Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Oud-Beijerland

Standplaatsvergunning (art. 5.2.3 APV), beleidsregel

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOud-Beijerland
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingStandplaatsvergunning (art. 5.2.3 APV), beleidsregel
CiteertitelStandplaatsvergunning (art. 5.2.3 APV), beleidsregel
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-03-2007nieuwe regeling

02-01-2007

De Schakel, 01-03-2007

010502

Tekst van de regeling

Intitulé

Standplaatsvergunning (art. 5.2.3 APV), beleidsregel

Inleiding Het innemen van een standplaats[1] ten behoeve van de verkoop van goederen is op grond van artikel 5.2.3 van de Algemene Plaatselijk Verordening van Oud-Beijerland verboden zonder vergunning van het college. Dit artikel bevat een aantal weigeringgronden. Indien één (of meer) van de weigeringsgronden zich voordoet, kan het college de vergunning weigeren.De gemeente Oud-Beijerland kent tot op heden geen standplaatsenbeleid. Het ontbreken van beleid maakt het voor het college moeilijk om het aantal standplaatsvergunningen en de locaties daarvan in de gemeente te sturen en in de hand te houden. Het college heeft evenmin voldoende houvast bij de toetsing van aanvragen om standplaatsvergunning en het houden van toezicht op afgegeven vergunningen. Besluiten op verzoeken om een standplaatsvergunning, toekenning of weigering, moeten worden onderbouwd, hetgeen moeilijk is zonder een standplaatsenbeleid. Besluiten tot weigering van standplaatsvergunningen zonder een daaraan ten grondslag liggend beleid lopen, indien bezwaar wordt aangetekend, gerede kans vernietigd te worden wegens strijd met het verbod van willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. Een weigering waarbij slechts naar ‘het beleid’ wordt verwezen, is niet voldoende, iedere aanvraag moet op zijn eigen merites beoordeeld worden.Uitwerking van de in artikel 5.2.3 van de APV opgenomen weigeringsgronden en de daaraan ten grondslag liggende belangen in nader vast te stellen beleid(sregels) is dan ook een vereiste om grip te krijgen en te houden op het aantal standplaatsen en de locaties daarvan. Het vaststellen van beleid schept duidelijkheid voor standplaatshouders, voor omwonenden van een (potentiële) standplaatslocatie, voor overige belanghebbenden én voor het college en de gemeentelijke organisatie zelf.

Artikel 2 Probleemstelling

Het te koop aanbieden van zaken zoals bloemen, vis, kaas, friet, loempia’s en dergelijke op straten en pleinen vanuit een verkoopwagen of kraam is niet weg te denken uit het huidige straatbeeld. Het verlevendigt de openbare ruimte terwijl deze activiteiten tevens, naast de reguliere weekmarkt, een aanvulling kunnen vormen op het reguliere assortiment in supermarkten en andere winkels.In vergelijking met de detailhandel vanuit winkels, kunnen ondernemers die vanuit een standplaats verkopen op een economisch aantrekkelijkere wijze werken; zonder al te hoge investeringen en vaste lasten kunnen zij direct hun koopwaar aan de man brengen. Op deze wijze krijgen nieuwe ondernemers een kans op bestaan.De schaduwzijde is dat er door deze lage drempel een wildgroei aan standplaatsen kan ontstaan. Dat kan leiden tot ongewenste situaties zoals parkeerproblematiek, overlast voor omwonenden (parkeren, stank e.d.) en verkeersonveilige situaties. Ook kan het innemen van een standplaats het uiterlijk aanzien van de omgeving aantasten.

Artikel 3 Doelstelling

Belangrijkste doelstelling van het standplaatsenbeleid is om voor de aanvragers van standplaatsvergunningen duidelijkheid te scheppen over de locaties waar wel een standplaats en waar geen standplaats kan worden ingenomen. Daarnaast beoogt het beleid te komen tot een eenvoudig hanteerbare werkwijze voor de afhandeling van aanvragen voor een standplaatsvergunning.

Artikel 4 Leeswijzer

Allereerst volgt een beschrijving van de huidige situatie binnen de gemeente Oud-Beijerland (hoofdstuk 5).In hoofdstuk 6 wordt het wettelijke kader van de APV met de daarin opgenomen weigeringsgronden beschreven.Concrete beleidsregels standplaatsen inclusief het voorstel voor een maximumstelsel aan standplaatsvergunningen en de uitwerking daarvan worden in hoofdstuk 7 beschreven.In hoofdstuk 8 wordt weergegeven op welke manier het beleid wordt ingevoerd:

  • 1.

    welke bescheiden moeten bij een aanvraag aangeleverd worden?

  • 2.

    hoe ziet de procedure omtrent de beoordeling en afhandeling van een aanvraag er uit,?

  • 3.

    wat zijn de tarieven?

  • 4.

    welke voorwaarden worden aan de vergunning gekoppeld?

  • 5.

    hoe en door wie wordt gehandhaafd?

Hoofdstukken 10 en 11 beschrijven de vaststellingprocedure van het standplaatsenbeleid. De notitie wordt ten slotte afgerond met een evaluatiemoment (hoofdstuk 12).

Artikel 5 Huidige situatie Oud-Beijerland

Bij het verlenen van standplaatsvergunningen wordt onderscheid gemaakt tussen:Vaste standplaatsen:Een plaats van waaruit voor een maximale periode van 1 jaar met een (mobiele) verkoopinrichting op of aan de openbare weg of openbaar vaarwater, in de uitoefening van ambulante handel goederen te koop worden aangeboden, verkocht of verstrekt.Incidentele standplaats:Een standplaats die voor maximaal 3 maanden wordt uitgegeven voor de verkoop van seizoensgebonden producten en voor maximaal 3 weken voor de verkoop van kerstbomen.Ideële standplaats:De standplaatsen op het gebied van maatschappelijk/sociaal-culturele activiteiten of activiteiten op het gebied van volksgezondheid, allen met een niet commercieel karakter (verkoop van producten is uitgesloten) voor een periode van minimaal 1 dag en maximaal 3 maanden.In het standplaatsenbeleid blijft dit onderscheid gehandhaafd.Binnen de gemeente Oud-Beijerland zijn in 2006 8 vaste standplaatsen, 6 incidentele standplaatsen en 3 ideële standplaatsen toegewezen. Het komt voor dat vaste standplaatshouders op verschillende dagen en soms zelfs op verschillende locaties hun standplaats innemen. De afgegeven vaste standplaatsvergunningen hebben alle een looptijd van 1 jaar. Indien een vergunning uit 2006 wordt ingetrokken of op andere wijze komt te vervallen, zijn op een nieuwe aanvraag en/of de herziene situatie de nieuwe beleidsregels van toepassing.

Artikel 6 Wettelijk kader

Algemene Plaatselijke Verordening De aanvraag om een standplaatsvergunning wordt door het college getoetst aan artikel 5.2.3 van de APV. Dit artikel luidt als volgt:

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:a. met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden;b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

  • 2.

    Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  • 4.

    De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4.

  • 5.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Woningwet,de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland van toepassing is.

  • 6.

    Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:a. in het belang van de openbare orde;b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

  • 7.

    Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een Wet- milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de beslissing over de Wet milieubeheervergunningaanvraag is genomen.

  • 8.

    Gezien de formulering van lid 6 is het college gehouden de vergunning te verlenen als geen van de daar genoemde weigeringsgronden in het geding is. Indien wel één (of meer) van de weigeringsgronden in het geding is, kan het college de vergunning weigeren, maar kan ze de vergunning ook, na afweging van alle betrokken belangen, alsnog verlenen. Het standplaatsenbeleid moet dan ook een uitwerking inhouden van de in lid 6 genoemde weigeringsgronden, wil het in de praktijk toepasbaar zijn en in rechte in stand kunnen blijven.

Overige regelgevingNaast de APV zijn ook andere regelingen van toepassing op het innemen van een standplaats: o.a. Wet milieubeheer, Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Winkeltijdenwet.

Artikel 7 Beleidsregels

7.1 Weigeringsgronden APV In verschillende gevoerde gerechtelijke procedures is bepaald dat de in het zesde lid van artikel 5.2.3 van de APV genoemde weigeringsgronden limitatief (uitputtend) zijn, er zijn geen andere weigeringsgronden mogelijk.De weigeringsgronden voor standplaatsvergunningen zijn:

  • a.

    Belang van de openbare orde.

  • b.

    Belang van het voorkomen of beperken van overlast.

  • c.

    Belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.

  • d.

    Belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid.

  • e.

    Wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • f.

    Strijd met een geldend bestemmingsplan.

7.2 Uitwerking weigeringsgronden APV Openbare orde Deze weigeringsgrond sluit nauw aan bij de weigeringsgrond voorkomen of beperken van overlast. Ook wordt deze weigeringsgrond dikwijls gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond, genoemd onder de verkeersvrijheid of -veiligheid. De verkeersaantrekkende werking van een standplaats kan zowel de openbare orde aantasten, overlast veroorzaken als de verkeersveiligheid betreffen.Van deze weigeringsgrond is sprake als de normale situatie door een vergunningverlening substantieel zal wijzigen. Hierbij kan gedacht worden aan een standplaats gelegen in een rustige woonwijk die dagelijks veel bezoekers trekt en/of een verkeersaantrekkende werking heeft. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto’s kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. Uit jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken vergunningen in het belang van de openbare orde en de verkeersveiligheid is toegestaan. Concreet acht het college het wenselijk om standplaatsaanvragen enkel bij grote parkeerplaatsen en in de nabijheid van winkels te honoreren.Voorkoming of beperking van overlast Op grond van deze weigeringsgrond kan een verdeling worden toegepast ten aanzien van het aantal standplaatsen op een bepaalde locatie waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week worden verspreid dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. Deze weigeringsgrond kan worden aangewend wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie aanwezig is, ter voorkoming van ongewenste marktvorming waarbij veelal ook parkeerproblemen ontstaan.Voorbeelden van situaties die overlast voor de omgeving teweeg kunnen brengen zijn onder andere hinder door verspreiding van stank, produceren van geluid, teweegbrengen van afval. Hierbij gaat het dus om de negatieve gevolgen van een standplaats voor de omgeving.Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving Deze weigeringsgrond kan worden gehanteerd indien één of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld (ernstig) wordt verstoord en (ernstig) wijzigt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook kan het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige waardevolle aangezichten worden beschermd. Welstandscriteria kunnen hierbij een rol spelen.Verkeersvrijheid of -veiligheid Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden, hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter (voetgangers, geparkeerde rijwielen en auto’s). In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te nemen. Een standplaats dat de toegang voor voetgangers blokkeert, kan de verkeersveiligheid in gevaar brengen. Zie ook de toelichting bij de weigeringsgrond “de openbare orde”.Verzorgingsniveau consument Op een tweetal manieren kan de aanvraag voor het innemen van een standplaats worden geweigerd wanneer het voorzieningenniveau ter plaatse in gevaar komt.

  • 1.

    De eerste betreft de weigering op grond van een distributieplanologisch onderzoek (DPO). In een dergelijk onderzoek wordt bepaald wat de minimale voorzieningen moeten zijn in de gemeente of in een bepaalde wijk van de gemeente. Indien uit het onderzoek blijkt dat er al voldoende verkooppunten zijn, kan dit een weigeringsgrond voor het innemen van een standplaats zijn. Het bepalende element om niet tot de verstrekking van de vergunning over te gaan, is het verzorgingsniveau van de consument, niet de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier, die immers door het vrije marktmechanisme wordt gereguleerd.Op grond van een DPO kunnen winkeliers in een nieuw opgezet winkelcentrum tijdelijk worden beschermd tegen concurrentie door standplaatshouders. De Afdeling rechtspraak heeft aanvaard dat winkeliers gedurende een bepaalde periode, waarin de aanloopkosten hoog zijn, gevrijwaard dienen te zijn van concurrentie, in het belang van het opzetten van een voldoende voorzieningenniveau voor de consument. (Vz. ARRS, 17 februari 1986, AB 1987, 3)

  • 2.

    De tweede situatie betreft het geval dat er binnen het verzorgingsniveau in een bepaalde branche nog slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een standplaatshouder ten onder dreigt te gaan. In dat geval kan het verzorgingsniveau ter plaatse in het gedrang komen. De winkelier moet aan de hand van zijn boekhouding aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn winkel in gedrang is. Op dagen dat de standplaatshouder zijn goederen niet aanbiedt, is er in dat geval geen aanbod van deze soort goederen binnen het verzorgingsgebied. In een dergelijk geval kan het college een vergunning tot het innemen van een standplaats weigeren.

Strijd met een geldend bestemmingsplanDe bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gericht op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de artt. 108 en 149 Gemeentewet, de bevoegdheid van een gemeentebestuur om die zaken te regelen die tot de huishouding van een gemeente behoren. Naast de APV vormen besluiten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats moet altijd getoetst worden aan de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan. In de nieuw te ontwikkelen bestemmingsplannen en de bijbehorende gebruiksvoorschriften zal het gebruik van de grond door een standplaats mogelijk opgenomen worden.7.3 Maximumstelsel De vaststelling van het (maximum) aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 5.2.3 lid 6 genoemde weigeringsgronden. Nadat aan de hand van iedere weigeringsgrond afzonderlijk is bepaald op welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, kan het maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald. Het totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen (vastgesteld in een stippenplan dat onderdeel uitmaakt van dit beleid, bijlage 1) levert het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen op.Uiteraard is het mogelijk een standplaats aan meer dan één belanghebbende te vergunnen op niet gelijk vallende dagen of dagdelen. In de huidige praktijk van Oud-Beijerland komt dat regelmatig voor. Per locatie en dag dient dan het maximaal af te geven aantal vergunningen op die locatie vastgesteld te worden in plaats van een algemeen maximum vast te stellen. Om een uitvoerbaar, in rechte houdbaar maximumstelsel te hanteren, zijn de huidige in gebruik zijnde locaties en mogelijke nieuwe locaties getoetst aan de weigeringsgronden van waaruit het maximale aantal af te geven vergunningen kan worden bepaald. Aangezien de vaststelling van het maximum aantal af te geven vergunningen dient te worden bepaald aan de hand van een feitelijke invulling van de verschillende weigeringsgronden, kon deze toets pas worden uitgevoerd nadat de verschillende weigeringsgronden waren uitgewerkt zoals dit is beschreven in paragraaf 7. Dit was dan ook de eerste stap om te komen tot een standplaatsenbeleid met een maximumstelsel.Uit jurisprudentie blijkt dat een maximumstelsel niet onredelijk wordt gevonden, maar dat het niet altijd toepasbaar is. Bij een op grond van het maximumstelsel geweigerde vergunning dient wel aangetoond te worden dat de weigeringsgrond(en) in dat specifieke geval een beletsel vorm(t)(en) om de standplaatsvergunning te verlenen. Het is dus van belang dat de locaties waar een standplaats mag worden ingenomen zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Er moet altijd een aantoonbare koppeling zijn met de in de APV opgenomen weigeringsgronden.In Oud-Beijerland is er een maximum van 20 locaties (binnen de aangewezen gebiedsgrenzen uit het stippenplan) voor het innemen van standplaatsen aangewezen. Deze locaties zijn voornamelijk aan de hand van de feitelijke invulling van de genoemde weigeringsgronden aangewezen. Hiervan zijn er 7 vaste, 10 incidentele en 3 ideële standplaatslocaties.

Binnen de gemeente Oud-Beijerland wordt per locatie maximaal voor 2 dagdelen én ten aanzien van vaste standplaatsen voor maximaal 3 dagen per week een standplaatsvergunning verleend. Verder zal er per locatie maximaal 2 standplaatsen op een dag vergund worden, mits de locatie een tweetal standplaatsen toelaat qua omvang, openbare orde en verkeersveiligheid. Bij ideële standplaats-locaties komt het voor dat m.n. tijdens verkiezingscampagnes meerdere standplaatshouders op één locatie (voornamelijk in het centrum) mogen staan.7.4 Uitwerking maximumstelsel Het innemen van een standplaats is locatiegebonden. In bijlage 1 is naast het toegestane aantal standplaatsen per locatie (d.w.z. de stippen) de grenzen van iedere locatie aangegeven. Binnen dat gebied zal per aanvraag de exacte locatie aangegeven moeten worden. Aanwijzing van een locatie binnen het toegestane gebied vindt in goed overleg met de aanvrager plaats en de grootte is mede afhankelijk van de afmetingen van het kraam/ voertuig en het te verkopen product.In bijlage 1 wordt per categorie standplaats (d.w.z. vast/ incidenteel/ ideëel) aangegeven voor welke locaties een standplaatsvergunning wordt afgegeven.Standplaatsen worden alleen toegestaan bij grotere parkeerplaatsen en/of locaties met winkelvoorzieningen. Losse standplaatsen voor directe consumptie horen niet thuis in woonwijken. De plaatsing van een standplaats kan in deze rustige woonomgevingen meer overlastervaringen teweegbrengen dan dat dit het geval zal zijn in de buurt van een winkelstraat. In dat laatste geval zal de omgeving een dergelijk standplaats wellicht beter accepteren. Bij het opstellen van deze nota is zoveel mogelijk aansluiting gezocht op de bestaande situatie.Deze locaties zijn o.a. in overleg met de stedenbouwkundige en verkeerskundige bepaald.Er wordt 1 standplaatslocatie opgeheven (nabij de Helen Parkhurstweg) en 1 standplaatslocatie verplaatst (van de Brittenstraat in Poortwijk naar de Bachlaan in Poortwijk)) Voor de standplaats die wordt opgeheven, wordt een alternatieve locatie (bedrijventerrein De Bosschen) geboden.De reden van het opheffen van de betreffende locatie is dat het gaat om een losse standplaats welke gesitueerd is in een woonwijk en niet gelegen is bij een grote parkeerruimte of bij winkelvoorzieningen. Het innemen van een standplaats op deze locatie brengt overlast voor de omgeving met zich mee.. De overige standplaatslocaties voldoen wel aan bovengenoemde criteria.Voldoende parkeergelegenheid in de omgeving is noodzakelijk om de verkeersveiligheid niet in gevaar te brengen. De volgende afwegingen worden ook meegenomen in het bepalen van het aantal standplaatsen:

  • 1.

    Indien een parkeerterrein een hoge bezettingsgraad heeft, wordt in beginsel niet toegestaan om op dat parkeerterrein een standplaats in te nemen. Dit betreft de parkeerlocatie Vierwiekenplein.

  • 2.

    Een aantal van drie standplaatsen per locatie per week en een aantal van maximaal 2 standplaatsen per locatie per dag wordt het maximaal toelaatbare geacht, mits de locatie dit toelaat qua omvang, openbare orde en verkeersveiligheid. Dit ter voorkoming van het ontstaan van een soort minimarkt en ter bescherming van de weekmarkt.

  • 3.

    Uit economisch oogpunt mag geen afbreuk worden gedaan aan de weekmarkten, door daarnaast individuele standplaatsen toe te staan;

Om onenigheid over het ´recht op een standplaats´ te voorkomen, worden de volgende regels gehanteerd:

  • a.

    Wanneer een ondernemer 2 jaar achtereen een standplaats inneemt verwerft hij/zij voorrangsrecht. Dit ontslaat hem niet van de in deze paragraaf genoemde verplichtingen.

  • b.

    De ondernemer die het eerst op een locatie aanspraak maakt (ontvangstdatum aanvraag), heeft het zogeheten eerste recht voor de aangevraagde dagen.

  • c.

    Een tweede ondernemer kan de overgebleven dagen opvullen, een derde de volgende etc..(indien mogelijk)

  • d.

    Aanvragen voor vaste standplaatsen dienen vanaf 1 oktober tot uiterlijk 1 december altijd in het voorafgaande jaar door de gemeente ontvangen te worden, voldoet een ondernemer daar niet aan dan wordt zijn plaats vergeven aan een andere ondernemer.

Wachtlijstsysteem:Wanneer het aantal aanvragen het maximum aantal plaatsen overschrijdt zal een belangstellingsregistratie worden gehanteerd. Hieronder wordt per categorie standplaats aangegeven voor welke locaties een standplaatsvergunning wordt afgegeven. Per locatie staat aangegeven hoeveel standplaatsen er maximaal ingenomen mogen worden. Daarnaast staat bij de vaste commerciële standplaatsen het maximum aantal dagen per week dat een standplaats ingenomen mag worden. Met andere woorden, wanneer geschreven staat dat op locatie X maximaal 2 standplaatsen mogen worden ingenomen, 2 dagen per week, dan betekent dit dat locatie X binnen deze beleidslijnen plaats biedt aan maximaal 2 standplaatsen gelijktijdig. Op 2 dagen in de week mogen op locatie X deze standplaatsen worden ingenomen.Gelet op de algemeen ervaren tevredenheid over de bestaande situatie wat standplaatsen betreft, is het uitgangspunt van deze nota de bestaande situatie zoveel mogelijk te handhaven en geen uitbreiding qua dagen toe te staan.

Artikel 8 Uitvoering standplaatsenbeleid in de gemeente Oud-Beijerland

De vergunningaanvraag De aanvraag voor het innemen van een standplaats geschiedt minimaal 8 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft schriftelijk bij het College van Burgemeester en Wethouders. Aanvragers voor vaste standplaatsendienen hun aanvraag 8 weken voorafgaande aan het nieuwe kalenderjaar in te dienen. De aanvrager doet zijn aanvraag via een aanvraagformulier dat hij/zij moet invullen (zie bijlage 3). Dit aanvraagformulier kan ook gedownload worden van de website van de gemeente Oud-Beijerland.Daarnaast wordt de aanvrager verzocht een aantal bescheiden met het aanvraagformulier mee te zenden, zoals (indien de gegevens actueel zijn, hoeven deze niet jaarlijks aangeleverd te worden)

  • 1.

    een kopie van het legitimatiebewijs (bij ondernemingen: van leidinggevenden);

  • 2.

    een kopie van het inschrijvingsbewijs bij de Kamer van Koophandel;

  • 3.

    een kopie van bewijs van inschrijving bij het Centraal Registratiekantoor (indien van toepassing);

  • 4.

    een bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager voldoende verzekerd is tegen vorderingen uit schadevergoeding, waartoe hij uit aansprakelijkheidsbepalingen zou kunnen worden verplicht wegens het aan derden of aan de openbare ruimte toegebrachte schade (indien in bezit);

  • 5.

    een foto van het voertuig, de kraam, de tent, etc. waarmee een standplaats zal worden ingenomen dan wel waarmee gevent gaat worden, met daarbij de afmetingen van het voertuig/kraam/tent, etc.

De beoordeling en afhandeling van standplaatsvergunningen De aanvragen voor een standplaatsvergunning worden in behandeling genomen door de afdeling Bouw- en Milieutoezicht. Medewerkers van deze afdeling toetsen de vergunningaanvraag aan artikel 5.2.3 van de APV, de daarop gebaseerde beleidsregels en aan de overige relevante wetgeving (zie hierboven).Bij het behandelen van de aanvraag adviseren betrokken afdelingen van de gemeente Oud-Beijerland en in bijzondere gevallen de politie. De betrokken afdelingen zijn in ieder geval het Ingenieursbureau Openbare Werken en de afdeling Beheer Buitenruimte en Groen. Daarnaast zal de behandelende ambtenaar zo nodig incidenteel een advies van de Welstandscommissie vragen, onder andere voor een toetsing betreffende het uiterlijke aanzien van de omgeving en de toetsing aan het bestemmingsplan. Zijn alle adviezen positief, dan verleent het college een standplaatsvergunning, vergezeld van een standaard pakket aan voorwaarden. Ook kan het college aanvullende voorwaarden van afdelingen en van de politie aan de vergunning verbinden.Zijn door de betrokken afdelingen van de gemeente en de politie negatieve adviezen uitgebracht, dan wordt contact opgenomen met de aanvrager. Blijven na dit contact de oordelen van de afdelingen negatief en wil of kan de aanvrager de aanvraag niet aanpassen, dan wijst het college de aanvraag af.Tarieven en tijdsduur Voor een vergunning voor het innemen van een standplaats dient de aanvrager leges te betalen conform de geldende Legesverordening. Een vergunning wordt voor een maximale periode van een jaar verleend.Vergunningvoorwaarden Aan de standplaatsvergunning worden in beginsel de volgende voorschriften verbonden:

  • 1.

    De standplaats wordt ingenomen op , van … uur tot … uur. Na afloop dient de standplaats vrij te zijn van ieder obstakel en schoon worden opgeleverd.

  • 2.

    de standplaats vervalt indien gedurende 1 maand na de ingangsdatum van de vergunning geen standplaats wordt ingenomen;

  • 3.

    De standplaats dient door de vergunninghouder persoonlijk te worden ingenomen. Hij mag de standplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.

  • 4.

    Indien de vergunninghouder van de vaste standplaats niet aanwezig kan zijn, moet hij/zij dit laten weten aan de gemeente/marktmeester. Mocht een standplaatshouder hier geen gehoor aan geven, dan krijgt hij/zij een schriftelijke waarschuwing. Bij de tweede constatering volgt een laatste waarschuwing. De derde maal dat dit geconstateerd wordt, zal overgegaan worden op intrekking van de vergunning.

  • 5.

    Een ieder die een standplaats in heeft genomen dient op de eerste aanvraag van een daartoe bevoegde ambtenaar aan te kunnen tonen dat hij de vergunninghouder is.

  • 6.

    De verkooptijden dienen parallel te lopen met de openingstijden van de in deze gemeente gevestigde winkels.

  • 7.

    Nutsvoorzieningen: in principe dienen standplaatshouders zelf zorg te dragen voor hun nutsvoorzieningen. De gemeente Oud- Beijerland kan in het kader van de verkeersveiligheid (bijvoorbeeld kabels over het voetpad) of een andere reden standplaatshouders gebruik laten maken van een vast aansluitpunt voor elektriciteit (indien dat mogelijk is). Hier wordt een vergoeding voor gevraagd. '

  • 8.

    Indien om planologische of verkeerstechnische redenen de standplaats niet langer kan worden ingenomen is de standplaatshouder op eerste aanschrijving van Burgemeester en Wethouders verplicht de standplaats vrij op te leveren. De kosten hiervan zijn voor eigen rekening. De gemeente is niet verplicht een andere standplaats aan te wijzen.

Handhaving van de vergunning Het zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders innemen van een standplaats of het handelen in strijd met de vergunningvoorschriften, kan bestuursrechtelijk (intrekken van de vergunning) en/of strafrechtelijk (boete op grond van de APV) worden gesanctioneerd. Handhaving wordt uitgevoerd door de afdeling Bouw- en Milieutoezicht in samenwerking met de Boa’s APV van de afdeling Beheer Buitenruimte en Groen.

Artikel 9 Communicatie

De gemeente Oud-Beijerland hanteert een Inspraakverordening.Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet 'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Ik adviseer echter het tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor beleidsvoornemens.Voordat het standplaatsenbeleid Oud-Beijerland en de daarop gebaseerde beleidsregels Standplaatsen worden vastgesteld, is er een inspraakprocedure gehouden.Nadat het ambtelijke apparaat het beleid heeft uitgewerkt en het college hiermee heeft ingestemd, is het gepubliceerd in het huis- aan -huis blad en ter inzage gelegd. Alle standplaatshouders van 2006 hebben tevens een afschrift gekregen. In de publicatie is vermeld dat het beleid t/m 14 december 2006 in te zien was.Zienswijzen mochten binnen 6 weken na publicatie ingediend worden bij de afdeling Bouw- en Milieutoezicht.Reacties naar aanleiding van inspraakprocedure Binnen de inspraaktermijn zijn geen schriftelijke reacties binnengekomen.Telefonisch is wel gevraagd of al de genoemde gegevens jaarlijks aangeleverd moeten worden bij een aanvraagformulier.Naar aanleiding van de opmerkingen blijkt namelijk dat het onmogelijk is om een aantal gegevens in te leveren. Als voorbeeld kunnen we noemen dat niet elke aanvrager in het bezit is en hoeft te zijn van een verklaring CRK. Bovendien is het overbodig om gegevens jaarlijks aan te leveren indien deze nog actueel zijn.De in te dienen gegevens zijn aan de hand van de reacties aangepast.

Artikel 10 Voorstel tot besluit (VTB)

Wij stellen u voor:

  • a.

    de beleidsnota Standplaatsenbeleid gemeente Oud-Beijerland 2007, inclusief de daarin vervatte beleidsregels, vast te stellen;

  • b.

    in te stemmen met het hanteren van een maximumstelsel voor de toetsing voor aanvragen voor standplaatsenvergunningen;

  • c.

    eerder vastgestelde beleidsregels met betrekking tot standplaatsen te laten vervallen

  • d.

    de beleidsnota te publiceren en deze met ingang van 1 januari 2007 in werking te laten treden;

  • e.

    de gemeenteraad voor te stellen aan artikel 5.2.3 lid 6 van de Algemene Plaatselijke Verordening sub g toe te voegen:

  • f.

    als er strijdigheid optreedt met het bestaande beleid, waaronder het maximumstelsel, zoals dit is opgenomen in de door het College van burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsnota Standplaatsenbeleid gemeente Oud-Beijerland 2007.