningsvereiste (splitsing)

Het eerste lid maakt duidelijk dat “splitsing” vooral een juridische ingreep is. Zo kan bijvoorbeeld het eigendomsrecht van een verhuurder op een appartementsgebouw worden gesplitst in appartementsrechten. Gevolg is dat iedere “flat” juridisch gesproken voorwerp van een appartementsrecht wordt en daardoor zelfstandig verhandelbaar. Op het moment van splitsing gebeurt er fysiek helemaal niets; de oorspronkelijke eigenaar wordt nu rechthebbende op een verzameling appartementsrechten.

In het tweede lid wordt een andere constructie, die wordt gebruikt voor het juridisch splitsen, vergunningplichtig gemaakt. Om een voorbeeld te geven. Dezelfde eigenaar draagt zijn gebouw over aan een coöperatieve vereniging, die statutair evenveel leden kent als er “flats” zijn. Het lidmaatschap impliceert dan dat het lid de exclusieve bevoegdheid heeft om een flat te bewonen. Overdracht van het lidmaatschap impliceert dan overdracht van dat woonrecht aan het nieuwe lid.

Artikel 2.1.4 Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning

In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden geweigerd. In de eerste plaats zullen burgemeester en wethouders afwegen of het wenselijk is door splitsing de mogelijkheid te scheppen dat woningen aan de huurvoorraad worden onttrokken. Splitsing maakt de verhandeling van losse appartementen mogelijk; daarmee is dan tevens de mogelijkheid gecreëerd om huurwoningen om te zetten in koopwoningen. Uiteraard dienen burgemeester en wethouders daarbij na te gaan of de ligging van het te splitsen complex en eventuele schaarste van huurwoningen daarin reden tot weigering van de vergunning kunnen zijn. Om voldoende “goedkope” huurwoningen te behouden voor de huurmarkt kunnen aanvragen waarbij de huurprijs lager ligt dan de bedragen genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a van de Huursubsidiewet worden geweigerd.

Een andere belangrijke weigeringsgrond ligt in de staat van onderhoud van het te splitsen gebouw. Een gebouw mag slechts worden gesplitst als het op moment van aanvraag van de vergunning bouwkundig en uit onderhoudsoogpunt aan redelijkerwijs te stellen eisen voldoet. Dit is opgenomen om uitponding tegen te gaan. Zodat gebouwen aan het eind van hun exploitatie-periode niet zonder groot onderhoud worden verkocht en nieuwe verenigingen van eigenaren voor grote kosten komen te staan.

Artikel 2.2.2 Vergunningsvereiste (omzetting)

In dit artikel wordt bepaald dat zelfstandige woonruimten niet mogen worden omgezet in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Een zelfstandige woonruimte is een volledige woonvoorziening terwijl bij een onzelfstandige woonruimte er gemeenschappelijk gebruik van basisvoorzieningen als toilet etc. bestaat. Kenmerkend voor een onzelfstandige woonruimte is dat het niet over een eigen toegang beschikt.

Artikel 2.2.4 Gronden tot weigering van een omzettingsvergunning

In dit artikel wordt aangegeven op welke gronden een vergunning kan worden geweigerd. Net als bij splitsing dienen burgemeester en wethouders het belang dat de aanvrager heeft af te wegen tegen het behoud van de woonruimte voorraad. Daarnaast weigeren burgemeester en wethouders een omzettingsvergunning wanneer de concentratie van kamerverhuurpanden in een straat boven de 10% komt of wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand dat gelegen is naast een geregistreerd kamerverhuurpand. Deze weigeringsgronden zijn opgenomen om een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu tegen te gaan. Daarnaast zijn een aantal wijken uitgesloten van uitbreiding zie lid 2 onder c van de verordening. In deze wijken is al een groot aantal kamerverhuurpanden vertegenwoordigd en /of valt deze wijk in een gemeentelijk project stedelijke vernieuwing.

De gebieden waar een omzettingsvergunning wordt geweigerd staan aangegeven op de bij de verordening behorende kaarten.

Artikel 2.2.5 Woningcomplex

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van hetgeen beschreven in artikel 2.2.4, een aanvraag omzettingsvergunning in behandeling nemen wanneer de aanvraag een woningcomplex betreft. Wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat er geen een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in een straat of buurt ontstaat met het verlenen van de omzettingsvergunning, wordt de aanvraag in behandeling genomen.

Artikel 2.2.8 Intrekken van een omzettingsvergunning

Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid een reeds verstrekte vergunning in te trekken. Echter waarschuwen burgemeester en wethouders degene te wiens aanzien het besluit wordt genomen eerst per aangetekende brief en krijgt deze persoon ook een termijn om maatregelen te treffen om alsnog aan de bepalingen van de verordening te voldoen. Daarnaast wordt de persoon in de gelegenheid gesteld zich door of namens burgemeester en wethouders te doen horen.

Artikelen uit Hoofdstuk 3 en 4

Deze hoofdstukken bevatten de normale bepalingen om een verordening te handhaven alsmede een regeling van de inwerkingtreding.

Bouwverordening H6A Gemeente Leeuwarden

hoofdstuk 6a Kamerverhuurpanden

Artikel 6a.1.1 Begripsomschrijvingen

Dit hoofdstuk verstaat onder:

huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren;

kamerverhuurpand:

gebouw of een deel van een gebouw met of geschikt te maken voor drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logies gebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het bouwbesluit die als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden door niet in gezinsverband levende personen;

exploitant:

persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een pand als omschreven onder b. exploiteert;

straat:

straat of straatsdeel, zoals gecodeerd aangeduid in het KPN postcodeboek en de KPN telefoongids;

omzettingsvergunning:

de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid sub c, van de huisvestingswet;

NEN-norm:

een door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm;

Brandwerendheid:

de weerstand, uitgedrukt in minuten, welk een constructiedeel biedt aan verhitting volgens de proef, omschreven in NEN-6068;

rookvrije vluchtroute:

van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;

vluchtweg:

een weg, bestemd om de in een ruimte in een gebouw aanwezige personen, ingeval van brand, gelegenheid te geven vanaf die ruimte op een veilige wijze een veilige plaats te bereiken;

inspectierapport:

een namens burgemeester en wethouders opgesteld rapport waarin staat aangegeven welke voorzieningen getroffen moeten worden om een kamerverhuurpand in overeenstemming te brengen met de eisen genoemd in de bijlage bij de gebruiksvergunning kamerverhuur.

Artikel 6a.1.2 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een kamerverhuurpand in gebruik te nemen of te houden.

Artikel 6a.1.3 Registratie kamerverhuurpanden

Burgemeester en wethouders houden een register bij van kamerverhuurpanden.

In dit register worden opgenomen alle kamerverhuurpanden:

die als zodanig in gebruik waren voor 1 juli 1996;

waarvoor na 1 juli 1996 een omzettingsvergunning is verstrekt op basis van de hiervoor geldende verordeningen;

waarvoor een omzettingsvergunning is verstrekt op basis van de Huisvestingsverordening.

waarvoor een gebruiksvergunning is verstrekt op basis van deze verordening.

Kamerverhuurpanden als bedoeld in het tweede lid onder c. worden ambtshalve in het register opgenomen.

Artikel 6a.1.4 Vervallen registratie kamerverhuurpanden

Indien binnen 12 weken na registratie geen gebruiksvergunning is aangevraagd, vervalt de registratie van rechtswege.

Indien een aanvraag gebruiksvergunning is geweigerd of ingetrokken, vervalt de registratie van rechtswege.

Indien de omzettingsvergunning als bedoeld in de Huisvestingsverordening is ingetrokken vervalt de registratie van rechtswege.

Artikel 6a.1.5 Gebruikseisen

Voor het exploiteren van een kamerverhuurpand worden, onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, eisen gesteld, die in het kader van de veiligheid, alsmede de gezondheid, de reinheid en hygiëne van de gebruikers van dat kamerverhuurpand noodzakelijk zijn. Deze gebruikseisen zijn vermeld in paragraaf 4 van bijlage 6a van deze verordening.

Artikel 6a.1.6 Aanvragen van een gebruiksvergunning

De aanvraag voor een gebruiksvergunning wordt in drievoud ingediend bij burgemeester en wethouders op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier dat op verzoek van de aanvrager ter beschikking wordt gesteld. Deze dient de gegevens te bevatten die staan opgenomen in artikel 1.1 van bijlage 6a van deze verordening en wordt in drievoud aangeleverd.

De aanvraag om een gebruiksvergunning moet zijn voorzien van een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het kamerverhuurpand op een schaal van tenminste 1:100 die ook in drievoud dient te worden ingediend, aangevende de gegevens die staan opgenomen in artikel 1.2 van bijlage 6a van deze verordening.

De bij de aanvraag om een gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager en diens gemachtigde worden ondertekend dan wel gewaarmerkt.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie moet uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.

Indien uit de aanvraag blijkt dat in het kamerverhuurpand meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet het pand worden voorzien van een noodverlichting en vluchtwegaanduiding (artikel 3.7 van bijlage 6a van deze verordening), ontruimingsinstallatie (artikel 3.8 van bijlage 6a van deze verordening) en een beheersplan (artikel 1.3 van bijlage 6a van deze verordening).

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bescheiden nadere regelen te stellen of aanvullende gegevens te vragen omtrent inhoud, uitvoering, vorm, aantal en wijze van indiening.

Artikel 6a.1.7 Gronden tot weigering van een gebruiksvergunning

Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning indien:

de omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening is geweigerd;

de bouwvergunning dan wel de toestemming tot gebruikswijziging op grond van een bestemmingsplan is geweigerd;

na een periode van zes maanden, na de dag waarop het inspectierapport is verstuurd, is gebleken dat niet alle aanpassingen conform het inspectierapport zijn uitgevoerd en het pand niet in overeenstemming is gebracht met de eisen uit bijlage 6a van deze verordening;

het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan de overige bepalingen van de bouwverordening en het bouwbesluit;

dan wel niet binnen de gestelde termijn als genoemd in artikel 6a.1.8 lid 2 aan de aanschrijving is voldaan.

Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning indien:

vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de gebruiksvergunning ten behoeve van kamerverhuur zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft; een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het gebouw wordt in ieder geval aanwezig geacht indien meer dan 10% van de tot bewoning bestemde gebouwen in de betreffende straat (met dezelfde postcode) wordt gebruikt voor de huisvesting als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Huisvestingsverordening;

wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand, dat minder dan twee panden verwijderd is van een geregistreerd kamerverhuurpand als bedoeld in artikel 6a.1.3, dan wel een pand waarvoor een aanvraag tot registratie is ingediend.

wanneer de aanvraag betrekking heeft op een straat in de wijk of de gebieden:

Achter de Hoven

Vlietzone

Cambuur

Oranje wijk

Vrijheidswijk

als gebieden, bedoeld onder c geldt het gebied, dat op de bij de Huisvestingsverordening behorende kaarten als zodanig zijn aangegeven.

In afwijking van het eerste lid onder a kunnen burgemeester en wethouders een gebruiksvergunning verlenen indien er sprake is van:

een nieuw op te richten gebouw of een niet voor bewoning bestemd gebouw, dat geschikt wordt gemaakt voor het verlenen van huisvesting als bedoeld in artikel 1.1 onder g van de Huisvestingsverordening en waarvoor een bouwvergunning is verleend, en

zodanige voorzieningen in, aan en bij het gebouw zijn getroffen dat vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu, en

de aanvrager aannemelijk maakt dat het gebouw zodanig wordt beheerd dat vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu, en

is gebleken dat alle aanpassingen conform het inspectierapport zijn uitgevoerd en het pand in overeenstemming is gebracht met de eisen van bijlage 6a van deze verordening.

Indien de vergunning is geweigerd op grond van artikel 6a.1.7, wordt ook de registratie van het pand en of de omzettingsvergunning ingetrokken.

Artikel 6a.1.8 Aanhouding van de aanvraag gebruiksvergunning

Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag voor een gebruiksvergunning aan, indien:

voor hetzelfde pand een bouwvergunning, dan wel een toestemming tot gebruikswijziging als bedoeld in het vigerend bestemmingsplan en/of geldende Leefmilieu verordening in de zin van de wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en op de aanvraag dan wel wijziging van het gebruik nog niet is beslist;

voor hetzelfde bouwwerk een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2. van de Huisvestingsverordening is vereist en op de vergunningaanvraag nog niet is beslist;

voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de voorschriften als bedoeld in een der artikelen 14, 17, 18 van de Woningwet.

De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om een bouwvergunning of een gebruikswijziging, op een aanvraag omzettingsvergunning dan wel is voldaan aan de aanschrijving en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld. Indien niet binnen de termijn is voldaan aan de aanschrijving wordt de aanvraag geweigerd.

Indien blijkt dat aan of in het gebouw, waarop de aanvraag betrekking heeft, zonder de daartoe vereiste bouwvergunning, verbouwingen of veranderingen worden uitgevoerd, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het bepaalde in artikel 6a.1.9 lid 1, de beslissing op de aanvraag aanhouden tot het tijdstip van beslissing omtrent de bouwvergunning en- in het bevestigende geval- het gebouw in overeenstemming is gebracht met het bij die vergunning behorende, goedgekeurde bouwplan. Van deze aanhouding doen burgemeester en wethouders, voor afloop van de in artikel 6a.1.9 lid 1 genoemde termijn, schriftelijk mededeling aan de aanvrager.

Artikel 6a.1.9 Beslissing op de behandeling van de aanvraag gebruiksvergunning

Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag gebruiksvergunning binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

In afwijking van het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing eenmaal voor ten hoogste 12 weken verdagen.

van de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt vier weken.

Artikel 6a.1.10 Intrekken van de gebruiksvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning intrekken, indien:

de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;

de aan de gebruiksvergunning verbonden voorwaarden en/of voorschriften niet worden nagekomen of strijdig gehandeld wordt met de gebruiksvergunning;

de eisen, bedoeld in paragraaf 2,3,4 van bijlage 6a van deze verordening, na een bij aangetekende brief aan de vergunninghouder met een daarin genoemde termijn, niet worden nagekomen;

van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel van de vergunning gedurende een aaneengesloten periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;

de omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 Huisvestingsverordening is ingetrokken;

de samenstelling van (een gedeelte van) het gebouw waarin het kamerverhuurpand gevestigd is wordt veranderd;

de tot het kamerverhuurpand behorende installaties of voorzieningen worden veranderd;

burgemeester en wethouders overgaan tot een aanschrijving krachten de Woningwet betreffende het gebouw waarin het kamerverhuurpand gevestigd is;

burgemeester en wethouders het gebouw waarin het kamerverhuurpand gevestigd is onbewoonbaar hebben verklaard;

Burgemeester en wethouders gaan niet tot intrekking over, voordat degene te wiens aanzien het besluit tot intrekking wordt genomen bij aangetekende brief is gewaarschuwd dat zij de vergunning zullen intrekken, indien voor een te bepalen datum niet zodanige maatregelen en / of voorzieningen zijn getroffen, dat alsnog aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening wordt voldaan en hij/zij in de gelegenheid is gesteld zich door of namens burgemeester en wethouders te doen horen.

Indien de gebruiksvergunning is ingetrokken op grond van lid 1 kan ook de registratie van het pand of de omzettingsvergunning worden ingetrokken.

Artikel 6a.1.11 Vervallen van de gebruiksvergunning

Een vergunning als bedoeld in artikel 6a.1.2 vervalt van rechtswege indien:

het gebouw door brand of enige anders oorzaak zodanig is vernield of beschadigd, dat het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik moet worden gesteld;

de vergunninghouder het gebruik van het gebouw waarvoor de gebruiksvergunning is verleend beëindigd;

niet tijdig een verlening van de gebruiksvergunning is aangevraagd.

Artikel 6a.1.12 Geldingsduur van de gebruiksvergunning

De gebruiksvergunning heeft een geldingsduur van maximaal drie jaar. Deze periode kan telkens met drie jaar worden verlengd.

De verlenging dient uiterlijk drie maanden voor het aflopen van de vergunning te worden aangevraagd. De aanvraag voor verlenging wordt in drievoud ingediend op een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier.

De geldingsduur en het tijdstip waarvoor een verlenging moet zijn aangevraagd wordt in de vergunning vermeld.

Burgemeester en wethouders kunnen bij een verzoek om verlenging van de vergunning het overleggen van hetgeen beschreven in artikel 6a.1.6 vorderen.

Bij een aanvraag voor verlenging van de gebruiksvergunning, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan het kamerverhuurpand.

Artikel 6a.2.1 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van dit hoofdstuk naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de verordening.

Artikel 6a.2.2 Restbepaling

In de gevallen waarin dit hoofdstuk niet voorziet beslissen burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte.

Artikel 6a.2.3 Leges

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag gebruiksvergunning zijn leges verschuldigd. De leges staan opgenomen in het op het moment van indiening geldende legesverordening Leeuwarden.

Bijlage bij Hoofdstuk 6a Bouwverordening

Eisen gebruiksvergunning voor kamerverhuur

Paragraaf 1. Gegevens en bescheiden aanvraag

Paragraaf 2. Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne

Paragraaf 3. Technische eisen met betrekking tot brandveiligheid

Paragraaf 4. Gebruikseisen

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuurpand

Artikel 1.1 In de aanvraag op te nemen gegevens

De aanvraag om een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet de volgende gegevens bevatten.

De naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager.

Indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland.

De naam en het adres waarop de vergunning gesteld moet worden.

Het adres van het kamerverhuurpand.

De kadastrale aanduiding van het kamerverhuurpand.

Het aantal personen waarvoor het kamerverhuurpand is of zal worden ingericht.

Het aantal kamers die in het kamerverhuurpand aanwezig zijn of zullen zijn.

De wijze van verwarming van het kamerverhuurpand.

De vermelding of in het kamerverhuurpand het volgende aanwezig is:

noodverlichtingsinstallatie;

vluchtwegaanduiding;

ontruimingsalarminstallatie, handbediening;

telefoonaansluiting;

rookmelders.

Artikel 1.2 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden

De aanvraag om een gebruiksvergunning kamerverhuurpand als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet zijn voorzien van de volgende tekeningen.

Een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het kamerverhuurpand op een schaal 1 : 100, aangevende:

de afmetingen van het kamerverhuurpand en de binnen het kamerverhuurpand gelegen ruimten;

de aanduiding, overeenkomstig het woordgebruik in het Bouwbesluit, van de functie van elke ruimte of elke groep van bij elkaar behorende ruimten;

de hoogteligging van de verschillende vloeren van het kamerverhuurpand;

de trappen en de vloerafscheidingen;

de deuren en daglichtopeningen in de uitwendige scheidingsconstructies en, voor zover van belang voor het vluchten bij brand, tevens de inwendige scheidingsconstructies;

het aanrecht, de wastafel, de opstelplaats van kooktoestel, wasapparatuur, warmwatertoestel en de opstelplaats van stooktoestel of stookruimte;

de meterkast(en) of meterruimte;

de voorzieningen voor het verversen van binnenlucht, de voorzieningen voor de toevoer van lucht of verbrandingstoestellen en de leidingkokers;

de fietsenstalling;

de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen zoals de plaats van de brandslanghaspels, draagbare brandblustoestellen, noodverlichtingsinstallatie, vluchtwegaanduidingen (transparanten), ontruimingsalarminstallatie, nooduitgangen , zelfsluitende deuren en rookmelders;

de toe te passen brandwerende materialen.

Tekeningen met alle gevelaanzichten.

Een situatie van het kamerverhuurpand, vermeldende kadastrale aanduiding, de straat en het huisnummer op een schaal van 1 : 1000.

Artikel 1.3 Beheersplan

Voor een kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet een beheersplan worden aangeleverd. In dit beheersplan moet minimaal worden opgenomen de punten;

het aantal te verhuren kamers

wijze van verhuur / contractvorm

wijze van beheer

calamiteitenplan

contactpersonen bij calamiteiten

Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een kamerverhuurpand

Artikel 2.1 Kamers (verblijfsruimten)

De in een kamerverhuurpand gelegen kamers moeten, willen ze geschikt zijn voor gebruik door één persoon, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 11 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m;

Worden het aanrecht en het kooktoestel in de kamer gesitueerd, dan zal die ruimte, naast de vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, tevens een vloeroppervlakte van tenminste 2,1 x 1,2 m moeten omvatten voor plaatsings- en gebruiksruimte voor de keukenvoorziening met een minimale hoogte van 2,1 m.;

Wordt één kamer gebruikt door 2 personen dan moet deze kamer een vloeroppervlakte hebben van tenminste 32 m2 met een minimale hoogte van 2,1m en een minimale breedte van 1,8 m.;

Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 1 indien:

a.iedere voor kamerbewoning bestemde kamer een vloeroppervlakte heeft van tenminste 7,5 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m. en een minimale breedte van 1,8 m en;

er een vertrek voor gemeenschappelijke gebruik is van:

tenminste 17 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door drie bewoners en;

tenminste 18 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door vier bewoners en;

tenminste 19 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m. indien het pand wordt bewoond door vijf of meer bewoners en;

het aanrecht en het kooktoestel worden opgesteld hetzij in een afzonderlijke keuken, hetzij in het voor gemeenschappelijk gebruik bestemd vertrek.

2.a. er twee kamers in gebruik zijn door één persoon waarbij de totale vloeroppervlakte van de beide kamers gezamenlijk tenminste 11 m2 is met een minimale hoogte van 2,1 m. en een minimale breedte van 1.8 m. en;

de minimale vloeroppervlakte van elk van de kamers tenminste 4 m2 is.

Artikel 2.2 Toiletruimte

In een kamerverhuurpand moet voor elke vijf bewoners ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn.

Artikel 2.3 Badruimte

In een kamerverhuurpand moet voor elke acht bewoners ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn.

Artikel 2.4 Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel (keuken)

Zijn een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel in een aparte keukenruimte (verblijfsruimte) gelegen, dan moet deze een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte en ten minste 1,8 en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 5 m2 met ten minste 1 m2 worden vergroot.

Artikel 2.5 Berging, opslagruimte voor huishoudelijk afval en stallingruimte voor fietsen

Tot een kamerverhuurpand moet tenminste één, van buiten het kamerverhuurpand toegankelijke, afsluitbare ruimte behoren, met een vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2, waarvan de breedte tenminste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte tenminste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 3,5 m2 met tenminste 1 m2 worden vergroot.

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel mits een (inpandige) bergruimte aanwezig is die voldoende groot is om een aantal fietsen te stallen dat even groot is als het aantal bewoners dat in het pand mag wonen.

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel indien op het perceel waarop het pand zich bevindt geen voldoende bergruimte kan of mag worden opgericht, mits de exploitant aantoont dat er voldoende bruikbare stallingsruimte voor fietsen en afvalcontainers is en deze stallingsruimte gebruikt kan worden zonder dat de veiligheid van de bewoners in geval van brand door de gestalde fietsen en containers wezenlijk wordt aangetast.

Artikel 2.6 Telefoon-, radio- en televisieaansluiting

In een kamerverhuurpand moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden opgevangen, een aansluitpunt hiervoor aanwezig zijn.

Artikel 2.7 Bescherming tegen schadelijke en hinderlijke invloeden.

Geluidswering tussen ruimten en bescherming tegen geluid van installaties.

De karakteristieke isolatie-index voor lucht- en contactgeluid (Llu en Lco) tussen verblijfruimten en tussen verblijfsruimte en verkeersruimte, in een kamerverhuurpand, moeten ter beperking van geluidhinder in die verblijfsruimte, ten minste gelijk zijn aan -10 dB.

Het karakteristieke geluidsniveau van een in een kamerverhuurpand gelegen toilet met waterspoeling, mag ter beperking van geluidsoverlast in een niet tot dat kamerverhuurpand behorende verblijfsruimte, niet hoger zijn dan 40 dBA.

Burgemeester en wethouder kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel indien door de aard en samenstelling van de constructie niet aan de gestelde eis kan worden voldaan. Er dienen dan, ter goedkeuring van Burgemeester en Wethouder, zodanige maatregelen te worden getroffen, dat de hinder ten gevolge van zowel lucht als contactgeluid tot een minimum wordt beperkt. Burgemeester en wethouders kunnen de voorwaarde stellen dat de voorzieningen, opgesteld door een erkend adviesbureau, dienen te worden uitgevoerd.

Artikel 2.8 Onderhoud en het weren van schadelijk of hinderlijke gedierte.

Het normale onderhoud van een kamerverhuurpand dient zodanig te geschieden dat een kamerverhuurpand zich in een zindelijke staat bevindt.

In een kamerverhuurpand dient afval op zodanige wijze te worden bewaard dat schadelijk en hinderlijk gedierte niet wordt aangetrokken.

Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een kamerverhuurpand

Artikel 3.1 Constructieve veiligheid

Trappen en vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert: brandwerendheid van 30 minuten met betrekking tot bezwijken.

Artikel 3.2 Signalering brand

Op elke woonlaag dient in de rookvrije vluchtroute een niet-ioniserende rookmelder geplaatst te worden die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.

Artikel 3.3 Beperking van de ontwikkeling van brand

Bijdrage tot brandvoortplanting in de rookvrije vluchtroutes (m.u.v. 5%): tenminste klasse 2 voor wanden en plafonds en klasse T1 voor vloeren. Volgens NEN 6065

Bijdrage tot brandvoortplanting in de overige ruimten (m.u.v. 5%): klasse 4 voor wanden en plafonds en klasse T3 voor vloeren. Volgens NEN 6065

Artikel 3.4 Beperking van uitbreiding van brand

De WBDBO tussen brandcompartimenten dient 60 minuten te zijn.

De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten dient 30 minuten te zijn.

De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten en een van rook gevrijwaarde vluchtroute dient 30 minuten te zijn.

Artikel 3.5 Vluchten en vluchtmogelijkheden

Vanuit een subbrandcompartiment dient over ten minste twee onafhankelijke rookvrije vluchtroutes gevlucht te kunnen worden.

In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute indien;

de loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.

Artikel 3.6 Bestrijden van de brand

Met het oog op brandbestrijding dient een brandslanghaspel te worden geplaatst. De brandslanghaspel moet op een zodanige locatie worden geplaatst dat alle verblijfsruimten bereikt kunnen worden en de brandslanghaspel direct bereikbaar is vanuit een verblijfsruimte. Als gelijkwaardige oplossing kan worden gezien het toepassen van een draagbaar brandblustoestel van minimaal 6 kg, te plaatsen op iedere woonlaag en direct bereikbaar vanuit een verblijfsruimte.

Artikel 3.7 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding

Een kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet in de rookvrij vluchtroutes noodverlichting aanwezig zijn welke gedurende 60 minuten een verlichtingssterkte van 10 lux kan geven, alsmede de vluchtwegaanduidingen verlicht e.e.a. volgens NEN-EN 1838, uitgave 1999 en NEN 6088, uitgave 1995 en NEN 6088/A1 uitgave 1997.

Artikel 3.8 Ontruimingsalarminstallatie

Een kamerverhuurpand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet zijn voorzien van een ontruimingsinstallatie type C, conform NEN 2575 uitgave 2000.

Artikel 3.9 Definities

Als een brandcompartiment moet worden aangemerkt:

het totale gebouw en/of één of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m².

Als een subbrandcompartiment moet worden aangemerkt:

een verblijfseenheid met een oppervlakte van niet meer dan 40 m2 en /of één of meer met elkaar in verbinding staande overige ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van minimaal 3.5 m2 en maximaal 40 m2.

een kamer, slaapkamer, woonkamer, woonslaapkamer en keuken.

Als een verblijfsruimte moet worden aangemerkt:

ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.

Als rookvrije vluchtroute moet worden aangemerkt:

Van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een subbrandcompartement, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.

Paragraaf 4 Gebruikseisen voor een kamerverhuurpand

Artikel 4.1 Verlichting / elektrische installatie

Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik:

door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand;

door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

Het in het eerste lid bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van elektrische sterkstroominstallaties voor lage spanning, die voldoen aan de veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, opgenomen in NEN 1010, uitgave 2000.

Artikel 4.2 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden

In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen / opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, moeten vrij worden gehouden van brandbare goederen.

Een opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige regeling geëist mag niet worden afgesloten.

Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige te plaatsen dat:

door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand;

door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

Het in het derde lid bedoelde gevaar las gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van:

centrale verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 1986;

centrale verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999;

Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken van vast of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.

Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of gas afvoerkanaal.

Artikel 4.3 Voorzieningen voor de afvoer van rook

Het is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.

Het is verboden een rookkanaal uit te branden.

Het is verboden een rookkanaal of gas afvoerkanaal te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gas afvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar levert voor de veiligheid van personen.

Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.

Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

Artikel 4.4 Ontruimingsinstallatie

De ontruimingsinstallatie moet ten aller tijde gebruiksklaar zijn en in een goede staat verkeren, e.e.a. volgens de NEN 2575, uitgave 2000

De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.

Artikel 4.5 Vluchtwegaanduidingen (transparanten)

Indien op grond artikel 3.7 noodverlichting in het kamerverhuurpand aanwezig is, moet de vluchtwegaanduidingen (transparanten) hierop aangesloten zijn.

Artikel 4.6 Flessengasinstallatie/gasflessen

Een flessengasinstallatie voor verwarming of kookdoeleinden is niet toegestaan. Aanwezigheid van flessengas voor ander doeleinden is eveneens niet toegestaan.

Artikel 4.7 Rookvrije vluchtroutes en (nood)uitgangen

De rookvrije vluchtroutes moeten altijd over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels.

Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein.

Op de vloeren van de rookvrije vluchtroutes zijn losliggende leidingen en snoeren niet toegestaan.

Een (nood)uitgangsdeur moet bij aanwezigheid van personen in het kamerverhuurpand uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de (nood)uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp.

Waar op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuurpand behorende tekeningen) als zodanig is aangegeven, moet duidelijk zichtbaar het opschrift: "NOODDEUR VRIJHOUDEN" en/of "NOODUITGANG" zijn aangebracht, volgens NEN 3011, uitgave 1986.

Artikel 4.8 materiaalgebruik in de rookvrije vluchtroute

Stoffering en versiering in rookvrije vluchtroutes moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80° bedraagt.

De toegepaste bekledingsmaterialen in rookvrije vluchtroutes moeten voldoen aan:

NEN 1775, uitgave 1991, Klasse T1 t.b.v. vloeren;

NEN 6065, uitgave 1991, Klasse 2 t.a.v. overige aankleding en versiering;

NEN 6066, uitgave 1991, optische rookdichtheid < 2,2/m.

Artikel 4.9 Afval

Afval moet worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voor zover de containers binnen het kamerverhuurpand zijn opgesteld.

Artikel 4.10 Opslag van materialen

Buiten de daartoe op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuurpand behorende tekening(en) aangegeven ruimten mogen in het kamerverhuurpand geen grote hoeveelheden brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn. De kleine hoeveelheden zijn slechts voor eigen gebruik en zijn op doeltreffende wijze afgesloten.

Artikel 4.11 Periodieke controle

De exploitant draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige het nodige onderhoud wordt verricht en een controle wordt gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig reparaties worden verricht aan, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen:

brandslanghaspels;

draagbare brand blus toestellen;

telefooninstallaties;

sluitingsmechanisme van de zelfsluitende deuren;

noodverlichtingsinstallatie en vluchtwegaanduidingen (transparanten);

beweegbare onderdelen van (nood)uitgangen, vluchttrappen en vluchtladders.

De met controle belaste ambtenaren kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.

Artikel 4.12 Doorlopend toezicht

Gedurende de tijd dat bewoners in een kamerverhuurpand aanwezig zijn, moet een voor de naleving van de gebruiksvergunning kamerverhuur verantwoordelijk persoon aangewezen zijn die de aanwijzingen van de met controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren.

Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien, dat voor zover van toepassing:

rookvrije vluchtroutes of aanduidingen daarvan (transparanten), goed zichtbaar zijn;

rookvrije vluchtroutes goed bereikbaar zijn;

rookvrije vluchtroutes en het als verlengstuk van de vluchtroute aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein, met de daarbij behorende deuren en (nood)uitgangen, niet versperd zijn door obstakels;

rookvrije vluchtroutes worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs;

(nood)verlichting goed functioneert;

telefoons goed bereikbaar zijn;

brandblusmiddelen goed bereikbaar zijn;

het sluiten van rook- en/of brandwerende deuren c.q. luiken niet wordt belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn;

elektrische snoeren, stekkers en toestellen in goede staat verkeren;

geen brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van vuur, gas en/of elektriciteit;

meldpunten t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar zijn;

gebreken direct worden hersteld.

Artikel 4.13 Brandveiligheidsinstructies

De bewoners van een kamerverhuurpand dienen door of namens de vergunninghouder geïnstrueerd te worden in de voor hun geldende brandveiligheidsinstructies. Tevens dienen de voorschriften met betrekking tot voorkoming van brand en het beperken van ongevallen opgenomen te zijn in het huisreglement welke centraal in de woning is opgehangen.

Nota van toelichting / verwijderen!!!

Artikelsgewijze toelichting gebruiksvergunning kamerverhuur

Artikel 6a.1.3 Registratie kamerverhuurpanden

Alle kamerverhuurpanden die bij de Gemeente Leeuwarden in het register zijn opgenomen worden of zijn voorzien van een gebruiksvergunning. Panden die niet in het register staan opgenomen, hebben geen toestemming van de Gemeente Leeuwarden tot kamergewijze verhuur.

Artikel 6a.1.7 Gronden tot weigering van een gebruiksvergunning

Indien een gebruiksvergunning wordt geweigerd wordt ook de registratie van het pand of de omzettingsvergunning ingetrokken. Dit heeft tot doel dat hetzelfde pand niet nogmaals in het gebruiksvergunning traject terechtkomt wanneer het van eigenaar of aanvrager verandert.

Daarnaast wordt tevens een gebruiksvergunning geweigerd wanneer de aanvraag betrekking heeft op een pand gelegen in een straat in de wijk:

Achter de Hoven

Vlietzone

Cambuur

Oranje Wijk

Vrijheidswijk

Dit lijkt dubbel aangezien deze beperking ook is opgenomen bij de gronden tot weigering van een omzettingsvergunning. Dat is het echter niet. De Gemeente Leeuwarden is van mening dat wanneer een wijk wordt uitgesloten van verdere uitbreiding van kamerverhuurpanden dit alle panden betreft, dus ook bedrijfspanden. Wanneer in een bestemmingsplan een pand valt binnen de bestemming gemengde doeleinden mag binnen deze bestemming gewoond worden. Het kan voorkomen, dat het begrip wonen in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd is en dus wordt er in zo`n geval qua bestemmingsplan geen belemmering opgeworpen om het pand te gebruiken voor kamerverhuur. Om deze situaties te ondervangen is deze weigeringsgrond opgenomen.

Bijlage bij de gebruiksvergunning kamerverhuur

Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuurpanden

Hierin wordt aangegeven waaraan een aanvraag dient te voldoen om in behandeling te worden genomen. Voor panden waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet een beheersplan worden aangeleverd. Dit is opgenomen om de verhuurder vooraf bewust met de beheerssituatie te confronteren om toekomstige overlast te voorkomen en bij eventuele calamiteiten doeltreffend te kunnen handelen.

Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een kamerverhuurpand

Om volwaardig gebruik en bewoning van een kamerverhuurpand mogelijk te maken zijn een aantal minimum eisen gesteld aan de inrichting van een pand.

Per kamerbewoner moet sprake zijn van een minimale oppervlakte aan beschikbare verblijfsruimte. Daarbij kunnen gemeenschappelijke verblijfsruimten (denk aan keuken, woonkamer) naar rato worden meegerekend. Om de bedoeling van het begrip “kamer” duidelijk te houden is vervolgens gesteld dat de kamerbewoner over minstens één privé verblijfsruimte moet beschikken met minimale afmetingen om daarmee over voldoende gebruiks- en inrichtingsmogelijkheden te beschikken.

Daarnaast zijn eisen opgenomen over het aantal personen dat gebruik mag maken van één toilet- en één badruimte en de minimale vierkante meters van een keuken om de bruikbaarheid van een kamerverhuurpand te waarborgen.

Ook is een van buiten de woning bereikbare bergruimte vereist. In afwijking van het bouwbesluit is dit punt opgenomen in de regeling. De marktwerking zoals men verwacht bij de woningbouw is niet te verwachten bij kamerverhuurpanden. Het voorkomt tevens dat bergingen en fietsenstallingen worden verhuurd aan personen om te gebruiken als slaap-, woonkamer zoals reeds in de praktijk is tegenkomen. Er dient dus zorg voor worden gedragen dat de fietsen, huishoudelijk afval etc. in een daarvoor bestemde ruimte kunnen worden gestald zodat ze de vluchtwegen (gang/hal)niet belemmeren en deze ruimte ook niet voor andere doeleinden verhuurd kan worden. In bestaande situaties is het niet altijd mogelijk om een dergelijke ruimte te realiseren of staan de kosten niet in verhouding tot het resultaat. In deze situaties kan een vrijstelling worden verleend mits de exploitant kan aantonen dat er voldoende bruikbare stallingruimte voor fietsen (bijv. fietsenstandaards) en afvalcontainers is en de veiligheid niet wordt aangetast.

Daarnaast zijn eisen opgenomen qua geluidswering. Deze richten zich op bescherming van de bewoner tegen overlast van de overige bewoners. Vanwege de meestal intensieve wijze van bewoning binnen een kamerverhuurpand is meer geluidsoverlast te verwachten dan bij een “normale woning”. Dit is een aanvulling op het bouwbesluit en geldt voor nieuwbouw en te plaatsen binnenwanden in een bestaand panden.

Het is nog belangrijk te vermelden dat van toepassing zijn alle artikelen uit het Bouwbesluit en de Bouwverordening voor zover niet anders in dit hoofdstuk is bepaald. In overige hoofdstukken van de bouwverordening waar “woning” wordt genoemd dient “kamerverhuurpand” te worden gelezen.

Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een kamerverhuurpand

Leeuwarden profileert zich als een groeiende studentenstad en kan nu al rekenen op ongeveer 5000 kamerbewoners. Een goede en veilige bewoning zijn expliciet punten van zorg. Het bouwbesluit heeft regelgeving opgesteld voor woningen maar gaat er niet vanuit dat binnen deze woningen meerdere huishoudens(alleenstaanden) worden gehuisvest. Bij “normale” bewoning wordt de hoofdbewoner geacht verantwoordelijkheid te dragen voor zijn medebewoners en tevens zorg te dragen voor hun veiligheid. Dit is in een kamerverhuurpand niet het geval. Hierbij zijn het individuele bewoners met een geringe sociale controle. Het gebruik van de vele elektrische apparaten (tv, radio, pc, koelkast, magnetron, verwarming) en het meestal wervelende levensritme zorgt voor een verhoogd risico op het ontstaan van brandgevaarlijke situaties. Dit alles vraagt om een verscherping van de huidige regelgeving zodat er in Leeuwarden op een verantwoorde mannier door alleenstaanden gewoond kan worden.. In de onderstaande alinea’s wordt omschreven waarom aanvullende regelgeving nodig is op verschillende punten, m.a.w. wat heeft het bouwbesluit niet gereld en willen we wel geregeld willen zien om de veiligheid van de kamerbewoners te kunnen waarborgen.

Artikel 3.1 Constructieve veiligheid

Een bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat een bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder gevaar voor instorting. De Constructieve eisen die zijn opgenomen in het bouwbesluit hebben een voldoende veiligheidsniveau, echter is de eis t.a.v. de rookvrije vluchtroute opgetrokken naar de nieuwbouw eis van het bouwbesluit om een consequent geheel te krijgen.

Artikel 3.2 Signalering brand

In navolging op het bouwbesluit, waarin voor nieuwbouw rookmelders verplicht worden gesteld, wordt deze verplichting ook overgenomen voor bestaande kamerverhuurpanden. Door het doen van een geringe investering speel je in op de nieuwe ontwikkelingen en uitgangspunten waardoor je de veiligheid van de bewoners tegemoet komt. Door vroegtijdige signalering hebben de bewoners tijd om veilig te ontkomen.

Artikel 3.3 Beperking van de ontwikkeling van brand

Dit artikel sluit aan bij de eisen gesteld in het bouwbesluit. Het is toch opgenomen in de bijlage om de duidelijkheid van de regeling te vergroten. De exploitanten dienen terdege bewust te zijn dat er eisen gesteld worden aan het materiaalgebruik dit om te voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt.

Artikel 3.4 Beperken van uitbreiding van brand

Dit artikel zorgt in afwijking van het bouwbesluit voor een brand- en subbrandcompartimentering in de woning / het kamerverhuurpand. Op deze wijze worden de kamers en andere verblijfsruimten dertig minuten brandwerend gescheiden van elkaar en vluchtwegen zodat er voldoende tijd is om bij eventuele brand te vluchten. Tevens voorkomt het dat de brand in korte tijd een zodanige omvang aanneemt dat zij voor de brandweer niet meer is te beheersen.

Artikel 3.5 Vluchten en vluchtmogelijkheden

Het huidige bouwbesluit zorgt in onvoldoende mate voor goede vluchtmogelijkheden in bestaande woningen ( 1 vluchtweg met een max. lengte van 45 m.) o.m. omdat er niet wordt uitgegaan dat er meerder huishoudens in zijn gevestigd. Met dit artikel proberen we zo dicht mogelijk bij de nieuwbouweis te komen met de mogelijkheden die er zijn bij bestaand bouw. Het artikel regelt dat er minimaal twee onafhankelijke vluchtwegen aanwezig moeten zijn en sluit voor een gelijkwaardige oplossing aan, voor de kleinere kamerverhuurpanden, bij de nieuwbouweisen van het bouwbesluit en stelt rookmelders verplicht. Als de rookvrije vluchtroute langer is dan 15 meter zal in afwijking van het bouwbesluit, waarbij dit niet mogelijk is, een tweede rookvrije vluchtroute welke niet direct uitkomt op de begane een optie zijn. Het bouwbesluit gaat ervan uit dat de rookvrije vluchtroute ook voor minder validen en ouderen gebruikt wordt en moet derhalve rechtstreeks uitkomen op het aansluitende terrein (buiten op de begane grond). Bij kamergewijze verhuur kunnen we uitgaan van een doelgroep welke ook kan vluchten via platte daken en/of en kooiladders. In bestaande bouw, voor de groter panden, kom je op deze wijze toch tot een acceptabele rookvrije vluchtroute waarvan deze doelgroep gebruik kan maken.

Artikel 3.6 Bestrijden van de brand

De aard van de bewoning vraagt om extra bouwkundige voorzieningen voor de bestrijding van brand. Er is hier voor brandslanghaspels met een gelijkwaardige oplossing door draagbare brandblussers gekozen om zo het beoogde veiligheid niveau te waarborgen.

Artikel 3.7 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding

In kamerverhuurpanden waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest worden extra eisen gesteld. Er wordt hierbij aangesloten bij de eisen gesteld in het bouwbesluit voor een woningfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 meter. Op deze wijze wordt door de aard van bewoning een veiligheidseis gesteld die afwijkt (zwaarder is) van de eisen die zijn opgenomen in het bouwbesluit maar waardoor de beoogde veilig wordt verkregen. Dit geld tevens voor in artikel 3.8 genoemde ontruimingsalarminstallatie.

Paragraaf 4 Gebruikseisen voor een kamerverhuurpand

In de gebruikseisen zijn eisen opgesteld over het gebruik van het kamerverhuurpand na de vergunningverlening. Het moet waarborgen dat door verkeerd gebruik van het pand en de aanwezige installaties gevaarlijke situaties ontstaan. Tevens worden hierin termijnen gesteld waarbinnen onderhoudwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Door deze gebruikseisen wordt de exploitant ook na de vergunningverlening gewezen op de plichten die hij heeft door het exploiteren van een kamerverhuurpand om zo het beoogde veiligheid niveau te waarborgen.

Informatie

Voor informatie over vergunningen, registratie en bouwkundig onderhoud kunt u langskomen bij of contact opnemen met de dienst Stadsontwikkeling van de Gemeente Leeuwarden:

sector Bouwen en Wonen

Oldehoofsterkerkhof 2

Leeuwarden

telefoonnummer 058-2338448

faxnummer 058-2338833

telefoonnummer kamerverhuur 058-2338300

Postadres

Postbus 21000

8900 JA Leeuwarden

www.leeuwarden.nl

gemeente@leeuwarden.nl