Regeling vervallen per 22-12-2009

Nadere regels beregenen op maat Limburg

Geldend van 01-05-2003 t/m 21-12-2009

Intitulé

Nadere regels beregenen op maat Limburg

NADERE REGELS BEREGENEN OP MAAT LIMBURG

1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Verordening: de Verordening waterhuishouding Limburg 1997, zoals laatstelijk gewijzigd op 27 oktober 2000.

  • b.

    Meet- en registratiebesluit: het besluit van 27 augustus 1985, Stb. 531, houdende voorschriften ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 11, tweede lid, en 12, eerste lid, van de Grondwaterwet.

  • c.

    Beregeningsplanner: het softwareprogramma van de firma Opticrop of een door Gedeputeerde Staten te erkennen vergelijkbaar softwareprogramma waarmee de optimale beregeningsgift en het beregeningstijdstip kan worden bepaald.

  • d.

    Beregeningswijzer: de draaischijf van het Praktijkonderzoek Veehouderij Lelystad (voor beregenen van grasland) of de tabellen, opgenomen als bijlage in de Instructiemap Beregenen op maat akkerbouw of tuinbouw (voor bere¬gening van andere teelten dan gras) waarmee de optimale beregeningsgift en het beregeningstijdstip voor Beregenen op Maat kan worden bepaald.

  • e.

    Bovengrond: de bovenste bodemlaag, vaak teelaarde of bouwvoor genoemd.

  • f.

    Ondergrond: Afstand tussen de ondergrens van de bovengrond en de gemiddelde grondwaterstand.

  • g.

    Effectieve worteldiepte: de diepte waarboven 80 procent van de wortels van het op het desbetreffende perceel geteelde gewas aanwezig is.

  • h.

    Fluctuaties van de grondwaterstand: zijn vastgelegd in het bodemprofiel in de vorm van hydromorfe kenmerken waaruit de gemiddeld hoogste grondwater¬stand en gemiddeld laagste grondwaterstand afgeleid worden.

  • i.

    Grofheid van het zand: de korrelgrootte waarboven en waarbeneden de helft van de massa van de deeltjes tussen 50 en 2000 µm ligt.

  • j.

    Humusgehalte: de massa van organische stof gedeeld door de massa van de stofdroge totale minerale delen

  • k.

    Leemgehalte: de massa van minerale delen met de korrelgrootte tussen de 2 en 50 µm gedeeld door de totale minerale delen

  • l.

    Lutumgehalte: de massa van minerale delen met de korrelgrootte tussen de 0 en 2 µm gedeeld door de totale minerale delen

  • m.

    Peilbuis: een buis of soortgelijke constructie met een kleine middellijn waarin een grondwaterstand of stijghoogte wordt gemeten. Onder peilbuis wordt het geheel van filter (geperforeerde deel) en stijgbuis (niet-geperforeerde deel) begrepen.

  • n.

    Veldcapaciteit: het bodemvochtgehalte die in de bodem ontstaat na het uitzakken van regenwater.

  • o.

    Toezichthouder: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze nadere regels zijn van toepassing op de personen als bedoeld in artikel 5.7a van de verordening, voor zover niet uitgezonderd in artikel 5.7b van de verordening.

Artikel 1.3 Medewerking aan het toezicht op de naleving

De persoon als bedoeld in artikel 1.2 is verplicht aan een toezichthouder op diens verzoek inlichtingen te verstrekken omtrent de wijze waarop door deze persoon is voldaan aan de verplichtingen krachtens deze algemene regels. Daarbij kan de toezichthouder in ieder geval inlichtingen verlangen omtrent:

  • a.

    de in artikel 2.1 bedoelde bodemkartering;

  • b.

    de in artikel 2.2, 2.3 en 2.5 bedoelde peilbuizen, regenmeter en registratie¬nummers;

  • c.

    de wijze waarop overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 tot en met 3.3 de maximale beregeningsgift wordt bepaald;

  • d.

    de registratie van gegevens als bedoeld in de artikelen 4.1 tot en met 4.4.

2 RANDVOORWAARDEN

Artikel 2.1 Bodemkartering

  • 1.

    Voorafgaand aan het moment waarop voor de eerste keer wordt beregend na de inwerkingtreding van deze nadere regels wordt de bodem van de percelen waar beregend gaat worden door een door Gedeputeerde Staten erkend bedrijf gekarteerd.

  • 2.

    Indien gebruik wordt gemaakt van een beregeningswijzer worden bij de in het eerste lid bedoelde bodemkartering de volgende gegevens bepaald:

    • a.

      leem-, lutum,- en humusgehalte bovengrond;

    • b.

      grofheid van het zand.

  • 3.

    Indien gebruik wordt gemaakt van een beregeningsplanner worden bij de in het eerste lid bedoelde bodemkartering de volgende gegevens bepaald:

    • a.

      dikte van de boven- en ondergrond;

    • b.

      leem-, lutum,- en humusgehalte;

    • c.

      grofheid van het zand;

    • d.

      effectieve bewortelingsdiepte;

    • e.

      fluctuaties van de grondwaterstand.

  • 4.

    De in het tweede en derde lid bedoelde gegevens worden bepaald aan de hand van minimaal 1 boring per perceel op een representatieve plaats wat betreft bodemopbouw.

Artikel 2.2 Peilbuizen

  • 1.

    Per agrarisch bedrijf worden minimaal 2 peilbuizen geplaatst daar waar zich de meeste grondwaterfluctuaties voordoen.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de grondwaterstand op de percelen, behorend tot het desbetreffende bedrijf, structureel dieper dan 2 meter beneden maaiveld is.

  • 3.

    De peilbuis voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      De perforaties zijn gelijkmatig over het filter aangebracht. Ten minste 4% van het buisoppervlak over de filterlengte is geperforeerd, zodanig dat ¬aanpassingstijd veel korter is dan de tijd waarbinnen (natuurlijke) veranderingen in de stijghoogte plaatsvinden.

    • b.

      Het filter is van een zodanig omhullingsmateriaal voorzien dat voorkomen wordt dat bodemmateriaal in de peilbuis komt.

    • c.

      De peilbuis heeft een filter van 1 meter, de onderkant van het filter bevindt zich op 1 meter beneden de gemiddeld laagste grondwaterstand, dit behoudens de aanwezigheid van een slecht doorlatende laag. Wanneer een slecht doorlatende laag aanwezig is op minder dan 2 meter beneden maaiveld en die tevens resulteert in twee verschillende grondwaterstanden boven en onder de betreffende laag dan wordt er zowel onder als boven de slecht doorlatende laag een peilbuis met filter geplaatst te worden.

  • 4.

    Middels de peilbuizen worden maximaal 48 uur voorafgaand aan elke beregeningsgift de grondwaterstanden gemeten.

Artikel 2.3 Regenmeter

  • 1.

    Het bepaalde in dit artikel is enkel van toepassing indien het moment en de hoeveelheid van de beregening wordt bepaald aan de hand van de beregeningsplanner.

  • 2.

    Voorafgaand aan het moment waarop voor de eerste keer wordt beregend na de inwerkingtreding van deze nadere regels wordt per agrarisch bedrijf minimaal 1 regenmeter geplaatst.

  • 3.

    De regenmeter voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de afstand van de regenmeter tot een obstakel, zoals bebouwing en bomen, bedraagt minimaal 3 keer de hoogte van het obstakel;

    • b.

      de bovenkant van de regenmeter staat waterpas;

    • c.

      de bovenkant van de regenmeter staat minimaal 40 cm boven de grond en tevens 10 cm boven het gewas;

  • 4.

    De neerslaghoeveelheden worden in de periode van april tot en met september gemeten.

Artikel 2.4 Capaciteitsmeting installatie

Van elke beregeningsinstallatie wordt door een door Gedeputeerde Staten erkend bedrijf de capaciteit bepaald. Daarbij wordt tevens de beregeningsinstallatie afgesteld op de optimale waterverdeling van de beregeningsgift.

Artikel 2.5 Merken put en installatie

  • 1.

    Op of aan elke pomp, behorende tot een inrichting als bedoeld in artikel 5.7a van de verordening, wordt het door of namens Gedeputeerde Staten verstrekte unieke registratienummer op deugdelijke wijze aangebracht.

  • 2.

    De onttrekker draagt zorg voor instandhouding van het aangebrachte regis¬tratienummer, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.6 Wijziging of uitbreiding van de installatie

  • 1.

    Wijziging of uitbreiding van de installatie wordt terstond na wijziging of uitbreiding bij Gedeputeerde Staten gemeld.

  • 2.

    Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde melding wordt indien nodig door Gedeputeerde Staten een nieuw registratie¬nummer als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, verstrekt.

  • 3.

    Naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde melding wordt indien nodig door of namens Gedeputeerde Staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.5 de capaciteit van de beregeningsinstallatie bepaald en de beregeningsinstallatie afgesteld.

3 BEPALEN VAN DE MAXIMALE BEREGENINGSGIFT

Artikel 3.1 Beregeningswijzer of beregeningsplanner

Het moment en de hoeveelheid van beregening wordt bepaald aan de hand van de beregeningswijzer of de beregeningsplanner. Beregening vindt enkel plaats op de tijdstippen waarop en in de hoeveelheden waarin dat volgens de beregeningswijzer of de beregeningsplanner aangewezen is.

Artikel 3.2 Beregeningswijzer

  • 1.

    Bij gebruik van de Beregeningswijzer dient voorafgaand aan elke beregeningsgift:

    • a.

      de actuele vochtvoorraad in de bovengrond met de magnetronmethode of met behulp van een gutsboor, tensiometer of bodemvochtsensor bepaald te worden;

    • b.

      de bewortelingsdiepte in centimeters minus maaiveld te worden vastgesteld.

  • 2.

    Aan de hand van de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt met behulp van de Beregeningswijzer de beregeningsgift in millimeters bepaald.

Artikel 3.3 Beregeningsplanner

  • 1.

    Bij gebruik van de Beregeningsplanner dienen voorafgaand aan de beregeningsgift voor elk te beregenen perceel de volgende gegevens bepaald en ingevoerd te worden in de beregeningsplanner:

    • a.

      de textuur van zowel boven- als ondergrond;

    • b.

      de vochtvoorraad in de bovengrond ten behoeve van de vaststelling van de actuele vochtvoorraad;

    • c.

      de bewortelingsdiepte in centimeters beneden maaiveld;

    • e.

      de referentieverdampingscijfers van elke dag;

    • f.

      de grondwaterstanden en de neerslaggegegevensals bedoeld in artikel 2.2, vierde lid en artikel 2.3, derde lid.

  • 2.

    De in het eerste lid onder b bedoelde vochtvoorraad wordt op het moment direct voorafgaand aan de beregening met de magnetronmethode of met behulp van een gutsboor, tensiometer of bodemvochtsensor bepaald.

  • 3.

    Aan de hand van de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt met behulp van de Beregeningsplanner de beregeningsgift in millimeters bepaald.

4 METING EN REGISTRATIE

Artikel 4.1 Meting en registratie onttrokken hoeveelheden grondwater

  • 1.

    De onttrokken hoeveelheden grondwater worden gemeten op een wijze overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in de artikelen 11 en 12 van de Grondwaterwet en het Meet- en registratiebesluit.

  • 2.

    Bij elke beregeningsgift worden de daartoe onttrokken hoeveelheden grondwater geregistreerd.

Artikel 4.2 Registratie bedrijfs- en inrichtingsgegevens

  • 1.

    Per inrichting wordt de pompcapaciteit en de capaciteit van de inrichting en de afstelling van de optimale waterverdeling, zoals vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.4 geregistreerd.

  • 2.

    Indien voor de meting van de onttrokken hoeveelheden grondwater gebruik wordt gemaakt van een urenteller worden de uren dat de inrichting in werking is geregistreerd.

  • 3.

    Beregende oppervlakte wordt geregistreerd.

Artikel 4.3 Overige te registreren gegevens

De volgende gegevens worden geregistreerd:

  • a.

    de bodemkartering als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, inclusief de in artikel 2.1, tweede en derde lid, bedoelde gegevens en de in artikel 2.1, vierde lid, bedoelde locatie en datum van de boring;

  • b.

    de gemeten grondwaterstanden als bedoeld in artikel 2.2, ¬vierde lid;

  • c.

    de gemeten neerslaghoeveelheden als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid;

  • d.

    de door of namens Gedeputeerde Staten verstrekte unieke registratienummers.

Artikel 4.4 Registratieformulieren

De in artikel 4.1, tweede lid, 4.2, tweede en derde lid, en 4.3, onder b en c, bedoelde gegevens worden geregistreerd op formulieren overeenkomstig de modellen die als bijlage bij deze nadere regels gaan.

5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.1 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking op 1 januari 2001.

Artikel 5.2 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als Nadere regels beregenen op maat Limburg.

Ondertekening

Gedeputeerde Staten voornoemd
mr. B.J.M. baron van Voorst ror Voorst, voorzitter
mw. mr. E.H.M. Brans, griffieg
Uitgegeven, 27 maart 2003
De Griffier der Staten van Limburg,
mw. mr. E.H.M. Brans