Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Leeuwarden

Verordening voor gemeentelijke scholen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLeeuwarden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening voor gemeentelijke scholen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs
CiteertitelVerordening gemeentelijke scholen voor basis- en speciaal onderwijs Leeuwarden
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet op het basisonderwijs (WBO)
  2. Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO)

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-199406-12-2005intrekking

31-12-1993

Huis aan Huis; 07-12-2005

22401
01-01-1994nieuwe regeling

13-12-1993

Huis aan Huis; 31-12-1993

13-12-1993

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening voor gemeentelijke scholen voor basisonderwijs en speciaal onderwijs

(RB.13-1-1993) 1)

Hoofdstuk I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

het bevoegd bestuursorgaan

:

burgemeester en wethouders van Leeuwarden voor zover de gemeenteraad niet anders heeft bepaald;

de school

:

de gemeentelijke school voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs te Leeuwarden;

de wet de leraar

:

de Wet op het basisonderwijs (WBO) respectievelijk de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal hij die in vaste of in tijdelijke dienst krachtens een door of namens het college verleende aanstelling aan een gemeentelijke school voor basisonderwijs, speciaal onderwijs en/of voortgezet speciaal onderwijs werkzaam is;onderwijs (ISOVSO);

de schoolleiding

:

de directeur(en) en de adjunct-directeur(en) van de school;

de directeur

:

de in artikel 14 WBO respectievelijk artikel 22 ISOVSO van de wet bedoelde directeur bij wie, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd bestuursorgaan de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust;

de adjunct-directeur

:

de in artikel 14 WBO respectievelijk artikel 22 ISOVSO van de wet bedoelde adjunct-directeur;

de plaatsvervangend directeur

:

de in artikel 14 WBO respectievelijk artikel 22 ISOVSO van de wet bedoelde plaatsvervanger van de directeur;

de teamvergadering

:

de vergadering van de directeur van de school met de aan de school verbonden leraren, eventueel aan de school verbonden ander onderwijzend personeel en voor zover van toepassing het aan de school verbonden niet-onderwijzend personeel;

het onderwijs-ondersteunend

:

het onderwijs-ondersteunend

personeel

:

personeel waarvan salarissen en formatie worden vastgesteld op grond van hoofdstuk I-S van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

de ouders

:

de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen;

de Medezeggenschapsraad

:

de Medezeggenschapsraad als bedoeld in artikel 4 van de Wet medezeggenschap onderwijs;

de Personeelsraad

:

de Personeelsraad als bedoeld in artikel 12 van de Wet medezeggenschap onderwijs;

de Ouderraad

:

de Ouderraad, als bedoeld in artikel 12 van de Wet medezeggenschap onderwijs;

de inspecteur

:

de rijksinspecteur voor het basisonderwijs danwel het (voortgezet) speciaal onderwijs in de inspectie waaronder de gemeente ressorteert;

 

:

de commissie die belast is met het toelatings- en herhalingsonderzoek van leerlingen, zoals omschreven in de artikelen 33 en 34 van de ISOVSO;

de Commissie v. Onderzoek

:

 

het schoolwerkplan

:

het plan, als bedoeld in artikel 11 WBO en artikel 19 ISOVSO, waarin per school, met inachtneming van de wettelijke voorschriften en de door het schoolbestuur vastgestelde beleidsmaatregelen, een overzicht wordt gegeven van de organisatie en de inhoud van het onderwijs;

het activiteitenplan

 

het plan bedoeld in artikel 11, lid 4 WBO respectievelijk artikel 19, lid 7 ISOVSO waarin het schoolwerkplan voor een bepaald tijdvak concreet wordt uitgewerkt.

Om redenen van leesbaarheid worden slechts mannelijke woordvormen gebruikt. Daar waar deze vorm wordt gehanteerd, worden zowel mannen als vrouwen bedoeld. Daarmee wordt aangesloten bij de gangbare formulering in wetten en besluiten.

Hoofdstuk II DE SCHOOLLEIDING

Artikel 2
  • 1.

    De directeur is belast met de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding van de school en is tegenover het bevoegd bestuursorgaan verantwoordelijk voor de gang van zaken op de school.

  • 2.

    Hij verstrekt het bevoegd bestuursorgaan alle verlangde inlichtingen omtrent de school en het onderwijs en stelt het uit eigen beweging in kennis van vermeldenswaardige feiten en omstandigheden de school betreffende.

Artikel 3

Indien aan een school op grond van het bepaalde in artikel 14 WBO respectievelijk artikel 22 ISOVSO van de wet een adjunct-directeur is benoemd, treedt deze als plaatsvervanger van de directeur op. Hij staat de directeur bij in de leiding van de school.

Artikel 4
  • 1.

    De directeur stelt in overleg met de adjunct-directeur(en) een taakverdeling op voor de leiding van de school.

    De Medezeggenschapsraad brengt advies uit over deze taakverdeling.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan stelt deze taakverdeling vast.

  • 3.

    De adjunct-directeur is tegenover de directeur verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden die hem bij de taakverdeling zijn toebedeeld.

Artikel 5
  • 1.

    Indien geen adjunct-directeur aan de school is benoemd en er evenmin sprake is van een meerhoofdige schoolleiding, wijst het bevoegd bestuursorgaan, na het advies van de directeur en de Medezeggenschapsraad te hebben ingewonnen, een lid van het onderwijzend personeel tot plaatsvervanger van de directeur aan.

  • 2.

    De plaatsvervanger bedoeld in het voorgaande lid, is verplicht in geval van tijdelijke verhindering, schorsing of afwezigheid anderszins van de directeur de aan diens betrekking verbonden werkzaamheden te verrichten. In verband hiermee is de directeur gehouden zijn plaatsvervanger te informeren over alle zaken die de school in haar geheel betreffen.

Artikel 6

Indien de leiding van de school is opgedragen aan een meerhoofdige schoolleiding zijn de betrokken directeuren gehouden, volgens door burgemeester en wethouders te geven richtlijnen, onderling met de overige teamleden en de Medezeggenschapsraad sluitende afspraken te maken op onderwijskundig, organisatorisch en huishoudelijk gebied: deze afspraken worden schriftelijk in het schoolwerkplan vastgelegd.

Artikel 7

De directeur heeft - naar redelijkheid - de zorg voor het gebruik van het schoolgebouw (de schoolgebouwen) met inventaris en voor de schoolterreinen.

Artikel 8

De directeur draagt zorg voor een adequate leerlingenregistratie en registratie van het schoolverzuim.

Artikel 9

De directeur regelt met inachtneming van de desbetreffende rechtspositionele voorschriften de werkzaamheden van het aan zijn school verbonden personeel.

Artikel 10

De directeur van de school stelt in overleg met de teamvergadering en medezeggenschapsraad een plan op waarin wordt geregeld, op welke wijze het schoolgebouw ordelijk en in de kortst mogelijke tijd kan worden ontruimd in geval van brand of andere rampen.

Artikel 11
  • 1.

    Indien de directeur betaalde nevenfuncties verricht, is hij verplicht deze te melden aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    Betaalde nevenfuncties, die vermenging van belangen tot gevolg hebben, zijn niet toegestaan, gelet op artikel I-P21, vierde lid van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

Hoofdstuk III HET PERSONEEL

1. De leraar

Artikel 12
  • 1.

    De leraar geeft lessen en verricht de daaruit voortvloeiende werkzaamheden alsmede bijzondere taken, als bedoeld in artikel I-R 202 en I-R 302 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

  • 2.

    De leraar verricht tevens de taken die hem op grond van het schoolwerkplan bedoeld in artikel 43 en het activiteitenplan bedoeld in artikel 44 door of namens de directeur zijn opgedragen.

  • 3.

    De leraar verricht de in het eerste en tweede lid vermelde taken tenzij hij door ziekte of andere wettige redenen verhinderd is dit te doen.

  • 4.

    Indien de leraar of adjunct-directeur betaalde nevenfuncties verricht, is hij verplicht deze aan de directeur te melden.

  • 5.

    Betaalde nevenfuncties die vermenging van belangen tot gevolg hebben, zijn niet toegestaan, gelet op artikel I-P 21, vierde lid van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

Artikel 13

De leraar is voor de vervulling van zijn taak verantwoording schuldig aan de schoolleiding.

Hij draagt mede zorg voor de handhaving van de orde op de school; hij doet verder alles wat redelijkerwijs van hem gevraagd kan worden ter bevordering van de goede gang van zaken op de school. Dit geldt eveneens voor de leraren, aan wie taken zijn opgedragen ten behoeve van activiteiten, die uitgaan van de school, doch buiten de school plaatsvinden.

Artikel 14

Met inachtneming van de bevoegdheden van de leraren bepaalt de directeur jaarlijks, na overleg met de teamvergadering en de leraren afzonderlijk, aan welke groep iedere leraar les zal geven.

Artikel 15
  • 1.

    De leraar of adjunct-directeur die niet op school aanwezig kan zijn, stelt de directeur hiervan zo spoedig mogelijk in kennis onder opgave van redenen.

  • 2.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel I-C 29 en I-C 30 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel kan de directeur kort buitengewoon verlof verlenen onder door het bevoegd bestuursorgaan te stellen regelen.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan aan de directeur kort buitengewoon verlof verlenen.

Artikel 16

De leraar informeert uit eigen beweging de directeur of een daartoe aangewezen persoon over de feiten en omstandigheden die de leerlingen en de school betreffen en waarvan hij meent dat de betrokkene op de hoogte moet zijn.

Soortgelijke informatie geeft de directeur of de daartoe aangewezene aan de leraar.

Artikel 17
  • 1.

    De leraar houdt aantekening van de vorderingen en gedragingen van de aan zijn zorg toevertrouwde leerlingen.

  • 2.

    De ouders of verzorgers van de leerlingen worden, daartoe uitgenodigd door de betrokken leraar, ten minste 2 x per jaar in de gelegenheid gesteld deze aantekeningen te bespreken.

  • 3.

    De directeur draagt de eindverantwoordelijkheid voor de wijze waarop de vorderingen en gedragingen van de leerlingen door de leraar wordt bijgehouden.

Artikel 18
  • 1.

    De leraar is verplicht zich te richten naar de door de directeur der school in het belang van het onderwijs gegeven aanwijzingen en opdrachten, maar heeft te allen tijde recht van beroep bij het bevoegd bestuursorgaan, zoals omschreven in artikel 19, lid 1 van deze verordening.

  • 2.

    De leraar is verplicht de directeur der school alle inlichtingen te verstrekken, welke deze in het belang van de school of het onderwijs aan hem vraagt.

Artikel 19
  • 1.

    Wanneer een leraar zich in enig opzicht door de gang van zaken aan de school bezwaard voelt en deze bezwaren door de directeur van de school, dan wel door andere belanghebbenden, niet kunnen worden opgeheven, is hij bevoegd deze schriftelijk ter kennis van het bevoegd bestuursorgaan te brengen.

  • 2.

    Zolang het bevoegd bestuursorgaan op de schriftelijke kennisgeving geen beslissing heeft genomen, worden de aanwijzingen van de directeur der school opgevolgd.

Artikel 20

De leraar zorgt voor een behoorlijk gebruik en voor een goede verzorging van de lokaliteiten, het meubilair, de leermiddelen en schoolbehoeften en waakt tegen beschadiging en verspilling.

De leraar, die belast is met het geven van onderwijs in lichamelijke opvoeding, is verplicht voor de aanvang van elke les te controleren of de te gebruiken toestellen en leermiddelen in zodanige staat verkeren, dat het gebruik daarvan voor de leerlingen geen gevaar kan opleveren.

2. Het onderwijs-ondersteunend personeel

Artikel 21
  • 1.

    Het onderwijs-ondersteunend personeel verricht de taken zoals in hoofdlijnen neergelegd in hoofdstuk I-S van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, die worden opgedragen door of namens de directeur. Het onderwijs-ondersteunend personeel is voor de uitvoering van die taken verantwoording verschuldigd aan de directeur of een door deze aangewezen persoon van de schoolleiding.

  • 2.

    Het onderwijs-ondersteunend personeel verricht de in het eerste lid vermelde taken tenzij het door ziekte of andere wettige reden verhinderd is dit te doen.

  • 3.

    Indien een lid van het onderwijsondersteunend personeel een betaalde nevenfunctie verricht, is hij verplicht deze aan de directeur te melden.

  • 4.

    Betaalde nevenfuncties, die vermenging van belangen tot gevolg hebben, zijn niet toegestaan, gelet op artikel I-P21, vierde lid van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.

Artikel 22

Het onderwijs-ondersteunend personeel draagt mede zorg voor de handhaving van de orde op de school; de leden van het onderwijs-ondersteunend personeel doen verder alles wat redelijkerwijs van hen gevraagd kan worden ter bevordering van de goede gang van zaken op de school.

Artikel 23
  • 1.

    Het lid van het onderwijs-ondersteunend personeel dat niet op school aanwezig kan zijn, stelt de directeur hiervan zo spoedig mogelijk in kennis onder opgave van redenen.

  • 2.

    Met inachtneming van het bepaalde in artikel I-C29 en I-C30 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel kan de directeur kort buitengewoon verlof verlenen onder door het bevoegd bestuursorgaan te stellen regelen.

3. Benoeming en ontslag

Artikel 24

Het bevoegd bestuursorgaan stelt ten behoeve van het benoemingsbeleid procedures vast, zulks onverlet het bepaalde in de artikelen 25, 26, 27 en 28 van deze verordening.

Artikel 25
  • 1.

    Voor de benoeming van een directeur stelt het bevoegd bestuursorgaan een Benoemingsadviescommissie in, welke voor minstens de helft bestaat uit personen die de school vertegenwoordigen.

    In de Benoemingsadviescommissie zijn in ieder geval vertegenwoordigd: het bevoegd bestuursorgaan en de respectievelijke geledingen van de Medezeggenschapsraad.

  • 2.

    De Benoemingsadviescommissie doet een voorstel aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 3.

    Het bevoegd bestuursorgaan benoemt de directeur, de Medezeggenschapsraad en de inspecteur gehoord.

Artikel 26
  • 1.

    Voor de benoeming van een adjunct-directeur stelt het bevoegd bestuursorgaan een Benoemingsadviescommissie in.

    In de Benoemingscommissie is in ieder geval de Medezeggenschapsraad vertegenwoordigd.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan benoemt op voorstel van de Benoemingscommissie de adjunct-directeur, de Medezeggenschapsraad gehoord.

Artikel 27

Voor de benoeming van een leraar in vaste of tijdelijke dienst wordt een Benoemingsadviescommissie ingesteld.

Op voorstel van de Benoemingscommissie benoemt het bevoegd bestuursorgaan de leraar, de Medezeggenschapsraad gehoord.

Artikel 28

Voor de benoeming van een lid van het onderwijs-ondersteunend personeel in tijdelijke of vaste dienst wordt een Benoemingsadviescommissie ingesteld.

Op voorstel van de Benoemingscommissie, benoemt het bevoegd bestuursorgaan het lid van het onderwijs-ondersteunend personeel, de Medezeggenschapsraad gehoord.

Artikel 29

Het bevoegd bestuursorgaan ontslaat de directeur, de leraar, de adjunct-directeur en het lid van het onderwijs-ondersteunend personeel overeenkomstig de geldende rechtspositionele bepalingen.

Hoofdstuk IV DE LEERLINGEN

Artikel 30
  • 1.

    De toelating van leerlingen tot de basisschool is geregeld in het Toelatingsbesluit WBO.

    Kinderen, die de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt, worden zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing tot de basisschool toegelaten.

  • 2.

    De toelating van leerlingen tot een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs is geregeld in de wet.

    De toelating geschiedt zo snel mogelijk na een besluit van de Commissie van Onderzoek dat plaatsing op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gewenst is en na de toestemming van de betrokken ouders of verzorgers.

  • 3.

    Vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden kunnen kinderen in het kader van schoolgewenning gedurende ten hoogste 5 dagen tot een basisschool worden toegelaten. De directeur stelt hiervoor in overleg met de teamvergadering en Medezeggenschapsraad nadere regels op. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.

Artikel 31
  • 1.

    Met betrekking tot leerlingen die zich kenmerken door wangedrag is de directeur van de school gehouden om in overleg met de ouders of verzorgers van de betrokken leerling en de betrokken leraar te bezien welke maatregelen gericht op verbetering van het gedrag van de leerling kunnen worden getroffen.

  • 2.

    De directeur meldt aan het bevoegd bestuursorgaan wanneer een leerling zich ondanks de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen en in weerwil van herhaalde vermaningen blijft kenmerken door wangedrag.

    Het bevoegd bestuursorgaan zal, gehoord de betrokken ouders of verzorgers en de directeur, hierop besluiten welke maatregelen vervolgens noodzakelijk zijn.

  • 3.

    Het bevoegd bestuursorgaan stelt de directeur en de desbetreffende ouders of verzorgers met opgaaf van redenen op de hoogte van hun besluit zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

Artikel 32

Behoudens het gestelde in artikel 14 van de Leerplichtwet en het gestelde in hoofdstuk 4 van de verordening is het niet toegestaan leerlingen vrijaf te geven of van school te verwijderen zonder voorafgaande toestemming van of vanwege het bevoegd bestuursorgaan.

Hoofdstuk V DE OUDERS

Artikel 33
  • 1.

    De ouders/verzorgers van de leerlingen worden in de gelegenheid gesteld ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te verrichten. Zij zijn daarbij gehouden de aanwijzingen van de directeur en het overige personeel op te volgen.

  • 2.

    De Ouderraad kan behulpzaam zijn bij de organisatie en de uitvoering van deze ondersteunende werkzaamheden.

Artikel 34

Indien een leerling zonder kennisgeving van de ouders of verzorgers verzuimt, doet de directeur van de school of de betrokken leraar daarvan, onverlet de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, onverwijld mededeling aan de ouders/verzorgers.

Artikel 35

Het bevoegd bestuursorgaan stelt de leerlingen in de gelegenheid onder toezicht de middagpauze in het schoolgebouw en op het terrein van de school door te brengen. De kosten, die hieruit voortvloeien komen deels voor rekening van de ouders, voogden of verzorgers.

Hoofdstuk VI DE SCHOOLORGANISATIE

1. De Medezeggenschapsraad

Artikel 36
  • 1.

    Aan de school is een Medezeggenschapsraad verbonden.

  • 2.

    De algemene en bijzondere bevoegdheden alsmede de taken van de Medezeggenschapsraad en de leden van de Medezeggenschapsraad zijn vastgelegd in de Wet medezeggenschap onderwijs en in het Medezeggenschapsreglement van de school.

Artikel 37
  • 1.

    De directeur verstrekt de Medezeggenschapsraad de nodige informatie.

  • 2.

    Hij stelt de Medezeggenschapsraad in de gelegenheid om gebruik te maken van de in de school aanwezige administratieve voorzieningen.

2. De Personeelsraad

Artikel 38

Het personeel kan een gezamenlijke Personeelsraad instellen dan wel afzonderlijke raden voor het onderwijzend en het onderwijs-ondersteunend personeel.

Artikel 39

De Personeelsraad of -raden zijn bevoegd desgevraagd of uit eigener beweging advies uit te brengen aan de Medezeggenschapsraad en/of de directeur met name over die aangelegenheden die de geleding personeel in het bijzonder aangaan.

Artikel 40
  • 1.

    De Personeelsraad stelt binnen het kader van deze verordening en het Medezeggenschapsreglement een huishoudelijk reglement vast.

  • 2.

    De directeur biedt onder meer, onder door hem te stellen voorwaarden, de Personeelsraad de gelegenheid tot het houden van vergaderingen in het schoolgebouw.

3. De Ouderraad

Artikel 41

Aan de school kan een Ouderraad worden ingesteld.

Artikel 42

De Ouderraad is bevoegd desgevraagd of uit eigener beweging advies uit te brengen aan de Medezeggenschapsraad en/of de directeur met name over de aangelegenheden die de geleding ouders in het bijzonder aangaan.

Artikel 43
  • 1.

    De Ouderraad stelt binnen het kader van deze verordening en het Medezeggenschapsreglement een huishoudelijk reglement vast.

  • 2.

    De directeur biedt onder meer, onder door hem te stellen voorwaarden, de Ouderraad de gelegenheid tot het houden van vergaderingen in het schoolgebouw.

  • 3.

    De directeur verschaft de Ouderraad tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak, redelijkerwijze, nodig heeft.

4. De teamvergadering

Artikel 44
  • 1.

    Er is een teamvergadering. De teamvergadering is bevoegd tot bespreking van aangelegenheden m.b.t. de leerlingen, de onderwijskundige gang van zaken binnen de school en verdere schoolzaken, waarvan bespreking door de leden wordt gewenst.

  • 2.

    De samenstelling van de teamvergadering, de vergaderfrequentie, de besluitvorming, de uitvoering van de besluiten, de informatievoorziening aan de MR/OR, alsmede andere onderwerpen die van belang zijn voor het goed verkrijgen van een teamvergadering, worden nader in het schoolwerkplan geregeld.

Hoofdstuk VII ALGEMENE TAKEN EN PROCEDURES ALSMEDE REGELS VOOR DE GOEDE GANG VAN ZAKEN

1. Het schoolwerkplan

Artikel 45
  • 1.

    Ten minste éénmaal per twee jaar stelt het personeel van de school, in overleg met de Medezeggenschapsraad, het schoolwerkplan, dan wel de veranderingsparagraaf van het SWP, op.

  • 2.

    Het schoolwerkplan geeft een overzicht van de organisatie en de inhoud van het onderwijs op de school en voldoet aan de wettelijke voorschriften. Het schoolwerkplan behoeft de instemming van de Medezeggenschapsraad.

  • 3.

    Het bevoegd bestuursorgaan stelt het schoolwerkplan vast en zendt het schoolwerkplan aan de inspecteur.

  • 4.

    Het schoolwerkplan dan wel het veranderingsplan wordt in tweevoud opgezonden aan het bevoegd bestuursorgaan.

2. Het activiteitenplan

Artikel 46
  • 1.

    Elk jaar stelt het personeel van de school het activiteitenplan op. Het activiteitenplan behoeft de goedkeuring van de Medezeggenschapsraad.

  • 2.

    In het activiteitenplan, dat een uitwerking van het schoolwerkplan is, worden de activiteiten van de leerlingen voor een bepaald tijdvak en de taken van het onderwijzend personeel, alsmede van de niet-onderwijsgevenden, die belast zijn met diagnostische, therapeutische of op andere wijze de onderwijs-ondersteunende taken, opgenomen.

    Het activiteitenplan voldoet aan de wettelijke vereisten.

  • 3.

    Het bevoegd bestuursorgaan stelt het activiteitenplan vast en zendt een exemplaar aan de inspecteur ter goedkeuring.

  • 4.

    Het activiteitenplan wordt in tweevoud opgestuurd aan het bevoegd bestuursorgaan.

3. Het leerlingenregister

Artikel 47
  • 1.

    Op elke school is een register van de op de school ingeschreven leerlingen aanwezig. Daarin wordt ten minste aangetekend:

    • a.

      de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de leerlingen, alsmede hun woonplaats en adres, de datum van inschrijving;

    • b.

      de naam en het adres van de ouders van de leerling;

    • c.

      het tijdstip waarop de leerlingen de school hebben verlaten;

    • d.

      het adres van de leerling bij het verlaten van de school en de vervolgschool.

  • 2.

    Het leerlingenregister voldoet aan de vereisten, die zijn gesteld in de Wet persoonsregistraties.

4. Het programmaboekje

Artikel 48
  • 1.

    Jaarlijks stelt de directeur het programmaboekje van de school vast.

  • 2.

    Het programmaboekje omvat tenminste:

    • a.

      de naam en het adres van de school;

    • b.

      de groepsindeling en schooltijden;

    • c.

      inlichtingen van financiële en schoolorganisatorische aard, die voor de ouders en leerlingen van belang zijn;

    • d.

      opgave van de data van de schoolvakanties en vrije dagen;

    • e.

      opgave van de belangrijkste schoolregels;

    • f.

      de naam en het adres van de inspecteur.

  • 3.

    Tenzij door betrokkenen hiertegen tijdig bezwaar kenbaar wordt gemaakt bij de directeur omvat het programmaboekje bovendien:

    • a.

      de namen en adressen van het bevoegd bestuursorgaan, de directeur, de adjunct-directeuren en de leraren van de school, met vermelding van de groepen;

    • b.

      de namen en adressen van het aan de school verbonden niet-onderwijzend personeel;

    • c.

      de namen en adressen van de leden van de Ouderraad;

    • d.

      de namen en adressen van de leden van de Medezeggenschapsraad alsmede de plaats waar het Medezeggenschapsreglement ter inzage ligt.

Artikel 49
  • 1.

    Het programmaboekje wordt bij aanvang van het schooljaar uitgereikt aan de leden van de Medezeggenschapsraad, het personeel en de ouders.

  • 2.

    Het programmaboekje wordt bij aanvang van het schooljaar in drievoud toegezonden aan het bevoegd bestuursorgaan en in enkelvoud toegezonden aan de inspecteur.

5. Het jaarverslag

Artikel 50
  • 1.

    Aan het eind van ieder schooljaar, doch uiterlijk voor 1 november stelt de directeur, gehoord het team en de Medezeggenschapsraad, een jaarverslag op. Het jaarverslag kan gelijktijdig met het activiteitenplan worden ingezonden.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan nadere voorschriften geven met betrekking tot de inhoud van het jaarverslag.

6. Diversen

Artikel 51
  • 1.

    De directeur draagt er zorg voor dat gedurende een kwartier voor de aanvang der lessen, tijdens de schoolpauze en gedurende de overige tijd, dat aan leerlingen is toegestaan in de school of op het schoolplein te blijven c.q. te zijn, door de leraren voldoende toezicht wordt uitgeoefend.

  • 2.

    De leraar is ten minste een kwartier voor het begin van de door hem te verzorgen schooltijd aanwezig.

    De directeur kan de leraar opdragen ten minste 45 minuten na afloop van de door hem te verzorgen schooltijd aanwezig te zijn.

Artikel 52

De verantwoordelijkheid voor het toezicht op de leerlingen, die deelnemen aan activiteiten die buiten het schoolgebouw en aangrenzende terreinen, doch in schoolverband plaatsvinden, berust bij de directeur, dan wel de betrokken leraar.

Artikel 53
  • 1.

    Het is verboden gedurende de schooltijd in of in de nabijheid van het schoolgebouw alcoholische dranken en/of drugs te gebruiken of bij zich te hebben.

  • 2.

    In alle voor gemeenschappelijk of publiek gebruik bestemde ruimten op de school is het verboden te roken.

    De directeur van de school kan met inachtneming van het bepaalde in de Tabakswet een uitzondering op het verbod als bedoeld in lid 2 maken voor ten hoogste JJn voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte.

    Zo'n uitzondering is slechts toegestaan als niet-rokers daarmee instemmen.

Artikel 54

Het is verboden lichamelijke straffen toe te passen.

Hoofdstuk VIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 55

In gevallen, waarin deze verordening niet voorziet, kan het bevoegd bestuursorgaan nadere voorschriften geven.

Artikel 56
  • 1.

    Aan de, op het tijdstip van in werking treden van deze verordening, bij het gemeentelijk basisonderwijs en speciaal onderwijs in dienst zijnde personeelsleden, alsmede aan een ieder naderhand daarbij in dienst tredend personeelslid, wordt een exemplaar van deze verordening uitgereikt.

  • 2.

    Een exemplaar van deze verordening is in de school aanwezig en wordt op verzoek aan belangstellenden ter inzage verstrekt.

Artikel 57

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1994.

Artikel 58

Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening gemeentelijke scholen voor basis- en speciaal onderwijs Leeuwarden".

 


1)

Ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij Rb. d.d. 13-12-1993, i.v.m. in werking treden Algemene wet bestuursrecht per 1 januari 1994.