Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Renkum

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Renkum houdende regels omtrent financiën Financiele verordening gemeente Renkum 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRenkum
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Renkum houdende regels omtrent financiën Financiele verordening gemeente Renkum 2017
CiteertitelFinanciele verordening gemeente Renkum 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Financiële verordening gemeente Renkum 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 212 Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

29-07-201701-01-2017nieuwe regeling

28-06-2017

Gemeenteblad 2017, 131417

.

Tekst van de regeling

Intitulé

Financiële verordening gemeente Renkum 2017

De raad van de gemeente Renkum;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 april 2017 [53219];

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

gezien het advies van de commissie bedrijvigheid;

besluit vast te stellen de Financiële verordening gemeente Renkum 2017:

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • ·

    product: onderdeel van een programma bestaande uit een samenstel van een aantal samenhangende taken;

  • ·

    taakveld: eenheid waarin de producten zijn onderverdeeld;

·team: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;

·agio: positief koersverschil ten opzichte van de nominale waarde van een aandeel of obligatie;

·disagio: negatief koersverschil ten opzichte van de nominale waarde van een aandeel of obligatie;

·inkomsten: totaal van de baten voor onttrekkingen van reserves;

·netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteurenvorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

·onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting: verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting;

·overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

·administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

1.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

2.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode, al dan niet op aangeven van het college, de onderverdeling van de programma’s in producten vast.

3.De programma-indeling, de productenindeling en de onderverdeling van beide kunnen al dan niet op aangeven van het college door de raad worden gewijzigd indien daar behoefte aan is. Wijzigingen worden bij de vaststelling van de begroting expliciet vermeld.

4.De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

5.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de Jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

1.Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per product weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per product weergegeven.

2.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven.

3.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

4.In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

Artikel 4. Kaders begroting

1.Het college biedt jaarlijks de raad nota’s aan met een voorstel voor het beleid (meerjarenbeleidsplan) en de financiële kaders (voorjaarsnota) van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.

1. Behandeling en vaststelling door de raad vindt plaats in de junicyclus. In het geval van een verkiezingsjaar biedt het college de raad de nota met een voorstel voor het beleid (meerjarenbeleidsplan) van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming uiterlijk aan voor behandeling en vaststelling in de septembercyclus.

2.In de begroting wordt een post onvoorzien van € 165.000 opgenomen.

2. Aanvullend op de post onvoorzien wordt zonodig in de begroting een buffer opgenomen gebaseerd op de risico’s in het kader van het weerstandsvermogen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

1.De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per product en de beoogde onttrekkingen en dotaties aan reserves en voorzieningen.

2.Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad, op voorstel van het college, aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

3.Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

3. Dit gebeurt in ieder geval bij budgetoverschrijdingen groter dan € 100.000 per product of investeringskrediet. De raad geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.

4.Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

4. Het college doet, indien nodig, ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van het MeerjarenInvesteringsPlan.

5.Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

1.Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 3 maanden (Voorjaarsnota) en de eerste 8 maanden (Najaarsnota) van het lopende boekjaar.

2.De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

  • a.

    de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar producten;

  • b.

    het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar producten;

  • c.

    het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

  • d.

    het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de onderdelen a, b en c;

  • e.

    de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

  • f.

    het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; en

  • g.

    de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

3.In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van producten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 25.000 toegelicht.

Artikel 7. Informatieplicht

Het college besluit niet over:

a.de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 1.000.000;

b.het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000; en

c.het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen.

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa

1.Materiële vaste activa met een meerjarig maatschappelijk of economisch nut worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd. Dit betekent dat we de netto methode hanteren voor de raming van de afschrijvings- en rentelasten.

2.Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

3.Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

4.Een saldo voor agio of disagio wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

1.Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

2.Voor openstaande vorderingen betreffende inkomensvoorzieningen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

1.Het college legt binnen de begrotingscyclus verantwoording af over de inzet van reserves en voorzieningen.

2.In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de Jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de producten, met uitzondering van het product Algemene dekkingsmiddelen, plaats.

3.Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

a.het specifieke doel van de reserve;

b.de voeding van de reserve;

c.de maximale hoogte van de reserve; en

d.de maximale looptijd.

4.De vorming van een reserve vindt plaats uit de begrote resultaatbestemming (voorkeur) of werkelijke resultaatbestemming. De raad accordeert dit bij de vaststelling van respectievelijk de begroting, de voor jaareinde (gewijzigde) begroting, de jaarstukken, individuele voorstellen en autonoom.

5.De vorming van een voorziening is een last binnen de begroting en vindt plaats voorafgaande aan resultaatbepaling.

6.Reserves en voorzieningen met een negatieve stand zijn onacceptabel en moeten worden aangevuld. Een onderhoudsvoorziening kan gedurende de looptijd een negatieve stand bereiken door onevenredige aanwending ten opzichte van de dotaties. In deze situatie zal de voorziening worden aangevuld tot 0 door een uitname van de vrije algemene reserve. Deze wordt dan weer gevoed door latere (lagere) stortingen in de onderhoudsvoorziening en toevoeging aan de vrije algemene reserve.

7.Jaarlijks controleren we bij het opstellen van de jaarstukken of de hoogte van een voorziening c.q. een reserve nog toereikend is voor het doel waarvoor deze is ingesteld.

7. Wanneer het doel van een reserve of voorziening is gerealiseerd of is vervallen, of wanneer de bestemmingsreserve binnen de aangegeven looptijd niet heeft geleid tot besteding, wordt de betreffende reserve of voorziening opgeheven. Een eventueel restant komt ten gunste van de exploitatie. Bij een opgeheven onderhoudsvoorziening wordt een eventueel uit eerdere jaren onttrokken saldo aan de vrije algemene reserve in de resultaatbestemming genoemd.

Artikel 12. Kostprijsberekening

1.Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

2.Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

3.Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

4.Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

5.Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten, rechten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.

6.Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

6. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig het achtste en negende lid. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.

7.Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als bedoeld in het zevende lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

7. De hoogte van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt bepaald aan de hand van de bij de begroting geraamde rentekosten als percentage van de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten. De uitkomst van dit rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt op een half procent afgerond.

8.Als het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen zoals berekend overeenkomstig het zevende lid een percentage oplevert dat lager of gelijk is aan 2,5% dan bedraagt het rentepercentage voor deze rentevergoeding 3%.

9.ln afwijking van het zevende lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

10.In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend.

10. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend.

10. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

1.Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

2.Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

3.Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

4.Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

a.leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

b.een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

c.een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

d.een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

e.een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

f.een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

g.een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

1.Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, heffingen en leges.

2.Het college legt de kaders voor de vaststelling van de hoogte van belastingen, rechten, heffingen en prijzen vast in de paragraaf lokale heffingen in de begroting.

3.Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de begroting vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 15. Financieringsfunctie

1.Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

a.voor het aantrekken van financieringen worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

b.er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

c.financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

d.financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico's en het renteresultaat te optimaliseren.

2.Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Verstrekkingen vinden uitsluitend plaats uit hoofde van de "publieke taak" en aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf advies van de concerncontroller wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij.

3.Het uitgangspunt van het beleid van de gemeente Renkum t.a.v. financieel risico is defensief en risicomijdend.

4.Valutarisico's worden in de gemeente uitgesloten door uitsluitend leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen in de Nederlandse geldeenheid (de euro).

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 16. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

a.de berekening van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 1 2, achtste en negende lid;

b.de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, zevende lid;

c.de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 17. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

a.de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

b.de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende vier jaar;

c.de rentevisie voor de komende vier jaar.

Artikel 18. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

1.In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

  • b.

    het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

  • c.

    de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting als percentage van de inkomsten.

2.Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke voorzieningen in de knel komen.

3.De berekende rente over de reserves die we rekenen tot het weerstandsvermogen zetten we niet in als structureel dekkingsmiddel binnen de begroting.

4.De risico-inventarisatie wordt geanonimiseerd voor extern gebruik.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

1.Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

a.de voortgang van het geplande onderhoud;

b.de omvang van het achterstallig onderhoud.

2.Het college draagt zorg voor actuele beheersplannen voor het onderhoud van kapitaalgoederen. Dit betreft de volgende plannen:

a.Groenstructuurplan;

b.Bosbeleidsplan;

c.Wegenbeheersplan;

c.Gemeentelijk rioleringsplan;

d.Onderhoudsbeheersplan Gebouwen.

Ieder plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het plan vast.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • ·

    de om vang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • ·

    de kosten van inhuur derden;

  • ·

    de huisvestingskosten;

  • ·

    de automatiseringskosten;

  • ·

    budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

  • ·

    de voortgang van de onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid op grond van de desbetreffende verordening.

Artikel 21. Verbonden partijen

1.Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

1. Het college draagt, middels de begroting en de jaarstukken, zorg voor de voorbereiding van het beleid rondom verbonden partijen. De raad stelt de kaders vast.

2.In de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en jaarstukken wordt ingegaan op voor de raad relevante ontwikkelingen ten aanzien van verbonden partijen. In de tussenrapportages wordt over relevante afwijkingen gerapporteerd.

Onder relevante ontwikkelingen worden in dit kader verstaan:

a.beleidsontwikkelingen en beleidsombuigingen met significante financiële relevantie binnen de verbonden partij;

b.financiële ontwikkelingen en financiële ombuigingen binnen de verbonden partij;

c.toelichting op de financiële positie voor de komende vier jaar binnen de verbonden partij, zijnde gemeenschappelijke regelingen;

d.toelichting op de bij de verbonden partij gekwantificeerde risico’s in relatie tot het weerstandsvermogen van de gemeente en het door de gemeente door te voeren en doorgevoerde risicobeperkende maatregelen.

Artikel 22. Grondbeleid

1.In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

a.het verloop van de grondvoorraad;

b.de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

2.Het college draagt zorg voor een actuele door de raad vastgestelde nota grondbeleid. In de nota wordt aandacht besteed aan:

a.de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

b.te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

c.het verloop van de grondvoorraad;

d.de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 23. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

a.het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de teams;

b.het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

c.het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

d.het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

e.het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

f.de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 24. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

a.een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;

b.een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

c.de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

d.in de uit de onderdelen a t/m c volgende besluiten, is tevens inbegrepen de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

e.de te maken afspraken met de teams over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

f.de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten en taakvelden;

g.het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

h.het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

i.het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 25. Interne controle

1.Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

2.Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

1.De Financiële verordening gemeente Renkum 2015 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

2.Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Renkum 2015 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag van bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2017.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Renkum 2017.

     

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 28 juni 2017.

De voorzitter,

De griffier,

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9

1.Alle activa met een verkrijgingsprijs groter dan € 5.000 wordt geactiveerd.

2.Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

3.Rentekosten en uren van medewerkers mogen niet als onderdeel van een investering worden geactiveerd. Een uitzondering op deze regel geldt voor de toerekening van rente en uren aan projecten binnen de grondexploitatie en overige grote projecten.

4.We schrijven af op basis van de economische levensduur van een investering. Voor immateriële vaste activa geldt een maximale afschrijvingstermijn van hetzij de looptijd van de lening waarop de immateriële activa betrekking hebben, hetzij maximaal 5 jaar. Voor de overige activa hanteren we de afschrijvingstermijnen zoals verderop weergegeven. Indien afgeweken wordt van deze afschrijvingstermijnen, zullen wij onderbouwd aangeven waarom afgeweken wordt van deze afschrijvingstermijn.

5.Hoofdregel is dat we de lineaire afschrijvingsmethode gebruiken.

6.Voor alle investeringen die in directe relatie staan tot het doorberekenen van tarieven of het in rekening brengen van huurpenningen kunnen we, ten behoeve van de berekening van een constante kostprijs, de annuïteitenmethode hanteren.

7.Vrijgevallen afschrijvingslasten worden voorzichtigheidshalve voor vervangingsinvesteringen apart gezet op een hiervoor bedoelde stelpost.

8.Het ingangsmoment van afschrijven is het moment van ingebruikname van de investering.

We hanteren de volgende afschrijvingstermijnen:

 

Omschrijving

Afschrijvingstermijn

Immateriële activa

 

 

 

Kosten onderzoek en ontwikkeling

5 jaar

Rioleringsplannen

5 jaar

Kosten van sluiten van geldleningen

Looptijd lening

Saldo van agio en disagio

Looptijd lening

Bijdrage aan activa in eigendom van derden

Conform verwacht gebruik

 

 

Materiële vaste activa

 

 

 

Gronden en terreinen

 

Algemeen

Geen afschrijving

 

 

Woonruimten

 

Nieuwbouw gebouwen

40 jaar

Levensduurverlengde verbouwingen

Verwachte extra levensduur

Bouwkundige aanpassingen en verbouwingen

Resterende levensduur gebouw, max. 20 jaar

Woonwagen

30 jaar

 

 

Bedrijfsgebouwen

 

Noodlokalen**)

15 jaar

Overig: zie woonruimten

 

 

 

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

 

Aanleg wegen *)

30 jaar

Reconstructie + herstraatwerkzaamheden *)

20 jaar

Aanleg en uitbreiding sportparken

50 jaar

Reconstructie sportvelden

15 jaar

1e aanleg plantsoenen en parken *)

40 jaar

Vrijval rioleringen

60 jaar

Verbeteringsmaatregelen riolering

60 jaar

Randvoorzieningen bouwkundig riolering

60 jaar

Gemalen bouwkundig riolering

45 jaar

Buitengebied bouwkundig riolering

45 jaar

Drukriolering bouwkundig

45 jaar

Groene berging riolering

30 jaar

Aanleg begraafplaatsen

40 jaar

Herstel paden etc. begraafplaatsen

15 jaar

Aanleg woonwagencentra *)

40 jaar

 

 

Vervoermiddelen

 

Hoogwerker

25 jaar

Hoogwerker bomenploeg

20 jaar

Vervoermiddelen algemeen

7 jaar

 

 

Machines, apparaten en installaties

 

Grafdelfmachine

15 jaar

Tractor

10 jaar

Multiwerktuig begraafplaats en algemeen

10 jaar

Boordcomputer (poolauto)

7 jaar

Machines / apparatuur

10 jaar

Luchtbehandeling en klimaatbeheersing

15 jaar

Inrichting archiefplaats

15 jaar

Beveiligingsmaatregelen

15 jaar

Verkeersapparatuur

10 jaar

Electro-mechanische installaties riolering

15 jaar

ICT apparatuur en software

Economische levensduur (tussen 3 en 8 jaar)

 

 

Overige materiële vaste activa

 

Openbare verlichting, lichtmasten

40 jaar

Openbare verlichting, armaturen

20 jaar

Abri’s

20 jaar

Verkeersborden, -lichten en – zuilen

15 jaar

Vervanging sportvloer sportzalen

25 jaar (of restant verwachte levensduur sportzaal)

Sportinventaris

20 jaar

Meubilair plantsoenen en parken

15 jaar

Inrichting van speelplaatsen

15 jaar

Inventaris / meubilair

15 jaar

Eerste inrichting lokalen

15 jaar

Sanitaire voorzieningen woonwagencentra

20 jaar

Diverse gereedschappen

10 jaar

Onderwijsleerpakketten

8 jaar

 

 

Financiële activa

 

 

 

Kapitaalverstrekkingen aan derden

n.v.t.

Verstrekte geldleningen

n.v.t.

Aandelen

n.v.t.

 

 

*) Dit betreft een investering in de openbare ruimte met maatschappelijk nut. De genoemde afschrijvingstermijn betreft de maximaal te hanteren termijn. Onze voorkeur gaat uit naar een kortere afschrijvingstermijn.

**) Conform bestemmingsplan is het slechts toegestaan een noodlokaal te plaatsen voor 5 jaar. Bij de aanschaf van noodlokalen moet overwogen worden of de boekwaarde na 5 jaar op basis van deze afschrijvingstermijn wel overeenkomen met de marktwaarde op dat moment.

Toelichting op de artikelen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening is het begrip product gedefinieerd.

De autorisatie van de programmabegroting vindt op een lager niveau plaats, namelijk op het niveau van producten in plaats van op het niveau van programma’s.

Een programma van de begroting kan op grond van artikel 8 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) worden opgedeeld in producten.

Een product wordt hier gedefinieerd als een meetbare output van een team zoals vastgelegd in het Teamplan waarbij sprake is van levering aan personen of instanties buiten het team.

Verder is een definitie van het begrip taakveld gedefinieerd.

De begrippen agio en disagio zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 9 van de verordening.

De begrippen inkomsten, netto schuld per inwoner en onbenutte belastingcapaciteit zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 18 van de verordening. Hiervoor zijn de definities gevolgd die www.waarstaatjegemeente.ni toepast voor de financiële kengetallen over de gemeentefinanciën.

Het begrip overheidsbedrijf is gedefinieerd om in artikel 13 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.

Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 23 van de verordening.

Het begrip team is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 23 en 24 van de verordening.

Artikel 2. Programma-indeling

Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma's moeten worden toegewezen.

De raad stuurt, conform het BBV, op programma’s, met sturings-informatie op een hoog aggregatieniveau. Dit betekent dat in feite een (aantal) doelstelling(en) en activiteiten per programma afdoende is.

De voorgeschreven taakvelden hebben geen invloed op de indeling van de programmabegroting en de uitoefening van de autorisatiebevoegd-heid door de raad en laten dus de wijze van sturing via de begroting vrij.

De raad is dus vrij om een eigen indeling vast te stellen. Dit kunnen taakvelden zijn, maar dat hoeft niet. Dit kunnen b.v. ook producten zijn.

Het doel van de huidige programma’s en producten is om de raad beleidsinhoudelijke informatie te verschaffen over de doelstellingen en activiteiten die wij tijdens de coalitieperiode willen realiseren. De producten vormen daarbij een logische clustering van een of meerdere doelstellingen/ activiteiten binnen een programma. Focus ligt daarbij op beleidsmatige informatie.

Het doel van de taakvelden is om financiële informatie te verstrekken op een abstractieniveau dat lager ligt dan de huidige producten. Deze informatie is bedoeld voor interne sturing. Omdat elke gemeente deze informatie gaat verstrekken, biedt het een basis voor financiële vergelijking tussen gemeenten.

De indeling van programma’s en producten die wij gebruiken voor de informatieverstrekking aan de raad dient daarmee een ander doel dan de taakvelden.

In gemeente Renkum wordt er voor gekozen een onderverdeling van programma’s in producten (normaliter het abstractieniveau van het college) ook aan de raad aan te bieden. Hiermee krijgt de raad meer informatie aangeboden dan op basis van het BBV verplicht is en wordt (beter) voorzien in de informatiebehoefte van de raad.

Het college zorgt bij de uitwerking van het coalitieakkoord in het meerjarenbeleidsplan voor een indeling die recht doet aan de speerpunten uit het coalitieakkoord en die aansluit bij de actuele ontwikkelingen.

Het college koppelt hierbij de taakvelden aan producten. Het is aan de raad deze producten onder te brengen bij programma’s. Het college doet hiervoor een voorzet.

De indeling van de programma's worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld.

Het college hanteert voor de sturing van de uitvoering van de programma’s een meer gedetailleerde indeling. Het college kan de uitvoeringsinformatie in taakvelden gebruiken voor deze interne sturing.

De onderverdeling van programma’s in taakvelden komt in de bijlage van de begroting en jaarrekening naar voren. Per programma wordt een totaaloverzicht met geraamde dan wel gerealiseerde baten en lasten per taakveld opgenomen (verplichting conform BBV).

Het tweede lid regelt dat het college taakvelden koppelt aan producten. De raad bedeelt, op voorstel van het college, de producten aan de programma’s toe.

Het derde lid bepaalt de raad, al dan niet op aangeven van het college, de programma-indeling, de productenindeling en de onderverdeling van beide kan wijzigen. Dit zal dan bij de vaststelling van de begroting expliciet vermeld moeten worden.

Het vierde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.

Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien, in de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende.

Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vijfde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma's in de begroting per product worden weergegeven.

Conform art. 7.3 lid c resp. art. 24.3 lid d BBV wordt in de bijlage van de financiële begroting resp. jaarrekening een overzicht van de geraamde resp. gerealiseerd baten en lasten per taakveld opgenomen.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken.

Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties.

Artikel 20 BBV luidt als volgt:

  • 1.

    De uiteenzetting van de financiële positie bevat:

    • a.

      een raming voor het begrotingsjaar van de financiële gevolgen van het bestaande en nieuw beleid dat in de programma’s is opgenomen;

    • b.

      een geprognosticeerde begin- en eindbalans van het begrotingsjaar, die ten minste de posten bevat om het EMU-saldo te kunnen berekenen, en

    • c.

      het EMU-saldo over het vorig begrotingsjaar en de berekening van het geraamde bedrag over het begrotingsjaar alsmede het jaar volgend op het begrotingsjaar.

  • 2.

    Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan:

    • a.

      de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume;

    • b.

      de investeringen; onderscheiden in investeringen met een economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut;

    • c.

      de financiering;

    • d.

      de stand en het gespecificeerde verloop van de reserves;

    • e.

      de stand en het gespecificeerde verloop van de voorzieningen.

Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.

In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.

Artikel 4. Kaders begroting

Artikel 4 van de financiële verordening biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV.

Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting nota’s vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Voor de beleidsmatige kaders betreft dit het meerjarenbeleidsplan en voor de financiële kaders de voorjaarsnota.

Behandeling en vaststelling door de raad vindt plaats in de junicyclus. Op deze wijze is er nog voldoende tijd de uitkomsten in de uitwerking van de begroting van het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming te verwerken.

In het geval van een verkiezingsjaar biedt het college de raad de nota met een voorstel voor het beleid (meerjarenbeleidsplan) van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming uiterlijk aan voor behandeling en vaststelling in de septembercyclus.

Artikel 8 van het BBV zegt, dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor onvoorzien vast te leggen.

In de begroting nemen we, conform voorgaande jaren, een post onvoorzien van € 165.000 op. Inzet van deze stelpost is gedelegeerd aan het college. Wanneer betreffende voorstellen onvoorzien, onvermijdbaar èn onuitstelbaar zijn kan van deze stelpost gebruik gemaakt worden.

In paragraaf 2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing in de begroting wordt het beleid hieromtrent nader uitgewerkt. Wanneer het nodig is om voor het opvangen van risico’s in het kader van het weerstandsvermogen een buffer op te nemen in de begroting, wordt dit in de begroting aan de raad voorgelegd. In feite betekent dit dat om aan het door de raad gewenste weerstandsvermogen te kunnen voldoen een deel van de ‘begrotingsruimte geoormerkt zal worden. De begrotingsruimte is dan, anders dan nu het geval is, niet meer geheel vrij inzetbaar zijn.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet).

De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van producten (eerste lid).

Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid) (in het MeerjarenInvesteringsPlan).

Het college stelt de raad, in de begroting, voor welke investeringen op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie voorgelegd worden.

Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.

Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Om praktische redenen is een grensbedrag opgenomen in dit artikel.

Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (vierde lid).

De onderschrijdingen lasten en overschrijdingen baten worden gemeld in de voorjaarsnota en najaarsnota. Dat zijn momenten waarbij integraal afweging gedaan kan worden voor bestedingen van de extra middelen.

In de Modelverordening is, bij het vierde lid, opgenomen dat “bij investeringen met een meerjarig karakter waaronder ook grondexploitaties bij elke begroting een actualisatie van de ramingen plaatsvindt en het college aan de raad voorstellen doet voor het wijzigen van de investeringskredieten”.

Investeringen hebben ons inziens altijd een meerjarig karakter. De actualisatie van deze ramingen vindt bij elke begroting plaats. Dit gebeurt middels het wijzigen van het MeerJarenInvesteringsPlan (MIP).

Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Om praktische redenen is een grensbedrag opgenomen in dit artikel.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Er is gekozen voor twee tussenrapportages conform de huidige systematiek.

Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage.

Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportages moet toelichten. Deze afwijking kunnen ook als een percentage worden gedefinieerd.

Artikel 7. Informatieplicht

In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente.

In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden.

De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen.

Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken.

Artikel 8. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa

In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen.

Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.

Wij hebben ervoor gekozen de methodiek en termijnen uit de bestaande verordening over te nemen.

Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen.

Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen, heffingen en bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel zal een accountant eisen, dat de grote bedragen onder deze vorderingen toch individueel worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen.

Op zich zijn de bepalingen van artikel 10 niet noodzakelijk. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Het eerste lid bepaalt dat het college in de begrotingscyclus rapporteert over de reserves en voorzieningen. Hiermee heeft de raad de beschikking over de gehanteerde uitgangspunten bij de vorming van reserves en voorzieningen.

Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen.

Het tweede lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen.

Voor een bestedingsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige besteding een beslag op het eigen vermogen gaat leggen.

In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.

Bestedingsvoornemens leiden niet altijd tot bestedingen. Er bestaat het gevaar dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen bestedingsvoornemen meer bestaan. Door bij het instellen van een bestemmingsreserve een maximale “houdbaarheidsdatum” voor de reserve op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor moet wel in de verordening de bepaling worden opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd.

Verder zijn aan dit artikel de beleidskaders toegevoegd zoals die voorheen waren opgenomen in de nota reserves en voorzieningen.

Artikel 12. Kostprijsberekening

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.

Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.

Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening.

Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.

Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken.

Het vierde en vijfde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden.

Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken.

Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd.

Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaald, dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur derden in de totale personeelslasten inclusief inhuur derden.

Tot de Begroting 2016 werden de personele en materiële kosten van ondersteunende teams (voor zover niet direct toe te wijzen aan eindproducten) toegerekend aan de teams “in de lijn” met behulp van de verdeelsleutels:

Vervolgens werd het totaal van de kosten per team (eigen personeelskosten plus doorberekende indirecte kosten) op basis van een uurtarief toegerekend aan de eindproducten. Dit uurtarief werd bepaald door de totale kosten te delen door de aan producten toe te rekenen uren.

Als gevolg van een wijziging in het BBV, waarbij de overhead in een afzonderlijk programma opgenomen dient te worden en niet meer aan de eindproducten toebedeeld mag worden, dient een andere wijze van toerekening van de overhead plaats te vinden.

In artikel 12 lid 5 is opgenomen dat de overhead naar rato wordt toegerekend aan het eigen (categorie 1.1) en aan ingehuurd (categorie 3.5.1) personeel. Stel dat 10 % van de kosten van eigen personeel en ingehuurd personeel in de begroting wordt ingezet voor het product Water en riolering. Dan wordt ook 10 % van de overhead toegerekend aan de kostprijs van dit product.

Door het overnemen van de in het Model opgenomen wijze van toerekening wordt een pragmatische en eenduidige werkwijze gehanteerd. De oude, bewerkelijke, wijze van toerekenen kan hiermee vervallen.

De consequenties van deze herziene werkwijze zullen in de Begroting 2018 tot uitdrukking gebracht worden.

Het zesde, zevende, achtste, negende en tiende lid handelen over de toerekening van rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van activa aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en aan de kostprijs van goederen, werken en diensten die aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Deze regels wijken af van de omslagrente voor de toerekening van rentekosten en renteopbrengsten aan de taakvelden van de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening uit het tweede lid van artikel 11 van deze verordening. Het tweede lid van artikel 11 handelt niet over de onderbouwing van de kostprijzen, maar over de toerekening van de werkelijke rente aan de taakvelden in de verslaglegging.

Het zesde lid van artikel 12 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van activa.

Het percentage van de omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de financiering en het in het zevende en achtste lid bepaalde rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.

We rekenen de rentelasten op basis van de boekwaarde van een investering per 1 januari toe aan het product waar de investering betrekking op heeft.

Het zevende lid geeft de berekeningswijze van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen voor het berekenen van de omslagrente van het zesde lid.

Als de uitkomst van dit rentepercentage voor de rentevergoeding voor reserves en voorzieningen onder het niveau van een redelijke vergoeding voor de inzet van reserves en voorzieningen komt, dan geeft het achtste lid een bodem voor deze rentecomponent in de omslagrente voor de kostprijsberekening.

Deze bodem is in elk geval nodig voor de levering van goederen, diensten of werken aan derden die economische activiteiten betreffen, en die niet door de gemeente zijn aangemerkt als publiek belang. De integrale kostprijs moet dan een redelijk vergoeding voor de inzet van reserves en voorzieningen bevatten.

De bodem voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen is in deze verordening ook van toepassing voor de hoogte van de kostprijs van rechten en heffingen.

Het rentepercentage kan b.v. onder het niveau van een redelijke vergoeding komen op het moment dat alles met eigen middelen gefinancierd wordt. De berekening van het rente-omslagpercentage op basis van de rentevergoeding over het vreemd vermogen komt dan uit op 0%. In dat geval is er geen rentecomponent die b.v. aan de Rioolheffing doorberekend kan worden. Dit is niet reëel omdat de inzet van eigen vermogen wel degelijk renteconsequenties met zich meebrengt. Om dit te voorkomen bepaalt dit artikel dat er toch een rentepercentage doorberekend kan worden. Tevens worden op deze wijze al te grote schommelingen in de tarieven voorkomen.

Er is gekozen voor een minimum-percentage van 3%. Reden hiervoor is dat dit meerjarig een reëel percentage is, wat ook door de VNG wordt aangedragen in de modelverordening.

Het negende lid geeft voor de omslagrente voor de kostprijs van verstrekte leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening. Die rente moet worden verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat de (een deel van) de lening niet wordt terugbetaald. Dit heet het debiteurenrisico.

Daarnaast moeten voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe kosten ook de afsluitkosten e.d. worden meegenomen.

Het tiende lid van artikel 12 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te zijn.

Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de Commissie BBV.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen.

Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.

Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of- indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.

Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.

Dit artikel is opgenomen in verband met de Wet Markt en Overheid. Met economische activiteiten in het ‘publiek belang’ wordt bedoeld: economische activiteiten/ bevoordelingen welke plaatsvinden in het algemeen belang als bedoeld in artikel 25h, lid 5, van de Mededingingswet.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet).

Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende verordeningen jaarlijks moeten worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen' jaarlijks te herzien.

Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad.

Het tweede lid bepaalt dat het college aan de raad jaarlijks de kaders voor de vaststelling van de hoogte van belastingen, rechten, heffingen en prijzen voorlegt in de paragraaf lokale heffingen in de begroting.

Het derde lid bepaalt dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de paragraaf lokale heffingen in de begroting, die vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.

Artikel 15. Financieringsfunctie

Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 25 van deze verordening.

In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten.

Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet, dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de regel niet al te veel vertrouwen meer in.

Aanvullend op de Modelverordening is in het tweede lid opgenomen dat “verstrekkingen uitsluitend plaats vinden uit hoofde van de "publieke taak" en aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf advies van de concerncontroller wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij.”

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan.

In de financiële verordening kan de raad bepalen, dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. Hoofdstuk 4 van de financiële verordening geeft hier invulling aan.

Artikel 16. Lokale heffingen

In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te brengen.

Artikel 10 BBV luidt als volgt:

De paragraaf betreffende de lokale heffingen bevat ten minste:

  • a.

    de geraamde inkomsten;

  • b.

    het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;

  • c.

    een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen, waarin inzichtelijk wordt gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, wordt bewerkstelligd dat de geraamde baten de ter zake geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd;

  • d.

    een aanduiding van de lokale lastendruk;

  • e.

    een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.

Artikel 17. Financiering

In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. In aanvulling daarop is in dit artikel de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.

Artikel 13 BBV luidt als volgt:

De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.

Er is opgenomen, dat de raad voor het vormen van een oordeel van de weerstandsvermogen in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner, de ontwikkeling van het saldo van baten en lasten als aandeel van de inkomsten en over de onbenutte belastingcapaciteit als aandeel van de inkomsten.

Met deze aanvulling op de wettelijk verplichte financiële kengetallen komt de set financiële kengetallen overeen met die van www.waarstaatjegemeente.nl.

In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden gebracht of de weerstandscapaciteit voldoende is. Hiervoor bestaan verschillende methoden.

Artikel 11 BBV luidt als volgt:

  • 1.

    Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen:

    • a.

      de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken;

    • b.

      alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

  • 2.

    De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat ten minste:

    • a.

      een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;

    • b.

      een inventarisatie van de risico's;

    • c.

      het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's;

    • d.

      een kengetal voor de:

1a°. netto schuldquote;

1b°. netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen;

  • 2°.

    solvabiliteitsratio;

  • 3°.

    grondexploitatie;

  • 4°.

    structurele exploitatieruimte; en

  • 5°.

    belastingcapaciteit.

    • e.

      een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie.

  • 3.

    Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel d, door provincies en gemeenten worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In aanvulling hierop is opgenomen dat de raad in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ook wordt geïnformeerd over de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud.

De navolgende leden bevatten de bepaling dat het college de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud aan de kapitaalgoederen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.

Artikel 12 BBV luidt als volgt:

  • 1.

    De paragraaf betreffende het onderhoud van kapitaalgoederen bevat ten minste de volgende kapitaalgoederen:

    • a.

      wegen;

    • b.

      riolering;

    • c.

      water;

    • d.

      groen;

    • e.

      gebouwen.

  • 2.

    Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven:

    • a.

      het beleidskader;

    • b.

      de uit het beleidskader voortvloeiende financiële consequenties;

    • c.

      de vertaling van de financiële consequenties in de begroting.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 14 welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen, dat de raad in de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over:

  • ·

    kosten, de opbouw en het verloop van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • ·

    de kosten van inhuur derden;

  • ·

    de huisvestingskosten;

  • ·

    de automatiseringskosten;

  • ·

    budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

  • ·

    de voortgang van de onderzoeken doelmatigheid en doeltreffendheid op grond van de desbetreffende verordening.

De definitie van ‘inhuur derden’ is als volgt: het inkopen van menskracht om producten te maken die mogen worden beschouwd als door de Renkumse organisatie gemaakt. Het betreft de inkoop van uren.

Artikel 14 BBV luidt als volgt:

De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering geeft ten minste inzicht in de stand van zaken en de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering.

Artikel 21. Verbonden partijen

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 15 welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet bevatten.

Artikel 15 BBV luidt als volgt:

  • 1.

    De paragraaf betreffende de verbonden partijen bevat ten minste:

    • a.

      de visie op en de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen;

    • b.

      de lijst van verbonden partijen, die wordt onderverdeeld in:

  • 1°.

    gemeenschappelijke regelingen;

  • 2°.

    vennootschappen en coöperaties;

  • 3°.

    stichtingen en verenigingen, en,

  • 4°.

    overige verbonden partijen;

    • c.

      de lijst van verbonden partijen.

  • 2.

    In de lijst van verbonden partijen wordt ten minste de volgende informatie opgenomen:

    • a.

      de wijze waarop de provincie onderscheidenlijk de gemeente een belang heeft in de verbonden partij en het openbaar belang dat ermee gediend wordt;

    • b.

      het belang dat de provincie onderscheidenlijk de gemeente in de verbonden partij heeft aan het begin en de verwachte omvang aan het einde van het begrotingsjaar;

    • c.

      de verwachte omvang van het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;

    • d.

      de verwachte omvang van het financiële resultaat van de verbonden partij in het begrotingsjaar;

    • e.

      de eventuele risico’s, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de verbonden partij voor de financiële positie van de provincie onderscheidenlijk gemeente.

Daarnaast zijn in dit artikel aanvullende wensen voor de informatie in deze paragraaf opgenomen.

Artikel 22. Grondbeleid

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. In aanvulling hierop is opgenomen dat de raad in de paragraaf grondbeleid ook wordt geïnformeerd over het verloop van de grondvoorraad en de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

Het tweede lid bepaalt dat het college de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen.

Artikel 16 BBV luidt als volgt:

De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste:

  • a.

    een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de doelstellingen van de programma's die zijn opgenomen in de begroting;

  • b.

    een aanduiding van de wijze waarop de provincie onderscheidenlijk gemeente het grondbeleid uitvoert;

  • c.

    een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale grondexploitatie;

  • d.

    een onderbouwing van de geraamde winstneming;

  • e.

    de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de risico's van de grondzaken.

Artikel 23. Administratie

Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.

Artikel 24. Financiële organisatie

Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet.

Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.

Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.

In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden.

De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de getrouwheid van de jaarrekening.

Artikel 25. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel 25 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.

Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.

Eens in de 4 jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Advies is om deze laatste controle eens in de vier of vijf jaar uit te voeren.

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t+1 en later.

De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling opgenomen.

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

NB Het verdient de voorkeur de nieuwe verordening in werking te laten treden op een datum voor het vaststellen van de voorjaarsnota en anders voor het vaststellen van de begroting van het jaar t+1. Anders moet artikel 27 worden uitgebreid met een bepaling die voorziet in terugwerkende kracht, zodat de bepalingen uit de nieuwe verordening ook gelden voor de begroting voor het jaar t+1.

Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 27 is een overgangsbepaling opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.

Vaststelling

Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De financiële verordening moet worden gepubliceerd.

Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet