Treasurystatuut Omgevingsdienst Rivierenland 2012

Geldend van 11-12-2012 t/m heden

Intitulé

Treasurystatuut Omgevingsdienst Rivierenland 2012

Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Rivierenland,

Gelet op de Wet financiering decentrale overheden,

Gelet op de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden,

Gelet op de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden,

Gelet op artikel 57 van de Wet gemeenschappelijke regelingen,

Gelet op de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Rivierenland,

Besluit vast te stellen:

Treasurystatuut Omgevingsdienst Rivierenland.

1.0 Inleiding 

Het treasurystatuut vormt het kader voor de uitvoering van het treasurybeleid. Het treasurybeleid ondersteunt, als onderdeel van het financieel beleid, de uitvoering van de publieke taken en biedt mede waarborgen voor de financiële continuïteit van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) op korte en lange termijn.

De treasuryfunctie heeft bij lagere overheden de laatste jaren sterk aan betekenis gewonnen, onder meer vanwege de inwerkingtreding van de wet financiering decentrale overheden (Wet FIDO) per 1 januari 2001, de ontwikkelingen op de Europese geld- en kapitaalmarkt en de introductie van nieuwe financieringsinstrumenten.

Met de komst van de Wet FIDO zijn voor de gemeentelijke treasuryfunctie duidelijke kaders geboden ten aanzien van risicobeheersing en transparantie. Dat laatste komt onder meer tot uitdrukking in de voorschriften voor een verplicht treasurystatuut.

Daarnaast moet, op basis van de uitwerking die de ODR heeft gegeven aan artikel 216 van de Provinciewet, de directeur zorgen voor een goede inrichting van de uitvoeringsorganisatie van de financieringsfunctie, die het treasurystatuut mogelijk maakt[1].

Het treasurystatuut bepaalt de kaders voor de uitvoering van het treasurybeleid en maakt een objectieve en transparante verantwoording achteraf mogelijk.

De specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury worden besproken in de treasuryparagraaf van de begroting en de jaarstukken.

Bij de inrichting van het treasuryproces zorgen de vier elementen sturing, uitvoering, verantwoording en toezicht houden voor duidelijkheid en transparantie.

Het treasurystatuut is een nadere uitwerking van de geldende wetgeving. Bij het opstellen van dit statuut is rekening gehouden met het relevante wettelijke kader in:

- de Provinciewet;

- de Wet financiering decentrale overheden (Wet FIDO);

- het met de Wet FIDO samenhangende Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden;

- de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden;

- het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten 2004;

- de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Rivierenland;

- de Financiële verordening ODR 2012;

- Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo).

Het statuut is voor de ODR beperkt gehouden, omdat de ODR een eenvoudige rol heeft op het geheel van treasury. De behoefte is:

- het aantrekken van geld voor investeringen ten behoeve van de bedrijfsvoering;

- het overbruggen van de mate van bevoorschotting zoals geregeld in de gemeenschappelijke regeling of bij het offreren van projecten en de voortgang van uitvoering van de projecten en begroting.

Voorgaande betekent dat er een langlopende financiering zal zijn en blijven voor investeringen in de bedrijfsvoering en een korte termijn financiering voor de overbrugging van bevoorschotting versus uitvoering.

1.1 Doelstellingen van de treasuryfunctie 

De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico's.

Bij de ODR gelden de volgende doelstellingen van de treasuryfunctie;

1. Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities;

2. Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities;

3. Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de Wet FIDO en de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut;

4. Waarborgen dat de taken en verantwoordelijkheden op het gebied van treasury duidelijk worden geregeld.

2. Beleid 

2.1 Treasurybeleid 

Het algemeen bestuur bepaalt, met de vaststelling van de begroting, welke de publieke taken van de ODR zijn en binnen welk budgettair kader die worden uitgevoerd.

2.2 Treasury en de Planning & Control-cyclus 

De paragraaf treasury in de begroting bevat de plannen voor de treasuryfunctie voor het begrotingsjaar in een meerjarig perspectief.

Er wordt inzicht gegeven in de uitgangspunten van de treasury-activiteiten, die verwerkt zijn in de financiële meerjarenraming.

De paragraaf treasury in de jaarstukken geeft een verslag van de uitvoering van het treasurybeleid in het afgelopen jaar. Daarbij wordt getoetst aan de beleidsvoornemens in de begroting en de bijstellingen van deze voornemens in de wijzigingen van de begroting.

3. Risicobeheer 

3.1 Uitgangspunten Risicobeheer 

Het beheersen en vermijden van risico's staat in het treasurybeleid voorop. In dit verband is het risicomanagement gericht op het inzichtelijk maken van toekomstige risico's en deze te beheersen, te verminderen en te spreiden. De treasuryfunctie zal nadrukkelijk geen bankachtige activiteiten ontplooien, met het oogpunt om geld te verdienen.

3.2 Renterisicobeheer 

De Wet FIDO geeft voor het beheersen van de renterisico's concrete richtlijnen, zijnde de kasgeldlimiet en de renterisiconorm.

Met betrekking tot het renterisicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

1. De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet FIDO.

2. De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet FIDO.

3. Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitsplanning.

4. De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening worden zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie.

3.3 Kredietrisicobeheer 

Het kredietrisico wordt in de eerste plaats beperkt doordat het financieringsbeleid gericht is op het voorkomen van langdurige overschotten.

Bij het uitzetten of beleggen, dan wel aantrekken van middelen wordt alleen gebruik gemaakt van financiële producten, waarbij aan het einde van de looptijd tenminste de hoofdsom is gegarandeerd.

Met betrekking tot het kredietrisicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

1. Het uitzetten en/of beleggen van middelen uit hoofde van treasury vindt uitsluitend plaats bij financiële ondernemingen met ten minste een A-2 rating voor looptijden tot 3 maanden en een AA- (minus) rating bij looptijden >3 maanden (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) die onder Nederlands of anderszins EER-toezicht vallen, zoals de Nederlandse Bank en de Verzekeringskamer der Financiële ondernemingen.

2. Bij het uitzetten van gelden of verstrekken van leningen uit hoofde van de publieke taak met uitzondering van specifieke regelingen worden zekerheden of garanties geëist.

3. Er wordt niet in achtergestelde obligaties belegd.

3.4 Koersrisicobeheer 

Bij het uitzetten of beleggen van middelen wordt alleen gebruik gemaakt van financiële producten, waarbij aan het einde van de looptijd tenminste de hoofdsom is gegarandeerd.

Om de koersrisico's bij uitzettingen of beleggingen uit hoofde van treasury zoveel mogelijk te beperken worden uitsluitend de volgende producten gehanteerd:

1. vastrentende waarden;

2. producten waarbij aan het eind van de looptijd in elk geval de hoofdsom gegarandeerd is.

3.5 Valutarisicobeheer 

Valutarisico's worden uitgesloten door alleen leningen te verstrekken, aan te trekken of te garanderen in euro's.

3.6 Liquiditeitsrisicobeheer 

Het interne liquiditeitsrisico's wordt beperkt door de treasuryactiviteiten te baseren op liquiditeitsplanningen die periodiek worden bijgesteld en zoveel mogelijk synchroon lopen met begroting en jaarstukken.

4. Financiering ODR 

4.1 Relatiebeheer 

De ODR beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

1. Bankrelaties dienen, wat betreft hun kredietwaardigheid, minimaal te voldoen aan de eisen, zoals omschreven onder kredietrisicobeheer;

2. Financiële ondernemingen (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen onder Nederlands of anderszins EER-toezicht te vallen, zoals De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer;

3. Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en daarvan een vergunning als makelaar te hebben ontvangen.

Het beheer van relaties met financiële ondernemingen, waaronder de bankrelaties, valt onder de verantwoordelijkheid van de medewerker die is belast met de uitvoering van de treasuryfunctie, hierna te noemen 'treasuryfunctie'.

Onder dit beheer wordt verstaan:

1. Het beheer van rekeningen bij verschillende bancaire instellingen, waarbij wordt gestreefd naar een zo klein mogelijk aantal rekeningen om de transparantie te vergroten.

2. Het zorgdragen voor voldoende kredietfaciliteit bij verschillende bancaire instellingen.

3. Het zorgdragen voor informatie bij financiële ondernemingen over verdeling van bevoegdheden binnen de gemeente voor een efficiënte afhandeling en minimalisering van risico's van transacties.

4. Het doorlopend beoordelen van bankrelaties en hun bancaire condities op marktconformiteit.

5. Het onderhouden van contacten met banken, instellingen en (geld)makelaars ten behoeve van de toegang tot en van kennis over de ontwikkelingen in de financiële markten.

4.2 Geldstromenbeheer 

1. Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op elkaar en de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt er op toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.

2. Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank.

4.3 Aantrekken van langlopende financiering 

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

1. Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) te gebruiken. Op deze wijze worden de renterisico's en het renteresultaat geoptimaliseerd.

2. Toegestane instrumenten bij het aantrekken van langlopende financieringen zijn:

- medium term notes (MTN)

3. Voorafgaande aan het aantrekken van een langlopende financiering worden bij minimaal 2 instellingen offertes opgevraagd. Deze offertes worden schriftelijk vastgelegd.

4.4 Uitzetten van langlopende financiering 

Bij het uitzetten of beleggen van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

1. Uitzettingen worden uitsluitend gedaan met inachtneming van de voorwaarden, zoals opgenomen onder renterisicobeheer, kredietrisicobeheer en koersrisicobeheer.

2. Voorafgaande aan het uitzetten van middelen voor een periode van één jaar of langer of beleggen hiervan worden bij minimaal 2 instellingen offertes opgevraagd. Deze offertes worden schriftelijk vastgelegd.

4.5 Saldo- en liquiditeitenbeheer (Kasbeheer) 

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:

1. Streven naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities.

2. Bij aantrekken en uitzetten van liquiditeiten met een looptijd van maximaal 1 jaar worden bij minimaal 2 instellingen offertes opgevraagd.

3. De toegestane financierings- en beleggingsinstrumenten voor de korte termijn (< 1 jaar) zijn:

Aan te trekken

Uit te zetten

Rekening courant bij banken

Rekening courant bij banken

Callgeld (daggeld)

Spaarrekeningen

Kasgeld

Callgeld (daggeld)

 

Deposito's

 

Kasgeld

5. Administratieve organisatie en Interne controle 

5.1 Uitgangspunten 

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:

1. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasuryactiviteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd.

2. De administratieve organisatie en interne controle waarborgen dat:

a. de uitvoering van de treasuryfunctie conform de gestelde regels plaatsvindt;

b. de uitvoering rechtmatig en doelmatig is;

c. de treasuryactiviteiten adequaat kunnen worden uitgevoerd en bijgestuurd;

d. de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de informatie verzekerd zijn.

3. Bevoegdheden zijn via mandaatverlening nader schriftelijk vastgelegd conform artikel 13 van de Financiële Verordening Omgevingsdienst Rivierenland 2012.

4. Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

a. iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd;

b. de uitvoering en de controle geschieden door afzonderlijke functionarissen;

c. de uitvoering en de registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen.

5. Een transactie wordt onmiddellijk geregistreerd.

6. Ten aanzien van de treasuryfunctie vindt minimaal 1 maal per jaar een interne controle plaats. Daarbij worden minimaal de volgende aspecten betrokken:

a. juistheid, tijdigheid, volledigheid en relevantie van de managementinformatie;

b. rechtmatigheid van de administratieve verwerking;

c. borging van voldoende functiescheiding;

d. realisatie van de doelstellingen;

e. uitvoering van het beleid.

7. De treasuryfunctionaris houdt te allen tijde alle relevante stukken ter beschikking ter verantwoording van zijn/haar werkzaamheden. De treasuryfunctionaris archiveert alle offertes en de keuzen en overwegingen die tot besluiten in het kader van treasury hebben geleid.

8. De treasuryfunctie maakt van elke controle een verslag:

a. hieruit blijkt minimaal waar eventueel aandachtspunten liggen op de onder 6 genoemde punten;

b. de treasuryfunctie ontvangt elk rapport tevoren ter inzage en dient dit voor gezien, dan wel voor akkoord te ondertekenen;

c. op basis van dit rapport doet de treasuryfunctie zonodig aanbevelingen tot aanpassing van het treasurystatuut.

5.2 Verantwoordelijkheden 

Het primair bevoegde orgaan tot het aangaan van overeenkomsten tot aangaan en verstrekken van geldleningen is het algemeen bestuur. Op basis van delegatie kan deze bevoegdheid overgedragen worden aan het dagelijks bestuur.

De verantwoordelijkheden t.a.v. Treasury worden door het dagelijks bestuur vastgelegd, hierin wordt onderscheid gemaakt in de verantwoordelijkheden per functionaris. De eindverantwoordelijkheid ligt bij het algemeen bestuur.

De directeur is verantwoordelijk.

Het treasurybeleid en elke aanpassing daarvan, moet worden vastgesteld door het algemeen bestuur.

6. Slotbepalingen 

Dit statuut treedt in werking op de dag volgend op de dag van vaststelling.

7. Citeertitel 

Dit statuut wordt aangehaald als 'Treasurystatuut Omgevingsdienst Rivierenland 2012'.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Rivierenland op 10 december 2012.

de voorzitter, de secretaris,

C.A.H. Zondag, A. Schipper

[1] Artikel 9 van de Financiële verordening 2012