Regeling vervallen per 01-01-2023

Financiële verordening gemeente Oldambt 2020

Geldend van 01-01-2020 t/m 31-12-2022

Intitulé

Financiële verordening gemeente Oldambt 2020

De raad van de gemeente Oldambt;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 2020;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen:

Financiële verordening gemeente Oldambt 2020

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van (onderdelen van) de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

BBR: Besluitvormende Bestuursrapportage;

BBV: Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten;

cluster: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;

inkomsten: totaal van de baten voor reservemutaties;

overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met één of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling en jaarplanning

De raad kan een gewijzigde programma-indeling vaststellen voor het eerstvolgend begrotingsjaar uiterlijk 3 maanden voor de vaststelling van deze begroting dan wel bij aanvang van een nieuwe raadsperiode voor de begroting voor het eerstvolgend begrotingsjaar.

Voor aanvang van een begrotingsjaar biedt het college de raad een overzicht aan met daarin in elk geval de data voor het behandelen en het vaststellen van de jaarstukken, de Besluitvormende Bestuursrapportages (BBR) en de begroting met de meerjarenraming (de planning & control producten).

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

Bij de begroting en jaarstukken worden onder elk van de programma’s en onder het hoofdstuk ‘Algemene dekkingsmiddelen, overhead en overige posten’ de totalen van de baten en lasten weergegeven.

Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet in totaliteit en per jaar weergegeven.

In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

Artikel 4. Kaders begroting

Het college zal indien gewenst uiterlijk in juni aan de raad een kadernota aanbieden met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders voor de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota uiterlijk in juli vast.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten per programma en de lasten en baten van de algemene dekkingsmiddelen, overhead en overige posten.

Bij de begrotingsbehandeling worden met het vaststellen van de financiële positie door de raad nieuwe investeringen met bijbehorend investeringskrediet geautoriseerd.

Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

Aanschaf van goederen en diensten en lasten tot een bedrag van € 20.000 waarvoor geen dekking voorhanden is mogen zonder voorafgaande goedkeuring van de raad ten laste van de post onvoorzien worden gebracht voor zover deze post toereikend is.

Voor een investering boven de € 200.000 waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet met bijbehorende dekking aan de raad voor.

Het college informeert de raad achteraf bij de bestuursrapportages c.q. de jaarrekening over de aanschaf van goederen en dienst en de investeringen die niet bij de begroting waren voorzien en waarvoor geen voorafgaande goedkeuring van de raad conform het gestelde in lid 4 en lid 5 van dit artikel noodzakelijk was.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

Het college informeert de raad door middel van de bestuursrapportages over de afwijkingen in de realisatie van de begroting van de gemeente van het lopende boekjaar.

De Besluitvormende Bestuursrapportage (BBR) wordt 2x per jaar aan de raad aangeboden.

In de BBR wordt in ieder geval opgenomen:

de ontwikkeling van het begrotingssaldo met de bijbehorende toelichtingen;

de afwijkingen in geld en/of beleid t.o.v. de vastgestelde begroting per programma en een overzicht van de algemene dekkingsmiddelen, overhead en overige posten;

het resultaat voor bestemming;

het resultaat na bestemming;

een rapportage op beleidsdoelen naar inhoud, tijd en/of geld.

Mutaties op:

de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

de investeringskredieten;

financiële risico’s.

Artikel 7. Informatieplicht

Het college besluit niet over:

de aankoop van goederen, werken en diensten en lasten groter dan € 20.000 waarvoor geen dekking aanwezig is en alle investeringen groter dan € 200.000;

de verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 50.000 met uitzondering van bouwterreinen in bestemmingsplannen, waarvoor een exploitatie-opzet is vastgesteld en/of de verkoop is geregeld in het mandaatstatuut en/of de verkoop is geregeld in de begroting.

het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties, en

het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa

Vaste activa worden geactiveerd en afgeschreven overeenkomstig bijlage 1 ‘Afschrijvingsbeleid’ en bijlage 2 ‘Afschrijvingstabel’ bij deze verordening.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

Voor de openstaande vorderingen betreffende alle gemeentelijke belastingen en gemeentelijke heffingen wordt, in afwijking van de ‘Interne regels t.a.v. invordering privaatrechtelijke geldvorderingen’, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd, conform bijlage 3 “Voorzieningen voor oninbare vorderingen”.

Voor de openstaande vorderingen betreffende alle vorderingen die voortvloeien uit de uitkeringsverstrekkingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd conform ouderdomsanalyse dan wel op basis van historische gegevens en soort verstrekking.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

het specifieke doel van de reserve;

de wijze van dotaties (voeding) en onttrekkingen/vrijvallen (besteding);

de bodem en plafond hoogte van de reserve;

het laatste jaar van besteding.

Het college neemt jaarlijks in de begroting en de jaarrekening een aparte bijlage op aangaande reserves en voorzieningen en hun verloop. Bij mutaties worden deze in de tussentijdse bestuursrapportages c.q. jaarrekening toegelicht.

Artikel 12. Integrale kostprijsberekening

Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

De toerekening van overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, vindt plaats door middel van een opslag op de directe productieve uren volgens de volgende berekeningswijze: de relevante toe te rekenen overheadkosten van de afdeling gedeeld door de directe productieve uren van de afdeling.

Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald conform de BBV voorschriften.

In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties conform de BBV voorschriften de rentekosten op basis van verhouding eigen vermogen / vreemd vermogen toegerekend.

In afwijking van het eerste lid wordt bij projectfinanciering de werkelijke rentekosten toegerekend.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de (geraamde) integrale kostprijs in rekening gebracht.

Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente tenminste de (geraamde) integrale kosten in rekening.

Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de (geraamde) integrale kosten van de verstrekte middelen.

Bij afwijking genoemd in de vorige leden, doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de (geraamde) integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

leveringen van goederen, diensten of werken en voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

6. Raadsbesluiten zijn wel noodzakelijk bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het college doet indien nodig de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte en eventuele wijzigingen van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing en andere gemeentelijke leges, prijzen en heffingen.

Prijzen: het college biedt indien nodig geactualiseerde nota’s aan de raad aan. In de nota’s ‘Grondbeleid’ en ‘Algemene voorwaarden met betrekking tot de uitgifte van grond’ zijn o.a. de kaders voor de prijzen voor de verhuur en verkoop van onroerende goederen en in het bijzonder de kaders voor de prijzen voor de uitgifte van gronden en erfpachtcanons opgenomen.

Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit deze nota’s vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 15. Financieringsfunctie

Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van leningen of het verstrekken van garanties de kaders in acht: zoals vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido) en het door de raad vastgestelde Treasurystatuut gemeente Oldambt.

Bij het verstrekken van een garantie wordt, indien gewenst, een voorziening ten laste van de begroting gevormd ter grootte van het risico dat de gemeente met de garantie loopt. Als in de begroting niet is voorzien in budget voor deze voorziening dan doet het college vooraf aan de garantieverlening een voorstel aan de raad voor een begrotingswijziging.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 16. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 17. Financiering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf financiering de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf weerstandsvermogen de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

In deze paragraaf worden richtlijnen geformuleerd voor het kwantificeren van de risico’s en de wijze van bepaling van de noodzakelijk geachte weerstandscapaciteit in relatie tot de risico’s.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 21. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden partijen in elk geval ingegaan op de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 22. Grondbeleid

In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Het college biedt indien nodig een geactualiseerde nota Grondbeleid en Algemene voorwaarden met betrekking tot de uitgifte van grond aan de raad aan.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 23. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de clusters;

het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid en de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen,

de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 24. Financiële organisatie

Het college zorgt voor en legt vast:

een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de clusters;

een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

de te maken afspraken met de clusters over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de taakvelden;

het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen;

het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

het beleid en interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan derden, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en (interne) controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd.

Artikel 25. Interne controle

Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente.

Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De geldende financiële verordening van de gemeente Oldambt, vastgesteld bij raadsbesluit van

14 december 2015, wordt ingetrokken, met dien verstande, dat die verordening niet meer van toepassing is op de jaarrekening over het boekjaar 2020. De financiële stukken voor het begrotingsjaar 2020 voldoen - voor zover mogelijk - aan deze nieuwe verordening.

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt – na behoorlijk te zijn bekendgemaakt - in werking op 1 januari 2020, zijnde het begrotingsjaar 2020.

Deze verordening kan worden aangehaald als “Financiële verordening gemeente Oldambt 2020”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oldambt

op 16 november 2020.

De griffier, De voorzitter,

Jelte van der Meer Cora-Yfke Sikkema

Bijlage 1: Afschrijvingsbeleid bij artikel 9

Afschrijvingsbeleid materiele vaste activa met economisch nut

Afschrijving vaste activa

In het BBV zijn onder meer de volgende voorwaarden opgenomen voor de afschrijving van vaste activa:

De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het dienstjaar en slechts om gegronde redenen mogen afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast.

Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.

Het bovenstaande houdt in, dat de afschrijvingen gebaseerd dienen te zijn op de verwachte nuttigheidsduur, er sprake dient te zijn van een bestendige gedragslijn en dat de afschrijving stelselmatig moet worden bepaald.

Afschrijvingstermijn

Om te komen tot een bestendige gedragslijn is een bijlage 2 opgenomen met de afschrijvingstermijnen van de verschillende soorten activa.

De afschrijvingstermijn vangt aan in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. wordt verworven. De gerealiseerde afschrijvingen op basis van hiervan afwijkende methoden in het verleden hoeven daarop niet te worden gecorrigeerd.

Extra afschrijving c.q. herwaardering van activa

In de volgende gevallen wordt overgegaan tot extra afschrijving c.q. herwaardering:

Administratieve vereenvoudiging.

Tenietgaan van het actief.

Duurzame waardevermindering.

Voorraden/deelnemingen.

Administratieve vereenvoudiging

Het gaat hierbij om kleine investeringen met een verkrijgingprijs van minder dan

€ 20.000 waarbij de kosten niet aan derden worden doorberekend. Deze investeringen worden ineens afgeschreven ten laste van de rekening van baten en lasten.

Tenietgaan van het actief

Als een actief teniet gaat dient de restant boekwaarde in één keer afgeschreven te worden. Hiervan is ook sprake in het geval van verkoop van een actief.

Duurzame waardevermindering

Wanneer de waarde van een actief blijvend daalt, dient onafhankelijk van het resultaat een herwaardering plaats te vinden van het betreffende actief en indien noodzakelijk hersteld via terugname.

Voorraden/deelnemingen

Voorraden en deelnemingen moeten gewaardeerd worden tegen marktwaarde indien die lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs van het actief.

Afschrijvingen Immateriële activa

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio van geldleningen.

Indien op grond van de financiële positie van de gemeente deze kosten geactiveerd worden, worden deze kosten in maximaal 5 jaar afgeschreven en niet langer dan de duur van de lening.

Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.

Indien op grond van de financiële positie van de gemeente deze kosten geactiveerd worden, worden deze kosten in maximaal 5 jaar afgeschreven.

Software (computerapplicaties)

Indien op grond van de financiële positie van de gemeente deze kosten geactiveerd worden, worden deze kosten in maximaal 5 jaar afgeschreven.

Afschrijvingsmethode

In het BBV zijn geen bepalingen opgenomen omtrent de afschrijvingsmethode. In de praktijk zijn er veel afschrijvingsmethoden. De meest voorkomende zijn de lineaire afschrijving en de annuïteiten methode.

Lineaire afschrijving

Lineaire afschrijving is een afschrijving op basis van een vast percentage van de oorspronkelijke investering. Hierbij blijft het jaarlijkse deel aan afschrijving gelijk, terwijl de rente in de loop van de tijd lager wordt. De totale kapitaallasten dalen dus in de loop van de gebruiksperiode. Hierdoor ontstaat ruimte voor in de tijd oplopende kosten, zoals onderhoudslasten. Ook kan het verschil in kapitaallasten worden gebruikt voor nieuwe investeringen. Dit is de reden dat in de praktijk vaak voor deze methode wordt gekozen.

Annuïteit

Bij deze methode blijven de totale kapitaallasten gedurende de afschrijvingstermijn gelijk; wel is in het begin de rentecomponent verhoudingsgewijs groter en aan het eind de afschrijvingscomponent. Deze methode wordt vaak toegepast wanneer er een bepaald bedrag beschikbaar is voor langere tijd om de kapitaallasten mee te dekken. Indien er geen onderhoudslasten zijn, dan kan het ook aan te bevelen zijn om voor deze systematiek te kiezen.

In principe wordt afgeschreven op basis van de lineaire afschrijvingsmethode. Hierop kan gemotiveerd worden afgeweken. Bij afwijking zal het college dit middels een raadsvoorstel ter besluitvorming aan de raad voorleggen.

Bijlage 2: Afschrijvingstabel behorende bij het investerings- en afschrijvingsbeleid.

In deze tabel zijn de afschrijvingstermijnen opgenomen naar soort van investering.

Keuze van de afschrijvingstermijn

Activa kunnen worden afgeschreven naar economische of technische levensduur. De economische levensduur is de periode waarin de activa naar schatting economisch kunnen worden gebruikt. De technische levensduur is de periode waarin het technisch mogelijk is de investering te gebruiken. Dezelfde activa moeten in dezelfde termijn, en volgens dezelfde methode worden afgeschreven. De afschrijvingstermijn kan nooit langer zijn als de technische levensduur.

De gemeente Oldambt heeft haar afschrijvingstermijnen voor materiële vaste activa met economisch nut gebaseerd op de verwachte economische levensduur.

Per investeringsgroep volgt hieronder een overzicht van de te hanteren afschrijvingstermijnen.

Investering Afschrijvingstermijn

Gronden en terreinen

De grond of het terrein als zodanig Geen afschrijving

Gebouwen

Woonruimten, schoolgebouwen, bedrijfsgebouwen en accommodaties:

Nieuwbouw – permanent - 40 jaar

Wezenlijke uitbreiding – permanent - 30 jaar

Nieuwbouw - semi-permanent - 20 jaar

Aankoop bestaand gebouw 20 jaar

Renovatie, restauratie en vervanging constructiedelen 20 jaar

Overige levensduurverlengend onderhoud gebouwen 20 jaar

Vervanging (technische) installaties 15 jaar

Werkzaamheden, overwegend aan/op/in de grond 25 jaar

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

Riool vervangingen, verbeteringen en rioolrenovaties (relinen) 50 jaar

Bergbezinkvoorzieningen en rioolgemalen (bouwkundig) 25 jaar

Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA) 10 jaar

Rioolpompen en rioolgemalen (technische gedeelte) 15 jaar

Bij die riolerings- en afvalwaterinvesteringen, waarbij de

zgn. componentenbenadering niet is en ook niet zal worden

toegepast, wordt een forfaitaire afschrijvingstermijn gehanteerd van 25 jaar

Vervoermiddelen

Zware motorvoertuigen zoals: vrachtwagens, tractoren,

veegmachines en kranen 10 jaar

Lichte motorvoertuigen zoals: dienstauto’s en dienstbussen 6 jaar

Machines, apparaten en installaties

Materieel en gereedschappen t.b.v. buitendienst 10 jaar

Inventaris en meubilair t.b.v. bedrijfsgebouwen 10 jaar

Parkeerautomaten 10 jaar

Telefooninstallaties 5 jaar

Overige kantoorapparatuur 5 jaar

Automatiseringsapparatuur 4 jaar

Overige

1e Inrichting scholen (inventaris) 20 jaar

Minicontainers t.b.v. huisvuil 10 jaar

Ondergrondse afvalcontainers 10 jaar

Materiële vaste activa met maatschappelijk nut

Afschrijving van vaste activa met een maatschappelijk nut gebeurt op basis van de verwachte gebruiksduur.

Grond-/weg- en waterbouwkundige werken (nieuwe aanleg) Maximaal:

Wegen, fietspaden, pleinen en rotondes 40 jaar

Bruggen, tunnels en viaducten 40 jaar

Waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing 40 jaar

Havens, kades, sluizen en waterkeringen 40 jaar

Openbare verlichting 40 jaar

Sport- en recreatievelden 20 jaar

Straatmeubilair 15 jaar

Kunstgrasvelden 15 jaar

Speelvoorzieningen 10 jaar

Grond-/weg- en waterbouwkundige werken (renovaties ) Maximaal:

Wegen, fietspaden, pleinen en rotondes 25 jaar

Bruggen, tunnels en viaducten 25 jaar

Waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing 25 jaar

Havens, kades, sluizen en waterkeringen 25 jaar

Openbare verlichting - masten 40 jaar

Openbare verlichting - armaturen 20 jaar

Openbare verlichting - waarbij de zgn. componentenbenadering

niet is en ook niet zal worden toegepast, wordt een forfaitaire

afschrijvingstermijn gehanteerd van 25 jaar

Sport- en recreatievelden 15 jaar

Immateriële vaste activaMaximaal:

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het

saldo van agio en disagio van geldleningen 5 jaar

Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief 5 jaar

Software (computerapplicaties) 5 jaar

Financiële vaste activa

Verstrekte leningen aan:

Woningcorporaties Wel opgenomen als actief, maar

Derden niet relevant i.v.m. afschrijvingen

Deelnemingen:

Aandelen Geen afschrijving

Overig:

Voor investeringen welke niet vallen onder één van de hier boven genoemde investeringsgroepen wordt als afschrijvingstermijn de economische levensduur van de investering gehanteerd.

Bijlage 3: Artikel 10 lid 2. Voorziening voor oninbare vorderingen

Ouderdom vorderingen in jaren

Percentage

dubieusiteit

0

0

1

10

2

30

3

70

4 en ouder

100