Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Maastricht

Verordening handhaving WWB, WIJ, IOAZ, en WWIK 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMaastricht
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening handhaving WWB, WIJ, IOAZ, en WWIK 2010
CiteertitelVerordening handhaving WWB, WIJ, IOAZ en WWIK 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Regeling vervangt de Verordening handhaving WWB en WIJ 2009

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, artikel 147, lid 1 Wet werk en bijstand en artikel 8; artikel 12 lid 1, onderdeel c van de Wet investeren in jongeren; artikel 35, lid 1, onderdeel c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; artikel 35, lid 1, onderdeel c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; artikel 22, lid 3, onderdeel b van de Wet werk en inkomen kunstenaars

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-07-201001-02-2013Nieuwe regeling

01-06-2010

Gemeenteblad 2010, C. no. 57

Volgnummer 33-2010

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING HANDHAVING WWB, WIJ, IOAW, IOAZ EN WWIK 2010

 

 

Artikel 1.

Begrippen.

 

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      WIJ: de Wet investeren in jongeren;

    • b.

      WWB: de Wet werk en bijstand;

    • c.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk

      arbeidsongeschikte werkloze werknemers

    • d.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en

      gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • e.

      WWIK: de Wet werk en inkomen kunstenaars;

    • f.

      uitvoeringsplan: het in artikel 2 van deze verordening genoemde

      uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven;

    • g.

      college het college van burgemeester en wethouders van de

      gemeente Maastricht;

  • 2.

    Voorzover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de WWB en de WIJ.

Artikel 2.

Vaststelling uitvoeringsplan

 

Het college stelt in het kader van het bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand op grond van de WWB, het ten onrechte ontvangen van een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ en het ten onrechte ontvangen van uitkering in het kader van de IOAW, IOAZ en WWIK, alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK een uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven vast.

Artikel 3.

Visie en aandachtsvelden

 

Het uitvoeringsplan omvat een gemeentelijke visie op Hoogwaardig Handhaven en vanuit die visie een beschrijving van activiteiten, die evenwichtig worden ontwikkeld binnen de volgende vier aandachtsvelden:

a. Vroegtijdige voorlichting/communicatie richting belanghebbenden omtrent rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand of een inkomensvoorziening verbonden zijn en voorts gerichte controle bij

aanvraag;

b. Optimalisatie van de dienstverlening;

c. Vroegtijdige opsporing van fraude en constatering van plichtsverzuim door middel van controles tijdens en na beëindiging van de bijstand of tijdens en na beëindiging van de inkomensvoorziening;

d. Daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude en/of bij schending van overige aan de bijstand of inkomensvoorziening verbonden verplichtingen en/of in situaties waarin de plicht tot arbeidsinschakeling en eventuele andere reïntegratieverplichtingen, eventueel voortvloeiend uit een werkleeraanbod, niet dan wel onvoldoende worden nagekomen.

Artikel 4.

Invulling bevoegdheid tot terugvordering en verhaal

 

  • 1.

    In het uitvoeringsplan wordt aangegeven op welke wijze het college invulling geeft aan de bevoegdheid tot opschorting, herziening, intrekking en terugvordering als vermeld in de artikelen 54 en 58 t/m 60 van de WWB, de artikelen 40 en 54 t/m 56 van de WIJ, de artikelen 17, 25, 26 en 28 van de IOAW en IOAZ en de artikelen 25, 26, 30, 33 en 34 van de WWIK.

  • 2.

    het uitvoeringsplan wordt aangegeven op welke wijze het college invulling geeft aan de bevoegdheid tot verhaal als vermeld in de artikelen genoemd in paragraaf 6.5 van de WWB en artikel 57 van de WIJ waarin paragraaf 6.5 van de WWB van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

Artikel 5.

Titulatuur van de verordening

 

Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening handhaving WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK 2010.

Artikel 6.

Datum inwerkingtreding verordening

 

De Verordening handhaving WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK 2010 treedt in werking met ingang van 1 juli 2010.

Hiermee komt de Verordening handhaving WWB en WIJ 2009, vastgesteld op 22 september 2009, te vervallen.

 

 

Algemene toelichting

 

Met de komst van de Wet bundeling uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten (hierna: de Wet Bundeling) moet er ook voor de IOAW/IOAZ en WWIK een verordening komen waarin nadere regels worden gesteld voor het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten. Voor de WWB en de WIJ bestaat al zo’n zogenoemde “Handhavingsverordening”.

De Wet Bundeling is gefaseerd ingevoerd. De bepalingen in de artikelen van de IOAW/IOAZ en WWIK waarin aan de gemeenteraad wordt opgedragen een handhavingsverordening vast te stellen, treden vertraagd op 1 juli 2010 in werking. Met deze verordening wordt nu voorzien in die verlate verordeningsplicht.

Omdat bij het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik ook hier van eenzelfde principe van “Hoogwaardig Handhaven” wordt uitgegaan, is ervoor gekozen de bestaande “Verordening handhaving WWB en WIJ 2009” naar deze drie wetten toe uit te breiden.

Bij Hoogwaardig Handhaven wordt ingezet op een combinatie van zowel preventieve als repressieve activiteiten in de uitvoering van de diverse wetten welke moeten leiden tot een verbeterde handhaving en wel in die zin dat méér cliënten bereid zijn wet- en regelgeving “spontaan” na te leven.

Net als bij de uitvoering van de WWB en de WIJ gebeurde dit -in het verlengde van de bestaande handhavingsverordening- ook al voor wat betreft de uitvoering van de IOAW, IOAZ en WWIK. Met deze verordening wordt e.e.a. geformaliseerd.

De op preventie en repressie gerichte activiteiten bestrijken nog steeds de volgende vier aandachtsvelden:

  • -

    het vroegtijdig informeren en in de aanvraagfase gericht controleren van cliënten;

  • -

    het optimaliseren van de dienstverlening;

  • -

    vroegtijdige opsporing van fraude en vaststelling van plichtsverzuim door gerichte controles tijdens

en bij beëindiging van de bijstandsverlening

- daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude.

Net als voorheen is het oogmerk ook thans weer dat volgens de doelstellingen van Hoogwaardig Handhaven wordt gewerkt. Er moet sprake zijn van een zodanige samenhang tussen de vier aandachtsvelden dat deze elkaar versterken waardoor een goede balans ontstaat tussen preventie en repressie.

In het geheel van Hoogwaardig Handhaven past een efficiënt en effectief controle-instrumentarium. Sinds invoering van de WWB is hier mede aan de hand van het uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven voortdurend aan gewerkt.

Het is de bedoeling dit instrumentarium verder te blijven verfijnen, waarbij zeker ook gekeken wordt naar “best practises” elders in het land.

Het primaire doel van deze verordening blijft aan dit gehele proces (het verder werken aan en blijven uitdragen van Hoogwaardig Handhaven) op hoofdlijnen sturing te geven.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

 

In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven, die terugkeren in de verordening en/of de daarbij behorende toelichting.

 

Artikel 2

 

Met dit artikel wordt in het kader van het bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand, inkomensvoorziening of uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK aan het college opdracht gegeven een uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven vast te stellen.

Hoewel de betreffende bepalingen in WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK meer gericht lijken op fraudebestrijding-sec is hier doelbewust gekozen voor het ruimere begrip handhaven. Fraudebestrijding roept teveel het beeld op van repressie en genoegdoening, terwijl handhaving meer uit gaat van het bevorderen van de “spontane” naleving van wet- en regelgeving. Naast repressie is in deze optiek preventie onontbeerlijk.

Hantering van het begrip handhaving geniet voorts de voorkeur omdat daaronder ook de aanpak van situaties kan worden gevat, waarbij weliswaar ten onrechte uitkering is verstrekt, maar waarin absoluut geen sprake is van fraude.

In de algemene toelichting is al aangegeven dat zal worden voortgegaan met het verder verfijnen van het controle-instrumentarium. Daarbij zal ook weer worden gekeken naar voorbeelden uit de handhavingspraktijk die zich elders in het land hebben beproefd.

Het uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven dat al geldt voor WWB en WIJ en dat ook al werd aangewend in bij de uitvoering van de IOAW, IOAZ en WWIK zal nog eens expliciet en integraal van toepassing worden verklaard op alle relevante wetten.

 

Artikel 3

 

Omdat wordt vastgehouden aan het principe van Hoogwaardig Handhaven blijven visie en aandachtsvelden ongewijzigd. De toelichting verandert daardoor niet.

 

Een visie op Hoogwaardig Handhaven

 

Het uitvoeringsplan dient een visie op Hoogwaardig Handhaven te bevatten. Daarin dient in beknopte vorm tot uitdrukking te komen wat Hoogwaardig Handhaven inhoudt en hoe dit binnen de gemeentelijke organisatie en in de samenwerking met partners als het UWV kan worden verwezenlijkt.

 

Aandachtsvelden en daarbinnen te ontwikkelen activiteiten.

 

Wil er sprake zijn van Hoogwaardig Handhaven dan moet telkens van enkele vastomlijnde aandachtsvelden worden uitgegaan. Daarnaast verlangt Hoogwaardig Handhaven dat binnen die velden een evenwichtige ontwikkeling van activiteiten plaatsvindt. Zonder een dergelijke “spreiding” is er een risico dat er onvoldoende samenhang tussen de aandachtsvelden wordt gecreëerd. De kans bestaat dan dat deze elkaar weinig zullen versterken, waardoor er weer minder balans is tussen preventie en repressie. Ook activiteiten die gericht zijn op handhaving van arbeids- en reïntegratieverplichtingen moeten om die reden gelijkelijk verdeeld zijn.

Om aan te geven wat onder een evenwichtige ontwikkeling van activiteiten wordt verstaan en om naar het college toe enigszins richtinggevend te zijn, wordt hierna nader op de aandachtsvelden ingegaan. Daarbij zal per veld zoveel mogelijk worden aangegeven naar welke soorten van activiteiten de gedachten uitgaan als het gaat om activiteiten die in ieder geval in het uitvoeringsplan aan de orde moeten komen.

 

a. Vroegtijdige voorlichting/communicatie richting belanghebbenden omtrent rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand of inkomensvoorziening verbonden zijn en voorts gerichte controle bij aanvraag.

 

Een goede voorlichting en communicatie is bij uitstek een preventiemiddel. Belanghebbenden aan wie met name in de aanvraagfase heel duidelijk te verstaan wordt gegeven wat hun rechten maar vooral ook wat hun plichten zijn, zullen eerder geneigd zijn wet- en regelgeving spontaan na te leven.

Zeker wanneer ook nog eens kan worden aangegeven wat in principe allemaal kan worden gecontroleerd. Het ligt dan ook voor de hand dat in het uitvoeringsplan op hoofdlijnen wordt beschreven hoe en in welke vorm die voorlichting en communicatie plaatsvindt.

Bij controles in de aanvraagfase op rechtmatigheid, zal het toepassen van risicoprofielen een belangrijke rol moeten spelen. De verwachting is immers dat het op dezelfde wijze controleren van alle belanghebbenden onvoldoende efficiënt en effectief is.

Daarnaast blijven ook fraudesignalen een belangrijke factor bij het bepalen van de intensiteit van controleren. In het uitvoeringsplan dient e.e.a. verder te worden uitgewerkt. Daarbij zal in ieder geval gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom de ene belanghebbende meer of andersoortige controle krijgt dan de ander.

Voorts kan van het aan “de poort” al nauwgezet toezien op de arbeidsplicht en eventuele reïntegratieverplichtingen, een preventie-effect uitgaan. Een belanghebbende weet dan al vroeg wat op dit punt van hem verlangd wordt en zal daardoor minder snel zijn plichten verzaken.

Door de paradigmawisseling in de WIJ is het toezien op de arbeidsplicht en eventuele reïntegratieverplichtingen nog belangrijker geworden. De verplichtingen moeten goed in het werkleeraanbod tot uitdrukking worden gebracht.

In het uitvoeringsplan moet aandacht worden besteed aan het onmiddellijk handhaven van de naleving van de plicht tot arbeidsinschakeling.

 

b. Optimalisatie van de dienstverlening.

 

Met optimalisatie van de dienstverlening wordt bedoeld dat de hier te ontwikkelen activiteiten (aanpassingen) ertoe moeten leiden dat de dienstverlening richting belanghebbenden transparanter wordt en dat onnodige belemmeringen worden weggenomen. Meer concreet kan hierbij worden gedacht aan het niet meer vragen van informatie waarover al wordt beschikt of die via andere, uiteraard legitieme, kanalen kan worden verkregen.

Ook zouden bepaalde controle-onderzoeken kunnen worden geschrapt, omdat er meer gerichter wordt gecontroleerd.

Het optimaliseren van de dienstverlening moet uiteindelijk als doel hebben dat onder belanghebbenden een grotere acceptatie ontstaat van wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende controlepraktijk.

Hoewel sinds invoering van het principe van Hoogwaardig Handhaven onder de WWB al behoorlijke voortgang is gemaakt met het verbeteren van de dienstverlening, blijft een nog verdere optimalisering het streven.

 

c. Vroegtijdige opsporing van fraude en constatering van plichtsverzuim door middel van controles tijdens en na beëindiging van de bijstand of de inkomensvoorziening.

 

Binnen dit aandachtsveld zullen de activiteiten vooral gericht moeten zijn op frauderepressie, op handhaving van de naleving van arbeids- en overige reïntegratieverplichtingen en op het nakomen van andere aan bijstand, inkomensvoorziening of uitkering verbonden verplichtingen. Het streven is te komen tot een nog beter functionerende controle-systematiek, hetgeen moet leiden tot het in een zo vroeg mogelijk stadium opsporen van fraude en tot het snel vaststellen van het niet dan wel onvoldoende nakomen door belanghebbenden van arbeids-/reïntegratieplichten en overige verplichtingen (plichtsverzuim).

In het uitvoeringsplan wordt aangegeven of gerichte controles in de reïntegratie-werkprocessen kunnen worden ingepast en zo ja in welke mate en op welke wijze.

Net als bij de controles bij aanvraag is het werken met risicoprofielen in dit veld onontbeerlijk. Sneller opsporen kan alleen als je slim en intensief controleert. Bij vroegtijdige opsporing spelen ook fraudesignalen een grote rol. Ook van daaruit en dan eventueel gekoppeld aan een risicoprofiel, kunnen gerichte controles worden opgestart. Het uitvoeringsplan zal dan ook daar waar het gaat om rechtmatigheidscontroles (zowel tijdens als bij beëindiging van bijstand, inkomensvoorziening of uitkering maar natuurlijk ook gedurende de aanvraagfase) moeten getuigen van een goed risicomanagement; d.w.z. dat risico- en signaalsturing en de werkprocessen hieromheen zodanig moet zijn dat de controles op basis hiervan ook efficiënt en effectief blijken.

Om tot een nog meer evenwichtig controlesysteem te komen, zal naast risico- en signaalgestuurde controles, in het uitvoeringsplan ook aandacht moeten uitgaan naar jaarlijkse themacontroles. Hier kunnen belanghebbenden onder vallen die voldoen aan een risicoprofiel maar ook andere belanghebbenden (zo kan een thema zijn: belanghebbenden met meer dan één autokenteken op naam). Verder zal in het uitvoeringsplan aandacht moeten worden besteed aan het houden van a-selecte steekproeven. Dit laatste niet alleen om de effecten van de andere controles te meten, maar ook vanuit het oogpunt van verantwoording richting raad en Rijk.

De verwachting is dat, wanneer de activiteiten die binnen dit aandachtsveld worden ontwikkeld een goed repressiemiddel zullen gaan vormen, hier tevens een sterk preventief effect vanuit zal gaan.

 

d. Daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude en/of bij schending van overige aan de bijstand of inkomensvoorziening verbonden verplichtingen en/of in situaties waarin de plicht tot arbeidsinschakeling en eventuele andere reïntegratieverplichtingen (evt. voortvloeiend uit een werkleeraanbod) niet dan wel onvoldoende worden nagekomen.

 

Dit aandachtsveld benadrukt dat er alleen sprake kan zijn van Hoogwaardig Handhaven wanneer er ook steeds wordt gesanctioneerd. Meer toegespitst betekent dit dat bij vastgestelde fraude, bij niet nakoming van overige aan de bijstand of inkomensvoorziening verbonden verplichtingen en/of in geval van geconstateerde schending van de plicht tot arbeidsinschakeling of mogelijke andere reïntegratieverplichtingen, de afstemmingsverordening consequent toepassing vindt en dat bij fraude tevens voortvarend wordt teruggevorderd.

Voor de volledigheid dient dit in het uitvoeringsplan nog eens expliciet tot uitdrukking te worden gebracht.

Net als in voorgaand aandachtsveld, gaat het hier dus in hoofdzaak om frauderepressie en strikte handhaving van arbeids- en reïntegratieplichten en andere aan de bijstand of inkomensvoorziening (incl. het werkleeraanbod) verbonden verplichtingen.

 

Uit consequent terugvorderen vloeit uiteraard voort dat er ook een goede debiteurencontrole moet zijn. Indien bij fraude wel adequaat wordt teruggevorderd, maar vervolgens bij wanbetaling niet snel wordt ingegrepen gaat het repressie-effect grotendeels verloren. Inmiddels is er voor de WWB c.a. een nota debiteurenbeleid WWB c.a. opgesteld met onder meer als doel te komen tot een consistent en adequaat debiteurenbeleid. Met c.a. is al nadrukkelijk aangegeven dat de nota ook het debiteurenbeleid omvat voor de IOAW, IOAZ en WWIK. Dit beleid hoeft dan ook niet opnieuw te worden vastgesteld. De nota debiteurenbeleid WWB c.a. is overigens wel nog expliciet van toepassing verklaard op de WIJ.

 

Artikel 4

 

Invulling bevoegdheid tot terugvordering en verhaal

 

  • 1.

    Uit hetgeen in artikel 3 onder d. is bepaald, vloeit automatisch voort dat door het college ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de terugvorderingsbevoegdheid, zoals verwoord in WWB en WIJ en nu dan ook in IOAW, IOAZ en WWIK. Het is de bedoeling dat in het uitvoeringsplan naar voren wordt gebracht op welke wijze invulling aan deze bevoegdheid wordt gegeven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het al of niet hanteren van een drempelbedrag, het weergegeven van een situatie waarbij van terugvordering wordt afgezien, etc.

  • 2.

    Uit het oogpunt van Hoogwaardig Handhaven is het van belang dat kosten van bijstand en inkomensvoorziening -indien mogelijk- ook feitelijk worden verhaald. Afgezien van het argument dat er inkomsten kunnen worden gegenereerd, kan verhaal ook een preventieve werking hebben, bijvoorbeeld in geval van zogenoemde schijnverlatingen.

Neemt niet weg dat verhaal in het kader van Hoogwaardig Handhaven toch een veel geringere positie inneemt dan terugvordering.

Net als bij terugvordering zal in het uitvoeringsplan moeten worden vermeld op welke manier invulling wordt gegeven aan de verhaalsbevoegdheid.

Ook hierbij kan worden gedacht aan het al dan niet toepassen van een drempelbedrag, het benoemen van een situatie waarin van verhaal wordt afgezien etc.

 

Artikel 5

 

Dit artikel betreft de titulatuur van de verordening.

 

Artikel 6

 

In dit artikel is aangegeven wanneer de nieuwe verordening in werking treedt. De bestaande Verordening handhaving WWB en WIJ 2009, die op 22 september 2009 door de raad werd vastgesteld, komt hiermee te vervallen.