Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Lochem

Besluit van de raad van de gemeente Lochem tot het vaststellen van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLochem
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van de raad van de gemeente Lochem tot het vaststellen van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020.
CiteertitelVerordening rioolheffing 2020
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpbelastingen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 228a van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2020nieuwe regeling

25-11-2019

gmb-2019-291427

2019-157052

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van de raad van de gemeente Lochem tot het vaststellen van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020.

De raad van de gemeente Lochem;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22-10-2019;

gelet op de artikelen 156, tweede lid, aanhef en onderdeel h, en artikel 228a van de Gemeentewet;

B E S L U I T

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020.

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    perceel:

    • 1.

      de onroerende zaak, bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

    • 2.

      een binnen de gemeente gelegen roerende zaak;

    • 3.

      een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • 4.

      een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • 5.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

  • b.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • d.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater;

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 2.

    Voor de belasting wordt:

      • a.

        gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

      • b.

        gebruik door de persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;

      • c.

        het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 2.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater of oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 3.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

      De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 4.

    De op de voet van het tweede of derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

Artikel 5 Belastingtarieven

De belasting bedraagt wanneer de afvoering op de gemeentelijke riolering

a.

0 m³ bedraagt of meer, doch niet meer dan 350 m³ per jaar:

€ 325,31

b.

meer bedraagt dan 350 m³, doch niet meer dan 500 m³ per jaar

vermeerderd met € 265,03

€ 325,31

c.

meer bedraagt dan 500 m³, doch niet meer dan 1.000 m³ per jaar

€ 590,34

 

vermeerderd met € 241,15 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 500 m³;

 

d.

meer bedraagt dan 1.000 m³, doch niet meer dan 1.500 m³ per jaar:

€ 1.796,11

 

vermeerderd met € 235,35 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 1.000 m³;

 

e.

meer bedraagt dan 1.500 m³, doch niet meer dan 2.000 m³ per jaar:

€ 2.972,84

 

vermeerderd met € 232,25 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 1.500 m³;

 

f.

meer bedraagt dan 2.000 m³, doch niet meer dan 3.000 m³ per jaar:

€ 4.134,10

 

vermeerderd met € 170,31 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 2.000 m³;

 

g.

meer bedraagt dan 3.000 m³, doch niet meer dan 5.000 m³ per jaar:

€ 5.837,20

 

vermeerderd met € 139,36 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 3.000 m³;

 

h.

meer bedraagt dan 5.000 m³, doch niet meer dan 10.000 m³ per jaar:

€ 8.624,34

 

vermeerderd met € 108,38 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 5.000 m³;

 

i.

meer bedraagt dan 10.000 m³, doch niet meer dan 50.000 m³ per jaar:

€ 14.043,28

 

vermeerderd met € 46,46 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 10.000 m³;

 

j.

meer bedraagt dan 50.000 m³, doch niet meer dan 100.000 m³ per jaar:

€ 32.627,46

 

vermeerderd met € 23,22 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 50.000 m³;

 

k.

meer bedraagt dan 100.000 m³, doch niet meer dan 500.000 m³ per jaar:

€ 44.239,49

 

vermeerderd met € 15,48 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 100.000 m³;

 

l.

meer bedraagt dan 500.000 m³ per jaar:

€ 106.170,32

 

vermeerderd met € 3,10 voor iedere 100 m³ afgevoerd water of gedeelte daarvan boven 500.000 m³;

 

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingschuldige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,- maar minder dan € 10.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden overblijven in het belastingjaar, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10 Kwijtschelding van belasting

Bij de invordering van de rioolheffing kan kwijtschelding worden verleend. De geldende verordening kwijtschelding is van toepassing bij de berekening van het bedrag van de kwijtschelding.

Artikel 11 Overdracht van bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen:

  • a.

    van zuiver redactionele aard zijn;

  • b.

    een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant;

een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.

Artikel 12 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1.

    De ‘Verordening rioolheffing 2019’, vastgesteld op 3 december 2018, wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover terzake daarvan de heffing van de belastingschuld in die periode plaatsvindt.

  • 4.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2020.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rioolheffing 2020.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Lochem op 25 november 2019.

Griffier,

M. Veenbergen

De voorzitter,

S.W. van ‘t Erve